RvS-16541
šļø Raad van State
š
2025-12-02
š FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
30 november 2006, Burgerlijk Wetboek, Grondwet
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.541 van 2 december 2025
in de zaak A. 246.360/VII-43.080
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Oriane Todts
kantoor houdend te 1060 Brussel
Henri Jasparlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 10 november 2025, strekt tot de
cassatie van arrest nr. 333.954 van 8 oktober 2025 van de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 21 november 2025 aangekomen ter
griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoƶrdineerde wetten
op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van
30 november 2006 ātot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van Stateā.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoƶrdineerd op
12 januari 1973.
Algemeen
1. Verzoeker werpt in het opschrift van het enige middel de schending
op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van het enige middel gaat hij slechts in
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.541 VII-43.080-1/5
op een aantal van deze bepalingen. Verzoekers kritiek wordt hierna in die mate behandeld. De
schending van de overige bepalingen is op kennelijk niet ontvankelijke wijze opgeworpen.
2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde
jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is
gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en
ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te
voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte
of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals
tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepaling.
Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending
van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke
motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet
antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd,
maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
bepaalt dat ā[n]iemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of
vernederende behandelingen of bestraffingenā. Deze bepaling stemt letterlijk overeen met
artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de
Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM).
3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt in punt 2.3.11. op
grond van een aantal landenrapporten een omstandige analyse van de situatie van begunstigden
van internationale bescherming in Griekenland. Hierin gaat hij uitgebreid in op de noodzaak
van een ADET (Griekse verblijfsvergunning) en de moeilijkheden om deze te verkrijgen. De
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent in punt 2.3.12. ādat de situatie van
statushouders in Griekenland op dit ogenblik bijzonder problematisch isā en hij merkt op dat
de bureaucratische hindernissen, de lengte van een procedure voor de afgifte of vernieuwing
van documenten, de politieke visie van de Griekse overheid, de gebrekkige uitvoering van
integratieprogrammaās, het gebrek aan tolken en de discriminatie bij de toegang tot
socialezekerheidsuitkeringen ābarriĆØres [vormen] die ervoor zorgen dat statushouders binnen
de Griekse samenleving in (zeer) precaire omstandigheden kunnen levenā. Na te hebben
verwezen naar de vereiste van het bereiken van āeen bijzonder hoge drempel van
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.541 VII-43.080-2/5
zwaarwegendheid [ā¦], wat afhangt van alle gegevens van de zaakā, vervolgt de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen:
āRekening houdend met de ter beschikking gestelde informatie overweegt de Raad in
de huidige stand van zaken dat er niet kan worden geconcludeerd dat (i) de
levensomstandigheden van statushouders in Griekenland zodanig zijn dat deze
statushouders, als zij naar daar zouden terugkeren, a priori allemaal automatisch
geconfronteerd zouden worden met een reƫel risico om terecht te komen in een toestand
van zeer verregaande materiƫle deprivatie waartegenover de Griekse autoriteiten
onverschillig (zouden) staan en dat (ii) een meer diepgaande individuele beoordeling
niet langer nodig is. De hoger vermelde informatie over de situatie in Griekenland is op
zichzelf niet voldoende om zonder meer te concluderen dat de bescherming die wordt
geboden aan iedereen die daar internationale bescherming heeft bekomen, niet langer
effectief of voldoende zou zijn, noch dat alle statushouders bij een terugkeer naar
Griekenland zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiƫle
deprivatie, ook al wordt de situatie daar gekenmerkt door grote onzekerheid of een
sterke verslechtering van de levensomstandigheden.
Met de loutere verwijzing naar de bijgebrachte en beschikbare algemene
landeninformatie in zijn verzoekschrift toont verzoeker niet aan dat elke begunstigde
van internationale bescherming in Griekenland zich in een situatie van zeer verregaande
materiƫle deprivatie, zoals geduid door het Hof van Justitie, bevindt of dat hij of zij er
bij terugkeer automatisch in zal belanden. De informatie die hij bespreekt ligt in lijn
met, dan wel werd supra reeds in beschouwing genomen bij de gemaakte analyse en
laat aldus niet toe tot een andersluidende conclusie te komen.ā
Met het voorgaande geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
duidelijk aan dat en op grond van welke informatie hij van oordeel is:
- dat niet voor iedere begunstigde van internationale bescherming in Griekenland kan worden
besloten dat hij bij een terugkeer naar Griekenland zou dreigen terecht te komen in een
toestand van zeer verregaande materiƫle deprivatie waardoor zijn situatie zou kunnen worden
gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals vereist door het
Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 19 maart 2019 in de gevoegde zaken
C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen Duitsland;
- dat āeen grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de
betrokken persoonā niet volstaat voor zover de āzeer verregaande materiĆ«le deprivatieā niet
wordt bereikt;
- dat met alle omstandigheden van de zaak rekening moet worden gehouden;
- dat het daarom ānoodzakelijk [is] om het verzoek om internationale bescherming van
verzoeker op basis van zijn individuele omstandigheden te beoordelenā.
Verzoeker beperkt zich tot algemene kritiek doch toont hiermee niet
aan dat de gegeven motieven niet zouden volstaan in het licht van de in artikel 149 van de
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.541 VII-43.080-3/5
Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Zo gaat verzoeker eraan voorbij dat tal
van overwegingen betreffende de algemene situatie voor statushouders in Griekenland
betrekking hebben op de noodzaak om een ADET te verkrijgen en de problemen om ze te
verkrijgen, terwijl uit de individuele beoordeling net blijkt ādat verzoeker nog steeds beschikt
over een geldige verblijfsvergunning (ADET), hetgeen hem toelaat toegang te verkrijgen tot
andere essentiĆ«le documenten en basisvoorzieningenā en dat deze nog geldig is tot
22 maart 2026. Dat verzoekers fysieke (gedrukte) ADET in Belgiƫ gestolen zou zijn, wordt in
het bestreden arrest niet geloofwaardig geacht. Minstens blijkt volgens de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen niet dat verzoeker ook zonder de gedrukte vergunning zou
worden geconfronteerd met de moeilijkheden die statushouders ondervinden die geen geldige
verblijfsvergunning hebben. Verzoeker gaat ook volledig voorbij aan de verdere individuele
beoordeling van zijn situatie.
Verzoeker geeft niet aan hoe, en toont a fortiori niet aan dat, de Raad
voor Vreemdelingenbetwistingen met de voorgaande beoordeling een betekenis zou hebben
gegeven aan bepaalde stukken die niet overeenstemt met de bewoordingen of de inhoud ervan.
Het loutere feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoeker verkeerde
feitelijke of juridische gevolgtrekkingen zou hebben getrokken, houdt geen verband met de
bewijskracht van akten zoals deze voortvloeit uit de artikelen 8.17 en 8.18 van het
Burgerlijk Wetboek.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schendt niet artikel 4 van
het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie door te oordelen dat, ook al kan
sprake zijn van een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de
levensomstandigheden van de betrokken personen, niet blijkt dat de begunstigden van
internationale bescherming in Griekenland zullen terechtkomen in een situatie van zeer
verregaande materiƫle deprivatie waardoor hun situatie kan worden gelijkgesteld met een
onmenselijke of vernederende behandeling. Verzoeker gaat hierbij ook voorbij aan de
beoordeling van zijn individuele situatie. In de mate dat verzoeker het niet eens is met die
analyse, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van
State als cassatierechter niet bevoegd is.
. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.541 VII-43.080-4/5
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twee december
tweeduizend vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.541 VII-43.080-5/5