ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251223.2N.1
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie
📅 2025-12-23
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
strafrecht
Samenvatting
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Volledige tekst
Nr. P.25.1607.N
P. M.,
veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd,
eiser,
met als raadsman mr. Marthe Everaet, advocaat bij de balie Antwerpen.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 19 november 2025.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste en derde middel
1. Het eerste onderdeel van het eerste middel voert schending aan van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering: het vonnis wijst de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht af omwille van het ontbreken van een concreet reclasseringsplan, het ontbreken van een aantoonbare dagbesteding of opleiding, het feit dat de toezichtsrol van de ouders pas zinvol kan zijn indien zij zicht hebben op een realistisch toekomstplan voor hun zoon en de eerdere ontduiking van de strafuitvoering; daardoor neemt het andere tegenindicaties aan dan de tegenindicatie van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden, die als enige tegenindicatie is opgenomen in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering.
Het tweede onderdeel van het eerste middel voert schending aan van de artikelen 98/13 en 98/16 Wet Strafuitvoering: het vonnis maakt geen gewag van actuele gedragingen die maken dat er een risico is voor de integriteit van derden; de beoordeling van dit risico wordt uitsluitend gebaseerd op de dossierstukken zoals bepaald in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering; door te eisen dat er een concreet plan van aanpak wordt bijgebracht onder leiding van de sociale dienst en waarvan de uitwerking bestaat uit het voorleggen van documentatie zoals arbeidsovereenkomsten, attesteringen en diploma’s wordt er voor de appreciatie van het risico op de fysieke integriteit van derden vereist dat bijkomende documenten en stukken moeten voorliggen.
Het derde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis motiveert het oordeel over het voorhanden zijn van een tewerkstelling niet; de eiser had per e-mail van 28 oktober 2025 melding gemaakt van een arbeidsovereenkomst en heeft die ook laten voegen bij het dossier; de strafuitvoeringsrechter moet dit stuk bij zijn beoordeling betrekken.
2. Artikel 98/13, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechter de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toekent onder meer op voorwaarde dat de veroordeelde beschikt over een verblijfplaats en er bij de veroordeelde geen direct waarneembaar risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
3. Artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat onder een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden wordt verstaan een risico dat op het eerste gezicht blijkt uit de actuele gedragingen van de veroordeelde of uit de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering.
4. Artikel 98/16, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de directeur de veroordeelde hoort en een dossier samenstelt dat voor de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht naast een afschrift van de opsluitingsfiche en informatie over de plaats waar het elektronisch toezicht zal worden doorgebracht het advies van de directeur bevat, met de elementen die de directeur relevant acht voor de beoordeling van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden alsook een voorstel tot toekenning of afwijzing en in voorkomend geval de bijzondere voorwaarden die hij noodzakelijk acht om het risico op recidive te beperken of die noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer.
5. Artikel 98/16, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank aan het dossier een geactualiseerd afschrift van het strafregister, een afschrift van de vonnissen en arresten van veroordeling en in voorkomend geval van de slachtofferfiches toevoegt.
6. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering blijkt dat de wetgever met de wettelijke omschrijving van deze tegenaanwijzing een extensieve interpretatie wilde tegengaan en dat de beoordeling van de tegenaanwijzing moet gebeuren:
- op basis van actuele gedragingen van de veroordeelde waarmee wordt bedoeld het gedrag dat hij stelde in detentie, tijdens de arrestatie of op het ogenblik van de opsluiting, met uitsluiting van gedragingen tijdens vorige detentieperiodes;
- of, op basis van de in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering vermelde stukken, zonder dat bijkomende stukken of adviezen mogen worden gevraagd.
7. De strafuitvoeringsrechter oordeelt onaantastbaar of de tegenaanwijzing voorhanden is van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden zoals omschreven in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering. Bij die beoordeling kan de strafuitvoeringsrechter het ontbreken van een concreet plan voor re-integratie of reclassering, het ontbreken van een aantoonbare dagbesteding of opleiding en een eerdere onttrekking aan de strafuitvoering betrekken.
8. De strafuitvoeringsrechter omkleedt de weigering om bij toepassing van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toe te kennen regelmatig met redenen met de vaststelling dat de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden voorhanden is en door te vermelden op welke feitelijke gegevens hij die vaststelling steunt.
9. Noch uit artikel 149 Grondwet noch uit de artikelen 98/13 en 98/16 Wet Strafuitvoering volgt voor de strafuitvoeringsrechter een verdergaande motiveringsverplichting. Zo moet hij geen melding maken van de door de veroordeelde ingediende stukken, of uitdrukkelijk aangeven dat hij die stukken bij zijn beoordeling heeft betrokken of op die stukken antwoorden.
10. Uit de omstandigheid dat de strafuitvoeringrechter geen melding maakt van een door de veroordeelde ingediend stuk, kan niet worden afgeleid dat hij dit stuk niet bij zijn beoordeling heeft betrokken.
11. De feitelijke gegevens die de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis vermeldt, moeten gelet op de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering opgenomen omschrijving van de tegenaanwijzing zijn ontleend aan ofwel actuele gedragingen van de veroordeelde ofwel aan de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering. Niet is vereist dat die gegevens zowel zijn ontleend aan de actuele gedragingen van de veroordeelde als aan de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering.
12. Het voorgaande belet nochtans niet dat de strafuitvoeringsrechter het voorhanden zijn van de door artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing kan afleiden uit de omstandigheid dat de door artikel 98/16 Wet Strafuitvoering bedoelde stukken niet doen blijken van een perspectief op werk, opleiding en een structurele gedragsverandering, terwijl uit de tekortkomingen op dit vlak de bedoelde tegenaanwijzing wordt afgeleid.
13. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
14. Met de redenen die het vonnis bevat en waaruit niet blijkt dat de strafuitvoeringsrechter een andere tegenaanwijzing dan de door artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing aanneemt, omkleedt de strafuitvoeringsrechter de beslissing tot afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht regelmatig met redenen en verantwoordt het die beslissing naar recht.
In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen.
Tweede middel
15. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiser geen vooruitzicht heeft op enige tewerkstelling miskent het vonnis de bewijskracht van eisers e-mail van 28 oktober 2025; de eiser heeft aan de strafuitvoeringsrechter een e-mail toegezonden waarin hij ook melding maakt van een arbeidsovereenkomst die hij bij de e-mail heeft gevoegd; het vonnis verwijst expliciet naar die e-mail; het vonnis ontkent niettemin het bestaan van een arbeidsovereenkomst.
16. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden wanneer hij de akte doet liegen.
17. Het vonnis verwijst voor het door het middel bekritiseerde oordeel niet naar het e-mailbericht van de eiser van 28 oktober 2025. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen.
Het middel mist feitelijke grondslag.
Ambtshalve onderzoek
18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 6,11 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Frédéric Lugentz, François Stévenart Meeûs, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 23 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.