Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.2

Beslissingsdetails

🏛️ Hof van Cassatie 📅 2025-12-16 🌐 NL Arrest

Rechtsgebied

strafrecht

Samenvatting

Samenvatting(en) nog niet beschikbaar

Volledige tekst

Nr. P.25.1101.N Y. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Stijn Dewolf, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen 1. S. M., 2. N. D., 3. T. M., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 juni 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep en de memorie 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft doen betekenen aan de verweerders of dat hij zijn memorie aan de verweerders ter kennis heeft gebracht, zoals nochtans vereist door de artikelen 427 en 429 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissingen op de burgerlijke vorderingen van de verweerders, zijn het cassatieberoep en de memorie niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel 2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 383bis, § 2, Strafwetboek, zoals van toepassing, artikel 417/46 Strafwetboek en artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt ten onrechte dat het moreel bestanddeel van het voortdurend misdrijf dat wordt opgeleverd door het bezit van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen, niet relevant is voor de beoordeling van de verjaring van de strafvordering met betrekking tot de feiten van de telastleggingen G.1 en G.2, zodat die feiten hebben voortgeduurd tot de inbeslagneming van de harde schijf van de eiser op 19 oktober 2022 en de verjaring van de strafvordering voor het geheel van de vermengde feiten van de telastleggingen A.1, A.2, B.1, B.2, C.1, C.2, D.1, D.2, E.1, E.2, G.1 en G.2 niet was ingetreden op 5 april 2024, dit is de datum van de aanhangigmaking van de zaak bij de vonnisrechter; de eiser had daarentegen aangevoerd dat het voor het vermelde misdrijf vereiste morele bestanddeel niet meer aanwezig was ten laatste op 6 april 2014 omdat hij vanaf die datum, waarop hij een algemene back-up van zijn gegevens heeft gemaakt op de achteraf in beslag genomen harde schijf, de beelden niet meer wetens in zijn bezit had; het morele misdrijfbestanddeel kan niet louter worden afgeleid uit de fysieke aanwezigheid van de beelden op een gegevensdrager; het arrest beantwoordt bovendien het verweer van de eiser niet en het miskent het vermoeden van onschuld. 3. Artikel 383bis, § 2, Strafwetboek, waarnaar wordt verwezen in de heromschreven telastlegging G.1, bestrafte tot en met 31 mei 2022 “[h]ij die wetens en wederrechtelijk kinderpornografisch materiaal verwerft, bezit of zich, met kennis van zaken, door middel van informatica- of communicatietechnologie, de toegang daartoe verschaft.” Artikel 417/46, eerste lid, Strafwetboek, waarnaar wordt verwezen in de heromschreven telastlegging G.2, bepaalt vanaf 1 juni 2022: “Bezitten en verwerven van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen is het bezitten of verwerven, al dan niet voor een derde, van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen.” 4. Die bepalingen vereisen dat de dader van het misdrijf weet dat hij minstens één van de erin bedoelde beelden in zijn bezit heeft. Het misdrijf duurt voort zolang de dader bewust de toestand van zijn wederrechtelijk bezit van het beeld ononderbroken laat voortduren, zonder dat daarvoor nog enige verdere gedraging van zijnentwege vereist is. 5. Dat de betrokkene na een bepaald moment of gedurende een zekere periode geen aandacht besteedt aan het beeld dat hij in zijn bezit houdt, betekent niet dat dit voortdurend misdrijf na dat moment of tijdens die periode ophoudt te bestaan. 6. De rechter oordeelt onaantastbaar of en hoelang een beklaagde een beeld van seksueel misbruik van een minderjarige wetens in zijn bezit heeft gehad. Daarbij kan de rechter rekening houden met de duur van de periode waarin de beklaagde het beeld, na het wetens te hebben verworven, heeft bewaard op een of meerdere hem toebehorende gegevensdragers. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. 7. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 8. Het arrest (p. 22 en 26-27) oordeelt onder meer als volgt: - “De strafvordering met betrekking tot de telastleggingen G.1 en G.2 is in deze zaak niet verjaard. De telastleggingen G.1 en G.2 viseren namelijk niet alleen het verwerven of het zich toegang verschaffen tot kinderpornografisch materiaal, maar ook het bezit ervan. Uit het strafonderzoek blijkt dat [de eiser] op 6 april 2014 kinderpornografisch materiaal op de harde schijf (NAS Synology) heeft geplaatst en dat deze harde schijf sindsdien onafgebroken in zijn bezit is geweest tot op het ogenblik van de huiszoeking op 19 oktober 2022. Anders dan [de eiser] voorhoudt, is de verjaringstermijn niet beginnen lopen vanaf het downloaden op 12 oktober 2007 nu het illegaal bezit van het kinderpornografisch materiaal zich verder heeft voorgedaan tot op 19 oktober 2022. De feiten van de telastleggingen G.1 en G.2 zijn verbonden door eenzelfde eenheid van opzet zodat de verjaringstermijn pas op het ogenblik van het laatste feit is beginnen lopen, dit is op 19 oktober 2022. Het argument van [de eiser] dat de beelden ongewild en onbewust mee “verhuisd” zijn van datadrager bij het maken van back-ups doorheen de jaren is niet relevant voor de beoordeling van de verjaring van de feiten. Het hof (van beroep) zal dit argument bij de behandeling ten gronde verder onderzoeken”; - “Uit het strafdossier blijkt dat [de eiser] een uitgesproken interesse had in seks binnen een incestueuze context. Het hof (van beroep) verwijst naar de bestandsnamen van het (kinder)pornografisch materiaal dat is aangetroffen op harde schijf NAS Synology, de expliciete inhoud van de Whatsappberichten van [de eiser] naar [B.] en zijn eigen verklaringen ter zake”; - “Het kinderpornografisch materiaal is niet per toeval op de harde schijf Nas Synology terechtgekomen, maar is, naast ander digitaal beeldmateriaal dat [de eiser] klaarblijkelijk wenste te bewaren, in twee mappen opgeslagen. Het feit dat daarbij meerdere bestandsnamen in de eerste map […] verwijzen naar expliciete kinderpornografische inhoud zoals “pedo, lolita, real child porn, undrage, young, preteen en incest”, maakt dat de bewering van [de eiser] dat hij onwetend was over het overschrijven (en bijgevolg het bezit) van dit kinderpornografisch materiaal, ongeloofwaardig is.” Het arrest (p. 24-25) stelt tevens vast dat bepaalde van de vermelde Whatsappberichten van de eiser dateren van 9 juli 2019, 6 september 2020 en 24 juni 2021. 9. Eensdeels onderzoekt het arrest met die redenen wel degelijk of de eiser na de back-up van zijn gegevens op een andere harde schijf nog wetens in het bezit is gebleven van de in de telastleggingen G.1 en G.2 vermelde beelden van seksueel misbruik van minderjarigen, beantwoordt het zijn verweer en omkleedt het de beslissing regelmatig met redenen. 10. Anderdeels kan het arrest op grond van die redenen wettig en zonder miskenning van het vermoeden van onschuld oordelen dat de eiser tot 19 oktober 2022 wetens in het bezit is gebleven van de op zijn harde schijf aangetroffen beelden van seksueel misbruik van minderjarigen, zodat de verjaring van de strafvordering voor de vermengde feiten van de telastleggingen A.1, A.2, B.1, B.2, C.1, C.2, D.1, D.2, E.1, E.2, G.1 en G.2 niet is bereikt. Het enkele feit dat het arrest eisers verweer over het onbewuste karakter van de back-up van de beelden zonder belang acht voor de verjaring van de strafvordering, doet daaraan geen afbreuk. 11. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 12. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 417/46 Strafwetboek en artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld en de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de partijen of hun raadsman: het arrest oordeelt ten onrechte dat de feiten van de telastleggingen G.1 en G.2 een voortgezet misdrijf uitmaken, terwijl zij een voortdurend misdrijf uitmaken; het arrest stelt bij de eiser geen moreel bestanddeel vast vanaf 1 juni 2022 (telastlegging G.2); het beantwoordt niet eisers verweer dat er bij hem geen moreel bestanddeel meer aanwezig is sinds de back-up van 6 april 2014; het motiveert niet waarom het voor de telastlegging G.2 een moreel bestanddeel bij de eiser aanneemt; het miskent het vermoeden van onschuld door zonder concreet onderzoek voor de telastlegging G.2 een moreel bestanddeel bij de eiser aan te nemen. 14. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel, kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen. 15. De omstandigheid dat het arrest de feiten van de telastleggingen G.1 en G.2 aanziet als een voortgezet in plaats van als een voortdurend misdrijf, heeft geen impact op de wettigheid van de door het onderdeel bekritiseerde beslissing. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde onderdeel 16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 383bis Strafwetboek, zoals van toepassing, artikel 417/46 Strafwetboek en artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld en de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de partijen of hun raadsman: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat hij de op zijn harde schijf teruggevonden beelden van seksueel misbruik van minderjarigen nooit bewust heeft gedownload of bewust heeft bewaard in de in het arrest vermelde mappen; het arrest kan uit de door de eiser gehanteerde mapstructuur niet zijn moreel misdrijfbestanddeel na de back-up afleiden; aldus miskent het arrest ook het vermoeden van onschuld. 17. Noch de verplichting van artikel 149 Grondwet om elk vonnis met redenen te omkleden, noch het vermoeden van onschuld houdt in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat een partij in conclusie louter ter ondersteuning van zijn verweer aanwendt, maar dat zelf geen zelfstandig verweer uitmaakt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 18. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel en deze waarmee voor het overige de schuld van de eiser aan de vermengde feiten van de telastleggingen A.1, A.2, B.1, B.2, C.1, C.2, D.1, D.2, E.1, E.2, G.1 en G.2 wordt vastgesteld, verwerpen en beantwoorden de appelrechters (arrest, p. 23-29) eisers in het onderdeel vermelde verweer door hun tegengestelde feitelijke beoordeling ervoor in de plaats te stellen. Zij moeten verder niet antwoorden op de in het onderdeel aangehaalde argumenten van de eiser, die geen zelfstandig verweer uitmaken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 19. Voor het overige komt het onderdeel, onder het mom van beweerde onwettigheden of motiveringsgebreken, in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel 20. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de partijen of hun raadsman: het arrest oordeelt dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de audiovisuele opname van het verhoor van het kind en het proces-verbaal van dat verhoor en het verwerpt eisers verweer dat de weergave in het proces-verbaal niet betrouwbaar is; die tegenstrijdigheid bestaat nochtans en is door de eiser aangevoerd; het arrest gaat niet in op dat verweer van de eiser en het motiveert niet waarom het de voorkeur geeft aan het proces-verbaal tegenover de beelden van het audiovisueel verhoor; in zoverre dat wel is gebeurd, miskent het arrest de bewijskracht en de bewijswaarde van het audiovisueel verhoor. 21. De miskenning van de bewijskracht veronderstelt een akte, dit wil zeggen een geschrift. Een audiovisuele opname is geen geschrift, zodat daarvan geen miskenning van de bewijskracht van akten kan worden aangevoerd. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 22. Met de redenen die het arrest (p. 20-21 en 26-28) vermeldt, beantwoordt het eisers in het middel vermelde verweer, zonder te moeten antwoorden op elk tot staving ervan aangevoerde argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 23. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 179,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.