Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.8

Beslissingsdetails

🏛️ Hof van Cassatie 📅 2025-12-16 🌐 NL Vonnis

Rechtsgebied

strafrecht

Geciteerde wetgeving

koninklijk besluit van 29 januari 2007

Samenvatting

Samenvatting(en) nog niet beschikbaar

Volledige tekst

Nr. P.25.1576.N I L. V., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Bart De Decker, advocaat bij de balie Dendermonde. II PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, verzoeker tot regeling van rechtsgebied, in de zaak van L. V., reeds vermeld, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 14 november 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN 1. De eiser I werd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 december 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig maanden, met terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank voor een periode van vijftien jaar. Door die beslissing is de straf die hem werd opgelegd bij vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen van 18 juni 2021, die hem had veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met probatie-uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een periode van vijf jaar, eveneens uitvoerbaar. 2. De eiser I heeft op 8 januari 2024 vanuit de gevangenis Antwerpen verzoeken ingediend voor de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteiten van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling. 3. Bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 7 juni 2024 werden die verzoeken onontvankelijk verklaard omdat niet was voldaan aan de tijdsvoorwaarden. 4. De eiser I heeft op 5 oktober 2024 vanuit de gevangenis Leuven-Centraal een verzoek om de toekenning van elektronisch toezicht ingediend. 5. Bij vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 24 februari 2025 heeft die rechtbank zich onbevoegd verklaard omdat de eerste verzoeken tot het verkrijgen van strafuitvoeringsmodaliteiten waren ingediend op de gevangenisgriffie te Antwerpen. 6. De eiser I heeft op 27 februari 2025 vanuit de gevangenis Leuven-Centraal een verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht ingediend. 7. Met het thans bestreden vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 14 november 2025 heeft deze strafuitvoeringsrechtbank zich territoriaal onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het door de eiser I op 27 februari 2025 op de griffie van Leuven-Centraal ingediend verzoekschrift. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 8. Het middel voert schending aan van artikel 635 Gerechtelijk Wetboek: het vonnis oordeelt ten onrechte dat de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen niet bevoegd is; de eiser I heeft zijn eerste verzoek ingediend op de griffie van de gevangenis Antwerpen, zodat de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen wel degelijk territoriaal bevoegd was en blijft voor elk navolgend verzoek. 9. Artikel 635, § 1, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat: - de strafuitvoeringsrechtbank bevoegd is voor de tot één of meerdere vrijheidsstraffen veroordeelden die gedetineerd zijn in de strafinrichtingen in het rechtsgebied van het hof van beroep waarin zij gevestigd is, behoudens de door de Koning bepaalde uitzonderingen; - zij bevoegd blijft voor elke beslissing tot op het moment van de definitieve invrijheidstelling; - de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank in uitzonderlijke gevallen haar bevoegdheid kan overdragen aan een andere strafuitvoeringsrechtbank op het eensluidend advies van die rechtbank. 10. Uit die bepaling volgt dat: - een strafuitvoeringsrechtbank territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit indien de veroordeelde gedetineerd is in een strafinrichting gelegen in het rechtsgebied waarvoor zij bevoegd is; - de strafuitvoeringsrechtbank bevoegd blijft tot de definitieve invrijheidstelling indien zij zich als eerste ten gronde heeft uitgesproken over een verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit. Die eerste adiëring, als die wordt gevolgd door een inhoudelijke beoordeling van het verzoek, is bevoegdheidsbepalend. Indien de strafuitvoeringsrechtbank zich niet inhoudelijk uitspreekt over het verzoek, maar zich beperkt tot het vaststellen van een afstand van het verzoek of het verzoek niet ontvankelijk verklaart, is die beslissing niet bepalend voor de territoriale bevoegdheid; - aan die territoriale bevoegdheidstoewijzing slechts een einde komt ingeval van een overdracht van bevoegdheid naar een andere strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig artikel 635, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. 11. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 12. Volgens artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 januari 2007 tot vaststelling van de territoriale bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbanken is de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel bevoegd voor de veroordeelde die gedetineerd is in de strafinrichtingen gelegen te Leuven en bijgevolg ook voor de strafinrichting te Leuven-Centraal. Volgens artikel 1 van dit besluit is de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen bevoegd voor de veroordeelde die is gedetineerd in strafinrichtingen gelegen te Antwerpen en bijgevolg ook voor de strafinrichting te Antwerpen. 13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, die eerst kennis heeft genomen van de op de griffie van de gevangenis Antwerpen op 8 januari 2024 ingediende verzoeken om strafuitvoeringsmodaliteiten, met het vonnis van 7 juni 2024 zich niet over die verzoeken ten gronde heeft uitgesproken, maar ze onontvankelijk heeft verklaard omdat niet voldaan was aan de tijdsvoorwaarden; - de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel zich, met verwijzing naar de eerder op de griffie van de gevangenis Antwerpen ingediende verzoeken, bij vonnis van 24 februari 2025 onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het op de griffie van de gevangenis Leuven-Centraal op 5 oktober 2024 ingediende verzoek om elektronisch toezicht. 14. Aangezien de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen zich met het vonnis van 7 juni 2024 niet ten gronde heeft uitgesproken over de eerst op de griffie van de gevangenis Antwerpen op 8 januari 2024 ingediende verzoeken, kan daaruit niet worden afgeleid dat de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen territoriaal bevoegd is. De strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen heeft dan ook met het thans bestreden vonnis terecht geoordeeld dat zij territoriaal niet bevoegd is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Verzoek om regeling van rechtsgebied 16. Op de rechtszitting van 16 december 2025 heeft de advocaat-generaal gevorderd om het rechtsgebied te regelen aangezien zowel de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel als de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen zich territoriaal onbevoegd verklaren om kennis te nemen van eisers verzoeken om een strafuitvoeringsmodaliteit. 17. Uit de voormelde gegevens en de hierna uit te spreken verwerping van eisers cassatieberoep volgt dat er tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 24 februari 2025 geen rechtsmiddel openstaat en dat het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 14 november 2025 definitief is. 18. De strijdigheid tussen die beide beslissingen doet een geschil over rechtsmacht ontstaan dat de rechtsgang belemmert, zodat er grond is tot regeling van rechtsgebied. 19. Uit de redenen die zijn vermeld in het antwoord op het door de eiser I aangevoerde middel volgt dat aangezien de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen zich met het vonnis van 7 juni 2024 niet ten gronde heeft uitgesproken over de eerst op de griffie van de gevangenis Antwerpen ingediende verzoeken om strafuitvoeringsmodaliteiten die rechtbank niet territoriaal bevoegd is. Derhalve was de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel territoriaal bevoegd om kennis te nemen van het door de eiser I op de griffie van de gevangenis Leuven-Centraal ingediende verzoek om elektronisch toezicht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep I. Veroordeelt de eiser I tot de kosten van dit cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Beslissende tot regeling van rechtsgebied. Vernietigt het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 24 februari 2025. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Verwijst de zaak naar de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, anders samengesteld. Laat de kosten ten laste van de Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.