ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.12
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie
📅 2025-12-16
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
strafrecht
Samenvatting
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Volledige tekst
Nr. P.25.1152.N
GAILLIAERT DRIES bv, met zetel te 8730 Beernem, Ruweschuurstraat 22, ON 0845.698.953,
burgerlijke partij,
eiseres,
met als raadsman mr. Victor Petitat, advocaat bij de balie West-Vlaanderen,
tegen
T. P.,
beklaagde,
verweerster.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 13 mei 2025.
De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 4 en 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis doet geen uitspraak over de tijdig ingestelde burgerlijke vordering van de eiseres; de omstandigheid dat de strafvordering was verjaard, heeft niet tot gevolg dat de strafrechter geen uitspraak meer moet doen over de burgerlijke vordering.
2. Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief.
In zoverre faalt het middel naar recht.
3. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiseres in haar appelgrievenformulier enkel de rubriek Andere heeft aangekruist met de toevoeging van de vermelding dat de veroordeling tot de rechtsplegingsvergoeding werd betwist. Het oordeelt vervolgens dat wat betreft de burgerlijke vordering enkel die veroordeling tot de appelsaisine behoort.
Het middel dat dit oordeel, dat de bestreden beslissing draagt, niet bekritiseert kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Tweede middel
Eerste onderdeel
4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiseres een rechtsplegingsvergoeding is verschuldigd voor de procedure in eerste aanleg en een voor de procedure in hoger beroep; de vordering van de eiseres werd niet inhoudelijk beoordeeld maar onontvankelijk verklaard op basis van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet; de eiseres heeft niet als enige hoger beroep aangetekend.
5. Artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard of die zich met een afzonderlijke vordering heeft aangesloten bij een rechtstreekse dagvaarding van een andere burgerlijke partij, of die, bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie, de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, hoger beroep heeft ingesteld en die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld tot het aan de beklaagde betalen van de in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek bedoelde vergoeding.
6. De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en van wie de burgerlijke vordering wordt afgewezen, is een in het ongelijk gestelde partij die gehouden is tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de beklaagde en dit ongeacht of de strafrechter de beklaagde schuldig heeft verklaard aan de met de rechtstreekse dagvaarding aanhangig gemaakte feiten en hem daarvoor tot straf heeft veroordeeld.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
7. De eiseres heeft voor wat betreft de beslissing op de burgerlijke vordering als enige hoger beroep ingesteld.
In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel
8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de eerste rechter heeft geoordeeld dat de vordering van de eiseres een gemengde vordering is; het oordeelt anderzijds dat die vordering geen gemengde vordering is om dan toch de door de eerste rechter aan de verweerster toegekende rechtsplegingsvergoeding te bevestigen.
9. Het bestreden vonnis oordeelt niet louter dat de vordering van de eiseres voor de eerste rechter geen gemengde vordering is, maar ook dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding moet worden bepaald op het bedrag van een in geld waardeerbare schadevergoedingsvordering.
Het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag.
Derde onderdeel
10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1017 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis weigert ten onrechte de rechtsplegingsvergoedingen te compenseren; de partijen werden onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk gesteld; de eerste rechter heeft de inbreuken bewezenverklaard, maar de burgerlijke vordering van de eiseres onontvankelijk verklaard; in hoger beroep werd de strafvordering wegens verjaring onontvankelijk verklaard zonder dat de burgerlijke vordering werd beoordeeld; de compensatie vereist geen wederzijdse vorderingen.
11. Artikel 1017, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat de kosten kunnen worden omgeslagen als de rechter het raadzaam acht, onder meer wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, is niet van toepassing in strafzaken.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 74,31 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.