ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251223.2N.11
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie
📅 2025-12-23
🌐 NL
Rechtsgebied
strafrecht
Samenvatting
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Volledige tekst
Hof van Cassatie
Vonnis/arrest van 23 december 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251223.2N.11
Rolnummer:
P.25.1641.N
Zaak:
L.
Kamer:
2N - tweede kamer
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2025-12-30
Raadplegingen:
37 - laatst gezien 2026-01-01 16:15
Versie(s):
Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar
Fiche
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Thesaurus CAS:
VREEMDELINGEN
Tekst van de beslissing
Nr. P.25.1641.N
K. L.,
veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd,
eiser,
met als raadsman mr. Nicolas Cohen, advocaat bij de balie Brussel.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 27 november 2025.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het vonnis wijst de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied af op het gegeven dat niet blijkt dat de eiser niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk, terwijl de eiser niet op de hoogte was van de afwezigheid van een dergelijk bewijs en daarover geen tegenspraak heeft kunnen voeren.
2. Artikel 98/11, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied wordt toegekend aan de veroordeelde van wie op grond van een advies van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk.
3. Uit die bepaling en uit de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de strafuitvoeringsrechter vooraleer hij de door artikel 98/11 Wet Strafuitvoering bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit kan toekennen, de beschikking moet hebben over dit advies.
4. De procedure betreffende de al dan niet toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied zoals geregeld door de artikelen 98/11, 98/13, 98/15, 98/16 en 98/18 tot en met 98/26 Wet Strafuitvoering, is een schriftelijke procedure waarin de strafuitvoeringsrechter beslist op basis van het ambtshalve advies van de directeur, van het door de directeur, na het horen van de veroordeelde, bij toepassing van artikel 98/16 Wet Strafuitvoering samengesteld dossier en van eventueel een advies van het openbaar ministerie.
5. Noch uit die bepalingen noch uit het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging volgt dat de strafuitvoeringsrechter die vaststelt dat het door artikel 98/11, eerste lid, Wet Strafuitvoering vereiste advies van de dienst Vreemdelingenzaken niet voorhanden is, de veroordeelde de gelegenheid moet geven om daarover standpunt in te nemen. De veroordeelde kan over het al dan niet voldaan zijn aan die bij de wet bepaalde en dus gekende vereiste zijn verweer laten gelden op het ogenblik dat hij bij toepassing van artikel 98/16 Wet Strafuitvoering wordt gehoord door de directeur.
Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede middel
6. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 98/13, eerste en derde lid, en 98/16, Wet Strafuitvoering: de terugkeer van de eiser naar zijn thuisland kan niet als een tegenaanwijzing worden aangenomen; het vonnis motiveert niet voldoende uit welke stukken de tegenaanwijzing van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden wordt afgeleid; het motiveert evenmin waarom er sprake is van een onmiddellijk waarneembaar risico.
Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis stelt weliswaar het voorhanden zijn vast van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden, maar het onderzoekt niet en motiveert evenmin waarom daaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
7. Het vergeefs met het eerste middel bekritiseerde oordeel dat niet blijkt dat de eiser niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk overeenkomstig artikel 98/11 Wet Strafuitvoering schraagt de beslissing tot afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied. Het middel dat enkel het oordeel betreffende het voorhanden zijn van de in artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden bekritiseert, kan dan ook niet tot cassatie leiden.
Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek
8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 6,11 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Frédéric Lugentz, François Stévenart Meeûs, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 23 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.