ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.22
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie
📅 2025-12-16
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
koninklijk besluit van 17 maart 2010
Samenvatting
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Volledige tekst
Nr. P.25.0395.N
BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de regionale directeur van de algemene administratie van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plaeten, Sint-Lievenslaan 27, ON 0308.357.159,
vervolgende partij,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
1. DBS BELGIUM bv, met zetel te 8630 Veurne, Albert I laan 15, ON 0454.669.682,
beklaagde,
2. O. M.,
beklaagde,
3. A. M.,
beklaagde,
4. Y. S.,
beklaagde,
verweerders,
allen vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 januari 2025.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 205 AWDA, de artikelen 18, 19, § 2, 3°, 4°, 5° en 7°, 24, § 1 en § 2, 45 en 47, Accijnswet 2009, de artikelen 5 en 9 van het koninklijk besluit van 17 maart 2010 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen (hierna KB 17 maart 2010), artikel 10 van het ministerieel besluit van 1 februari 1994 betreffende het accijnsstelsel van bier (hierna MB 1 februari 1994), de artikelen 15, 16 en 17 van het ministerieel besluit van 10 juni 1994 betreffende het accijnsstelsel van wijn, andere gegiste dranken en tussenprodukten (hierna MB 10 juni 1994) en artikel 10 van het ministerieel besluit van 30 oktober 2009 betreffende het accijnsstelsel van ethylalcohol en de uitvoeringsmodaliteiten betreffende de vrijstellingen inzake ethylalcohol en alcoholhoudende dranken (hierna MB 30 oktober 2009): met het oordeel dat de eiser het door de verweerster 1 voor haar voorraadadministratie toegepaste maar niet-vergunde Vinistoria-systeem als bewijskrachtig moet aanvaarden, verantwoordt het arrest de vrijspraak van de verweerders niet naar recht; zonder instemming van de eiser kan voor een voorraadadministratie immers geen gebruik worden gemaakt van het Vinistoria-systeem dat niet is opgesteld overeenkomstig de wettelijke voorschriften en modellen; de verweerders hebben op het ogenblik van de controle door de eiser dan ook geen onmiddellijk raadpleegbare, correcte en wettelijk vergunde voorraadadministratie voorgelegd, waardoor niet werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen inzake het houden van een correcte voorraadadministratie en het naleven van de controlemaatregelen die voortvloeien uit de aan de verweerster 1 uitgereikte vergunning erkend entrepothouder.
2. Het arrest oordeelt niet dat de eiser het door de verweerster 1 toegepaste Vinistoria-systeem als bewijskrachtig voor haar voorraadadministratie moet aanvaarden.
In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
3. Voor het overige komt het onderdeel, dat formeel wetsschendingen aanvoert, in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of vraagt het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.
In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
Tweede en derde onderdeel
4. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 71 Strafwetboek, artikel 205 AWDA, de artikelen 18, 19, § 2, 3°, 4°, 5° en 7°, 24, § 1 en § 2, 45 en 47, Accijnswet 2009, de artikelen 5 en 9 KB 17 maart 2010, artikel 10 MB 1 februari 1994, de artikelen 15, 16 en 17 MB 10 juni 1994 en artikel 10 MB 30 oktober 2009: door te oordelen dat de eiser niet erin slaagt aan te tonen of aannemelijk te maken dat de verweerders bewust wetens en willens frauduleus hebben gehandeld als dader, mededader, medeplichtige of belanghebbende aan de telastleggingen A tot en met J (het niet-houden van een correcte voorraadadministratie en het niet-naleven van de controlemaatregelen van de vergunning erkend entrepothouder) en dat er redelijke twijfel is over enige aanwezigheid van misdadig opzet bij de verweerders met betrekking tot de materiële menselijke verschrijvingen, vergissingen, fouten en onvolledigheden in de aan de eiser bezorgde boekhoudbestanden, verantwoordt het arrest de vrijspraak van de verweerders voor die telastleggingen niet naar recht; bij gebrek aan de vaststelling van overmacht of onoverwinnelijke dwaling bij de verweerders volstaat voor strafbaarheid immers de loutere overtreding van de desbetreffende strafbepalingen en dient de eiser geen verder bewijs te leveren.
Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 71 Strafwetboek, de artikelen 205 en 257, § 3, AWDA, de artikelen 6, § 1 en § 2, a), 7, § 1, a) i), 18, 19, § 2, 3°, 4°, 5° en 7°, 24, § 1 en § 2, 45 en 47, Accijnswet 2009, de artikelen 5 en 9 KB 17 maart 2010, artikel 10 MB 1 februari 1994, de artikelen 15, 16 en 17 MB 10 juni 1994 en artikel 10 MB 30 oktober 2009: door te oordelen dat de eiser niet erin slaagt aan te tonen of aannemelijk te maken dat de verweerders bewust wetens en willens frauduleus hebben gehandeld als dader, mededader, medeplichtige of belanghebbende aan de telastleggingen K tot en met N (onregelmatige uitslag ten verbruik van bier en wijn door onttrekking ervan aan een accijnsschorsingsregeling) en dat er redelijke twijfel is over enige aanwezigheid van misdadig opzet bij de verweerders met betrekking tot de materiële menselijke verschrijvingen, vergissingen, fouten en onvolledigheden in de aan de eiser bezorgde boekhoudbestanden, verantwoordt het arrest de vrijspraak van de verweerders voor die telastleggingen niet naar recht; bij gebrek aan de vaststelling van overmacht of onoverwinnelijke dwaling bij de verweerders volstaat voor strafbaarheid immers de loutere overtreding van de desbetreffende strafbepalingen en dient de eiser geen verder bewijs te leveren.
5. Artikel 205 AWDA bepaalt dat wanneer de ambtenaren van de douane en accijnzen vaststellen dat de handelsboeken, de handelsgeschriften of de handelsdocumenten van een handelaar gegevens bevatten die niet overeenstemmen wat betreft de aan- en verkoop van met rechten of met accijns belaste goederen of goederen waarvoor bedragen bij invoer of bij uitvoer kunnen worden toegekend, die boeken, geschriften en documenten kunnen worden ingeroepen als bewijs van de vaststelling van een fraude van de rechten zolang het tegendeel niet bewezen is.
6. Die bepaling voorziet in een weerlegbaar bewijsmiddel dat eveneens geldt inzake accijnsgoederen zoals gedefinieerd in artikel 1, 11, AWDA en doet geen afbreuk aan andere toepasselijke bewijsmiddelen. Die bijzondere bewijsregeling houdt in dat een handelaar gehouden kan worden tot het leveren van het bewijs van het tegendeel zonder dat daarmee tegen hem een wettelijk vermoeden van toerekenbaarheid van een accijnsmisdrijf wordt ingesteld.
7. Het arrest stelt vast dat de eiser een onaangekondigde opneming in het belastingentrepot van de verweerster 1 heeft uitgevoerd en daarna haar voorraadadministratie volledig heeft doorgelicht. De eiser steunt de vervolging van alle ten laste gelegde feiten op de vastgestelde verschillen.
8. Op grond van een geheel van feiten die het vaststelt, oordeelt het arrest vervolgens in essentie dat:
- de eiser zelf heeft bevestigd dat onder meer de binnenkomende en uitgaande e-AD’s die niet in de zelf door de verweerders opgestelde en voorgelegde Excel-bestanden waren ingeschreven, bij nazicht in het Vinistoria-systeem van de verweerders, wel degelijk in dat systeem waren ingeput, wat de stelling van de materiële menselijke verschrijvingen, vergissingen, fouten en onvolledigheden bevestigt;
- de verweerders een aannemelijk verweer hebben gevoerd en alle relevante stukken, voornamelijk afkomstig van het Vinistoria-systeem, hebben verzameld om vervolgens een globaal synthesestuk per telastlegging op te stellen, waarbij zij wat betreft iedere individuele telastlegging de aantijgingen van de eiser aannemelijk weerleggen, minstens aannemelijk aantonen dat er nooit sprake is geweest van enige fraude;
- de eiser totaal in gebreke blijft het geloofwaardig verweer te ontkrachten.
9. Op grond van die redenen oordelen de appelrechters dat met betrekking tot alle ten laste gelegde onregelmatigheden in de schoot van de verweerster 1 een volwaardige en correcte voorraadadministratie werd gevoerd en dat het tegendeel van het fraudevermoeden werd bewezen. Verder geven zij te kennen dat ook voor het overige de beoordelingsgegevens van het strafdossier noch het onderzoek ter rechtszitting toelaten om de feiten van de telastleggingen A tot en met N bewezen te verklaren.
10. Aldus oordeelt het arrest dat het materieel bestanddeel van de ten laste gelegde accijnsmisdrijven niet werd bewezen. De onderdelen die enkel betrekking hebben op het moreel bestanddeel van de telastleggingen, kunnen niet tot cassatie leiden en zijn bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek
11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 128,21 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.