Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.175

Beslissingsdetails

🏛️ Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) 📅 2025-12-18 🌐 NL Arrest Vernietiging

Rechtsgebied

grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

artikel 2 van de wet van 9 februari 2024; artikel 4 van de wet van 28 juli 1981; wet van 28 juli 1981; wet van 6 januari 1989; wet van 9 februari 2024

Samenvatting

het beroep tot vernietiging van de wet van 9 februari 2024 « tot wijziging van de wet van 28 juli 1981 houdende de goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, ...

Volledige tekst

Grondwettelijk Hof Arrest nr. 175/2025 van 18 december 2025 Rolnummer : 8337 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 9 februari 2024 « tot wijziging van de wet van 28 juli 1981 houdende de goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979 », ingesteld door de vzw « Safari Club International België Nederland Luxemburg » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 oktober 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 oktober 2024, is beroep tot vernietiging van de wet van 9 februari 2024 « tot wijziging van de wet van 28 juli 1981 houdende de goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 april 2024) ingesteld door de vzw « Safari Club International België Nederland Luxemburg », de organisatie zonder winstoogmerk naar het recht van de deelstaat Texas (Verenigde Staten) « International Professional Hunters’ Association », de vereniging naar Pakistaans recht « Society for Torghar Environmental Protection » en de organisatie zonder winstoogmerk naar het recht van Zambia « Zambia Community-Based Natural Resources Management Forum », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jan Bouckaert, mr. Sophie Adriaenssen en mr. Quentin Declève, advocaten bij de balie te Brussel. 2 Memories zijn ingediend door : - de vzw « Délégation belge du Conseil International pour la Conservation du Gibier et de la Faune sauvage », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jan Bouckaert en mr. Quentin Declève (tussenkomende partij); - de vzw « Ligue Royale Belge pour la Protection des Oiseaux », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Alain Lebrun, advocaat bij de balie Luik-Hoei (tussenkomende partij); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean-François De Bock en mr. Pascaline Michou, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « Délégation belge du Conseil International pour la Conservation du Gibier et de la Faune sauvage »; - de Ministerraad. Bij beschikking van 24 september 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 8 oktober 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 12 november 2025. Op de openbare terechtzitting van 12 november 2025 : - zijn verschenen : . mr. Jan Bouckaert en mr. Sophie Adriaenssen voor de verzoekende partijen en voor de vzw « Délégation belge du Conseil International pour la Conservation du Gibier et de la Faune sauvage »; . mr. Alain Lebrun, voor de vzw « Ligue Royale Belge pour la Protection des Oiseaux »; . mr. Jean-François De Bock, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de taal van de procedure A.1.1. De Ministerraad werpt op dat de maatschappelijke zetel van de eerste verzoekende partij in Knokke- Heist is gevestigd en dat het verzoekschrift bijgevolg in het Nederlands moest worden ingediend. A.1.2. De verzoekende partijen verwijzen naar artikel 62 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Wat betreft het belang van de verzoekende en tussenkomende partijen A.2.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen. De eerste verzoekende partij werd pas opgericht nadat de wet van 9 februari 2024 « tot wijziging van de wet van 28 juli 1981 houdende de goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979 » (hierna : de wet van 9 februari 2024) werd aangenomen, hoogstwaarschijnlijk enkel om deze wet aan te vechten. De overige verzoekende partijen zijn allen gevestigd in het buitenland en tonen niet aan hoe hun situatie door de bestreden wet wordt beïnvloed. Zij tonen niet aan enige activiteit in België uit te oefenen. De Ministerraad betwist daarnaast het belang van de vzw « Délégation belge du Conseil International pour la Conservation du Gibier et de la Faune sauvage » bij de tussenkomst. Die vzw werd pas opgericht nadat het beroep werd ingediend. Bijgevolg kan zij niet volhouden dat haar statutair doel wordt geraakt door de bestreden wet. Bovendien toont zij niet aan hoe haar statutair doel zou worden geraakt : het importverbod verhindert de jacht niet, noch in België, noch in het buitenland. A.2.2. De verzoekende partijen en de vzw « Délégation belge du Conseil International pour la Conservation du Gibier et de la Faune sauvage » wijzen erop dat het belang moet bestaan op het moment van het indienen van het beroep, niet op het moment dat de bestreden wet wordt aangenomen. Er kan evenmin worden volgehouden dat de bestreden bepalingen de activiteiten van de verzoekende partijen niet raken. Wat betreft het voorwerp van het beroep A.3. De vzw « Ligue Royale Belge pour la Protection des Oiseaux » betwist de ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het gericht is tegen de goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973. Het voorwerp van het beroep moet bovendien beperkt worden tot de soorten die mogelijk het voorwerp uitmaken van trofeejacht, in het licht van het belang van de verzoekende partijen. 4 Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.4.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de wet van 9 februari 2024, van de artikelen 3 en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), van artikel 4 van de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 « inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer » (hierna : de verordening (EG) nr. 338/97) en van artikel 57 van de verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 « houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer » (hierna : de verordening (EG) nr. 865/2006), in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij voeren aan dat de Europese Unie als enige bevoegd is voor het gemeenschappelijk handelsbeleid. De Belgische Staat is dus niet bevoegd. Die schending van het VWEU is discriminerend in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en kan dus door het Hof worden beoordeeld. In ondergeschikte orde voeren zij aan dat het beginsel van de primauteit van het recht van de Europese Unie het Hof verplicht de bestreden wet te vernietigen. Indien het Hof zich niet bevoegd zou achten, verzoeken zij om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag te stellen : « Verplichten de autonomie van de rechtsorde van de Unie en in het bijzonder de beginselen van voorrang van het Europees recht en van loyale samenwerking een rechtscollege van een lidstaat ertoe de naleving van de interne rechtsnormen van die lidstaat te toetsen aan het Europees recht, zelfs al zou dat rechterlijk toezicht volgens het nationaal recht van een lidstaat (zelfs van grondwettelijke rang) alleen beperkt zijn tot de naleving van het nationaal recht (zelfs indien dat eveneens van grondwettelijke rang is) ? ». Indien het Hof zou twijfelen over de gegrondheid van het middel, nodigen de verzoekende partijen het Hof uit om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vragen te stellen : « 1) Vormt een regelgeving houdende beperking van de invoer van jachttrofeeën, zoals bedoeld in artikel 1, 4ter, van de verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, afkomstig van : 1 specimens van soorten of populaties die zijn opgenomen in bijlage A van de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer; en 2 specimens van soorten of populaties die zijn opgenomen in bijlage B van de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, die tevens zijn opgenomen in bijlage XIII van de verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer een maatregel die onder het gemeenschappelijk handelsbeleid valt ? 2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is een lidstaat bevoegd om een dergelijke nationale maatregel aan te nemen, terwijl de Unie krachtens artikel 3 (1) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie exclusief bevoegd is op het gebied van het gemeenschappelijk handelsbeleid ? ». A.4.2. De vzw « Délégation belge du Conseil International pour la Conservation du Gibier et de la Faune sauvage » sluit zich aan bij dit middel. A.4.3. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het middel, aangezien het Hof niet bevoegd is om rechtstreeks te toetsen aan internationale normen. Niet elke schending van het Unierecht maakt een schending van het gelijkheidsbeginsel uit. Bovendien vermelden de verzoekende partijen niet welke categorieën met elkaar moeten worden vergeleken. 5 In ondergeschikte orde is het Hof niet bevoegd om zich uit te spreken over een eventueel bevoegdheidsconflict tussen de Belgische en Europese wetgevers. De verzoekende partijen moeten zich daarvoor richten tot het Hof van Justitie. In nog meer ondergeschikte orde is het middel volgens de Ministerraad niet gegrond. De wet van 9 februari 2024 werd aangenomen op basis van de gedeelde milieubevoegdheid. Hij verwijst daarbij naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. De probleemloze aanmelding van de bestreden regeling aan de Europese Commissie bevestigt dit. Hetzelfde geldt voor de vaststelling dat meerdere andere lidstaten van de Europese Unie zeer vergelijkbare wetgeving hebben ingevoerd. Gelet op de voormelde opmerkingen, is er geen noodzaak om de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen. A.4.4. De vzw « Ligue Royale Belge pour la Protection des Oiseaux » gedraagt zich, wat dit middel betreft, naar de wijsheid van het Hof. Wat betreft het tweede middel A.5.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1, 3, 8, 10 en 12 van het Verdrag van 5 juni 1992 inzake biologische diversiteit (hierna : het Biodiversiteitsverdrag). Zij klagen aan dat de bestreden wet een onverantwoord verschil in behandeling invoert onder jagers, naargelang zij jachttrofeeën invoeren van dieren die al dan niet op de in artikel 4 van de wet van 28 juli 1981 « houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten, en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979 » beoogde lijsten staan. Nochtans heeft het invoerverbod geen enkel positief gevolg voor de instandhouding van de betrokken wilde diersoorten, maar schaadt het integendeel het behoud van de betrokken diersoorten, waardoor het Biodiversiteitsverdrag geschonden wordt. De wet is niet noodzakelijk en kon door talloze minder verregaande alternatieve worden vervangen. A.5.2. De vzw « Délégation belge du Conseil International pour la Conservation du Gibier et de la Faune sauvage » sluit zich aan bij dit middel. A.5.3. De Ministerraad antwoordt dat de bestreden wet een legitiem doel nastreeft, in lijn met en conform de verordening (EG) nr. 338/97. Het criterium van onderscheid is objectief en pertinent, aangezien enkel de meest bedreigde diersoorten worden beoogd. Het verbod draagt wel degelijk bij tot het behoud van de betrokken soorten, zoals blijkt uit het meest actuele wetenschappelijk onderzoek. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, is de trofeejacht niet duurzaam. De regeling heeft tot slot geen onredelijke gevolgen, temeer omdat de uitvoeringsverordening (EU) 2023/2770 van de Commissie van 12 december 2023 « tot instelling van een verbod op het binnenbrengen in de Unie van specimens van bepaalde in het wild levende dier- en plantensoorten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer » reeds de invoer van een aantal van de betrokken soorten verbiedt. Andere maatregelen konden niet redelijkerwijze hetzelfde doel bereiken. A.5.4. Volgens de vzw « Ligue Royale Belge pour la Protection des Oiseaux » is dit middel niet gegrond. Zij wijst erop dat het middel niet overal coherent wordt uiteengezet in het verzoekschrift. Zij benadrukt dat er in bijlage XIII van de verordening (EG) nr. 865/2006 maar twaalf zoogdieren staan, waaronder olifanten, nijlpaarden, de witte neushoorn, de leeuw en de ijsbeer. De nood aan bescherming is dan ook evident. Wat betreft het derde middel A.6.1. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het invoerverbod beperkt het eigendomsrecht van jagers die in het buitenland een trofee bezitten van een betrokken diersoort. A.6.2. De vzw « Délégation belge du Conseil International pour la Conservation du Gibier et de la Faune sauvage » sluit zich aan bij dit middel. 6 A.6.3. De Ministerraad antwoordt dat de verzoekende partijen op geen enkele wijze aantonen hoe hun eigendomsrecht geschonden zou zijn. De bestreden wet voldoet aan alle voorwaarden die kunnen worden afgeleid uit de rechtspraak van het Hof, het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de rechten van de mens. Het middel is ongegrond. Ook de vzw « Ligue Royale Belge pour la Protection des Oiseaux » voert aan dat dit middel niet gegrond is. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en het voorwerp van het beroep B.1.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de wet van 9 februari 2024 « tot wijziging van de wet van 28 juli 1981 houdende de goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979 » (hierna : de wet van 9 februari 2024). Die wet bevat slechts twee artikelen. B.1.2. Artikel 1 bepaalt : « Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet ». Artikel 2 bepaalt : « [Artikel] 4 van de wet van 28 juli 1981 houdende de goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979 waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende : ‘ § 2. De invoer is verboden van jachttrofeeën, zoals bedoeld in artikel 1, 4ter van de verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, afkomstig van : 1° specimens van de soorten of populaties die zijn opgenomen in bijlage A van de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer; en 2° specimens van de soorten of populaties die zijn opgenomen in bijlage B van de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in 7 het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, die tevens zijn opgenomen in bijlage XIII van de verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer. Aanvragen voor invoervergunningen, zoals bedoeld in artikel 4 van de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, voor jachttrofeeën zoals bedoeld in het eerste lid van huidige paragraaf, die na de inwerkingtreding van deze paragraaf worden ingediend, worden door de Dienst afgewezen. ’ ». B.1.3. Artikel 4, § 2, van de wet van 28 juli 1981 « houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten, en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979 » (hierna : de wet van 28 juli 1981), zoals ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 9 februari 2024, verbiedt de invoer van jachttrofeeën van soorten of populaties die zijn opgenomen in bijlage A bij de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 « inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer » (hierna : de verordening (EG) nr. 338/97) en de soorten die zijn opgenomen in bijlage B bij die verordening en die eveneens zijn opgenomen in bijlage XIII bij de verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 « houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer » (hierna : de verordening (EG) nr. 865/2006). B.1.4. Artikel 3, leden 1 en 2, van de verordening (EG) nr. 338/97 bepaalt het toepassingsgebied van de bijlagen A en B : « 1. Bijlage A bij deze verordening omvat : a) de in bijlage I bij de Overeenkomst opgenomen soorten waarvoor de Lid-Staten geen voorbehoud hebben gemaakt; b) soorten i) die voor gebruik in de Gemeenschap afgenomen worden of kunnen worden of die het voorwerp van internationale handel uitmaken of kunnen uitmaken, en die met uitsterven bedreigd worden dan wel zo zeldzaam zijn dat ook het meest beperkte handelsverkeer het voortbestaan van de soort in gevaar zou brengen, 8 of ii) die behoren tot een genus waarvan de meeste soorten, of die een soort vormen waarvan de meeste ondersoorten, op basis van de onder a) of onder b), i), vermelde criteria in bijlage A zijn opgenomen en die zelf ook in die bijlage dienen te worden opgenomen, omdat anders een doeltreffende bescherming van de beoogde taxa onmogelijk is. 2. Bijlage B bij deze verordening omvat : a) de in bijlage II bij de Overeenkomst opgenomen soorten die niet in bijlage A zijn opgenomen, en waarvoor de Lid–Staten geen voorbehoud hebben gemaakt; b) de in bijlage I bij de Overeenkomst opgenomen soorten waarvoor een voorbehoud is gemaakt; c) niet in de bijlagen I of II bij de Overeenkomst opgenomen soorten : i) die het voorwerp uitmaken van zoveel internationale handel dat deze een bedreiging zou kunnen vormen : – voor het voortbestaan van deze soorten, of het voortbestaan van de populaties daarvan in bepaalde landen, of – voor de instandhouding van de populatie op een voldoende getalsterkte opdat deze soorten in de ecosystemen waarin ze voorkomen hun rol naar behoren zouden kunnen vervullen; of ii) waarvan de opneming in de bijlage, gezien hun uiterlijke gelijkenis met andere in bijlage A of bijlage B opgenomen soorten, onontbeerlijk is om de handel in tot deze soorten behorende specimens daadwerkelijk te kunnen controleren; d) soorten waarvan vaststaat dat het binnenbrengen van levende specimens in het natuurlijk milieu van de Gemeenschap een ecologische bedreiging vormt voor inheemse, in het wild levende dier- en plantesoorten van de Gemeenschap ». B.1.5. De « Overeenkomst » waarnaar wordt verwezen in het voormelde artikel 3, lid 2, a) en b), is de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973 (hierna : de CITES- overeenkomst). Bijlage I van de CITES-overeenkomst « omvat alle met uitsterven bedreigde soorten die door de handel worden of zouden kunnen worden getroffen. De handel in specimens van deze soorten moet aan bijzonder strenge voorschriften worden onderworpen teneinde hun voortbestaan niet verder in gevaar te brengen en zij moet slechts in buitengewone gevallen worden toegestaan » (artikel II, lid 1, van de CITES-overeenkomst). Bijlage II omvat « alle 9 soorten die weliswaar niet noodzakelijkerwijze thans worden bedreigd met uitsterven, maar die hieraan zouden kunnen worden blootgesteld indien de handel in specimens van deze soorten niet zou worden onderworpen aan strenge voorschriften die ten doel hebben de hun voortbestaan bedreigende exploitatie te vermijden » (artikel II, lid 2, a)) en « andere soorten die aan voorschriften moeten worden onderworpen teneinde de in alinea a) bedoelde controle op de handel in specimens van bepaalde soorten doeltreffend te maken » (artikel II, lid 2, b), van de CITES-overeenkomst). B.1.6. Artikel 4, leden 1 en 2, van de verordening (EG) nr. 338/97 bepaalt dat specimens van de in bijlagen A en B vermelde soorten slechts onder strikte voorwaarden in de Gemeenschap mogen worden binnengebracht : « 1. Specimens van in bijlage A bij deze verordening genoemde soorten mogen slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat van bestemming. Die invoervergunning mag enkel worden afgegeven met inachtneming van de in lid 6 opgelegde beperkingen en indien is voldaan aan de volgende voorwaarden : a) uitgaande van het advies van de wetenschappelijke studiegroep is de bevoegde wetenschappelijke autoriteit van mening dat het binnenbrengen in de Gemeenschap : i) geen nadelig effect zal hebben op de instandhouding of op de omvang van het verspreidingsgebied van de populatie van de betrokken soort; ii) geschiedt : — voor een van de in artikel 8, lid 3, onder e), f) en g), genoemde doeleinden, dan wel — voor andere doeleinden die het voortbestaan van de betrokken soort niet nadelig beïnvloeden; b) i) de aanvrager bewijst dat de specimens zijn verkregen overeenkomstig de wetgeving betreffende de bescherming van de betrokken soort, hetgeen, in het geval van de invoer uit derde landen van specimens van een in de bijlagen bij de Overeenkomst opgenomen soort inhoudt dat een conform de Overeenkomst door een bevoegde autoriteit van het land van uitvoer of wederuitvoer afgegeven uitvoervergunning, wederuitvoercertificaat of een kopie daarvan, dient te worden overgelegd; ii) voor de afgifte van een invoervergunning voor de soorten die in bijlage A zijn opgenomen op grond van artikel 3, lid 1, onder a), is een dergelijk bewijsstuk evenwel niet 10 vereist, maar de originele invoervergunning wordt pas aan de aanvrager overhandigd, nadat hij een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat heeft voorgelegd; c) de bevoegde wetenschappelijke autoriteit heeft de zekerheid verkregen dat levende specimens op de plaats van bestemming zullen worden ondergebracht in ruimten die beschikken over adequate voorzieningen om de specimens in stand te houden en goed te verzorgen; d) de administratieve instantie heeft de zekerheid verkregen dat het specimen niet voor overwegend commerciële doeleinden gebruikt zal worden; e) de administratieve instantie heeft via overleg met de bevoegde wetenschappelijke autoriteit de zekerheid verkregen dat er geen andere argumenten in verband met de instandhouding van de soort pleiten tegen de afgifte van de invoervergunning; en f) in geval van aanvoer vanuit zee heeft de administratieve instantie de zekerheid verkregen dat levende specimens op een zodanige wijze voor vervoer worden gereedgemaakt en verzonden dat de risico's van verwonding, ziekte of ruwe behandeling worden voorkomen. 2. Specimens van in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten mogen slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat van bestemming. De invoervergunning mag enkel worden afgegeven met inachtneming van de in lid 6 opgelegde beperkingen en wanneer : a) de bevoegde wetenschappelijke autoriteit, na onderzoek van de beschikbare gegevens en uitgaande van het advies van de wetenschappelijke studiegroep, oordeelt dat het binnenbrengen in de Gemeenschap, rekening houdend met het huidige of te verwachten niveau van de handel, geen nadelig effect zal hebben op de instandhouding of op de omvang van het verspreidingsgebied van de populatie van de betrokken soort. Dit advies blijft geldig voor latere invoer, zolang de bovenvermelde elementen niet ingrijpend zijn gewijzigd; b) de aanvrager aan de hand van documenten staaft dat levende specimens op de plaats van bestemming zullen worden ondergebracht in ruimten die beschikken over adequate voorzieningen om de specimens in stand te houden en goed te verzorgen; c) aan de voorwaarden van lid 1, onder b), i), e) en f), is voldaan ». B.1.7. Artikel 7, lid 3, van de verordening (EG) nr. 338/97 bepaalt dat de in artikel 4 vervatte vereisten niet van toepassing zijn « op dode specimens, delen daarvan of daaruit verkregen producten van soorten genoemd in de bijlagen A tot en met D bij deze verordening die vallen onder persoonlijke bezittingen of huisraad die in de Gemeenschap worden binnengebracht dan wel uit de Gemeenschap worden uitgevoerd of wederuitgevoerd, in overeenstemming met de bepalingen die door de Commissie worden vastgesteld. Deze 11 maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing ». B.1.8. Artikel 57 van de verordening (EG) nr. 865/2006 specificeert het toepassingsgebied van de voormelde uitzondering en bepaalt dat die niet geldt voor specimens opgenomen in bijlage A die voor het eerst in de Gemeenschap worden binnengebracht (artikel 57, lid 2) en voor soorten opgenomen in bijlage B die ook zijn opgenomen in bijlage XIII bij de verordening (EG) nr. 865/2006 (artikel 57, lid 3bis). Voor die soorten is ook voor het binnenbrengen van dode specimens die vallen onder persoonlijke bezittingen, een invoervergunning conform artikel 4 van de verordening (EG) nr. 338/97 noodzakelijk. De soorten die zijn opgenomen in bijlage XIII bij de verordening (EG) nr. 865/2006 zijn de zuidelijke witte neushoorn, het nijlpaard, de savanneolifant, verschillende soorten argali (een wild schaap), de leeuw en de ijsbeer. B.1.9. De bestreden wet werd aangenomen naar aanleiding van de parlementaire resolutie van 24 maart 2022 met het oog op een verbod op « de invoer van jachttrofeeën van bepaalde diersoorten » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3732/001, p. 3), die op haar beurt werd aangenomen na opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State bij het wetsvoorstel van 11 juni 2021 « tot een verbod op de import van jachttrofeeën van bepaalde bedreigde diersoorten » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2486/003, p. 3). Zoals blijkt uit de toelichting van de indiener van dat wetsvoorstel, was dat voorstel gebaseerd op de vaststelling dat de voormelde invoerbeperkingen, voor jachttrofeeën van de in bijlage A opgenomen soorten, alsook van de soorten opgenomen in bijlage B die ook in bijlage XIII staan, onvoldoende streng waren om het voortbestaan van die diersoorten te waarborgen, en dat het noodzakelijk was om ten aanzien van die soorten niet langer invoervergunningen voor jachttrofeeën af te geven. Uit de parlementaire voorbereiding bij het voormelde wetsvoorstel, alsook uit de tekst van de voormelde resolutie (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2486/006, p. 3) blijkt eveneens dat de wetgever zich baseerde op soortgelijke regelingen in andere landen, alsook op de vaststelling dat de publieke opinie de trofeejacht op de betrokken soorten overweldigend afkeurt : « Mits een vergunning en een ‘ wetenschappelijk ’ advies voorligt, mag men op grond van het CITES echter op bepaalde bedreigde soorten blijven jagen, zelfs op de soorten die 12 opgenomen zijn in de bijlage A, waarin de meest bedreigde soorten worden vermeld. De reden van die onsamenhangendheid is dat het CITES werd ondertekend door bijna 180 landen en derhalve een compromis is, onder meer met landen die inkomsten halen uit de trofeeënjacht. Persoonlijk meent de spreker dat dit compromis de natuurbescherming niet ten goede komt. In de toelichting van wetsontwerp (DOC 55 1608/001, blz. 3 tot 13) wordt het historische verloop van de internationale discussies ter zake geschetst. Sommige organisaties beweren dat de trofeeënjacht economische voordelen biedt die ervoor zorgen dat de natuur beter kan worden beschermd. Hoewel sommigen daar inderdaad van overtuigd zijn, wordt dat standpunt absoluut niet door iedereen gedeeld. Bovendien rijzen ethische vragen. Is het geoorloofd dat men tegen betaling van een hoge prijs toelating kan krijgen om een witte neushoorn neer te schieten, wetende dat dit een van de meest bedreigde diersoorten ter wereld is ? Naast dat ethisch vraagstuk wordt via dit wetsvoorstel de vraag opgeworpen of een dergelijk model echt duurzaam is. Zelfs in de wetenschappelijke literatuur lopen de standpunten ter zake sterk uiteen en worden geen eenduidige antwoorden op bepaalde vragen gegeven. Hoeveel geld brengt de trofeeënjacht precies op ? Is dat meer dan het fototoerisme, dat eveneens een belangrijke bron van inkomsten is ? Aangezien het aandeel van België in de trofeeënjacht gering is, kan het voorliggende wetsvoorstel vooral een weerslag hebben als politiek signaal op internationaal niveau, met de bedoeling het model te veranderen. De toelichting van het wetsvoorstel behelst ook andere argumenten; er wordt met name verwezen naar wetenschappelijke studies die aantonen dat bepaalde soorten zich genetisch aanpassen aan de jacht. In een studie naar dikhoornschapen heeft David Coltman bijvoorbeeld aangetoond dat de hoorns van die diersoort na tientallen jaren van trofeeënjacht 20 % kleiner waren geworden. Een ander ongewenst en bijzonder betreurenswaardig gevolg van de trofeejacht is de commerciële fok van graag bejaagde diersoorten. Zo worden in Zuid- Afrika 6 000 tot 8 000 leeuwen in gevangenschap gekweekt, om te worden gebruikt voor de trofeeënjacht. Sinds 2009 werden in ons land 13 trofeeën van sabelantilopen ingevoerd vanuit Zuid-Afrika. Aangezien die soort in het wild reeds is verdwenen, betreft het dieren die werden gefokt voor de toeristische trofeejacht. Tot slot wijst de heer Verduyckt erop dat stroperij een andere belangrijke oorzaak is van het verdwijnen van die bedreigde soorten. Er blijkt thans echter geen verband te bestaan met de trofeejacht, wat betekent dat het toestaan van de trofeejacht niet zorgt voor minder stroperij. De Europese regelgeving legt thans reeds invoervergunningen op voor alle in de bijlage A opgelijste soorten, alsook voor zes in de bijlage B bij het CITES vermelde soorten, met name de witte neushoorn, het nijlpaard, de Afrikaanse savanneolifant, de argali, de leeuw en de ijsbeer. Dit wetsvoorstel beoogt de invoer van jachttrofeeën van de soorten in de bijlage A en van de zes voormelde soorten in bijlage […] B bij het CITES te verbieden. 13 Nederland heeft in 2015 reeds een soortgelijk beslissing genomen, waardoor de invoer van jachttrofeeën van bijna 200 soorten er verboden is. In Frankrijk werd een soortgelijk verbod aangenomen, maar alleen voor de leeuw. Ook in Finland wordt een soortgelijk wetsvoorstel besproken. In Zwitserland werd een motie aangenomen die nog strenger is dan het voorliggende wetsvoorstel. In het Verenigd Koninkrijk wordt eveneens een wetgevingsinitiatief in uitzicht gesteld. In Australië is een soortgelijke regeling met hetgeen wordt voorgesteld reeds van kracht. De spreker voegt eraan toe dat uit een peiling in België blijkt dat een dergelijke maatregel breed zou worden gesteund door de bevolking en dat die steun niet door de politieke voorkeur wordt bepaald » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2486/003, pp. 4-6). Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de taal van het verzoekschrift en de memories van de verzoekende partijen B.2.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het verzoekschrift, omdat de maatschappelijke zetel van de eerste verzoekende partij in het Vlaamse Gewest is gelegen. B.2.2. Artikel 62, lid 1, 6°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt : « De zaken worden bij het Grondwettelijk Hof ingediend in het Nederlands, in het Frans of in het Duits. In de akten en verklaringen : […] 6° gebruiken de personen die doen blijken van een belang, de taal die zij verkiezen behalve indien zij onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken, in welk geval zij de taal gebruiken die hen is opgelegd door de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966; ». B.2.3. Aangezien de verzoekende partijen niet onderworpen zijn aan de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, mogen zij de taal gebruiken die zij verkiezen. De exceptie wordt verworpen. 14 Wat betreft het voorwerp van het beroep B.3.1. De vzw « Ligue Royale Belge pour la Protection des Oiseaux » voert aan dat het voorwerp van het beroep moet worden beperkt tot enkel het invoerverbod en dat het beroep onontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op het invoerverbod van specimens die niet als jachttrofee kunnen worden beschouwd. B.3.2. De bestreden bepaling verbiedt de invoer van bepaalde jachttrofeeën in de zin van artikel 1, 4ter, van de verordening (EG) nr. 865/2006. Die bepaling definieert een jachttrofee als : « een volledig dier, of een gemakkelijk herkenbaar deel of afgeleid product van een dier, zoals vermeld op een begeleidende Cites-vergunning of begeleidend Cites-certificaat, dat aan de volgende voorwaarden voldoet : i) het is onbewerkt, verwerkt of bewerkt; ii) het is door de jager legaal door jacht verworven voor persoonlijk gebruik door de jager; iii) het wordt ingevoerd, uitgevoerd of wederuitgevoerd door of namens de jager, in het kader van de overbrenging van het land van herkomst naar – in laatste instantie – de staat waar de jager zijn gewone verblijfplaats heeft; ». B.3.3. In zoverre de vzw « Ligue Royale Belge pour la Protection des Oiseaux » aanvoert dat het invoerverbod betrekking heeft op andere specimens dan de aldus gedefinieerde jachttrofeeën, berust haar exceptie op een verkeerd uitgangspunt. In zoverre zij aanvoert dat het beroep ook betrekking heeft op de goedkeuring van de CITES-overeenkomst en van de bijlagen erbij, alsmede van de wijziging van die Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979, berust haar exceptie, zoals blijkt uit B.1.1 en B.1.2, eveneens op een verkeerd uitgangspunt. B.3.4. De excepties worden verworpen. 15 Wat betreft het belang van de verzoekende partijen en van de vzw « Délégation belge du Conseil International pour la Conservation du Gibier et de la Faune sauvage » B.4.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen. Ten aanzien van de eerste verzoekende partij voert hij aan dat haar statutair doel niet kan worden geraakt, aangezien zij pas werd opgericht nadat de bestreden wet werd aangenomen. Hetzelfde geldt volgens de Ministerraad voor het belang van de vzw « Délégation belge du Conseil International pour la Conservation du Gibier et de la Faune sauvage » bij de tussenkomst. Ten aanzien van de overige verzoekende partijen voert hij eveneens aan dat hun statutair doel niet kan worden geraakt door de bestreden bepalingen. B.4.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.4.3. Dat belang dient te bestaan op het ogenblik van de indiening van het verzoekschrift en dient te blijven bestaan tot de uitspraak van het arrest. B.4.4. De eerste verzoekende partij is een vzw waarvan het statutair doel onder meer bestaat in « het behartigen, behouden en beschermen van de rechten van alle jagers », en die werd opgericht op 11 juni 2024. Het verzoekschrift werd ingediend op 1 oktober 2024. Op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift kon het statutair doel bijgevolg worden geraakt door de bestreden bepalingen. B.4.5. Aangezien de eerste verzoekende partij getuigt van het vereiste belang is het niet noodzakelijk om het belang van de overige verzoekende partijen te onderzoeken. 16 Aangezien de vzw « Délégation belge du Conseil International pour la Conservation du Gibier et de la Faune sauvage » geen wezenlijke argumenten toevoegt aan de grieven van de verzoekende partijen, die zij ondersteunt, bestaat er evenmin aanleiding om te onderzoeken of haar tussenkomst ontvankelijk is. B.4.6. De excepties worden verworpen. Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.5. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 2 van de wet van 9 februari 2024, van de artikelen 3 en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), van artikel 4 van de verordening (EG) nr. 338/97 en van artikel 57 van de verordening (EG) nr. 865/2006, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.6.1. De Ministerraad voert aan dat het Hof geen kennis kan nemen van een middel dat niet ertoe zou strekken een discriminatie aan te voeren op grond van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.6.2. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten of wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.6.3. Het Hof is niet bevoegd om wettelijke normen rechtstreeks te toetsen aan algemene beginselen of verdragsbepalingen. Het kan ermee rekening houden bij de grondwettigheidstoets die het binnen de hiervoor gepreciseerde perken uitvoert, doch enkel wanneer tevens bepalingen 17 worden aangevoerd waaraan het Hof wel rechtstreeks vermag te toetsen, hetzij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, hetzij, wanneer een verdragsbepaling wordt aangevoerd, een grondwetsbepaling die analoge rechten of vrijheden waarborgt. B.6.4. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met bepalingen van het recht van de Europese Unie. Wanneer het Hof wordt gevraagd de naleving van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te onderzoeken, in samenhang gelezen met bepalingen van het recht van de Europese Unie die een fundamentele waarborg bevatten, volstaat de vaststelling dat die bepalingen zijn geschonden om tot het besluit te komen dat de categorie van personen voor wie die fundamentele waarborg is geschonden, wordt gediscrimineerd ten opzichte van de categorie van personen voor wie zij zonder beperking geldt. Het Hof is dus bevoegd om kennis te nemen van het eerste middel, dat ontvankelijk is. Aangezien de exceptie wordt verworpen, is het niet noodzakelijk in te gaan op het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. B.7. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat artikel 2 van de wet 9 februari 2024, door het aannemen van een strenger invoerbeleid dan hetgeen is vastgelegd in de verordening (EG) nr. 338/97 en de verordening (EG) nr. 865/2006, de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie inzake handelsbeleid, zoals vastgelegd in de artikelen 3 en 207 van het VWEU, op discriminerende wijze schendt. B.8.1. Punt 3 van de aanhef van de verordening (EG) nr. 338/97 vermeldt uitdrukkelijk « dat de bepalingen van deze verordening geen afbreuk doen aan de strengere maatregelen die de Lid-Staten met inachtneming van het Verdrag kunnen nemen of handhaven, met name wat betreft het houden van specimens van soorten die onder deze verordening vallen ». Artikel 24, lid 2, van de verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 « betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (codificatie) » (hierna : de verordening (EU) 2015/478) bepaalt : 18 « 2. Onverminderd andere Uniebepalingen vormt deze verordening geen beletsel voor de vaststelling of toepassing door de lidstaten van : a) verboden, kwantitatieve beperkingen of toezichtmaatregelen die zijn ingesteld uit hoofde van de bescherming van de openbare zeden, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid of het leven van mensen, dieren of planten, het nationale artistieke, historische of archeologische erfgoed of de industriële of commerciële eigendom; […] De lidstaten delen de Commissie mede welke maatregelen of formaliteiten zij op grond van de eerste alinea voornemens zijn in te voeren of te wijzigen. In bijzonder spoedeisende gevallen worden deze maatregelen of formaliteiten aan de Commissie medegedeeld zodra zij zijn vastgesteld ». B.8.2. Uit de in B.1.9 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat met het invoerverbod voor de betrokken jachttrofeeën het welzijn en zelfs het voortbestaan van de betrokken soorten wordt beoogd. Ter ondersteuning van die beleidskeuze wordt verwezen naar wetenschappelijke studies en adviezen en naar de regelgeving in andere landen. B.8.3. Volgens de verzoekende partijen is een verbod op de invoer van dergelijke jachttrofeeën niet noodzakelijk omdat niet zou vaststaan dat het verbod bijdraagt tot de bescherming van de betrokken soorten. Ze menen integendeel dat het verbod nadelen met zich kan meebrengen voor het dierenwelzijn, doordat de financiële middelen die werden gegenereerd door de trofeejacht, niet langer beschikbaar zijn voor de bescherming van die soorten, waardoor stropen zou worden aangemoedigd. B.8.4. Uit de in B.1.9 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat er een zekere controverse bestaat omtrent de schadelijke gevolgen van de trofeejacht. Het komt de wetgever toe, wanneer hij maatregelen neemt van natuurbescherming, om zich ervan te vergewissen dat de noodzaak daartoe is aangetoond en om de in het geding zijnde belangen zorgvuldig af te wegen. B.8.5. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever rekening heeft gehouden met de mogelijke voordelen van de trofeejacht, maar op basis van wetenschappelijk onderzoek en recente evoluties heeft geoordeeld dat, ten aanzien van de soorten opgenomen in de bijlagen A en B, die veronderstelde voordelen niet opwegen tegen de nadelen : 19 « De CITES-gemeenschap erkende bij het aannemen van de tekst van de Conventie – andermaal benadrukt in Resolutie 17.9 inzake ‘ Trade in Hunting Trophies of species listed in Appendix I or II ’ – dat volkeren en staten de beste beschermers zijn van hun eigen wilde fauna en flora, alsook dat een goed beheerde en duurzame trofeejacht verenigbaar is met en bijdraagt tot de instandhouding van soorten, aangezien deze jacht de plattelandsgemeenschappen kansen biedt om in hun levensonderhoud te voorzien en stimulansen biedt voor de instandhouding van habitats, en voordelen oplevert die voor instandhoudingsdoeleinden kunnen worden geïnvesteerd. De Internationale Unie voor Natuurbescherming (IUCN) gaf in een briefing paper van september 2016 aan dat de trofeeënjacht met een effectief bestuur en beheer positieve gevolgen kan hebben op conservatie van CITES- en niet-CITES-soorten. De IUCN World Commission on Environmental Law Ethics Group sprak zich een jaar later echter uit via een aanbeveling voor de IUCN-Raad van november 2017 over de impact van trofeejacht op de lokale natuur en concludeerde dat trofeejacht niet strookt met het concept ‘ duurzaam gebruik ’. De minister geeft nog mee dat er overleg op Europees niveau is geweest via het CITES-netwerk, maar ook daar waren er geen opmerkingen over het voorontwerp van wet. Ze verduidelijkt bovendien dat de tekst van dit wetsontwerp perfect aansluit bij de huidige besprekingen op Europees niveau, waaruit trouwens een nog strengere tekst zou kunnen voortvloeien » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3732/002, p. 12). B.8.6. Uit de in B.1.9 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt eveneens dat met de bestreden bepaling wordt beoogd gehoor te geven aan een groeiende bewustwording in de samenleving van het belang van het dierenwelzijn. B.9.1. In het licht van de vaststelling, enerzijds, dat er ernstige twijfel bestaat over het duurzame karakter van de trofeejacht, in het bijzonder met betrekking tot de geviseerde diersoorten, en, anderzijds, dat zowel in België als in andere landen binnen en buiten de Europese Unie de trofeejacht, specifiek met betrekking tot de betrokken diersoorten, door een belangrijk deel van de bevolking wordt afgekeurd, kon de wetgever redelijkerwijze oordelen dat het bestreden invoerverbod noodzakelijk is voor de bescherming van het dierenwelzijn. B.9.2. Bijgevolg, zoals ook is opgemerkt door de afdeling wetgeving van de Raad van State, (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3732/001, p. 24), moet worden vastgesteld dat overweging 3 uit de aanhef van de verordening (EG) nr. 338/97, in combinatie met artikel 24, lid 2, eerste alinea, a), van de verordening (EU) 2015/478, de lidstaten toelaat om verboden, kwantitatieve beperkingen of toezichtmaatregelen vast te stellen omwille van de bescherming van de openbare zeden, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid of het leven 20 van mensen, dieren of planten, het nationale artistieke, historische of archeologische erfgoed of de industriële of commerciële eigendom, in weerwil van het algemene invoerbeleid. Het bestreden invoerverbod voor jachttrofeeën van de betrokken diersoorten is een toegelaten kwantitatieve beperking ter bescherming van het leven van dieren. B.10. Het eerste middel is niet gegrond. B.11.1. De verzoekende partijen verzoeken het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. B.11.2. Wanneer een vraag die betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het VWEU, gehouden die vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is, dat de betrokken bepaling van het Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd, of dat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (HvJ, 6 oktober 1982, C-283/81, CILFIT, ECLI:EU:C:1982:335 , punt 21; grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi SpA, ECLI:EU:C:2021:799 , punt 33). Die redenen moeten, in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, afdoende blijken uit de motivering van het arrest waarbij de rechterlijke instantie weigert de prejudiciële vraag te stellen (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, voormeld, punt 51). De uitzondering van het gebrek aan relevantie houdt in dat de nationale rechterlijke instantie van de verwijsplicht is ontheven wanneer « die vraag niet ter zake dienend is, dat wil zeggen wanneer het antwoord erop, hoe het ook luidt, geen invloed kan hebben op de oplossing van het geschil » (HvJ, 15 maart 2017, C-3/16, Aquino, ECLI:EU:C:2017:209 , punt 43; grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, voormeld, punt 34). 21 De uitzondering dat de juiste uitlegging van het Unierecht evident is, houdt in dat de nationale rechterlijke instantie ervan overtuigd moet zijn dat de gehanteerde oplossing even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten die in laatste aanleg uitspraak doen, alsook voor het Hof van Justitie. Zij dient in dat verband rekening te houden met de specifieke kenmerken van het Unierecht, met de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en met het gevaar voor uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie. Tevens dient zij acht te slaan op de verschillen tussen de taalversies van de betrokken bepaling waarvan zij op de hoogte is, met name wanneer die verschillen door de partijen naar voren zijn gebracht en onderbouwd zijn. Tot slot dient zij aandacht te hebben voor de eigen terminologie en autonome begrippen die het Unierecht bezigt, alsook voor de context van de toepasselijke bepaling in het licht van het Unierecht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, voormeld, punten 40-46). Voorts vermag de in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechterlijke instantie ervan af te zien het Hof een prejudiciële vraag te stellen « om redenen van niet-ontvankelijkheid die eigen zijn aan de procedure bij die rechterlijke instantie, mits het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen » (HvJ, 14 december 1995, C-430/93 en C-431/93, Van Schijndel en Van Veen, ECLI:EU:C:1995:441 , punt 17; 15 maart 2017, C-3/16, voormeld, punt 56; grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, voormeld, punt 61). B.11.3. Uit hetgeen is vermeld in B.9.2, blijkt dat de aanhef van de verordening (EG) nr. 338/97, in combinatie met artikel 24, lid 2, eerste alinea, a), van de verordening (EU) 2015/478, voorziet in een mogelijkheid om kwantitatieve beperkingen van de invoer van jachttrofeeën vast te stellen die verder gaan dan hetgeen is bepaald in de verordening (EG) nr. 338/97. Bijgevolg heeft het antwoord op de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag geen invloed op de beoordeling van het middel. Wat betreft het tweede middel B.12. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1, 3, 8, 10 en 12 van het Verdrag van 5 juni 1992 inzake biologische diversiteit doordat artikel 2 van de wet van 9 februari 2024 een 22 onverantwoord verschil in behandeling invoert onder jagers naargelang van de soort waarvan zij een jachttrofee willen invoeren. B.13. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.14.1. Zoals is vermeld in B.8.2 tot B.8.6., streeft de wetgever met het invoerverbod de bescherming van het dierenwelzijn na, hetgeen een legitieme doelstelling uitmaakt, en is het bestreden invoerverbod pertinent ten aanzien van die doelstelling. B.14.2. De verzoekende partijen tonen niet aan op welke wijze de bestreden bepaling disproportionele gevolgen zou hebben voor de betrokken jagers. Uit de in B.1.5 vermelde omschrijving van de betrokken soorten blijkt dat het gaat om soorten waarvoor de dood van een beperkt aantal dieren, een zware impact kan hebben op de bescherming en zelfs het voortbestaan ervan. Bovendien heeft het invoerverbod geen gevolgen voor de jachttrofeeën die zij reeds in België bezitten, noch voor de invoervergunningen die reeds werden afgegeven vóór de inwerkingtreding van de wet van 9 februari 2024 (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55- 3732/001, pp. 2-3). Evenmin verhindert het de invoer van specimens voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden (ibid.). Uit de cijfers vermeld in de parlementaire voorbereiding blijkt dat het aantal vergunningen dat in de voorgaande jaren werd afgegeven voor de invoer van jachttrofeeën van de betrokken soorten, alsook het aantal betrokken aanvragers, relatief beperkt is : 23 « Uit de huidige Belgische database, die in gebruik is sinds maart 2015, kan worden afgeleid dat er sinds dat moment 310 invoervergunningen werden afgeleverd voor CITES- plichtige soorten. Een vergunning kan voor één of meerdere specimens worden gebruikt. De meest geïmporteerde soorten zijn de Afrikaanse leeuw, gevolgd door de Afrikaanse olifant, de luipaard, de Hartmanzebra en het nijlpaard. Invoervergunningen voor jachttrofeeën van door CITES beschermde soorten zijn sinds 2015 afgegeven aan 150 verschillende aanvragers » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3732/002, pp. 12-13). B.15. Het tweede middel is niet gegrond in zoverre het is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het onderzoek van artikel 2 van de wet van 9 februari 2024 in het licht van de overige in B.12 vermelde normen leidt niet tot een andere conclusie. Wat betreft het derde middel B.16. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 2 van de wet van 9 februari 2024, van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol). De verzoekende partijen voeren aan dat het invoerverbod het eigendomsrecht beperkt van jagers die in het buitenland een trofee bezitten van een betrokken diersoort. B.17.1. Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in artikel 16 van de Grondwet, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepaling, ermee rekening houdt. B.17.2. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea). B.17.3. Volgens artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol tast de bescherming van het eigendomsrecht op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom 24 in overeenstemming met het algemeen belang. Een billijk evenwicht dient tot stand te worden gebracht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het eigendomsrecht. B.17.4. Een verbod om een jachttrofee in te voeren in België vormt een beperking van het genot van het eigendomsrecht in de zin van de voormelde bepalingen. De bescherming van het dierenwelzijn is een legitiem doel van algemeen belang. Om de redenen die zijn vermeld in B.14.2, heeft de wetgever een billijk evenwicht behouden tussen die doelstelling en de bescherming van het eigendomsrecht van de betrokken personen. B.17.5. Het derde middel is niet gegrond. 25 Om die redenen, het Hof, verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 december 2025. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:EU:C:1982:335 ECLI:EU:C:1995:441 ECLI:EU:C:2017:209 ECLI:EU:C:2021:799