ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251218.1N.9
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie
📅 2025-12-18
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
artikel 13 van de wet van 11 februari 2013; wet van 11 februari 2013; wet van 3 augustus 2007
Samenvatting
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Volledige tekst
Nr. D.23.0013.N
L. C.,
vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
BEROEPSINSTITUUT VAN VASTGOEDMAKELAARS, met zetel te 1000 Brussel, Luxemburgstraat 16B, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0267.300.821,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Nederlandstalige kamer van beroep van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars van 19 april 2023.
Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
(…)
Tweede middel
Eerste onderdeel
4. Krachtens artikel 9, § 1, 3°, van de kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen hebben de kamers van het beroepsinstituut tot taak te waken over de toepassing van het stagereglement en de voorschriften van de plichtenleer en uitspraak in tuchtzaken te doen ten opzichte van de beoefenaars, de stagiairs en de personen die gemachtigd zijn het beroep occasioneel uit te oefenen.
Krachtens artikel 9, § 6, van deze wet doen de kamers van beroep uitspraak over de beroepen ingesteld tegen de door de uitvoerende kamers met hun voertaal genomen beslissingen.
Krachtens artikel 10 van deze wet zijn de leden van een gereglementeerd beroep van wie bewezen is dat zij aan hun plichten zijn tekortgekomen, strafbaar met de volgende tuchtstraffen: de waarschuwing, de berisping, de schorsing en de schrapping. De Koning bepaalt de wijze waarop deze tuchtstraffen kunnen worden uitgesproken. Tevens stelt Hij de regels vast volgens welke gebeurlijk eerherstel wordt verleend. De schrapping brengt het verbod met zich mee om het gereglementeerd beroep in België uit te oefenen en de beroepstitel ervan te voeren.
5. Krachtens artikel 13 van de wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar, zoals van toepassing, schikken de leden van het Instituut zich naar de deontologische normen, vastgesteld door het Instituut en algemeen verbindend verklaard door de Koning. Die deontologische normen bepalen minimaal onder meer de volgende verplichting voor de beroepsbeoefenaars: zich houden aan de beginselen van loyaliteit, onafhankelijkheid, integriteit, toewijding en waardigheid die ten grondslag liggen aan het beroep.
Krachtens artikel 14, § 1, van deze wet worden de vastgoedmakelaars van wie bewezen is dat zij hun plichten hebben verzuimd, bestraft met een of meer van de volgende tuchtstraffen: de waarschuwing, de berisping, de schorsing en de schrapping.
Krachtens artikel 14, § 2, tweede lid, van deze wet brengt de schrapping het verbod met zich om het gereglementeerde beroep in België uit te oefenen en de beroepstitel ervan te voeren en heeft zij betrekking op alle activiteiten opgenomen in artikel 2, 4° tot 7°.
6. Artikel 1, vijfde lid, van het Reglement van plichtenleer van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars, zoals goedgekeurd bij koninklijke besluiten van 27 september 2006 en 29 juni 2018, bepaalt dat de vastgoedmakelaars zich in het kader van de uitoefening van het beroep eveneens moeten houden aan de inherent aan het beroep zijnde beginselen van eer en waardigheid en dat zij de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende deze uitoefening dienen te eerbiedigen, onder meer: het Strafwetboek en de bijzondere strafwetten.
7. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de beginselen van eer en waardigheid van het beroep van vastgoedmakelaar ook kunnen worden aangetast door strafrechtelijke inbreuken die het vertrouwen in dat beroep in het gedrang brengen.
8. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:
- artikel 1 van het bedoelde reglement van plichtenleer een algemene tuchtnorm is die de algemene doelstelling huldigt dat de vastgoedmakelaar zijn beroep waardig en integer moet uitoefenen als deelnemer aan het rechtsverkeer;
- dit artikel moet worden aangezien als het ‘ethische minimum’ voor een vastgoedmakelaar;
- deze algemene gedragsregel expliciet verwijst naar een aantal domeinen, waaronder strafwetgeving;
- hier concreet kan worden verwezen naar de bewezen geachte feiten in de uitspraak van het hof van beroep te Antwerpen van 16 juni 2022, waaronder (1) verschillende feiten van mensenhandel met als doel de uitbuiting van prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting met verzwarende omstandigheden ten aanzien van drie slachtoffers, (2) de verkrachting van een meerderjarig slachtoffer, (3) opzettelijke slagen met ziekte of werkonbekwaamheid tot gevolg en (4) belaging;
- deze bewezen geachte feiten de eer en de waardigheid van een vastgoedmakelaar schaden en elk afzonderlijk op zich reeds voldoende de niet-naleving van artikel 1 van het reglement van plichtenleer aantonen;
- de eiser zijn vastgoedactiviteiten heeft aangewend tot het plegen van deze feiten, zoals de verzorging van woonst via de verhuring aan personen die vervolgens slachtoffer werden van de feiten en de organisatie van afspraken met het oog op prostitutie onder meer op de parking van de maatschappelijke zetel van de vastgoedvennootschap.
9. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de eiser de beginselen van eer en waardigheid van het beroep van vastgoedmakelaar heeft aangetast door strafrechtelijke inbreuken die het vertrouwen in dat beroep in het gedrang brengen, verantwoorden hun beslissing naar recht.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
(…)
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 591,67 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 18 december 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael.