ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.17
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie
📅 2025-12-16
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
burgerlijk_recht
Samenvatting
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Volledige tekst
Nr. P.25.0410.N
A. Ö.,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Nicholas De Mot, advocaat bij de balie Gent.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 februari 2025.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van de artikelen 44 en 45 Werkloosheidsbesluit: het arrest stelt onterecht dat het verhuren van onroerende goederen die tot het eigen bezit behoren een activiteit betreft die wordt uitgeoefend met het oog op het verkrijgen van een opbrengst en kan worden ingeschakeld in het economisch ruilverkeer; door de activiteiten in eigen beheer te houden, heeft de eiser ze niet daadwerkelijk ingeschakeld in het economisch ruilverkeer; het arrest neemt onterecht aan dat de huuropbrengsten door hun grootte verder gaan dan het toegelaten in stand houden of in beperkte mate verhogen van de waarde van het bezit en oordeelt onterecht dat de eiser erin slaagt zijn bezit te laten toenemen nu hij nieuwe panden kan kopen met de opbrengsten; het arrest gaat voorbij aan de vereiste van causaal verband die inhoudt dat er een link moet zijn tussen het handelen van de eiser en de waardevermeerdering; uit de vijfde aankoop van een pand in 2017 blijkt niet dat de eiser stelselmatig panden aankocht; het arrest gaat eraan voorbij dat waardevermeerdering van het eigen bezit mag optreden; het gegeven dat de panden in waarde stijgen en zulks leidt tot een beschikbaar kapitaal dat de eiser in staat stelt meer bezit te verwerven, is geen gevolg van zijn verhuuractiviteit maar van de marktwerking en kan de eiser niet worden verweten; het arrest neemt zonder grond aan dat het doel van de activiteit erin bestond een opbrengst te verkrijgen; het arrest neemt aan dat de eiser zich onbeschikbaar maakte voor de arbeidsmarkt, maar miskent zodoende de in dit verband bijgebrachte stukken die het niet in acht neemt.
2. Uit de omstandigheid dat de rechter in zijn beslissing verwijst naar de beroepen beslissing en stelt dat geen andere of nieuwe argumenten worden aangewend terwijl nieuwe stukken werden neergelegd, volgt niet dat de rechter deze stukken niet bij zijn beoordeling heeft betrokken.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
3. Het arrest stelt vast dat de eiser minstens sinds het verwerven van zijn vijfde pand dient te worden beschouwd als een werkloze met een activiteit die niet langer beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit.
In zoverre het middel aanvoert dat het arrest aanneemt dat enkel uit de vijfde aankoop het stelselmatig opdrijven van zijn bezit blijkt, is het gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
4. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
5. Krachtens artikel 44 Werkloosheidsbesluit moet de werkloze, om uitkeringen te kunnen genieten, wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn.
Krachtens artikel 45, eerste lid, 1°, Werkloosheidsbesluit wordt voor de toepassing van artikel 44 als arbeid beschouwd de activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economische ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit.
Krachtens artikel 45, zevende lid, Werkloosheidsbesluit wordt een activiteit voor de toepassing van het eerste lid, 1°, slechts beschouwd als een activiteit die beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit indien gelijktijdig voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1° de activiteit is niet daadwerkelijk ingeschakeld in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en wordt niet uitgeoefend met het oog op het verkrijgen van een opbrengst;
2° door de activiteit wordt de waarde van het bezit in stand gehouden of slechts in beperkte mate verhoogd;
3° de activiteit brengt door haar omvang het zoeken naar en het uitoefenen van een dienstbetrekking niet in het gedrang.
6. De rechter oordeelt onaantastbaar of een uitkeringsgerechtigd werkloze een activiteit heeft verricht op een wijze die het gewoon beheer van het eigen bezit overstijgt. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
7. Het arrest (p. 7 en 8) oordeelt met overname van het feitenrelaas en de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen onder meer dat:
- bij een huiszoeking meerdere documenten worden aangetroffen in verband met de verhuur van panden, op het gsm-toestel van de eiser zijn foto’s terug te vinden in verband met die panden en in de loods aan de gezinswoning werkmateriaal wordt aangetroffen;
- de huurders de eiser aanduiden als de huisbaas of vast contactpersoon aan wie betaald wordt in contanten of per overschrijving;
- bepaalde huurders aangeven dat hij herstellingswerken en of renovatiewerken uitvoert;
- op basis van de verklaringen van de huurders de onderzoekers berekenen dat de huurinkomsten van de eiser neerkomen op een bedrag van 18.040,00 euro per maand;
- het aankopen van de verschillende onroerende goederen, het geschikt maken van de panden voor bewoning, het opvolgen van alle administratie die gepaard gaat met het sluiten van een huurcontract, het opvolgen van correcte betalingen, het onderhandelen van nieuwe financieringen, het bijhouden van de gegevens van de nutsleveranciers en het uitvoeren van kleine herstellingswerken, alles bij elkaar een bezigheid vormen die kan worden ingeschakeld in het economische ruilverkeer van goederen en diensten;
- deze activiteiten niet beperkt zijn gebleven tot het in stand houden van de waarde van het patrimonium of het slechts in beperkte mate verhogen van de waarde ervan, en het de bedoeling van de eiser was om stelselmatig zijn eigendommen uit te breiden om steeds grotere huurinkomsten te kunnen genieten;
- zelfs nog aangenomen dat de eiser geen grote bouw- of renovatiewerken uitvoerde, uit het strafonderzoek voldoende blijkt dat de bezigheid van de eiser hem ervan weerhield beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt.
8. Op grond van die vaststellingen kan het arrest wettig oordelen dat niet gelijktijdig voldaan is aan de voorwaarden om te aanvaarden dat de activiteit van de eiser beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit in de zin van artikel 45, zevende lid, Werkloosheidsbesluit.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Tweede middel
9. Het middel voert schending aan van artikel é Sociaal Strafwetboek: de werkloze moet op eigen initiatief aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening meedelen dat hij een activiteit uitoefent maar kan hiervoor enkel de C1-formulieren gebruiken die echter niet exhaustief zijn en niet overeenstemmen met het begrip “activiteiten” bedoeld in het Werkloosheidsbesluit, waardoor de werkloze die deze formulieren te goeder trouw en correct invult toch in de problemen kan komen; het arrest schuwt een verwijzing naar de C1-formulieren en doet het verweer in dat verband enkel af door te stellen dat eenieder geacht wordt de wet te kennen; het leidt daaruit af dat het moreel element bij de eiser bewezen is; het vermoeden dat eenieder geacht wordt de wet te kennen, wettigt niet de bewering dat elk normaal redelijk en voorzichtig persoon de specifieke nuance van het bovenmatig beheer van eigen bezit opmerkt.
10. Met de redenen die het arrest (randnr. 22, f), p.10-11) bevat, beantwoordt en verwerpt dit het door het middel bedoelde verweer over de afwezigheid van het vereiste moreel bestanddeel en de aangevoerde onoverwinnelijke dwaling.
11. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek
12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 104,01 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.