ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.27
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie
📅 2025-12-16
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
strafrecht
Samenvatting
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Volledige tekst
Nr. P.25.1416.N
B,
verzoeker tot wraking, beklaagde, aangehouden,
eiser,
met als raadsman mr. David Dendoncker, advocaat bij de balie Gent.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 9 oktober 2025 (nr. 2025/6103).
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
De eiser doet afstand zonder berusting van zijn cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de beslissingen om de uitspraak over de kosten aan te houden en om de zaak voor de vordering tot het opleggen van een geldboete uit te stellen naar de rechtszitting van 19 februari 2026.
Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd.
Op 11 december 2025 heeft de eiser een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot neergelegd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van de artikelen 764, 5° en 780, eerste lid, 1° en 4°, Gerechtelijk Wetboek: de eiser stelde bij conclusie van 2 oktober 2025 als ondergeschikt middel een incidentele valsheidsvordering in tegen het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge; uit geen van de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de incidentele valsheidsvordering werd meegedeeld aan het openbaar ministerie en dat door een identificeerbaar parketmagistraat hierover advies werd gegeven.
2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en meer in het bijzonder uit het proces-verbaal van de rechtszitting van het hof van beroep te Gent van 2 oktober 2025 blijkt dat mr. L op deze rechtszitting zijn origineel dossier en een aangepaste conclusie neerlegde. In deze neergelegde conclusie wordt ondergeschikt de in het middel vermelde valsheidsvordering gesteld. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 2 oktober 2025 blijkt ook de aanwezigheid van de federale magistraten C en P.
In zoverre het middel aanvoert dat de incidentele valsheidsvordering niet werd meegedeeld aan het openbaar ministerie, mist het derhalve feitelijke grondslag.
3. Uit hetzelfde proces-verbaal van de rechtszitting van het hof van beroep te Gent van 2 oktober 2025 blijkt dat het openbaar ministerie, na de neerlegging van bovenvermelde conclusie van mr. L en na een schorsing van de rechtszitting, de afwijzing van het verzoek tot wraking heeft gevorderd.
Deze vordering van het openbaar ministerie impliceert ook een negatief advies over de in ondergeschikte orde door mr. L ingestelde valsheidsvordering.
In zoverre het middel aanvoert dat het openbaar ministerie geen advies heeft gegeven over de in ondergeschikte orde ingestelde valsheidsvordering, mist het eveneens feitelijke grondslag.
Tweede middel
Eerste onderdeel
4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 895, 896, 897 en 902 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verwerpt het wrakingsverzoek ten onrechte, doordat het daarvoor uitdrukkelijk steunt op het van valsheid betichte proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge en terzelfdertijd de op deze authentieke akte geënte, ondergeschikte, incidentele valsheidsvordering, net als de verdere subsidiaire onderzoeksmaatregelen, als ongegrond afwijst; bij een incidentele valsheidsvordering moet de rechter, die geen uitspraak kan doen over de hoofdvordering zonder rekening te houden met het van valsheid betichte stuk, zijn uitspraak echter uitstellen, tenzij slechts in het geval waar hij oordeelt dat de valsheidsvordering “kennelijk” ongegrond is en er bijgevolg geen onderzoeksmaatregelen moeten worden gelast om de aangevoerde valsheid nader te onderzoeken.
5. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen van het geschrift, met andere woorden indien hij het geschrift doet liegen. Indien de gegeven uitlegging een mogelijke uitlegging is, naast andere, is er geen miskenning van de bewijskracht van het geschrift.
6. Met het oordeel (p. 31-32, nr. 2.4.2) dat mr. L meermaals met klem was gevraagd om te zitten en te zwijgen en dit minstens als een waarschuwing kan worden geïnterpreteerd, zeker wanneer deze woorden met een bepaalde gestrengheid worden uitgesproken en de blik van de voorzitter veelzeggend is, geeft het arrest een uitlegging van het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
7. Wat de te volgen procedure bij een valsheidsvordering betreft, bepaalt artikel 902, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat de rechter de zaak onmiddellijk kan behandelen, indien blijkt dat zij zonder meer kan worden berecht. Volgens artikel 902, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek besluit de rechter anders tot alle dienstige onderzoeksmaatregelen, die hij zelf verricht of onder zijn leiding doet verrichten overeenkomstig de bepalingen betreffende het schriftonderzoek.
8. Met de redenen waarom niet wordt ingegaan op de door de eiser gevraagde onderzoeksmaatregelen, geeft het arrest (p. 30-32, nr. 2.4) te kennen dat het wrakingsverzoek onmiddellijk kan worden behandeld en zonder meer kan worden berecht.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de wrakingsrechters gaan op geen enkele manier in op de incidentele valsheidsvordering en de gevraagde dienstige onderzoeksmaatregelen; de eiser heeft deze vordering nochtans uitdrukkelijk geformuleerd in conclusies.
10. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Derde middel
Eerste onderdeel
11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 door de inhoud ervan uit te leggen als een onmiddellijk uitvoerbare beslissing van de rechtbank waar de eiser zich naar te schikken heeft en waarbij hij de wrakingsprocedure niet kan aanwenden als een rechtsmiddel tegen deze beslissing; dat de voorzitter iets “stelt” of “bevestigt” lijkt niet uit te leggen als een uitvoerbare beslissing van de collegiaal samengestelde rechtbank.
12. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden wanneer hij dit geschrift doet liegen.
13. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, vermeldt onder meer het volgende:
“(…) De voorzitter vraagt de griffier te akteren dat de rechtbank beslist, na advies van de bevoegde diensten, wegens veiligheidsredenen geen bijkomende tafels en stopcontacten voor de raadslieden in de zittingszaal toe te laten.
Deze beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, vermits deze beslissing geen veroordeling of ontslag van rechtswege inhoudt, niettegenstaande de voorzieningen waarvan sprake in de artikelen 407 en volgende van het Wetboek van Strafvordering, wegens het belang van de openbare orde, de vereisten van een goede rechtsbedeling en inzonderheid de eerbied voor de rechten van de mens voor wat betreft de redelijke termijn bij de behandeling van deze strafzaak.
De voorzitter stelt vervolgens gisteren conclusies ontvangen te hebben en dat de betreffende raadslieden daarover zullen mogen pleiten samen met hun pleidooi over de grond van de zaak, na het requisitoir van het openbaar ministerie. De voorzitter bevestigt dat alles wat er werd genoteerd in de laatste besluiten kan worden meegenomen in de debatten ten gronde waarbij eenieder de tijd zal hebben uitvoerig te pleiten.
(…)”
14. Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel dat de mededeling van de voorzitter in verband met de door de partijen neergelegde conclusies een uitvoerbare beslissing van de rechtbank betrof, geeft het arrest een uitlegging van het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel
15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 759, 760, 761, 762, 763, 828, 1° en 12°, 835, 836 en 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat er geen hoge graad van vijandschap, noch gewettigde verdenking bestond; in deze zaak is het niet de enkele omstandigheid dat de voorzitter eisers raadsman uit de zaal liet verwijderen, die objectief gewettigde twijfel oplevert over diens onpartijdigheid en onafhankelijkheid, maar er doet zich een geheel van bijzondere, begeleidende omstandigheden voor die maken dat het bevel tot verwijdering excessief was; meer bepaald is het zo dat een herhaald verzoek van een advocaat, zoals vooraf kenbaar gemaakt, in de fase van het onderzoek tijdens de rechtszitting om het woord te krijgen over hoe de presentatie van zijn cliënt op de rechtszitting het recht op een eerlijk proces en het verbod op vernederende en onmenselijke behandeling schendt, nog geen gemis aan eerbied uitmaakt en in elk geval bij gebrek aan bijhorende uiterlijke gedragingen niet als wanorde of stoornis kan worden aangemerkt; uit geen van de stukken waarop de wrakingsrechters vermochten acht te slaan, blijkt dat de voorzitter in de voormiddag op enig moment aan eisers raadsman zou hebben opgelegd om te zwijgen maar daarentegen weigerde te communiceren; de voorzitter weigerde net om de advocaten aan te kijken en een naar het openbaar ministerie afgewende blik kan niet als waarschuwing tellen; ook een aanmaning om te zitten en te zwijgen als reactie op de vraag om het woord te krijgen en een beklaagde een eerlijk proces te geven, noch de reactie “zwijg” op de direct daaropvolgende vraag om de weigering tot het woord te laten akteren, kunnen worden beschouwd als een waarschuwing waardoor een advocaat redelijkerwijze kan weten dat hij dreigt te worden uitgezet; het bevel tot uitzetting volgde nog vooraleer de vraag tot het laten akteren van de weigering om het woord te verlenen kon worden uitgesproken; er waren ook minder drastische alternatieven, aangezien ook de stafhouder als tuchtoverheid ten allen tijde in de zaal aanwezig was; de korte tijdspanne waarin dit incident zich heeft voorgedaan, namelijk tussen 15.30 u en 15.32 u maakt verder aannemelijk dat het bevel tot verwijdering in een opwelling werd gegeven; de rechter die een buitensporige reactie vertoont op het gedrag van een partij of haar advocaat doet een objectief gerechtvaardigde twijfel over diens (subjectieve) onpartijdigheid ontstaan; de voorzitter gaf door de mededeling dat over eisers opmerkingen over het verloop van het proces zou mogen worden gepleit samen met het pleidooi over de grond van de zaak de vooringenomen indruk dat de met het vermoeden van onschuld strijdige wijze waarop de eiser zijn zaak moest bijwonen, zoals door hem in conclusie gesignaleerd, zonder enig debat en zonder enig motief, zijn goedkeuring wegdroeg, alvast tot na de mondelinge vordering van het openbaar ministerie waarvoor drie zittingsdagen waren voorzien; eisers raadsman heeft niet anders gehandeld dan het woord te vragen over het feit dat hij herhaaldelijk werd geconfronteerd met het feit dat de eiser zijn zaak nog steeds moest volgen in omstandigheden die door hem werden ervaren als strijdig met zijn fundamentele grondrechten en hiervoor een direct rechtsherstel te vragen.
16. Artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere rechter kan worden gewraakt wegens gewettigde verdenking.
Artikel 828, 12°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere rechter kan worden gewraakt indien er tussen hem en een van de partijen een hoge graad van vijandschap bestaat.
17. Gewettigde verdenking in de zin van deze bepaling veronderstelt dat een rechter niet in staat is op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak of dat bij de partijen en de publieke opinie gewettigde twijfel bestaat over zijn geschiktheid om op die wijze uitspraak te doen. Die twijfel moet objectief gerechtvaardigd zijn.
18. De hoge graad van vijandschap kan worden afgeleid uit een geheel van omstandigheden waaruit blijkt dat de rechter door zijn houding jegens één van de partijen of jegens de advocaat die haar vertegenwoordigt of haar bijstaat, de sereniteit en objectiviteit van de behandeling van de zaak in gevaar heeft gebracht of brengt.
19. De wrakingsrechter stelt onaantastbaar vast of er redenen zijn die een gewettigde verdenking objectief rechtvaardigen, dan wel of er een hoge graad van vijandschap bestaat.
20. Bij deze beoordeling mag de wrakingsrechter de houding van de advocaten of bepaalde advocaten tijdens het proces betrekken.
21. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
22. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
23. Met geheel van redenen vermeld op pagina’s 18-30 (nr. 2.3) kan het arrest wettig oordelen dat het wrakingsverzoek, in zoverre ook gesteund op de feitelijkheden die hebben plaatsgegrepen op de rechtszitting van 18 september 2025, ongegrond is.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek
24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand zoals vermeld.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 6,11 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.