ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.5
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie
📅 2025-12-16
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
strafrecht
Samenvatting
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Volledige tekst
Nr. P.25.1502.N
A. S.,
beklaagde,
eiser,
met als raadslieden mr. Sophia Robillard en mr. Wiet Goris, beiden advocaat bij de balie Brussel.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 11 september 2025.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middelen
1. Het eerste middel voert schending aan van artikel 40 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis miskent deze bepaling; op 28 februari 2024 werd door griffier L.R. een document opgemaakt waaruit zou moeten blijken dat de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen aan de eiser op 8 september 2014 is betekend; deze kennisgeving bevindt zich evenwel niet in het dossier, zodat niet kan worden nagegaan of die kennisgeving effectief is gebeurd en of die wel is gebeurd in de taal van de rechtspleging; er ligt evenmin een bewijs voor dat het vonnis van de Franstalige politierechtbank van Brussel van 21 mei 2012 kracht van gewijsde heeft.
Het tweede middel voert miskenning aan van het principe van de bewijslast en het recht op tegenspraak: het bestreden vonnis miskent op meerdere punten schromelijk de regels van de bewijslast; aangezien het openbaar ministerie nalaat het bewijs van de kennisgeving overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet voor te brengen, hoewel die verplichting op hem rust, kan de eiser geen tegenspraak voeren; hoewel het door de griffier L.R. op 28 februari 2024 opgemaakt document melding maakt van een kennisgeving op 8 september 2014 bevindt die kennisgeving zich niet in het dossier, zodat niet kan worden nagegaan of de kennisgeving effectief is gebeurd en zo ja in welke taal; er ligt evenmin een bewijs voor dat het vonnis van 21 mei 2012 kracht van gewijsde heeft.
Het derde middel voert schending aan van artikel 37 Taalwet Gerechtszaken: bij afwezigheid van het bewijs van een kennisgeving overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet laat het openbaar ministerie na het bewijs te leveren dat de kennisgeving in de taal van de rechtspleging is gebeurd; het Hof wordt verzocht ambtshalve de schending aan te voeren van artikel 37 Taalwet Gerechtszaken.
2. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser voor een inbreuk op artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet omdat hij op de openbare weg een motorvoertuig heeft bestuurd zonder dat hij het theoretisch examen dat hem was opgelegd bij vonnis van de Franstalige politierechtbank Brussel van 21 mei 2012 als herstelvoorwaarde voor het uitgesproken verval met goed gevolg heeft afgelegd.
3. Artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet bestraft hij die een motorvoertuig bestuurt van de categorie bedoeld in de beslissing van vervallenverklaring of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, zonder het voorgeschreven onderzoek met goed gevolg te hebben ondergaan.
4. Deze bepaling maakt de strafbaarheid van het erin bedoelde feit niet afhankelijk van de door artikel 40 Wegverkeerswet bedoelde kennisgeving.
In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
5. In zoverre de middelen zijn afgeleid uit die vergeefs aangevoerde onwettigheid, zijn ze niet ontvankelijk.
6. Een veroordeling wegens inbreuk op artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet vereist wel dat de rechterlijke beslissing waarbij het herstel van het verval van het recht tot sturen afhankelijk is gemaakt van het slagen in een examen kracht van gewijsde heeft.
7. Het bewijs dat een rechterlijke beslissing kracht van gewijsde heeft, wordt in de regel geleverd door een eensluidend verklaard afschrift van die beslissing met de door de griffier aangebrachte vermelding dat tegen de beslissing geen rechtsmiddel is aangewend.
8. Uit een eensluidend verklaard afschrift van het vonnis van de Franstalige politierechtbank Brussel van 21 mei 2012 blijkt dat aan de eiser een verval van het recht tot sturen werd opgelegd, waarvan het herstel werd afhankelijk gemaakt van het slagen in een theoretisch examen. Volgens de door de griffier op dit afschrift op 28 februari 2024 aangebrachte vermelding heeft dit vonnis op 16 juni 2012 kracht van gewijsde gekregen.
In zoverre de middelen aanvoeren dat niet blijkt dat het vonnis van 21 mei 2012 kracht van gewijsde heeft, kunnen ze niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek
9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 74,31 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.