Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.176

Beslissingsdetails

🏛️ Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) 📅 2025-12-18 🌐 NL Arrest

Rechtsgebied

grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

artikel 31 van de wet van 28 maart 2024; artikel 88 van de wet van 5 februari 2016; wet van 20 juli 1990; wet van 26 december 2022; wet van 28 maart 2024; wet van 5 februari 2016; wet van 6 januari 1989

Samenvatting

1. In zoverre zij betrekking heeft op artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord 2. Schending (artikel 203 van het Wetboek van strafvordering, maar uitsluitend in zoverre het ertoe leidt dat de termijn om hoger beroep in te stellen tegen een op tegenspra...

Volledige tekst

Grondwettelijk Hof Arrest nr. 176/2025 van 18 december 2025 Rolnummer : 8364 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 203 van het Wetboek van strafvordering en artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 12 november 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 november 2024, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 203 van het Wetboek van strafvordering en 792 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre artikel 203 van het Wetboek van strafvordering de termijn van hoger beroep in strafzaken doet lopen vanaf de uitspraak van het vonnis op tegenspraak, en in zoverre noch dat artikel, noch artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, dat in de kennisgeving van het vonnis voorziet, noch enig ander wetsartikel van toepassing in strafzaken erin voorziet dat de beklaagde wordt geïnformeerd over de beschikbare rechtsmiddelen en over de nadere regels om daarvan gebruik te maken, terwijl een dergelijke verplichting bestaat wanneer het vonnis dient te worden betekend in strafzaken (verstekvonnis) en bestaat in burgerlijke zaken (artikelen 43, 47bis, 780/1 en 792 van het Gerechtelijk Wetboek), bij gebreke waarvan de termijn om een beroep in te stellen niet begint te lopen ? ». 2 De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 8 oktober 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een vonnis van 20 oktober 2023 veroordeelt de politierechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, C.M. omdat zij een motorvoertuig voor het besturen of voor de begeleiding met het oog op de scholing wetens heeft toevertrouwd aan een persoon wiens recht tot sturen vervallen is verklaard. Op 26 december 2023 stelt C.M. hoger beroep in tegen dat vonnis. De Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, het verwijzende rechtscollege, stelt vast dat, krachtens artikel 203, § 1, van het Wetboek van strafvordering, dat voorziet in een termijn van hoger beroep van 30 dagen te rekenen vanaf de uitspraak van het vonnis op tegenspraak, de appellante zich buiten de termijn bevindt en dat het hoger beroep dus onontvankelijk zou moeten worden verklaard. Het verwijzende rechtscollege oordeelt dat geen enkel geval van overmacht de verlenging van de termijn van hoger beroep verantwoordt. Het merkt echter op dat noch artikel 203 van het Wetboek van strafvordering, noch artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek voorzien in een informatieverplichting met betrekking tot de vorm en de termijnen van hoger beroep in het geval van een vonnis op tegenspraak in strafzaken, terwijl in die verplichting is voorzien in het geval van een vonnis in strafzaken dat moet worden betekend en in het geval van verschillende vonnissen in burgerlijke zaken. Op verzoek van de appellante beslist de Rechtbank om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, aangezien het antwoord van het Hof niet nuttig is voor de oplossing van het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil. Een vaststelling van ongrondwettigheid zou niet noodzakelijkerwijs tot gevolg hebben dat het hoger beroep van de appellante ontvankelijk wordt, aangezien het verwijzende rechtscollege oordeelt dat de appellante niet aantoont dat zij zich in een situatie van overmacht of onoverkomelijke dwaling bevindt die de hele duur van de termijn van hoger beroep zou hebben bestaan en die de niet-tijdigheid van haar hoger beroep zou verantwoorden. Krachtens de rechtspraak van het Hof zal het overigens in elk geval aan het verwijzende rechtscollege toekomen, ongeacht het antwoord van het Hof over artikel 203 van het Wetboek van strafvordering, om te bepalen of de voor dat rechtscollege gevolgde procedure in overeenstemming is met de vereisten van het eerlijk proces. 3 A.2. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Hij merkt op dat het verwijzende rechtscollege het Hof verzoekt om verschillende procedures te vergelijken : enerzijds, de strafprocedure op tegenspraak en, anderzijds, de strafprocedure bij verstek en de burgerlijke procedure. Een verschil in behandeling op procedureel vlak is evenwel enkel discriminerend indien het een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich meebrengt. De Ministerraad is te dezen van mening dat het recht op toegang tot de rechter van de personen die hoger beroep instellen tegen een strafvonnis op tegenspraak, niet op onevenredige wijze wordt beperkt : de beklaagde weet nog vóór de aanvang van het proces dat de beroepstermijn zal ingaan vanaf de uitspraak van het vonnis, aangezien artikel 203 van het Wetboek van strafvordering in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Van een strafvonnis op tegenspraak wordt overigens eveneens kennisgegeven aan de partijen of aan hun advocaten op grond van artikel 792, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zodat een beklaagde noodzakelijkerwijs wordt geïnformeerd over de beslissing die tegen hem is gewezen, zelfs al is hij afwezig bij de uitspraak van het vonnis. Aangezien die kennisgeving de beroepstermijnen niet doet lopen, bestaat er geen enkele reden om daarin de informatie over de rechtsmiddelen te vermelden. De Ministerraad brengt ten slotte in herinnering dat het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld dat de wetgever, zonder dat dat een discriminerend verschil in behandeling vormt, kan voorzien in verschillende regels met betrekking tot de vermeldingen die in de kennisgeving van gerechtelijke beslissingen moeten worden opgenomen, naargelang het de in artikel 792, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde zaken of de in artikel 792, tweede en derde lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde zaken betreft. A.3. In de veronderstelling dat het Hof oordeelt dat de in het geding zijnde bepaling ongrondwettig is, vraagt de Ministerraad dat de gevolgen ervan worden gehandhaafd tot het optreden van de wetgever teneinde de wettigheid van de kennisgevingen die werden uitgevoerd zonder vermelding van de rechtsmiddelen, te vrijwaren. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het aanvangspunt van de termijn om hoger beroep in te stellen tegen een op tegenspraak gewezen strafvonnis en op de afwezigheid van informatie over de rechtsmiddelen die daartegen kunnen worden aangewend. B.2.1. Het in het geding zijnde artikel 203, § 1, van het Wetboek van strafvordering bepaalt de termijn om hoger beroep in te stellen tegen door de correctionele rechtbanken gewezen vonnissen : « Het recht van hoger beroep vervalt indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van die uitspraak en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats ». 4 Krachtens artikel 174 van hetzelfde Wetboek moet het hoger beroep tegen door de politierechtbanken gewezen vonnissen binnen dezelfde termijnen, onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde vorm worden ingesteld als het hoger beroep tegen door de correctionele rechtbanken gewezen vonnissen. B.2.2. Het eveneens in het geding zijnde artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie ervan die van toepassing is op het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil, dat wil zeggen vóór de wijziging ervan bij artikel 31 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis », bepaalt : « Binnen vijf dagen te rekenen van de uitspraak van de beslissing geeft de griffier, zowel in burgerlijke als in strafzaken, kennis dat de beslissing raadpleegbaar is via de portaalwebsite van Justitie aan elke partij of, in voorkomend geval, aan hun advocaten. Die kennisgeving doet de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden niet lopen. Zij gebeurt op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een partij betreft die zonder advocaat is verschenen, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die partij, of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat die partij heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, gebeurt de kennisgeving bij gewone brief. De partij die de kennisgeving bij gewone brief heeft ontvangen kan aan de griffier vragen om een kosteloos niet-ondertekend afschrift van de beslissing te ontvangen, bij gewone brief of op elektronische wijze op een elektronisch adres van zijn keuze. In afwijking van het vorige lid, voor de zaken opgesomd in artikel 704, § 2, alsook inzake adoptie, en in alle andere gevallen waarin de kennisgeving de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel doet lopen, brengt de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis en het in artikel 780/1 bedoelde informatieblad ter kennis van de partijen. In geval van verbetering of aanvulling van het informatieblad overeenkomstig artikel 780/1, derde lid, wordt het op dezelfde manier binnen een termijn van acht dagen ter kennis van de partijen gebracht. Op straffe van nietigheid vermeldt iedere kennisgeving bedoeld in het tweede lid, uitdrukkelijk dat zij de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel, hernomen in het in artikel 780/1 bedoelde informatieblad, doet lopen en herneemt zij de tekst van artikel 47bis, tweede lid, en van artikel 53bis, 1°. In de gevallen, bepaald in het tweede lid, zendt de griffier een niet-ondertekend afschrift van het vonnis, in voorkomend geval, aan de advocaten van de partijen of aan de afgevaardigden bedoeld in artikel 728, § 3 ». B.2.3. Zoals wordt vermeld in de prejudiciële vraag, voorzien noch artikel 203 van het Wetboek van strafvordering en artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, noch enige andere wettelijke bepaling erin dat, in strafzaken, een beklaagde die wordt veroordeeld bij een op 5 tegenspraak gewezen vonnis, wordt geïnformeerd « over de beschikbare rechtsmiddelen en over de nadere regels om daarvan gebruik te maken ». B.3.1. Wat de burgerlijke zaken betreft, bepaalt artikel 780/1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat, in de uitdrukkelijk bij de wet bepaalde gevallen, bij het vonnis een informatieblad met gegevens inzake de rechtsmiddelen wordt gevoegd. Die gegevens zijn : « a) de rechtsmiddelen van hoger beroep, verzet of voorziening in cassatie die van toepassing zijn tegen het vonnis of de afwezigheid van deze rechtsmiddelen; b) de benaming en het adres van het rechtscollege dat bevoegd is om kennis te nemen van deze rechtsmiddelen; c) de wijze van indiening van deze rechtsmiddelen; d) de termijn binnen welke deze rechtsmiddelen moeten worden ingesteld met vermelding van de wettelijke gronden tot verlenging van de termijn; e) de rechtshandeling die de termijn doet lopen; f) een uitdrukkelijke waarschuwing dat de partij die een rechtsmiddel aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden kan worden veroordeeld tot een geldboete, onverminderd de schadevergoeding die gevorderd zou worden en de betaling van de rechtsplegingsvergoeding ». Krachtens het vierde lid van die bepaling « [maakt] het informatieblad […] geen onderdeel uit van het vonnis. Het wordt gevoegd bij de in artikel 790 bedoelde uitgifte of, in voorkomend geval, het door de griffier eensluidend verklaard afschrift ervan ». B.3.2. De betekening bij deurwaardersexploot vormt de algemene regel in het gerechtelijk privaatrecht voor de mededeling van de akten van rechtspleging, waaronder de rechterlijke beslissingen. Artikel 57, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, tenzij de wet anders voorschrijft, de termijn van verzet, van hoger beroep en van voorziening in cassatie ingaat vanaf de betekening. 6 B.3.3. Artikel 43, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Iedere betekening die de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel, hernomen in het in artikel 780/1 bedoelde informatieblad, doet lopen, vermeldt uitdrukkelijk dat zij deze termijn doet lopen, alsook de eerste dag van deze termijn wanneer deze bepaald kan worden op het moment van de betekening ». B.3.4. Artikel 47bis, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Ingeval de betekening of de kennisgeving van een beslissing nietig is, of wanneer het in artikel 780/1 bedoelde informatieblad ontbreekt, neemt de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden geen aanvang. Hetzelfde geldt indien de informatie in het informatieblad onvolledig of onjuist is, op voorwaarde dat de onvolledigheid of onjuistheid de partij te goeder trouw had kunnen misleiden ». B.3.5. De voormelde artikelen 43, tweede lid, 47bis, tweede lid, en 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek werden ingevoerd bij de wet van 26 december 2022 « betreffende de vermelding van de rechtsmiddelen en houdende diverse bepalingen in gerechtelijke zaken » (hierna : de wet van 26 december 2022). Volgens de parlementaire voorbereiding voorziet die wet in « een veralgemeende informatieverplichting tegenover rechtszoekenden op het moment dat, en telkens, zij worden geconfronteerd met een rechtshandeling die tot gevolg heeft dat de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel begint te lopen » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3046/001, p. 9). « Voortaan zal bij iedere betekening of kennisgeving van een vonnis in burgerlijke zaken die de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen doet lopen een informatieblad moeten worden gevoegd met daarin een mededeling over de rechtsmiddelen die openstaan tegen het vonnis en onder andere de termijn waarbinnen deze moeten worden ingesteld » (ibid., p. 18). Met die maatregel beoogde de wetgever gevolg te geven aan de arresten van het Hof nrs. 23/2022 ( ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.023 ) en 92/2022 ( ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.092 ). Met name bij zijn arrest nr. 23/2022 heeft het Hof voor recht gezegd dat, « in zoverre het niet erin voorziet dat, bij de betekening van een vonnis, de rechtsmiddelen, de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel of die rechtsmiddelen moeten worden aangewend, alsook de benaming en het adres van het rechtscollege dat bevoegd is om daarvan kennis te nemen, moeten worden vermeld, […] artikel 43 van het Gerechtelijk Wetboek de 7 artikelen 10 en 11 van de Grondwet [schendt], in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen ». De parlementaire voorbereiding van de wet van 26 december 2022 vermeldt daarnaast, met betrekking tot de keuze om het toepassingsgebied van de informatieverplichting te beperken tot burgerlijke zaken : « Op basis van de adviezen van het College van procureurs-generaal alsook van de Raad van State werd een fundamentele wijziging doorgevoerd met betrekking tot het toepassingsgebied van de bepaling. Het voorontwerp voorzag oorspronkelijk dat artikel 780/1 als gemeenrechtelijke bepaling ook toepassing zou vinden in het strafrecht. Echter, de opmerkingen in de adviezen dat de arresten van het Grondwettelijk Hof enkel van toepassing zouden zijn in het burgerrechtelijk contentieux, zijn louter subjectieve elementen die de wetgever er niet toe kunnen brengen een interpretatie te geven van deze arresten. Daarom is aansluiting gezocht bij objectieve indicatoren die deze opvatting ondersteunen en waardoor een algemene informatieplicht niet moet worden doorgetrokken naar het strafrecht. De draagwijdte van de arresten is beperkend in die zin dat ze voorzien in een verplichting tot informatie bij betekeningen en kennisgevingen die tot gevolg hebben dat de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel aanvangt. Dit omvat twee elementen : de rechtshandeling die een informatieverplichting veronderstelt moet ten eerste een betekening of een kennisgeving betreffen, en dus geen uitspraak, en ten tweede de termijn voor een rechtsmiddel doen lopen. Bovendien is in het strafprocesrecht reeds een gedeeltelijk informatiesysteem voorzien. Voor wat betreft de veroordeling bij verstek kan worden verwezen naar de omzendbrief nr. COL 5/2008 van het College van Procureurs-generaal bij de Hoven van Beroep, wat betreft de voorlopige hechtenis is een regeling opgenomen in de wet van 20 juli 1990 en strafprocedures op tegenspraak gevoerd doen de termijn lopen vanaf de uitspraak, i.e. een rechtshandeling die niet wordt geviseerd in de arresten van het Grondwettelijk Hof. Tot slot merkt de Raad van State op dat de artikelen 43 en 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek worden getoetst aan artikel 792, tweede en derde lid, dat enkel betrekking heeft op kennisgevingen in burgerlijke zaken. Daartoe besluit het dat ‘ L’introduction du régime d’information sur les voies de recours intervient à la suite de deux arrêts de la Cour constitutionnelle statuant uniquement dans des affaires civiles ’ » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3046/001, p. 23). B.4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzet in strafzaken heeft het Hof van Cassatie voorts geoordeeld : « 3. Volgens artikel 187, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan de bij verstek veroordeelde tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek is veroordeeld volgens het tweede lid van die bepaling in verzet komen, 8 wat de veroordelingen tot straf betreft, binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. 4. Uit artikel 6 EVRM en het daarin vervatte recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechter het verzet van een beklaagde tegen een verstekbeslissing slechts dan wegens laattijdigheid onontvankelijk kan verklaren indien vaststaat dat de bij verstek veroordeelde beklaagde duidelijk werd geïnformeerd over de wijze waarop en de termijn binnen welke het verzet diende te worden ingesteld » (Cass., 14 mei 2024, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.10 ). B.4.2. In dat opzicht bepaalt de omzendbrief nr. 5/2008 van het college van procureurs- generaal, waarnaar ook wordt verwezen in de voormelde parlementaire voorbereiding van de wet van 26 december 2022 : « Er wordt bovendien verwezen naar het arrest nummer 23/2022 van 10 februari 2022 van het Grondwettelijk Hof […]. Niettegenstaande dit arrest antwoordt op een prejudiciële vraag gesteld in het raam van louter burgerlijke zaken en niet onverkort kan toegepast worden in het raam van het strafprocesrecht, wordt hiermee veiligheidshalve en in de mate van het mogelijke toch reeds rekening gehouden bij de betekening van vonnissen en arresten die in strafzaken bij verstek worden uitgesproken. Het gaat immers om het beginsel van het waarborgen van de toegang tot de rechter. Gelet op het feit dat de mogelijk aan te wenden rechtsmiddelen per niveau verschillen en voor de duidelijkheid werd respectievelijk een model ontworpen voor de betekening van verstekvonnissen van de politierechtbanken, de verstekvonnissen van de correctionele rechtbanken zetelend in eerste aanleg en deze zetelend in hoger beroep, en voor de verstekarresten van hoven van beroep en van de hoven van assisen. In deze modellen dienen de bevoegde rechtbanken en hoven van beroep om kennis te nemen van de rechtsmiddelen, alsmede de adressen van de bevoegde griffies per gerechtelijk arrondissement en ressort te worden ingegeven op de daartoe aangeduide plaatsen. Dit zal uiteraard best ingegeven worden in het informaticasysteem zodat een geautomatiseerde toepassing mogelijk wordt » (omzendbrief nr. 5/2008 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep betreffende de « Richtlijn inzake kennisgeving van zijn rechten aan een al dan niet in het Rijk of in het buitenland in hechtenis verkerende bij verstek veroordeelde persoon of aan een burgerlijk aansprakelijke partij », versie herzien op 23 december 2022). Ten gronde B.5. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 203 van het Wetboek van strafvordering en artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de 9 rechten van de mens, in zoverre in strafzaken de termijn van hoger beroep een aanvang neemt vanaf de uitspraak van het vonnis op tegenspraak en in zoverre niet erin is voorzien dat de veroordeelde wordt geïnformeerd over de beschikbare rechtsmiddelen en over de nadere regels om daarvan gebruik te maken. De prejudiciële vraag wijst erop dat, zoals ook blijkt uit hetgeen is vermeld in B.3.1 tot B.4.2, zulk een informatieverplichting wel geldt met betrekking tot verstekvonnissen in strafzaken en vonnissen in burgerlijke zaken, en dat in die procedures de niet-naleving van die verplichting ertoe leidt dat de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden, geen aanvang neemt. B.6. In het bodemgeschil heeft de veroordeelde hoger beroep ingesteld tegen een op tegenspraak gewezen vonnis van de Politierechtbank, buiten de termijn van 30 dagen na de dag van de uitspraak, zoals bedoeld in artikel 203 van het Wetboek van strafvordering. Daaruit volgt dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van dat geschil, in zoverre die vraag betrekking heeft op artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek. De beroepstermijn in strafzaken is immers niet afhankelijk van de bij die bepaling bedoelde kennisgeving. Bijgevolg zou de onregelmatigheid van die kennisgeving hoe dan ook geen afbreuk doen aan het verval van het recht van hoger beroep na het verstrijken van die termijn (zie ook Cass., 28 juni 2022, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.13 ; 24 september 2024, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.16 ; 22 oktober 2024, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.9 ). Overigens betreft de voormelde kennisgeving niet de enige mogelijkheid voor de persoon die op tegenspraak is veroordeeld om het vonnis te raadplegen en evenmin dient hij die kennisgeving daarvoor af te wachten. Zo kan de veroordeelde in beginsel reeds onmiddellijk na de uitspraak op de griffie van de rechtbank het vonnis raadplegen en verzoeken om een uitgifte of een afschrift ervan (zie ook artikel 791 van het Gerechtelijk Wetboek). In zoverre zij betrekking heeft op artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, behoeft de prejudiciële vraag bijgevolg geen antwoord. B.7.1. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn 10 indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen, te dezen van het recht op toegang tot de rechter, met zich zou meebrengen. B.7.2. Het in de prejudiciële vraag bedoelde verschil in behandeling tussen, enerzijds, personen die door de strafrechter worden veroordeeld bij een op tegenspraak gewezen vonnis en, anderzijds, personen die worden veroordeeld, hetzij door de strafrechter bij verstek, hetzij door de burgerlijke rechter, vloeit voort uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden. Het Hof dient bijgevolg te onderzoeken of de in het geding zijnde bepalingen aanleiding geven tot een onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter van de eerstgenoemde categorie van veroordeelden. B.8.1. De toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dat zou het geval zijn wanneer de opgelegde beperkingen geen wettig doel nastreven en indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L’Érablière A.S.B.L. t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 , § 36; 18 oktober 2016, Miessen t. België, ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712 , § 64; 17 juli 2018, Ronald Vermeulen t. België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 , § 43). B.8.2. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen, gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden. B.9.1. Bij zijn arrest nr. 155/2015 van 29 oktober 2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.155) heeft het Hof geoordeeld : « B.9.3. Artikel 203 van het Wetboek van strafvordering drukt aldus de bekommernis uit om het hoger beroep betreffende de burgerlijke vordering voor de strafrechter en het hoger 11 beroep betreffende de strafvordering op identieke wijze te regelen, waarbij het tegelijkertijd de belangen vrijwaart van de verschillende partijen die betrokken zijn bij een burgerlijke vordering die samenhangt met een strafvordering die voor de strafrechter is ingesteld. In zoverre hij de beklaagde onderwerpt aan dezelfde termijn van hoger beroep van vijftien dagen te rekenen vanaf de uitspraak van het op tegenspraak gewezen vonnis, voor zowel het hoger beroep gericht tegen de strafrechtelijke beschikkingen als het hoger beroep gericht tegen de burgerlijke beschikkingen van dat vonnis, is de in het geding zijnde maatregel pertinent in het licht van de doelstellingen van snelheid en algemeen belang, die eigen zijn aan een strafrechtelijke procedure voor de strafrechter. Hij strekt immers ertoe dat de beklaagde zijn hoger beroep tegen de burgerlijke en strafrechtelijke beschikkingen van het vonnis instelt bij eenzelfde verklaring op de griffie van de rechtbank die de beslissing heeft gewezen, en dat het hoger beroep in zijn geheel zo spoedig mogelijk wordt voorgelegd aan het rechtscollege in hoger beroep, dat zich op die manier definitief kan uitspreken over alle aspecten van het hoger beroep. B.10.1. De in het geding zijnde bepaling doet overigens niet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht van de beklaagde op toegang tot een rechter. De in het geding zijnde bepaling is in duidelijke en voorzienbare bewoordingen opgesteld en maakt het de beklaagde mogelijk zijn verweer te organiseren, doordat hij vanaf het begin van de procedure de termijn van hoger beroep kent die van toepassing is voor een strafgerecht wanneer het vonnis op tegenspraak wordt gewezen. De beklaagde, al dan niet aanwezig op de zitting vastgesteld voor de uitspraak, kan zich van het resultaat van die zitting vergewissen en zijn recht op hoger beroep binnen de wettelijk bepaalde termijn aldus vrijwaren. Bovendien, rekening houdend met meer bepaald de vereenvoudigde vorm om het hoger beroep in te stellen, is een termijn van hoger beroep van vijftien dagen te rekenen vanaf de uitspraak niet van dien aard dat hij de uitoefening van het beschikbare rechtsmiddel, zijnde het hoger beroep, onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. B.10.2. Daaruit volgt dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel (zie, mutatis mutandis, EHRM, beslissing, 21 november 2000, Comité des quartiers Mouffetard et des bords de Seine en anderen t. Frankrijk; beslissing, 23 oktober 2007, Beauseigneur t. Frankrijk) ». Dat arrest had betrekking op artikel 203, § 1, van het Wetboek van strafvordering, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 88 van de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie ». Sinds die wijziging bedraagt de termijn om hoger beroep in te stellen 30 dagen in plaats van 15 dagen. B.9.2. Om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in het voormelde arrest nr. 155/2015 maakt de termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de uitspraak, zoals bepaald in de huidige versie van artikel 203, § 1, van het Wetboek van strafvordering, het voor de 12 veroordeelde niet onmogelijk of overdreven moeilijk om hoger beroep in te stellen. Het feit dat die termijn een aanvang neemt bij de uitspraak en dat er daarvoor dus geen betekening is vereist, doet als dusdanig niet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op toegang tot de rechter (zie ook de arresten nrs. 9/2002, ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.009 , en 119/2002, ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.119 ). B.10.1. De prejudiciële vraag betreft niet alleen het aanvangspunt van de beroepstermijn in strafzaken, maar ook de afwezigheid van een verplichting om de veroordeelde te informeren over de rechtsmiddelen waarover hij beschikt. B.10.2. In dat opzicht heeft het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 23/2022, geoordeeld : « B.9.2. […] Teneinde het recht op toegang tot de rechter te waarborgen, is het niet alleen van belang dat de regels met betrekking tot de mogelijkheden inzake de rechtsmiddelen en de termijnen duidelijk worden gesteld, maar ook dat zij zo expliciet mogelijk aan de rechtzoekenden ter kennis worden gebracht zodat dezen gebruik ervan kunnen maken overeenkomstig de wet. Dat geldt inzonderheid voor een persoon die bij verstek wordt veroordeeld, die bij de betekening van dat vonnis onmiddellijk op een betrouwbare en officiële manier moet worden geïnformeerd over de beschikbare rechtsmiddelen, de termijnen om die aan te wenden en de te respecteren vormvereisten (EHRM, 24 mei 2007, Da Luz Domingues Ferreira t. België, §§ 58-59; 29 juni 2010, Hakimi t. België, §§ 35-36; 1 maart 2011, Faniel t. België, § 30); hetzelfde geldt voor een rechtzoekende die niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat en betrokken is bij een burgerlijke procedure (EHRM, 31 januari 2012, Assunção Chaves, § 81) en ‘ op duidelijke, betrouwbare en officiële wijze moet worden geïnformeerd over de rechtsmiddelen en de vormen en termijnen van beroep ’ (§ 87). Hoewel zij op bijzondere wijze van toepassing zijn op de voormelde situaties, gelden die wezenlijke vereisten inzake het recht op toegang tot de rechter, dat een aspect van het recht op een eerlijk proces vormt, op algemene wijze ten aanzien van iedere rechtzoekende, die moet weten welk gevolg kan worden gegeven aan een vonnis, zodat die vereisten van toepassing zijn op de betekening van een vonnis, die, zoals is vermeld in B.6.2, de algemene regel in het gerechtelijke privaatrecht vormt voor de mededeling van de vonnissen. De vermelding van het bestaan van rechtsmiddelen in de betekening van een jurisdictionele beslissing is een essentieel element van het algemeen beginsel van behoorlijke rechtsbedeling en van het recht op toegang tot de rechter. Het recht op een eerlijk proces vereist immers niet alleen dat de mogelijkheden en termijnen om rechtsmiddelen aan te wenden, duidelijk worden gesteld, maar ook dat zij zo expliciet mogelijk aan de rechtzoekende ter kennis worden gebracht. Dat is precies het doel zelf van een betekening, namelijk de rechtzoekende inlichten ». B.11.1. Het feit dat een op tegenspraak gewezen vonnis in strafzaken niet dient te worden betekend aan de veroordeelde opdat de beroepstermijn begint te lopen, neemt niet weg dat het recht op een eerlijk proces ook in zulk een situatie vereist dat de mogelijkheden en termijnen 13 om rechtsmiddelen aan te wenden, zo expliciet mogelijk aan hem ter kennis worden gebracht. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn voormelde arrest nr. 23/2022, gaat het immers om een wezenlijke vereiste inzake het recht op toegang tot de rechter, dat op algemene wijze geldt ten aanzien van iedere rechtzoekende. B.11.2. Bijgevolg wordt het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, geschonden in zoverre aan de veroordeelde niet de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen een op tegenspraak gewezen vonnis en de toepasselijke termijn worden meegedeeld. B.12. De vastgestelde ongrondwettigheid dient gedeeltelijk te worden toegeschreven aan het in het geding zijnde artikel 203 van het Wetboek van strafvordering, in zoverre die bepaling ertoe leidt dat de termijn om hoger beroep in te stellen een aanvang neemt vanaf de uitspraak, zelfs wanneer de veroordeelde naar aanleiding daarvan niet is geïnformeerd over de mogelijkheid om dat rechtsmiddel aan te wenden, noch over de wijze waarop en de termijn waarbinnen zulks dient te gebeuren. Voor het overige vloeit die ongrondwettigheid voort uit de ontstentenis van een wetsbepaling die vaststelt op welke wijze de voormelde informatie met betrekking tot de rechtsmiddelen aan de veroordeelde dient te worden meegedeeld. Het staat derhalve aan de wetgever de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.13. Teneinde de rechtszekerheid te vrijwaren en de wetgever de nodige tijd te laten om de nadere regels inzake de informatie met betrekking tot de rechtsmiddelen te bepalen, dienen de gevolgen van artikel 203 van het Wetboek van strafvordering te worden gehandhaafd in de in het dictum aangegeven mate. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : 1. In zoverre zij betrekking heeft op artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord. 2. Artikel 203 van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, maar uitsluitend in zoverre het ertoe leidt dat de termijn om hoger beroep in te stellen tegen een op tegenspraak gewezen vonnis een aanvang neemt vanaf de uitspraak, zelfs wanneer de veroordeelde naar aanleiding daarvan niet is geïnformeerd over de mogelijkheid om dat rechtsmiddel aan te wenden, noch over de wijze waarop en de termijn waarbinnen zulks dient te gebeuren. 3. De ontstentenis van een wetsbepaling die vaststelt op welke wijze de voormelde informatie met betrekking tot de rechtsmiddelen aan de veroordeelde dient te worden meegedeeld, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 4. De gevolgen van artikel 203 van het Wetboek van strafvordering worden gehandhaafd tot de aanneming, door de wetgever, van een regeling die de vastgestelde ongrondwettigheid verhelpt, en uiterlijk tot en met 31 december 2026. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 december 2025. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.9 ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.009 ECLI:BE:GHCC:2002:ARR.119 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.023 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.092 ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506