Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.177

Beslissingsdetails

🏛️ Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) 📅 2025-12-18 🌐 NL Arrest Vernietiging

Rechtsgebied

grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

ordonnantie van 2 mei 2013; ordonnantie van 21 maart 2025; wet van 6 januari 1989

Samenvatting

het beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 21 maart 2025 « tot wijziging van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing teneinde bepaalde voertuigen toe te laten in de lage-emissiezone tot 31...

Volledige tekst

Grondwettelijk Hof Arrest nr. 177/2025 van 18 december 2025 Rolnummer : 8537 In zake : het beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 21 maart 2025 « tot wijziging van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing teneinde bepaalde voertuigen toe te laten in de lage-emissiezone tot 31 december 2026 », ingesteld door Alain Martin. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter Pierre Nihoul en de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 september 2025 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 september 2025, heeft Alain Martin een beroep tot vernietiging ingesteld van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 21 maart 2025 « tot wijziging van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing teneinde bepaalde voertuigen toe te laten in de lage-emissiezone tot 31 december 2026 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 maart 2025). Op 7 oktober 2025 hebben de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. Alain Martin heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 2 II. In rechte -A- A.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 3.2.16, § 6, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 2 mei 2013 « houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing » (hierna : de ordonnantie van 2 mei 2013), zoals vervangen bij de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 21 maart 2025 « tot wijziging van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing teneinde bepaalde voertuigen toe te laten in de lage-emissiezone tot 31 december 2026 » (hierna : de ordonnantie van 21 maart 2025). Zij vordert eveneens de vernietiging van de ordonnantie van 21 maart 2025. De verzoekende partij voert aan dat artikel 3.2.16, § 6, van de ordonnantie van 2 mei 2013, zoals vervangen bij de ordonnantie van 21 maart 2025, ertoe strekt in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest het verkeer te verbieden van de voertuigen die beantwoorden aan de normen die voorafgingen aan euronorm 5 (voor dieselvoertuigen) of euronorm 2 (voor benzinevoertuigen). Zij merkt op dat die normen door de Europese Unie werden aangenomen op grond van artikel 26, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU) ter bevordering van het vrije verkeer van personen en goederen. Zij betoogt dat de bestreden bepalingen, in zoverre zij het gebruik van oudere voertuigen verbieden, afbreuk doen aan het vrije verkeer van goederen. Zij beklemtoont dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geen verzoek om afwijking heeft ingediend op grond van artikel 114, leden 4 tot 6, van het VWEU. Daarbij verwijst zij naar een beschikking van de Europese Commissie van 3 mei 2006 die een dergelijke afwijking voor Nederland heeft afgewezen, en betoogt zij dat de redenen voor die weigering ook te dezen gelden. Tot slot vraagt zij het Hof om de prejudiciële vragen die het nuttig acht aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. Zij besluit daaruit dat artikel 3.2.16, § 6, van de ordonnantie van 2 mei 2013, zoals vervangen bij de ordonnantie van 21 maart 2025, « ongrondwettig » moet worden verklaard. A.2. In hun conclusies, opgesteld met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, hebben de rechters-verslaggevers geoordeeld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat het beroep klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort, daar noch artikel 142 van de Grondwet, noch de bijzondere wet van 6 januari 1989 het Hof de bevoegdheid toewijzen om wettelijke bepalingen rechtstreeks te toetsen aan bepalingen van het recht van de Europese Unie. A.3. In haar memorie met verantwoording betoogt de verzoekende partij dat artikel 3.2.16, § 6, van de ordonnantie van 2 mei 2013, zoals vervangen bij de ordonnantie van 21 maart 2025, artikel 16 van de Grondwet, alsook het bij artikel 10 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid schendt. Daarenboven doet zij gelden dat het mogelijk is zich voor de nationale rechtscolleges rechtstreeks te beroepen op een richtlijn die niet, dan wel verkeerd werd omgezet. Zij leidt daaruit af dat de bepalingen van het VWEU ook moeten kunnen worden aangevoerd voor elk nationaal rechtscollege, met inbegrip van het Hof. Volgens haar zouden artikel 142 van de Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 in dat opzicht in strijd kunnen zijn met het Europees recht en zij vraagt dat daarover een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Hof van Justitie. -B- B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 3.2.16, § 6, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 2 mei 2013 « houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing », zoals vervangen bij de ordonnantie van 3 het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 21 maart 2025 « tot wijziging van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing teneinde bepaalde voertuigen toe te laten in de lage-emissiezone tot 31 december 2026 » (hierna : de ordonnantie van 21 maart 2025), alsook de vernietiging van de ordonnantie van 21 maart 2025 in haar geheel. B.2. Bij zijn arrest nr. 174/2025 van 11 december 2025 ( ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.174 ) heeft het Hof de ordonnantie van 21 maart 2025 vernietigd. B.3. Zonder dat het noodzakelijk is zich uit te spreken over de vraag naar de bevoegdheid van het Hof, dient bijgevolg te worden vastgesteld dat het thans onderzochte beroep geen voorwerp meer heeft. Bijgevolg dienen evenmin prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te worden gesteld. 4 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 december 2025. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.174