ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251223.2N.2
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie
📅 2025-12-23
🌐 NL
Rechtsgebied
strafrecht
Samenvatting
Nr. P.25.1618.N O. M., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Thomas De Nys, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 25 november 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6, 13 en 14 EVRM en artikel 28 Interneringswet, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld, het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces, het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel en het verbod op discriminatie van geïnterneerde personen: het vonnis weigert ten onrechte de eiser de modaliteit van de vervroegde invrijheidstelling met het oo
Volledige tekst
Hof van Cassatie
Vonnis/arrest van 23 december 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251223.2N.2
Rolnummer:
P.25.1618.N
Zaak:
M.
Kamer:
2N - tweede kamer
Rechtsgebied:
Strafrecht
Invoerdatum:
2025-12-30
Raadplegingen:
32 - laatst gezien 2025-12-31 20:24
Versie(s):
Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar
Fiches 1 - 2
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Thesaurus CAS:
BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING
BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - COMMISSIE TOT BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - Rechtspleging
Tekst van de beslissing
Nr. P.25.1618.N
O. M.,
geïnterneerde,
eiser,
met als raadsman mr. Thomas De Nys, advocaat bij de balie Brussel.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 25 november 2025.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6, 13 en 14 EVRM en artikel 28 Interneringswet, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld, het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces, het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel en het verbod op discriminatie van geïnterneerde personen: het vonnis weigert ten onrechte de eiser de modaliteit van de vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied toe te kennen; de eiser heeft geen verblijfstitel voor België en er werd hem op 13 maart 2025 een bevel betekend om het grondgebied te verlaten; om dit bevel te kunnen uitvoeren moet aan de eiser deze modaliteit worden toegekend; de bevoegde diensten hadden de verblijfssituatie van de eiser moeten kennen; de eiser heeft een geldig VSA-paspoort; er is geen zorgtraject nodig om terug te keren naar de VSA; het is niet mogelijk voor de eiser om in België of in de Europese Unie een zorgtraject uit te bouwen; de voorwaarde van een verblijfplaats in de VSA en de bekostiging ervan is niet meer vereist; er wordt ten onrechte gesteund op een psychiatrisch verslag dat niet actueel is; de aanvoering over seksuele deviantie en grensoverschrijdend gedrag wordt door geen enkel objectief en concreet element ondersteund; de eiser moet snel passende zorg krijgen.
2. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de vrijheidsberoving van een geïnterneerde.
In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
3. Het onderdeel preciseert niet waarin de discriminatie van de eiser als geïnterneerde bestaat.
In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
4. In zoverre het onderdeel is gericht tegen de bevoegde diensten en dus niet tegen het vonnis is het niet ontvankelijk.
5. Uit artikel 28, § 1, Interneringswet volgt dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) de modaliteit van de vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied slechts kan toekennen aan de persoon ten aanzien van wie definitief is beslist dat hij geen verblijfsrecht in België heeft.
6. Het enkele feit dat een geïnterneerde een paspoort heeft dat hem toelaat om terug te keren naar zijn land van herkomst en dat hij verklaart dit te zullen doen, verplicht de kamer niet om de modaliteit van de vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied toe te kennen, indien niet is voldaan aan de voormelde voorwaarde.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
7. De kamer oordeelt dat de verblijfstoestand van de eiser nog niet is uitgeklaard en dat het van belang is dat de dienst Vreemdelingenzaken over volledige informatie beschikt om de eventuele repatriëring van de eiser naar zijn land van herkomst te bewerkstelligen. Aldus stelt de kamer vast dat niet blijkt dat voldaan is aan de wettelijke voorwaarde dat definitief moet zijn beslist dat de eiser geen verblijfsrecht heeft in België. De afwijzing van eisers verzoek om de modaliteit van de vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied is op die enkele grond naar recht verantwoord.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
8. Voor het overige is het onderdeel gericht tegen overtollige redenen, kan het bijgevolg niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
Tweede onderdeel
9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6, 13 en 14 EVRM en artikel 28 Interneringswet, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld, het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces, het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel en het verbod op discriminatie van geïnterneerde personen: het vonnis heeft beslist op basis van willekeurige gegevens; de eerste rechtszitting voor de kamer vond plaats zonder dat er een gesprek werd gevoerd tussen de eiser en zijn raadsman en de bevoegde autoriteiten om de haalbare en redelijke voorwaarden van een terugkeer te bespreken; het psychiatrisch verslag is niet actueel; er werd aan de eiser geen kans gegeven om de eerste rechtszitting voor te bereiden; de rechtsmiddelen die tegen het vonnis openstaan werden niet aan de eiser meegedeeld; er bestaat geen hoger beroep tegen de beslissing.
10. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel moet het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen worden verworpen.
11. Uit geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt dat een geïnterneerde en zijn raadsman voor de eerste rechtszitting van de kamer de mogelijkheid moet worden geboden om met de bevoegde autoriteiten haalbare en redelijke voorwaarden te bespreken voor een terugkeer naar zijn land van herkomst. De geïnterneerde en zijn raadsman kunnen daartoe voor de eerste rechtszitting van de kamer zelf elk gewenst initiatief nemen en daarover vervolgens verweer voeren op de rechtszitting van de kamer.
12. Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel vereist dat een geïnterneerde hoger beroep moet kunnen aantekenen tegen de beslissing van de kamer.
13. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
14. Gelet op de ontvankelijkheid van eisers cassatieberoep en het verweer dat hij voor het Hof kan voeren, heeft hij geen belang bij zijn aanvoering dat hem niet werd meegedeeld welke rechtsmiddelen hij kon aanwenden tegen het vonnis.
In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
Tweede middel
15. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.1, 5.4 en 13 EVRM: het vonnis beveelt de opsluiting van de eiser in een afdeling voor de bescherming van de maatschappij, terwijl hij reeds acht maanden van zijn vrijheid is beroofd; het vonnis heeft niet onderzocht of de eiser binnen een redelijke termijn werd geplaatst in een aangepaste instelling en dus of de vrijheidsberoving rechtmatig is.
16. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser, die bij vonnis van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 4 juli 2025 werd geïnterneerd, voor de kamer heeft aangevoerd dat de redelijke termijn om te worden overgebracht naar een instelling waar hij gepaste zorg zal ontvangen, werd overschreden. De kamer diende bijgevolg daarover geen standpunt in te nemen.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek
17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Frédéric Lugentz, François Stévenart Meeûs, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 23 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.