ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.11
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie
📅 2025-12-16
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
strafrecht
Samenvatting
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Volledige tekst
Nr. P.25.1580.N
F. D.,
veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd,
eiser,
met als raadsman mr. Maarten Wante, advocaat bij de balie Dendermonde.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 17 november 2025.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 2, 6°, 53, tweede lid, 56, § 1 en 61 Wet Strafuitvoering: niettegenstaande de drie minderjarige kinderen van de eiser geen slachtoffer zijn in de zin van artikel 2 Wet Strafuitvoering en er voor hen dan ook geen slachtoffergerichte voorwaarden kunnen worden gevraagd, legt het vonnis aan de eiser wat hen betreft een contactverbod op; de moeder is weliswaar een erkend slachtoffer maar zij kan geen contactverbod vragen voor haar minderjarige kinderen, die geen uitstaans hebben met de feiten waarvoor de eiser werd veroordeeld; door toch contactverboden op te leggen betreffende personen die geen slachtoffer zijn, overschrijdt de strafuitvoeringsrechtbank haar bevoegdheid.
Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM: door te oordelen dat het contactverbod voor de eiser met zijn minderjarige kinderen behouden blijft en vervolgens op die grond de eerder toegekende strafuitvoeringsmodaliteit in te trekken, worden de rechten miskend die de vermelde verdragsbepaling aan de eiser toekent; er moet een wettelijke basis zijn om dit mensenrecht van de verzoeker in te perken; iedere wettelijke basis ontbreekt voor het opleggen van een contactverbod aan de eiser met personen die geen slachtoffer zijn en niets te maken hebben met de feiten waarvoor de eiser werd veroordeeld; er wordt niet getoetst aan de andere beperkende voorwaarden die voortvloeien uit artikel 8 EVRM.
2. Artikel 8 EVRM laat een inmenging van het openbaar gezag in het recht op de eerbiediging van het privéleven toe indien dit bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen.
3. Uit artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering volgt dat de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit kan worden afhankelijk gemaakt van bijzondere voorwaarden die moeten waarborgen dat de in deze bepaling bedoelde tegenaanwijzingen zich niet voordoen.
4. Artikel 56, § 1, Wet Strafuitvoering laat de strafuitvoeringsrechtbank toe om bijzondere voorwaarden op te leggen om tegemoet te komen aan de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen, dan wel bijzondere voorwaarden op te leggen die noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.
5. Daaruit volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank niet enkel bijzondere voorwaarden kan opleggen die noodzakelijk zijn in het belang van de slachtoffers als bedoeld in artikel 2, 6°, Wet Strafuitvoering, maar ook bijzondere voorwaarden om tegemoet te komen aan de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen. Die bijzondere voorwaarden kunnen bestaan in het opleggen van een contactverbod met personen die geen slachtoffer zijn in de zin van artikel 2, 6°, Wet Strafuitvoering.
6. De vermelde bepalingen vormen de wettelijke grondslag voor de door artikel 8 EVRM bedoelde inmenging in het recht op de eerbiediging van het privéleven.
7. De onderdelen die uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen naar recht.
Tweede middel
8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de motivering van het vonnis is niet daadkrachtig; niettegenstaande de eiser slechts drie minderjarige kinderen heeft, wordt hem een uitdrukkelijk verbod opgelegd om in de omgeving van vier verschillende scholen te komen; het is geheel onduidelijk of de kinderen van de eiser wel school lopen aan de met het vonnis geviseerde scholen; uit de stukken kan niet worden afgeleid dat de kinderen wel degelijk in de geviseerde scholen zijn ingeschreven.
9. Het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek
10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 6,11 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.