ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.19
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie
📅 2025-12-16
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
Decreet van 23 december 2011; Decreet van 5 april 1995
Samenvatting
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Volledige tekst
Nr. P.25.0246.N
1. L. L.,
beklaagde,
eiser,
2. CLARAPLAST bv, met zetel te 2390 Malle, Delften 23, ON 0560.712.854,
beklaagde,
eiseres,
met als raadsman mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Léon Stynenstraat 75C, waar de eisers woonplaats kiezen.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 januari 2025.
De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.
Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het legaliteitsbeginsel in strafzaken: door de eisers op grond van artikel 16.6.3, § 1, DABM en de artikelen 12, § 1, en 14, derde lid, Materialendecreet te veroordelen wegens het overbrengen van afvalstoffen in strijd met de bepalingen van artikel 3 van de Verordening (EG) 1013/2006 van 14 juni 2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna Verordening 1013/2006), meer bepaald wegens het overbrengen van afvalstoffen zonder voorafgaande schriftelijke kennisgeving vanuit het Verenigd Koninkrijk naar België, miskent het arrest het legaliteitsbeginsel in strafzaken; dit beginsel vereist dat een strafbepaling in voldoende duidelijke bewoordingen omschrijft welke gedraging strafbaar wordt gesteld, waardoor dit redelijk voorzienbaar is voor eenieder die een gedraging stelt en elkeen aldus kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg van zijn gedrag is; de verwijzing in artikel 3.1 en 3.2 Verordening 1013/2006 en in punt 1 van bijlage III A bij die verordening naar afvalstoffen die “dermate verontreinigd” zijn dat nuttige toepassing ervan “op milieuhygiënisch verantwoorde wijze” niet mogelijk is, heeft evenwel betrekking op begrippen die niet nader worden omschreven of gedefinieerd, terwijl evenmin richtlijnen voorhanden zijn om de draagwijdte van die begrippen nader af te toetsen; mede gelet op het gegeven dat het technisch onmogelijk is om een perfecte homogeniteit van een bepaalde afvalstroom te garanderen, was het voor de eisers onmogelijk om op het ogenblik van de hen verweten gedragingen de handelingen en de verzuimen te kennen die hun strafrechtelijke aansprakelijkheid met zich konden brengen; het arrest verwijst voor de interpretatie van de voormelde begrippen bovendien naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna Hof van Justitie), meer in het bijzonder naar het arrest nr. C-654/18 van 28 mei 2020, terwijl die rechtspraak nog niet bestond op het ogenblik van de bewezenverklaarde feiten en voor de eisers dus onvoorzienbaar was.
Ondergeschikt wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 16.6.3, § 1, eerste lid van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen milieubeleid, in samenhang gelezen met de artikelen 12 en 14 van het Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, alsook de bepalingen van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, de artikelen 12 en 14 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7.1 EVRM en met artikel 15.1 IVBPR, in zoverre het geen duidelijke omschrijving geeft van de strafbaar gestelde feiten, maar louter verwijst naar het achterlaten, beheren of overbrengen van afvalstoffen in strijd met de wettelijke voorschriften (of in strijd met een vergunning), daar waar deze wettelijke voorschriften op hun beurt geen omschrijving geven van het begrip “dermate verontreiniging”, noch van het begrip “op milieuhygiënisch verantwoorde wijze” ?”
2. Het arrest verwijst voor de interpretatie van het begrip “milieuhygiënisch verantwoorde nuttige toepassing” in de zin van artikel 3.2, b, Verordening 1013/2006 en van punt 1, b, van bijlage III A bij die verordening onder meer naar het arrest van het Hof van Justitie nr. C-654/18 van 28 mei 2020. Het leidt hieruit echter niet af dat de draagwijdte van dit begrip slechts vanaf de datum van dat arrest voldoende duidelijk en redelijk voorzienbaar was.
In zoverre het middel ervan uitgaat dat de strafbepaling op grond waarvan de eisers werden veroordeeld volgens het arrest pas voldoende duidelijk was sinds het voormelde arrest van het Hof van Justitie, mist het feitelijke grondslag.
3. De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Aan het vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen.
4. De loutere omstandigheid dat bepaalde wettelijke begrippen van de strafbepaling of begrippen waarnaar de strafbepaling verwijst, niet nader in de wet of in uitvoeringsbepalingen worden gedefinieerd, de rechter deze begrippen feitelijk dient te toetsen en hierbij over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt, is als zodanig niet strijdig met die vereiste van redelijke voorzienbaarheid.
5. Bij toepassing van artikel 3.1 Verordening 1013/2006 valt het overbrengen van bepaalde afvalstoffen die bestemd zijn voor nuttige toepassing onder de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming. Dit geldt onder meer voor mengsels van afvalstoffen die niet onder een code vallen van bijlage III, III B, IV of IV A bij die verordening, tenzij zij staan vermeld in bijlage III A.
6. Een overbrenging van afvalstoffen in strijd met artikel 3.1 Verordening 1013/2006 houdt een illegale overbrenging in zoals bedoeld door artikel 2.35 van die verordening en is verboden bij toepassing van de artikelen 12, § 1, en 14, derde lid, Materialendecreet. Een inbreuk op dit verbod wordt strafbaar gesteld op grond van artikel 16.6.3, § 1, DABM.
7. Bij toepassing van artikel 3.2 Verordening 1013/2006 valt het overbrengen van bepaalde mengsels van afvalstoffen niet onder de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming maar louter onder de algemene informatieverplichtingen als vastgesteld in artikel 18 van die verordening, mits de samenstelling van deze mengsels geen gevaar vormt voor de milieuhygiënisch verantwoorde nuttige toepassing ervan en mits deze mengsels overeenkomstig artikel 58 vermeld zijn in bijlage III A. Volgens punt 1, b), van bijlage III A bij Verordening 1013/2006 mogen mengsels, ongeacht of zij in deze lijst zijn opgenomen of niet, evenwel niet worden onderworpen aan de algemene informatievoorschriften van artikel 18 indien zij dermate met andere stoffen verontreinigd zijn dat nuttige toepassing van de afvalstoffen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze niet mogelijk is.
8. Het Hof van Justitie heeft in het arrest nr. C-654/18 van 28 mei 2020 naar aanleiding van de uitlegging van punt 1, b), van bijlage III A bij Verordening 1013/2006 geoordeeld dat:
- uit de bewoordingen van punt 1 van bijlage III A bij Verordening 1013/2006 volgt dat een mengsel van op de lijst in die bijlage vermelde afvalstoffen niet van die lijst is uitgesloten op de enkele grond dat dit mengsel, naast de uitdrukkelijk in die lijst genoemde afvalstoffen, stoorstoffen bevat, aangezien het bestaan van dat punt 1 erop wijst dat de Uniewetgever zich ervan bewust was dat het technisch lastig, zo niet onmogelijk, is om de perfecte homogeniteit van elke afvalstroom te garanderen (ro 62);
- het in punt 1, onder b), van bijlage III A bij Verordening 1013/2006 vermelde vereiste van nuttige toepassing op milieuhygiënisch verantwoorde wijze” weliswaar in die verordening niet uitdrukkelijk wordt omschreven, maar dat de milieuhygiënisch verantwoorde nuttige toepassing van afvalstoffen doelt op het nemen van alle mogelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat afvalstoffen zodanig nuttig werden beheerd, dat de gezondheid van de mens en het milieu worden beschermd tegen de mogelijke nadelige gevolgen van deze afvalstoffen (ro 64);
- gelet op deze precisering moet worden opgemerkt dat bij de toepassing van de voorwaarde van punt 1, onder b), van bijlage III A bij Verordening 1013/2006 in elk afzonderlijk geval moet worden vastgesteld of het type en de hoeveelheid stoorstoffen in een mengsel van in die bijlage III A genoemde afvalstoffen de nuttige toepassing van de betrokken afvalstoffen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze verhinderen, wat in beginsel een feitenkwestie inhoudt die de bevoegde nationale autoriteiten en, in voorkomend geval, de nationale rechterlijke instanties dienen te beslechten (ro 66).
9. Uit de voormelde redenen volgt dat de in het middel bedoelde strafbepaling, door de loutere bewoordingen waarin die bepaling is gesteld, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft en toelaat de handelingen en verzuimen te kennen die de strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is voor elkeen op wie ze van toepassing is.
10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
11. In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
12. Het in de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet vervatte legaliteitsbeginsel in strafzaken, waarop de in het middel in ondergeschikte orde geformuleerde prejudiciële vraag is gebaseerd, is een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze wordt gewaarborgd door artikel 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR.
13. Het Hof kan overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of de betwiste strafbepaling de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt.
14. De artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet worden klaarblijkelijk niet geschonden door de in de voormelde prejudiciële vraag bedoelde strafbepaling. Uit de voormelde redenen volgt immers dat die strafbepaling op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft en toelaat de handelingen en verzuimen te kennen die de strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is voor elkeen op wie ze van toepassing is.
15. De in het middel in ondergeschikte orde geformuleerde prejudiciële vraag wordt niet gesteld.
Tweede middel
16. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door de schuldigverklaring van de eisers aan de verbeterde telastlegging A, zijnde het overbrengen van afvalstoffen zonder voorafgaande schriftelijke kennisgeving, bevat het arrest een tegenstrijdigheid tussen de redenen en het beschikkend gedeelte en is het bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters oordelen enerzijds immers dat de vraag wie de kennisgeving diende te verrichten niets verandert aan de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de beklaagden, dat de strafbaarstelling niet vereist dat de overbrenger ook de kennisgever dient te zijn en dat er bijgevolg geen gegronde reden is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie met betrekking tot de kennisgevingsverplichting, terwijl, anderzijds, de bewezenverklaring van de verbeterde telastlegging A impliceert dat de eisers schuldig worden verklaard om als makelaar geen voorafgaande schriftelijke kennisgeving voor de overbrenging van de afvalstoffen te hebben verricht.
17. De eisers worden door de bewezenverklaring van de verbeterde telastlegging A niet schuldig geacht omdat zij de in artikel 3.1 Verordening 1013/2006 bepaalde voorafgaande schriftelijke kennisgeving niet hebben verricht. De appelrechters oordelen immers dat de eisers onder de bewezenverklaarde telastlegging A worden vervolgd “als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het Strafwetboek, voor het opzettelijk overbrengen van afvalstoffen zonder voorafgaande en schriftelijke kennisgeving zoals voorgeschreven in artikel 3 lid 1 en artikel 4 van de [Verordening 1013/2006], vanuit het Verenigd Koninkrijk naar België, in hoedanigheid van makelaar in afvalstoffen” (arrest, p. 12, eerste alinea). In het licht van die interpretatie van de telastlegging, die op dit punt door het middel niet wordt bekritiseerd, verklaart het arrest (p. 21-23, nr. 3.2) de eisers schuldig aan de illegale overbrenging als zodanig van de afvalstoffen, waarvoor geen voorafgaande schriftelijke kennisgeving werd verricht, zonder te oordelen dat de eisers zelf verantwoordelijk waren voor die kennisgeving, wat door de appelrechters niet relevant wordt geacht voor de strafbaarheid van de illegale overbrenging.
18. Het middel berust aldus op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.
Derde middel
19. Het middel voert schending aan van artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM: met het oordeel dat de strafbaarstelling algemeen is, zich richt tot eenieder die betrokken is bij de grensoverschrijdende overbrenging en de eisers betrokken waren bij de illegale overbrenging van de afvalstoffen, verantwoordt het arrest niet naar recht dat de eisers schuldig zijn aan het overbrengen van afvalstoffen zonder voorafgaande schriftelijke kennisgeving vanuit het Verenigd Koninkrijk naar België; de strafbaarstelling vereist dat vaststaat dat een persoon afvalstoffen in strijd met de milieuvoorschriften heeft achtergelaten, beheerd of overgebracht, wat niet kan worden afgeleid uit een loutere, rechtstreekse dan wel onrechtstreekse, betrokkenheid bij de overbrenging van de afvalstoffen.
20. De appelrechters oordelen niet dat de strafbaarstelling louter vereist dat de dader betrokken was bij de illegale overbrenging van de afvalstoffen. Met de reden dat de in artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM omschreven strafbaarstelling “algemeen (is) en (zich) richt (…) tot “éénieder” die betrokken was bij de grensoverschrijdende overbrenging”, oordelen de appelrechters louter dat die decretale bepaling gericht is tot eenieder en een strafbaarstelling inhoudt van de overbrenging van afvalstoffen met de daarmee gepaard gaande omstandigheid dat de bepalingen in verband met de schriftelijke kennisgeving en toestemming niet werden nageleefd, zonder een welbepaalde hoedanigheid of kwaliteit van de dader te vereisen (arrest, p. 21, tweede en derde alinea).
21. Het arrest beperkt zich verder niet tot de overweging dat de eisers bij de overbrenging van de afvalstoffen “betrokken” waren. Het oordeelt ook als volgt (arrest, p. 21-22):
- de eiseres 2 heeft als statutair doel de import, de export en handel in afval. Uit het verhoor van haar zaakvoerder blijkt dat de eiser 1 haar partner betreft en binnen de eiseres 2 verantwoordelijk is voor het operationele luik en diegene betreft die kennis heeft van de Verordening 1013/2006. De zaakvoerder verklaarde verder dat de eiser 1 op zoek ging naar klanten en dat ze makelden in afvalstoffen voor de firma R. De eiseres 2 kreeg zeventig procent van de winst;
- de eiser 1 achtte zich in zijn verklaring geen makelaar omdat hij middels de eiseres 2 zou werken voor rekening van de Duitse vennootschap R. als agent. Dit wordt evenwel tegengesproken door het verhoor van de verantwoordelijke van R., die verklaarde dat de import- en exportverantwoordelijkheden bij de eiseres 2 lagen en zij daartoe door R. volledig waren geautoriseerd. Dit wordt tevens tegengesproken door de informatie vermeld op de begeleidende documenten in het strafdossier;
- alle informatiedocumenten verwijzen immers naar de eiser 1 als contactpersoon. Dat de eiser 1 in zijn verhoor voorhield dat hij niet degene zou zijn waarnaar werd verwezen op de documenten, is weinig ernstig te noemen;
- hieruit blijkt onmiskenbaar dat de eiser 1, middels de eiseres 2, makelde in afvalstoffen. Uit de concrete verwijzingen in de documenten naar de eiser 1 als de te contacteren persoon, blijkt dat hij zeer concreet bij de litigieuze overbrenging betrokken was;
- de eisers stellen in hun appelconclusie niet aansprakelijk te zijn voor de overbrenging van de kwestieuze afvalstoffen en verwijzen hiervoor naar de firma in het Verenigd Koninkrijk, de firma D., vanwaar de afvalstoffen grotendeels afkomstig waren, als zijnde de verantwoordelijke voor de overbrenging. Ze verwijzen hiervoor naar hun stuk 1 en de gebruikte incoterm “DAP”, hetgeen concreet betekent dat de verkoper tot bij de koper levert, instaat voor het vervoer en het risico bij de verkoper blijft;
- bepalingen van commerciële aard tussen partijen onderling in hun contractuele aangelegenheden doen evenwel geen afbreuk aan de strafrechtelijke gehoudenheid van de beide eisers, die onmiskenbaar bij de overbrenging betrokken waren.
22. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
23. Uit de voormelde redenen van het arrest blijkt dat de appelrechters oordelen dat de beide eisers als makelaars in afvalstoffen verantwoordelijk zijn voor de illegale overbrenging van de in de telastlegging A bedoelde afvalstoffen. Hiermee verantwoorden zij de schuldigverklaring van de beide eisers naar recht.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Vierde middel
24. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de schuldigverklaring van de eisers aan de verbeterde telastlegging A is niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters antwoorden immers niet op het in de appelconclusie van de eisers aangevoerde verweer op grond van de onzelfstandigheid van de strafbare deelneming, meer bepaald dat zij niet schuldig kunnen worden geacht aan enige daad van strafbare deelneming bij gebrek aan een opzettelijk gepleegde strafbare hoofddaad; de eisers hadden in hun appelconclusie in dit verband aangevoerd dat niet de eiseres 2 verantwoordelijk was voor de overbrenging van de afvalstoffen maar wel de firma D., die geen strafrechtelijke gedraging heeft gesteld.
25. Uit de in het antwoord op het derde middel aangehaalde redenen blijkt dat de appelrechters oordelen dat de beide eisers als makelaars in afvalstoffen verantwoordelijk zijn voor de illegale overbrenging van de in de telastlegging A bedoelde afvalstoffen en hen derhalve niet schuldig verklaren als deelnemers aan het in de verbeterde telastlegging A bedoelde misdrijf, maar wel als daders van dat misdrijf. Bijgevolg dienden de appelrechters het doelloze verweer van de eisers met betrekking tot de strafbare deelneming niet te beantwoorden.
Het middel mist feitelijke grondslag.
Ambtshalve onderzoek
26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 156,81 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.