Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251223.2N.15

Beslissingsdetails

🏛️ Hof van Cassatie 📅 2025-12-23 🌐 NL

Rechtsgebied

strafrecht

Samenvatting

Nr. P.25.1257.N I en II S. V., beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Bram Elyn, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest nr. 16/2025 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 27 juni 2025 over de schuld (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest nr. 17/2025 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 27 juni 2025 over de straf (hierna arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan betreffende het arrest I. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan betreffende het arrest II. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De eiser heeft op 18 december 2025 ter griffie een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Midd

Volledige tekst

Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251223.2N.15 Rolnummer: P.25.1257.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-12-30 Raadplegingen: 36 - laatst gezien 2025-12-31 16:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Samenvatting(en) nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - ALLERLEI HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Tekst van de beslissing Nr. P.25.1257.N I en II S. V., beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Bram Elyn, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest nr. 16/2025 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 27 juni 2025 over de schuld (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest nr. 17/2025 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 27 juni 2025 over de straf (hierna arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan betreffende het arrest I. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan betreffende het arrest II. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De eiser heeft op 18 december 2025 ter griffie een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen betreffende het arrest I Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 411 en 414 Strafwetboek en artikel 780 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt: de regelmatigheid van de procedure blijkt niet uit het proces-verbaal van de rechtszitting noch uit de beslissing zelf; hoewel artikel 780, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het beschikkend gedeelte van het arrest I de wetsbepalingen moet vermelden, wordt in het beschikkend gedeelte van het arrest I geen melding gemaakt van de artikelen 411 en 414 Strafwetboek; er blijkt dan ook niet dat de problematiek van de uitlokking voorwerp is geweest van het beraad. 2. Uit de motieven die het arrest I bevat, blijkt dat de uitlokking wel degelijk voorwerp is geweest van het beraad. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest I en mist het feitelijke grondslag. 3. Artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, zijn vreemd aan de aangevoerde grief. 4. Artikel 780, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op arresten van het hof van assisen. 5. Artikel 344, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat artikel 195, tweede tot vierde lid, van dit wetboek van overeenkomstige toepassing is op het hof van assisen. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat behalve de onder de 1° tot en met 5° opgesomde vermeldingen een vonnis de gronden en het beschikkend gedeelte bevat. 6. Noch uit deze bepaling noch uit enig andere bepaling volgt dat in het beschikkend gedeelte van het arrest van het hof van assisen over de schuld of in het proces-verbaal van de rechtszitting melding moet worden gemaakt van de wetsbepalingen betreffende de uitlokking indien die strafverminderende verschoningsgrond voorwerp was van het debat. 7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede middel 8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 392, 393, 394, 411 en 414 Strafwetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt: het arrest I neemt ten onrechte de strafverminderende verschoningsgrond van de uitlokking niet aan; het Hof moet nagaan aan de hand van de feitelijke vaststellingen in het strafdossier of het arrest I tot dit oordeel kon komen; het arrest I oordeelt verkeerdelijk dat er louter sprake is van niet geobjectiveerde fysieke en morele gewelddaden; uit de talrijke stukken van het strafdossier blijkt het tegendeel; het arrest I doet de akten van het strafdossier liegen; er is wel degelijk sprake van door I.S. uitgelokte zware gewelddaden. 9. Artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht. 10. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest I. De controle waartoe het middel het Hof uitnodigt, veronderstelt noodzakelijkerwijze een kennisname van stukken waarop het Hof geen acht kan slaan. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Middel betreffende het arrest II 11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt: het arrest II motiveert niet waarom wat de strafmaat betreft de vordering van het openbaar ministerie wordt gevolgd; hoewel geen rekening mag worden gehouden met de manier waarop een beschuldigde zich verdedigt, neemt het arrest II het gegeven dat de eiser geen spijt had van zijn daden en meende dat hij een medaille verdiende voor wat hij had gedaan, in aanmerking bij de straftoemeting. 12. Uit artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet volgt voor het hof van assisen niet de verplichting om te motiveren waarom het hof de straftoemetingsvordering van het openbaar ministerie of het strafvoorstel van de beschuldigde al dan niet volgt. Uit de artikelen 343, zevende lid, en 344, eerste lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat het hof van assisen enkel de redenen moet vermelden die hebben geleid tot de bepaling van de door dat hof opgelegde straf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 13. Door bij de straftoemeting rekening te houden met het gegeven dat de eiser geen spijt had van zijn daden en meende dat hij een medaille verdiende voor wat hij heeft gedaan, bestraft het arrest II niet de wijze waarop de eiser zich heeft verdedigd, maar houdt het enkel rekening met persoonlijkheidskenmerken van de eiser. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen I en II. Veroordeelt de eiser tot de kosten van de cassatieberoepen I en II. Bepaalt de kosten op 106,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 23 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.