Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251223.1

Beslissingsdetails

đŸ›ïž Ondernemingsrechtbank Gent 📅 2025-12-23 🌐 NL Vonnis

Rechtsgebied

vennootschapsrecht

Geciteerde wetgeving

Wet van 7 juni 2023; wet van 15 juni 1935; wet van 18 september 2017; wet van 19 maart 2017

Samenvatting

De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent — afdeling Gent heeft het volgende vonnis verleend in de zaak: . NV Alpha Credit, met vennootschapszetel te 1000 Brussel, Sint-Lazaruslaan 4-10/2 met ondernemingsnummer Eerste eiseres inzake verzet tegen de kwijtschelding, hierna “Alpha Credit” Ve...

Volledige tekst

De tweede kamer van de ondernemingsrechtbank Gent — afdeling Gent heeft het volgende vonnis verleend in de zaak: . NV Alpha Credit, met vennootschapszetel te 1000 Brussel, Sint-Lazaruslaan 4-10/2 met ondernemingsnummer 0466.301.368 Eerste eiseres inzake verzet tegen de kwijtschelding, hierna “Alpha Credit” Vertegenwoordigd door mr. [
] . Mr. [A], handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de heer [SD] Tweede eiser q.q. inzake verzet tegen de kwijtschelding, hierna “curator” TEGEN [SD] Verweerder, hierna “gefailleerde” Vertegenwoordigd door mr. [
] . I. INFORMATIE OVER DE FEITEN EN PROCEDURE . 1.1. [SD] werd in staat van faillissement verklaard bij vonnis van deze rechtbank van 13 december 2022. Op 8 augustus 2023 heeft vervolgens Alpha Credit een verzoekschrift in overeenstemming met artikel XX.173 §3 WER neergelegd. Op 7 juni 2025 legt ook de curator een verzoekschrift in overeenstemming met artikel XX.173 §3 WER neer. 1.2. Partijen hebben conclusies genomen. De rechtbank heeft partijen in raadkamer van 16 september 2025 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. . II. DE VORDERINGEN . 2.1. Alpha Credit vordert in haar verzoekschrift: “Het verzoek tot kwijtschelding van restschulden van de gefailleerde ongegrond te verklaren, minstens voor wat de restschulden betreft van verzoekster.” 2.2. De curator vordert in zijn laatste conclusie: “Het gevorderde verzoek van de gefailleerde tot gehele, minstens gedeeltelijke kwijtschelding van zijn restschulden te wijzen als ongegrond.” 2.3. Gefailleerde vordert in zijn laatste conclusie: “In hoofdorde: Te zeggen voor recht dat concluant in toepassing van artikel XX.173, § 1 WER ten aanzien van de schuldeisers zal worden bevrijd van de restschulden. Ondergeschikt vordert concluant minstens een gedeeltelijke kwijtschelding voor alle restschulden, behoudens de schuld opzichtens ALPHA CREDIT.” . III. TEN GRONDE . 3.1. Partijen zijn akkoord om het verzet uitgaande van Alpha Credit en de curator samen te voegen. De rechtbank behandelt beide procedures tot verzet tegen de kwijtschelding samen. De gefailleerde is akkoord met de wijze van oproeping. 3.2. Artikel XX.173 §1, 1e lid WER luidt: “Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden.” 3.3. In overeenstemming met artikel XX.173 §3 WER kan de kwijtschelding, al dan niet in zijn geheel, geweigerd worden bij gemotiveerde beslissing op vordering van een belanghebbende, met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie, “indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement”. 3.4. Verzet tegen de kwijtschelding door Alpha Credit 3.4.1. Gefailleerde sloot op 16 en 19 november 2018 twee leningsovereenkomsten af voor de aankoop van twee tweedehands voertuigen (stukken 1 en 5 Alpha Credit). Een eerste overeenkomst betreft een lening voor het voertuig CitroĂ«n Jumper voor een geleend bedrag van 22.748,00 EUR (stukken 5 en 7 Alpha Credit). De tweede leningsovereenkomst betreft het voertuig Skoda Yeti voor een geleend bedrag van 7.500,01 EUR (stukken 1 en 3 Alpha Credit). Conform de algemene voorwaarden van voormelde kredietovereenkomsten is Alpha Credit gesubrogeerd in de rechten van de verkoper en wordt de verkoop afgesloten onder opschortende voorwaarde van de overdracht van eigendom tot de volledige terugbetaling van alle sommen verschuldigd uit hoofde van de kredietovereenkomst. Met andere woorden Alpha Credit heeft een eigendomsvoorbehoud op beide voertuigen. Alpha Credit werd niet volledig betaald, noch ontving zij de voertuigen van gefailleerde. Zij heeft aangifte gedaan in het passief van het faillissement voor respectievelijke bedragen van 7.929,14 EUR (contract CitroĂ«n Jumper) en 1.982,02 EUR (contract Skoda Yeti). 3.4.2. Na bevraging door de curator verklaart gefailleerde, bij monde van zijn raadsman, dat het voertuig Skoda Yeti werd verkocht aan zijn vader in BosniĂ«. Het voertuig CitroĂ«n Jumper zou jaren terug in panne zijn gevallen in KroatiĂ« en vervolgens daar zijn achtergelaten (stuk 6 curator). 3.4.3. Alpha Credit is van mening dat de gefailleerde een kennelijk grove fout heeft begaan door beide voertuigen, waarop een eigendomsvoorbehoud rustte, te verkopen zonder de hieraan verbonden openstaande kredietschulden te betalen. 3.5. Verzet tegen de kwijtschelding door de curator 3.5.1. De curator tekende eveneens verzet aan tegen de kwijtschelding. Hij verwijst daarbij naar een passief van 407.029,34 EUR voor een eenmanszaak, waaronder meer dan 20.000 EUR schuld aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en meer dan 50.000 EUR aan fiscale schulden. Er kon een actief gerealiseerd worden ten belope van 20.757,75 EUR. De curator wijst erop dat gefailleerde naast de door Alpha Credit bezwaarde voertuigen ook nog twee andere gehuurde voertuigen heeft verkocht (stukken 5 en 6 curator). Het betreft enerzijds een voertuig Mercedes Sprinter dat werd gehuurd doch door de gefailleerde verkocht, met een restschuld van 11.946,99 EUR tot gevolg. Anderzijds gaat het om een voertuig Dodge Ram, een leasevoertuig eigendom van Bank J. Van Breda & Co NV en eveneens door gefailleerde verkocht, met een restschuld van 39.128,25 EUR tot gevolg. De curator is ook van oordeel dat een gebrekkige boekhouding werd gevoerd. 3.6. De gefailleerde vraagt het verzet tegen de kwijtschelding ongegrond te verklaren. Gefailleerde betwist niet dat de voertuigen werden verkocht, maar stelt dat dit niet “heeft bijgedragen tot het faillissement” en dus een kwijtschelding niet in de weg kan staan. Gefailleerde stelt dat de geĂŻnde verkoopsommen van de voertuigen zijn gebruikt in de beroepsactiviteit en de werking van de eenmanszaak. Het faillissement zou enkel te wijten zijn aan personeelsproblemen en een gezondheidsproblematiek. - Het voertuig Dodge Ram zou de gefailleerde verkocht hebben in BosniĂ«. De gefailleerde stelt hierover in conclusies: “De Dodge Ram was in panne gevallen op vakantie in BOSNIË. Concluant kon aldaar niets meer met het voertuig doen. Gezien de herstelling zeer prijzig was en het voertuig diende gerepatrieerd te worden, verkocht concluant het wrak aldaar [STUK 2]. De nummerplaat 1BZC915 werd geschrapt [STUK 5]. Dit voertuig werd geleased door de BANK j. VAN BREDA. De echtgenote van concluant betaalt dit verder af, zodat de leasinggever geen schade ondervindt door de verkoop [STUK 7].” - Het voertuig Mercedes Sprinter zou gefailleerde verkocht hebben aan een Duitse garage op 2 juni 2020 voor 12.000 EUR in contante betaling (stukken 6 en 8 curator). Er zou geen schuld meer bestaan met betrekking tot dit voertuig. - Het voertuig Skoda Yeti zou verkocht zijn aan de vader van gefailleerde, ook in contanten. - Het voertuig CitroĂ«n Jumper zou zijn achtergelaten in KroatiĂ«. . 3.7. De beoordeling door de rechtbank: . Gefailleerde betwist niet dat hij 4 voertuigen, waarvan hij niet de eigenaar was, heeft verkocht, doch stelt in essentie dat die fouten (en of misdrijven) niet hebben “bijgedragen tot het faillissement” omdat de geĂŻnde verkoopsommen werden aangewend voor de beroepsactiviteit. Het vermogen van de gefailleerde werd niet geaffecteerd gezien aan de ene kant liquiditeiten binnenkomen en aan de andere kant een schuld ontstaat in dezelfde mate. De rechtbank volgt deze principiĂ«le stelling niet. Het uitgangspunt dat de wederrechtelijke verkoop van leasevoertuigen sowieso geen bijdrage kan hebben geleverd aan het faillissement wanneer de opbrengsten voor de economische activiteit zijn gebruikt, aanvaardt de rechtbank niet. De rechtbank is zich bewust dat de rechtspraak hierover niet eensluidend is. Deze discussie raakt aan de meer fundamentele rechtsvraag wat begrepen moet worden onder “hebben bijgedragen tot het faillissement” in de specifieke context van kwijtschelding. De vraag stelt zich of de enkele vaststelling dat illegaal verkregen vermogensvoordelen integraal zijn aangewend voor de beroepsactiviteit, kan dienen als een argument om te stellen dat het onderliggende misdrijf om die reden niet kan “hebben bijgedragen tot het faillissement”. Dit kan gaan over illegale vermogensvoordelen uit misdrijven zoals het overvallen van een bank waarbij de integrale buit wordt aangewend om schulden te betalen; of heling waarbij de opbrengsten van gestolen goederen in de reguliere omzet worden gerekend of dus ook het verkopen van lease-voertuigen waarbij de geĂŻnde sommen worden gebruikt om bv. fiscale schulden te betalen. Allemaal misdrijven die liquiditeiten genereren, doch die vanuit het oogpunt van de gefailleerde zuiver vermogensrechtelijk neutraal kunnen zijn als de liquiditeiten integraal worden gebruikt voor het betalen van schulden. Niet ter discussie staat de vraag of burgerlijke gevolgen uit een misdrijf kunnen kwijtgescholden worden, daarover bestaat al lange tijd rechtsvrede (zie ook GwH 22 januari 2003, nr. 11/2003). Doch wel de vraag of het aanwenden van de illegale vermogensvoordelen voor de beroepsactiviteit ĂŒberhaupt een relevant argument kan vormen in de beoordeling van “hebben bijgedragen tot het faillissement” in de specifieke context van de kwijtschelding. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. . 3.8. Het “hebben bijgedragen tot het faillissement” is te onderscheiden van het “hebben bijgedragen tot de faillietverklaring”. Met “het faillissement” wordt niet enkel bedoeld “de faillietverklaring”, maar wel het netto-passief, de boedel Ă©n de rangregeling die samen vorm geven aan “het faillissement” in concreto. Niet enkel de loutere omvang van het passief of het netto-passief geeft vorm aan het faillissement in concreto, doch ook de aard en samenstelling van het passief dat tot uiting komt in de rangregeling. . 3.9. De rechtbank is van oordeel dat in het kader van de kwijtschelding er sprake is van “hebben bijgedragen tot het faillissement” wanneer zonder de kennelijk grove fout het faillissement zoals dat zich heeft voorgedaan in concreto, zich niet had voorgedaan. De weigering van de kwijtschelding heeft ten aanzien van de verzetdoende partij in essentie een schadevergoedende functie zodat moet teruggegrepen worden naar de principes inzake causaliteit en schade. De gehele of de gedeeltelijke weigering van kwijtschelding voor een natuurlijke persoon, is wat bestuurdersaansprakelijkheid is voor een vennootschapsbestuurder. Het is een vorm van bestuurdersaansprakelijkheid. Een sanctie voor foutief gedrag waardoor schadeherstel (deels) kan geschieden. De oorsprong van de omschrijving “bijgedragen tot het faillissement“ is te vinden in artikel 63ter Gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen en later hernomen onder meer in artikel 530 W.Venn en thans in artikel XX.225 WER. Deze aansprakelijkheidsgrond viseert het vergoeden van veroorzaakte schade die bestaat uit niet betaalde schulden na faillietverklaring. Deze aansprakelijkheidsgrond kan enkel gebruikt worden wanneer er een netto-passief bestaat. Zelfs wanneer vastgesteld wordt dat kennelijk grove fouten rechtstreeks hebben geleid tot de faillietverklaring, dan nog kan die aansprakelijkheidsgrond niet gebruikt worden als blijkt dat de faillissementsvereffening batig kan afgesloten worden. Hieruit blijkt meteen dat niet zozeer de “faillietverklaring” op zich essentieel is, maar wel de schade, vorm gegeven door de niet-betaalde schulden. In een commentaar op artikel 63ter (oude) Venn.W. verklaarde de toenmalige minister van Justitie tijdens de parlementaire voorbereiding: “de aansprakelijkheid geldt enkel voor zover er een fout werd gemaakt en er een verband bestaat tussen deze fout en een deel of het geheel van de ontstane schuld” (Hand. Senaat, 13 juli 1978, p. 1955). Artikel 63ter (oude) Venn.W. was in essentie enkel een bevestiging van de equivalentieleer, waarnaar de tot schadevergoeding aanleiding gevende fout niet de rechtstreekse noch enige oorzaak van de geleden schade dient te zijn, maar waar de vaststelling volstaat dat zonder de bedoelde fout de schade zoals zij zich in concreto heeft voorgedaan, niet op dezelfde wijze zou zijn ontstaan. Een passief waarin een aangifte van schuldvordering van een leasingmaatschappij is opgenomen omdat het leasevoertuig wederrechtelijk werd verkocht, is in concreto niet hetzelfde als een passief waarin geen aangifte van schuldvordering van een leasingmaatschappij zit om reden dat deze haar voertuig na faillietverklaring heeft kunnen recupereren. Dat in sommige gevallen, beide scenario’s vermogensrechtelijk neutraal zijn en het globale netto-passief even groot blijft, doet geen afbreuk aan het feit dat de samenstelling van het passief in concreto gewijzigd is. De samenstelling van een passief is ‘specifiek’ en zal de uitdeling aan de schuldeisers determineren. Het is net de wijziging in de samenstelling van het actief en passief dat de schade uitmaakt voor de schuldeiser die zijn eigendom of onderpand wederrechtelijk heeft zien verdwijnen. Door een doelbewuste fout is de schuldeiser onnodig verworden tot een chirografaire schuldeiser – zonder enige zekerheid – wiens recuperatiekansen beperkt zijn. Het enige rechtsherstel dat mogelijk is voor een benadeelde van zulke kennelijk grove fouten begaan door een gefailleerde natuurlijke persoon , is net de (gedeeltelijke) weigering van de kwijtschelding. Vanuit een “rechtsherstel”-denken, is het irrelevant te weten of die kennelijk grove fout het netto-vermogen van de gefailleerde heeft geaffecteerd, maar wel te weten of die kennelijk grove fout onnodige schade heeft teweeggebracht. Het kan nimmer de bedoeling geweest zijn van de Belgische wetgever om niet aan de rechtbank de mogelijkheid te geven de kwijtschelding (gedeeltelijk) te weigeren voor een gefailleerde om de enkele reden dat die zijn beroepsactiviteiten heeft gevoerd op basis van liquiditeiten verworven uit misdrijven waarmee hij schade heeft berokkend aan al dan niet individuele schuldeisers. . 3.10. Het wetens en willens wederrechtelijk verkopen van een leasevoertuig, een huurwagen of een wagen bezwaard met eigendomsvoorbehoud kwalificeert als misbruik van vertrouwen (art. 491 Sw). Dat er geen strafklacht werd neergelegd of strafvervolging werd ingesteld, doet niet ter zake. Een misdrijf bestaat door het loutere feit dat het begaan is en bestaat niet pas wanneer een strafrechter hierover heeft geoordeeld. Een burgerlijke rechter kan vaststellen dat de constitutieve bestanddelen van het strafbaar feit aanwezig zijn en de schuld vaststellen (Cass. 4 februari 2022, C.21.0278.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220204.1F.4 /4). De rechtbank kan zulke misdrijven begaan door een gefailleerde aanzien als kennelijk grove fouten. Deze fouten hebben bijgedragen tot “het faillissement” in de zin dat door die fouten de gedupeerde eigenaren het onderpand van hun schuldvordering hebben zien verdwijnen waardoor zij achterblijven met een onbetaalde schuld in de rangregeling. Zulke redenering is niet in strijd met het cassatiearrest van 28 juni 2024 (Cass. 28 juni 2024, C.23.0288.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240628.1F.8 /1). Alles hangt af van wat begrepen wordt onder “hebben bijgedragen tot het faillissement” in de context van de kwijtschelding. Dat het “hebben bijgedragen tot het faillissement” noodzakelijkerwijs een ruimere invulling heeft bij “kwijtschelding” dan bij “bestuursaansprakelijkheid”, volgt enerzijds uit de richtlijn-conforme interpretatie (zie verder) en anderzijds uit het feit dat artikel XX.225 WER zich toespitst op de collectieve schade – de rangregeling doet daarbij in beginsel niet ter zake -, terwijl de kwijtschelding betrekking heeft op zowel eigen schade alsook op collectieve schade. Het begrip schade is in beide gevallen niet hetzelfde, zodat de omschrijving ervan ook niet op dezelfde wijze kan geĂŻnterpreteerd worden. Of de illegaal verkregen liquiditeiten uit niet-toegelaten verkopen nu wel of niet gebruikt zijn voor de beroepsactiviteiten, is niet determinerend. Meer zelfs, het verbruiken van deze gelden maakt de fout des te erger en de schade des te groter. Terzijde kan opgemerkt worden dat het inbrengen van illegale vermogensvoordelen in het reguliere circuit om een bedrijfsactiviteit te kunnen voeren, kan kwalificeren als een autonoom witwasmisdrijf (art. 505 Sw). Dit geldt des te meer wanneer de verkoopprijs wordt betaald met contanten die de grenzen te boven gaan van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten (zie verder). Het feit dat met de opbrengst van de illegale verkopen andere schulden zijn voldaan, vermindert de schade voor de eigenaars van de voertuigen geenszins. Bij de beoordeling of een failliete natuurlijke persoon schade heeft veroorzaakt, moet worden uitgegaan van het perspectief van de onbetaalde schuldeisers, niet van dat van de natuurlijke persoon die failliet wordt verklaard. Dat de natuurlijke persoon-ondernemer zelf geen schade heeft geleden door de door hem gepleegde misdrijven, sluit niet uit dat de individuele schuldeiser wĂ©l schade kan leiden als gevolg daarvan. . 3.11. De rechtbank verwijst naar de Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiĂ«ntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie). Hierna “Richtlijn 2019/1023”. BelgiĂ« heeft voormelde Richtlijn 2019/1023 omgezet bij Wet van 7 juni 2023 (BS 7 juli 2023). In de memorie van toelichting bij deze wet heeft de Belgische wetgever over artikel XX.173 WER gesteld “dit artikel omschrijft ook, met gebruik van de begrippen van de Richtlijn in artikel 23, welke gegevens toelaten om de kwijtschelding volledig of gedeeltelijk te weigeren” (Parl.St., Kamer, 2022-23, nr. 3231/001, 89). De rechtbank neemt dan ook aan dat de Belgische wetgever van oordeel is dat het huidige artikel XX.173 WER in overeenstemming is met artikel 23, lid 1 van Richtlijn 2019/1023 en dat artikel XX.173 WER ook met die wetenschap moet geĂŻnterpreteerd worden. Ondanks Richtlijnen geen horizontale rechtstreekse werking hebben, moeten alle nationale instanties, waaronder rechters, na het verstrijken van de omzettingstermijn, in procedures tussen particulieren (horizontaal), de ter uitvoering van de richtlijn vastgestelde nationale bepalingen zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en van de doelstelling van de richtlijn uitleggen (HvJ 10 april 1984, , C-14/83, ECLI:EU:C:1984:153 , ‘von Colson en Kamann/Land Nordrhein-Westfalen’, punt 26). Rechters moeten alles doen om te verzekeren dat het doel van een richtlijn bereikt wordt. Een nationale bepaling die indruist tegen het Unierecht moet buiten toepassing worden gelaten wanneer er geen met het Unierecht strokende uitlegging van die bepaling mogelijk is (zie VEROUGSTRAETE I., ‘Uitsluiting van categorieĂ«n van schuldvorderingen bij kwijtschelding: een micro-harmonisatie’, TBH 2024/6, 725) . 3.12. In artikel 23, lid 1 van Richtlijn 2019/1023 wordt aan de lidstaten opgelegd bepalingen te handhaven of te introduceren die afwijken van het principe van volledige kwijtschelding “indien de insolvente ondernemer bij het aangaan van de schulden, tijdens de insolventieprocedure of bij het terugbetalen van de schulden naar nationaal recht oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld tegenover schuldeisers of andere belanghebbenden”. Artikel 23 lid 1 houdt een verplichting in – geen loutere mogelijkheid zoals voorzien in artikel 23, lid 2 – om in afwijkende bepalingen te voorzien wanneer de ondernemer oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld bij het aangaan van de schulden (zie ook overweging 78 bij voormelde Richtlijn). Zie hierover Jokubouskas R., ‘Discharge of debts of insolvent entrepreneurs under the restructuring and insolvency directive’, Utrecht journal of international and European law (UJIEL) 2023, nr. 38, 64-75: (vrij vertaald) “Artikel 23, lid 1, van de richtlijn hanteert strikte bewoording (“shall” [zal]), terwijl andere leden een flexibeler woord (“may”[mag]) gebruiken. Daarom lijkt het erop dat de lidstaten enkel de verplichting hebben om artikel 23, lid 1, van de richtlijn in nationaal recht te implementeren en om te zetten, terwijl de omzetting van andere in dit artikel opgenomen afwijkingen door elke lidstaat afzonderlijk moet worden beslist”. Het voorschrift bevat een indirecte temporele aanwijzing voor het tijdstip waarop de schuldenaar oneerlijk of te kwader trouw moet hebben gehandeld, namelijk “bij het aangaan van de schulden”, “tijdens de insolventieprocedure” of “bij het terugbetalen van de schulden” (zie HvJ 10 april 2025, nr. C-723/23, overweging nr.23). Van zodra één van deze gevallen kan vastgesteld worden, moet de rechter een wettelijke bepaling in de nationale wetgeving hebben waarop hij zich kan steunen om minstens te kunnen overwegen of volledige kwijtschelding opportuun is. Deze bepaling werd ingevoegd ter bescherming van de schuldeiser, niet ten behoeve van de gefailleerde. Het “aangaan van schulden” door middel van het plegen van misdrijven, kan aanzien worden als “oneerlijk of te kwader trouw” handelen tegenover die schuldeiser. De Richtlijn viseert enkel het gedrag van de gefailleerde bij het “aangaan van schulden” en koppelt hieraan niet de bijkomende voorwaarde dat “het aangaan van schulden” zou moeten hebben geleid tot een stijging van het nettopassief of tot een faillietverklaring. Indien het “hebben bijgedragen tot het faillissement” zoals gesteld in artikel XX.173 WER in een enge zin wordt geĂŻnterpreteerd – en niet in de ruime zin zoals uiteengezet in randnummers 3.9 en 3.10 van dit vonnis – dan zou dit betekenen dat door de huidige Belgische wet aan de rechter de mogelijkheid werd ontnomen om de kwijtschelding (gedeeltelijk) te weigeren wanneer hij enkel vaststelt dat “de ondernemer oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld bij het aangaan van de schulden”, zonder meer. Zulke interpretatie zou indruisen tegen artikel 23, lid 1 van de Richtlijn 2019/1023, wat nooit de bedoeling kan geweest zijn van de Belgische wetgever. De verplicht te voorziene afwijkingen opgesomd in artikel 23, lid 1 van de Richtlijn 2019/1023 moeten samen geĂŻnterpreteerd worden met de eerste overweging van de Richtlijn waarin gesteld wordt dat enkel eerlijke ondernemers volledige kwijtschelding van schuld kunnen krijgen na een redelijke termijn. Een ondernemer die misdrijven pleegt en de opbrengst ervan gebruikt in zijn beroepsactiviteit, is geen “eerlijk ondernemer”. Ook “oneerlijke ondernemers” verdienen een tweede kans, maar mogelijk niet met een volledige kwijtschelding. In de Richtlijn 2019/1023 wordt in voorafgaande overweging nr. 79 uitgelegd met welke omstandigheden een rechter rekening kan houden bij het bepalen of een ondernemer oneerlijk is geweest, waaronder “de aard” van zijn schulden. Hieruit volgt opnieuw dat niet enkel de omvang van de schulden of het netto-passief van belang is. De “aard” van de schulden bepaalt de rangregeling in concreto. Uit het voorgaande, volgt aldus dat een richtlijnconforme interpretatie van artikel XX.173 WER leidt tot de vaststelling dat met “bijgedragen tot het faillissement” de wetgever bedoelde het faillissement in de ruime zin, zoals dat zich in concreto voordoet. De loutere vaststelling dat een onderneming haar activiteiten voert op basis van illegale vermogensvoordelen en hierdoor schuldeisers heeft benadeeld wat blijkt uit de rangregeling, kan aldus volstaan om de kwijtschelding (gedeeltelijk) te weigeren, als de rechter hiertoe zou willen beslissen alle omstandigheden van de zaak in acht genomen. . 3.13. De rechtbank wijst er op dat de minister van Justitie in 2017 tijdens het wetgevend proces van boek XX WER heeft “verduidelijkt” dat “goede trouw van de gefailleerde een cruciaal aspect [is] dat de rechter in overweging moet nemen wanneer hij zich over de schuldkwijtschelding uitspreekt”; doch dat de enige reden waarom de expliciete verwijzing naar goede trouw in de wetteksten werd weggelaten en amendementen in die zin (nr.5, 2407/002) niet aangenomen konden worden, te vinden is in het feit dat het begrip goede trouw “een zeer grote morele connotatie heeft” (Parl.St., Kamer 2016-17, nr. 2407/004, 53-54). Zowel de Aanbeveling van de Commissie van 12 maart 2014 alsook de Richtlijn 2019/1023 maken nochtans gewag van een weigering van een volledige kwijtschelding voor ondernemers die “oneerlijk of te kwader trouw hebben gehandeld” (zie artikel 32 Aanbeveling 2014/135/EU van de Commissie van 12 maart 2014 inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie en artikel 23 Richtlijn 2019/1023). Het begrip “goede trouw” is ook opgenomen in verschillende artikelen in het nieuw Burgerlijk Wetboek. . 3.14. De uitweidingen over de geest van de wet en het concept fresh start zoals dat zou bestaan in andere rechtstelsels, zijn niet ter zake. De rechtbank past Belgisch recht toe dat overigens inzake kwijtschelding beduidend milder is dan de minimumnormen gesteld in de Richtlijn 2019/1023. Het volstaat te verwijzen naar de wijze van omzetting door de overige lidstaten wat betreft de kwijtschelding van schulden uit onrechtmatige daad en misdrijven. Het is bovendien een misvatting te denken dat de regels inzake kwijtschelding van restschulden na faillietverklaring in andere rechtstelsels aantrekkelijker zouden zijn met het oog op een fresh start. Te dezen volstaat het te verwijzen naar de opsomming van schulden die bijvoorbeeld niet kunnen kwijtgescholden worden in de Verenigde Staten van Amerika, zoals vermeld in artikel 523(a) van de ‘U.S. Bankruptcy Code’, al dan niet na akkoord. De procedure kwijtschelding zoals voorzien in artikel XX.173 WER om een “een tweede kans en een snelle herstart mogelijk te maken” staat in werkelijkheid in vele opzichten zeer ver van de fresh start volgens de ‘U.S. Bankruptcy Code’. . 3.15. Het toekennen van kwijtschelding van schulden volgend uit misdrijven behoeft bijzondere aandacht. Het hier boven uiteengezette standpunt van de rechtbank is mede gevormd door de specifieke gevolgen die kunnen bestaan voor benadeelde partijen van misdrijven. Wil coherentie behouden blijven inzake kwijtschelding, dringen coherente interpretaties zich ook op. Overeenkomstig artikel 464/1, §8, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de kwijtschelding of vermindering van “straffen” in het raam van een faillissement enkel worden toegestaan met toepassing van de artikelen 110 en 111 van de Grondwet. Krachtens artikel 110 van de Grondwet heeft enkel de Koning het recht de door de rechters uitgesproken straffen kwijt te schelden of te verminderen. De wetgever heeft deze regel de straffeloosheid willen tegengaan en een effectieve strafuitvoering willen waarborgen. De wetgever wou hiermee de strafuitvoering meer geloofwaardigheid geven door ervoor te zorgen dat “misdaad niet loont” en wil tevens het afschrikkend effect van strafsancties versterken (Parl. St., Kamer, 2012-2013, 53-2934/001 p. 5-6; Parl. St., Senaat, 2013-2014, nr. 5-2405/2, p. 2). Dat de wetgever in artikel XX.173 §1 WER enkel “de onderhoudsschulden” en “schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft” heeft uitgesloten van de kwijtschelding doet geen afbreuk aan artikel 110 GW en artikel 464/1 Sv. (Cass. 29 maart 2024, C.23.0271.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240329.1F.6 ). Het uitgangspunt dat “misdaad niet mag lonen” blijft overeind, ook na invoering van de kwijtschelding in boek XX WER. Met andere woorden, straffen (voor misdrijven) kunnen niet kwijtgescholden worden door de insolventierechter. Onder “straffen” worden ook “verbeurdverklaringen” begrepen (zie ook Parl. St., Kamer, 2012-2013, 53-2934/001 en 53-2935/001, p. 12). Overeenkomstig artikel 42, 3° Sw. kan de bijzondere verbeurdverklaring worden toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen. Overeenkomstig artikel 43bis Sw. kunnen burgerlijke partijen verbeurdverklaarde zaken zich laten toewijzen omdat deze het equivalent vormen van zaken die toebehoorden aan de burgerlijke partij. Een effectieve verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen die worden toegewezen aan de burgerlijke partij draagt bij tot het reĂ«le herstel van de schade geleden door de slachtoffers (Parl. St., Kamer, 2012-2013, 53-2934/001 en 53-2935/001, p. 32). De toewijzing van een verbeurdverklaring aan de burgerlijke partij is niet van burgerrechtelijke aard ten opzichte van de dader (gefailleerde). Ook de toewijzing is en blijft een straf waarbij aan het slachtoffer enkel een burgerrechtelijk vorderingsrecht wordt verleend tot afgifte van de toegewezen bedragen of de opbrengst van de toegewezen zaken vanwege de Ontvanger der Domeinen en Penale Boeten, die krachtens artikel 197bis Sv. deze straf ten uitvoer legt (Cass. 10 juni 2014, P.14.0280.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140610.3 ). Hieruit zou kunnen gesteld worden dat ook een toewijzing van een verbeurdverklaring niet kan kwijtgescholden worden in het kader van artikel XX. 173 WER. . 3.16. Uit het voorgaande lijkt de vaststelling zich op te dringen dat een slachtoffer van een misdrijf begaan door een gefailleerde rechtsherstel kan bekomen door een toewijzing van de verbeurdverklaring van het illegaal vermogensvoordeel, dit zonder dat de strafrechter geconfronteerd wordt met het debat over het “hebben bijgedragen tot het faillissement” en dit zonder dat het slachtoffer het risico loopt te worden geconfronteerd met een kwijtschelding. Terwijl wanneer het openbaar ministerie om opportuniteitsredenen beslist om de gefailleerde niet strafrechtelijk te vervolgen, doch er wel verzet wordt ingesteld tegen de kwijtschelding, de bijkomende voorwaarde van het “bijgedragen tot het faillissement” wel door de insolventierechter moet beoordeeld worden. Dit terwijl het over exact dezelfde kennelijk grove fouten gaat en over exact dezelfde veroorzaakte schade. De “ruime” interpretatie die erin bestaat dat er sprake is van “hebben bijgedragen tot het faillissement” wanneer zonder de kennelijk grove fout het faillissement zoals dat zich heeft voorgedaan in concreto, zich niet had voorgedaan, draagt bij tot de coherentie gelet op de gevolgen uit het strafrecht. Op het vlak van de gevolgen van kwijtschelding mag er geen verschil bestaan of het burgerlijk rechtsherstel nu wordt toegekend door een strafrechter of door een faillissementsrechter. . 3.17. Los van het bovenstaande, overtuigen de verklaringen van gefailleerde in casu geenszins: 3.17.1. Gefailleerde beweert dat het voertuig Dodge Ram (lease-voertuig Bank J. Van Breda & Co NV) in panne zou gevallen zijn in BosniĂ« en om die reden aldaar verkocht moest worden. Als bewijs wordt een “verkoopovereenkomst” voorgelegd. De rechtbank stelt vast dat dit een voorgedrukt invuldocument betreft waarop eigenhandig werd ingevuld dat de koop dateert van 17 november 2021 en gesloten werd in Zottegem voor een bedrag van 35.000 EUR in contanten. Zottegem ligt niet in BosniĂ« en 35.000,00 EUR in contanten ontvangen is (minstens) een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten (BS 6 oktober 2017). In de boekhouding is de ontvangst van deze koopsom niet geregistreerd. Dat deze 35.000,00 EUR – in de mate dat dit al relevant zou zijn – is gebruikt voor de beroepsactiviteit van gefailleerde blijkt nergens uit. Wat precies met deze 35.000,00 EUR contanten is gebeurd, kan gefailleerde niet meedelen. 3.17.2. Gefailleerde beweert dat het voertuig Skoda Yeti (voertuig Alpha Credit) zou zijn verkocht aan zijn vader. Enig stuk met betrekking tot deze transactie wordt niet voorgelegd. In de boekhouding is hiervan geen registratie terug te vinden. Gefailleerde verklaart in zijn verhoor aan de politiediensten niet meer te weten wanneer deze transactie plaatsvond en voor welke prijs. De rechtbank merkt nog op dat gefailleerde in zijn verhoor eerst antwoordt dat dit voertuig gewoon bij zijn vader gestald staat. Vervolgens wordt door de verbalisanten genoteerd: “Meester [
] komt tussen en antwoordt in plaats van zijn cliĂ«nt: ‘verkocht’. Meester [
] wordt er door verhoorder op gewezen om zijn cliĂ«nt zelf te laten antwoorden op de gestelde vragen”. Dat de (onbekende) verkoopprijs – in de mate dat dit al relevant zou zijn – zou zijn gebruikt voor de beroepsactiviteit van gefailleerde blijkt opnieuw nergens uit. 3.17.3. Gefailleerde stelt dat het voertuig CitroĂ«n Jumper (voertuig Alpha Credit) werd achtergelaten in KroatiĂ« wegens panne. Er zou hierover communicatie gevoerd zijn met Alpha Credit. Gefailleerde zou een “ander” voertuig in de plaats gegeven hebben aan Alpha Credit. Geen enkel van deze beweringen wordt gestaafd door enig stuk. 3.17.4. De curator legt geen stukken voor dat er op heden nog een openstaande schuld zou bestaan met betrekking tot het verdwenen voertuig Mercedes Sprinter, zodat de rechtbank hierop niet verder ingaat. . 3.18. Uit het voorgaande blijkt dat gefailleerde ofwel de gestelde verkopen niet kan bewijzen, ofwel verklaart te hebben verkocht tegen contanten die op geen enkele wijze geregistreerd zijn in de boekhouding. De realiteit is dat gefailleerde de verschillende voertuigen heeft verkocht om zichzelf van liquiditeiten te voorzien gezien de financiĂ«le problemen waarin hij zich bevond. Dergelijk handelen, is (minstens) een kennelijk grove fout. Gefailleerde heeft bij het aangaan van de schulden oneerlijk dan wel te kwader trouw gehandeld. Voormelde kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement gezien zonder deze fout het faillissement zoals dat zich heeft voorgedaan in concreto, zich niet had voorgedaan. . 3.19. Ten overvloede, stelt de rechtbank vast dat uit geen enkel waarachtig stuk blijkt wat gefailleerde met de verkoopopbrengsten van de wederrechtelijke verkopen heeft gedaan. In elk geval dringt de vaststelling zich op dat de gevoerde boekhouding niet in overeenstemming was met de werkelijkheid en er dus geen passende en betrouwbare en boekhouding werd gevoerd. Een onderneming kan niet op een duurzame wijze met enige kans op succes gevoerd worden wanneer zij niet op regelmatige wijze haar sociale en fiscale verplichtingen voldoet en of geen correcte, accurate boekhouding voert. Dergelijk verzuim heeft onder meer tot gevolg dat een vertekend beeld wordt gecreĂ«erd met betrekking tot de reĂ«le liquiditeitsvereiste en de reĂ«le rendabiliteit van de activiteit. Een nauwkeurige opvolging van de financiĂ«le situatie van de onderneming wordt hierdoor moeilijk, zo niet onmogelijk. Deze opvolging is nochtans noodzakelijk om correcte beleidsbeslissingen te kunnen nemen, om tijdig te kunnen reflecteren over de toekomst van de onderneming, om desgevallend herstelmaatregelen te nemen, dan wel om de activiteiten te stoppen. Dit gebrek aan opvolging heeft bijgedragen tot het faillissement. De reden waarom ondernemingen lease-voertuigen of activa met eigendomsvoorbehoud verkopen, is gelegen in het verwerven van liquiditeiten die zij niet meer op reguliere wijze kunnen verkrijgen. Het betreft oneigenlijk krediet gebaseerd op middelen die ongeoorloofd en bedrieglijk zijn. De schuldeisers worden misleid door een valse schijn van kredietwaardigheid waardoor de activiteiten van de onderneming langer kunnen verdergezet worden en de faillietverklaring kan uitgesteld worden. Bovendien leiden zulke transacties tot een vertekend beeld van de ware financiĂ«le toestand en rendabiliteit van de onderneming, waardoor de onderneming zich niet meer kan baseren op de eigen boekhouding die vanaf dan elke waarachtigheid ontbeert. Een onderneming kan niet op een duurzame wijze met enige kans op succes gevoerd worden wanneer zij zich in het kader van haar werking bedient van misdrijven. . 3.20. De rechtbank besluit uit de feiten en gegevens, zoals door Alpha Credit en de curator aangebracht, dat er in hoofde van gefailleerde sprake is van kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement. De voorwaarden tot weigering van de kwijtschelding zijn voldaan. Het faillissement dateert van 13 december 2022. De rechtbank past dan ook het op dat ogenblik geldende artikel XX.173 WER toe. De kwijtschelding wordt geweigerd voor de schuldvorderingen van Alpha Credit en Bank J. Van Breda & Co NV. De weigering van de kwijtschelding voor (enkel) deze specifieke schulden, is in casu het gepast rechtsherstel en vormt een aanvaardbaar evenwicht tussen verantwoordelijkheid, een fresh start en schadeherstel. . 3.21. De rechtbank gaat niet in op de vordering van de curator tot algehele weigering van de kwijtschelding. Er wordt rekening gehouden met volgende omstandigheden. - Uit de stukken blijkt dat gefailleerde op 27 juni 2022 – vijf maanden voor faillissement - zijn woning aan een derde heeft verkocht. Uit de afrekening van de notaris blijkt dat hiermee fiscale en sociale schulden voor ongeveer 120.000,00 EUR werden aangezuiverd en dat er geen saldo was voor gefailleerde. - Uit de stukken blijkt dat de schuld aan Bank J. Van Breda & Co NV reeds vóór deze procedure verzet tegen de kwijtschelding verder wordt afbetaald door de echtgenote van gefailleerde. - Er wordt aannemelijk gemaakt dat het passief hoofdzakelijk bestaat uit schadevergoedingen van bouwheren in het kader van conflicten. Ook de problematiek met het personeel en de eigen gezondheid van gefailleerde wordt aannemelijk gemaakt. . 3.22. Waar artikel 279(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269(2) § 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken. Alle andere besluiten wijst de rechtbank af als ongegrond of niet ter zake dienend. . IV. BESLISSING . De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend. De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering van NV Alpha Credit en de curator ontvankelijk en gegrond als volgt: De rechtbank weigert de kwijtschelding aan [SD] van de schulden aan Alpha Credit NV (0445.781.316) en Bank J. Van Breda & Co NV (0404.055.577). De rechtbank verzoekt de griffier het vonnis bij uittreksel bekend te maken in het Belgisch Staatsblad. De rechtbank verwijst [SD] in de kosten van het geding, waaronder de met toepassing van artikel 4 §2, 1e en 3e lid en artikel 5 §1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand verschuldigde bijdrage van 26 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. ***** Gewezen op tegenspraak door de Tweede Kamer van de Ondernemingsrechtbank van Gent – Afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, J. De Vlieger en B. Reunis, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 23 december 2025 in aanwezigheid van Z. ForĂ©, griffier bij beschikking hoofdgriffier N. Pettens dd. 16 september 2025. Z. ForĂ© B. Reunis J. De Vlieger V. Verlaeckt Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140610.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220204.1F.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240329.1F.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240628.1F.8 ECLI:EU:C:1984:153