Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.833

Beslissingsdetails

đŸ›ïž Raad van State 📅 2026-02-25 🌐 NL Arrest

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Samenvatting

Arrest nr 265.833 van 25 februari 2026 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen Beslissing : Vernietiging

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.833 van 25 februari 2026 in de zaak A. 241.602/IX-10.788 In zake : 1. de VZW EXELLO.NET 2. de VZW VLAAMSE LOKALE FINANCIEEL DIRECTEURS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Liesbet Vandenplas kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 2 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 12 januari 2024 ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022 over een nieuwe functieclassificatie bij lokale besturen en over aangepaste salarisschalen ter uitvoering van het Zesde Vlaams Intersectoraal akkoord van 30 maart 2021 voor de social/non-profitsectoren en het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2023 tot vaststelling van de minimale voorwaarden van de rechtspositieregeling van het personeel van lokale en provinciale besturen’. IX-10.788-1/16 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 14, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yasin GĂŒrbĂŒz Lemstra, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Sietse Wils, die loco advocaten Bart Martel en Liesbet Vandenplas verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. IX-10.788-2/16 III. Feiten 3.1. Ter uitvoering van het decreet van 16 juni 2023 ‘tot wijziging van het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de beĂ«indiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid’ (hierna: het decreet van 16 juni 2023 of “Ontslagdecreet”) neemt de Vlaamse regering op 12 januari 2024 het besluit ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022 over een nieuwe functieclassificatie bij lokale besturen en over aangepaste salarisschalen ter uitvoering van het Zesde Vlaams Intersectoraal akkoord van 30 maart 2021 voor de social/non-profitsectoren en het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2023 tot vaststelling van de minimale voorwaarden van de rechtspositieregeling van het personeel van lokale en provinciale besturen’. Dat is het bestreden besluit. 3.2. Bij arrest nr. 85/2025 van 5 juni 2025 vernietigt het Grondwettelijk Hof het decreet van 16 juni 2023, met handhaving van de gevolgen ervan tot aan de datum van de uitspraak van dat arrest. IV. Bevoegdheid van de Raad van State Exceptie 4. De verwerende partij werpt op dat de Raad van State niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen omdat de door de verzoekende partijen ontwikkelde kritieken “veelal” zijn gericht tegen het decreet van 16 juni 2023 en niet zozeer tegen het bestreden besluit. De verwerende partij verwijst naar verschillende passages in het verzoekschrift, waaruit volgens haar blijkt dat de verzoekende partijen steunen op een grondwettigheidskritiek ten aanzien van het voormelde decreet, wat tot de uitsluitende bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof behoort. IX-10.788-3/16 Beoordeling 5.1. Artikel 14, § 1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiĂ«le, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen: 1° van de onderscheiden administratieve overheden.” Het voorwerp van het beroep is een reglementaire akte van de Vlaamse regering en is als dusdanig een voor de Raad van State aanvechtbare rechtshandeling. 5.2. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden besluit onwettig is bij gebrek aan een rechtsgrond, omdat het decreet van 16 juni 2023, ter uitvoering waarvan dat besluit werd genomen, door het Grondwettelijk Hof zal worden vernietigd. Een dergelijke grief, die te begrijpen is als een beroep op het legaliteitsbeginsel, is te onderscheiden van de grondwettigheidskritiek die wordt ontwikkeld ten aanzien van het decreet dat de rechtsgrond beoogt te verlenen. Alvast in het eerste middel bijgevolg, beroepen de verzoekende partijen zich op een grief die binnen de beoordelingsbevoegdheid van de Raad van State valt. Zoals hierna zal blijken, volstaat de beoordeling van het eerste middel om tot de gegrondheid van het beroep te besluiten. 5.3. De exceptie is ongegrond. IX-10.788-4/16 V. Ontvankelijkheid van het beroep – belang Exceptie 6. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord voorts op dat de verzoekende partijen hun belang in het verzoekschrift hebben uiteengezet, dat aldus de grenzen van het debat zijn bepaald en dat in het licht daarvan moet worden vastgesteld dat zij geen blijk geven van het rechtens vereiste belang. De verwerende partij doet ter zake gelden wat volgt (voetnoten zijn weggelaten): “19 Welnu, de verzoekende partijen maken op generlei wijze aannemelijk dat de nietigverklaring van het bestreden besluit de verzoekende partijen een kans op een gunstiger regeling biedt. De verzoekende partijen worden dan ook geenszins door het bestreden besluit persoonlijk in hun rechtssituatie geraakt, minstens geven zij in hun verzoekschrift geen enkele verduidelijking over de wijze waarop zij door het bestreden besluit in hun rechtssituatie worden geraakt of zelfs ook maar zouden kunnen worden geraakt. Uw Raad zal dan ook vaststellen dat het beroep tot nietigverklaring van de verzoekende partijen niet meer is dan een loutere actio popularis. Zulk een belang aanvaarden om voor de Raad van State op te treden, zou neerkomen op het aanvaarden van de actio popularis, wat de wetgever uitdrukkelijk niet heeft gewild. Dit betekent dat dit belang meer dient te zijn dan het belang dat de hele maatschappij erbij heeft dat de overheid de wetten en de rechtsregels naleeft, of louter de genoegdoening die is verbonden aan het onwettig horen verklaren van het bestreden besluit. Het louter willen handhaven van de wettigheid verschaft geen belang, maar is het wezenskenmerk van een actio popularis, die door de wetgever uitdrukkelijk werd uitgesloten. 20 Het vereiste dat het belang voldoende zeker moet zijn, brengt a contrario met zich mee dat het niet louter hypothetisch mag zijn. De verzoekende partijen zetten niet uiteen, noch maken zij aannemelijk dat het bestreden besluit op hen van toepassing is of redelijkerwijze op hen van toepassing zou kunnen zijn. Het belang van de verzoekende partijen is dan ook niet zeker, maar slechts hypothetisch. Een dergelijk belang volstaat allerminst om het bestreden besluit op ontvankelijke wijze voor Uw Raad aan te vechten.” IX-10.788-5/16 Beoordeling 7. Een vereniging zonder winstoogmerk zoals de verzoekende partijen, die niet haar persoonlijk belang aanvoert, kan voor de Raad van State optreden ter verdediging van een collectief belang, voor zover haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang. Daarbij gaat de Raad van State onder meer na of het beroep kan worden ingepast binnen het maatschappelijk doel van de vereniging. Voorts dient te worden nagegaan of de vereniging niet in eigen naam optreedt ter verdediging van de persoonlijke belangen van haar leden, hetgeen betekent dat het nagestreefde collectieve belang duidelijk onderscheiden dient te zijn van het individualiseerbare belang van haar leden. Vereist is evenwel niet dat dit collectief belang door alle leden in dezelfde mate wordt ondergaan noch dat de belangen van alle leden van de vereniging bedreigd worden. 8.1. Naar luid van artikel 2 van haar statuten zoals ze golden bij het instellen van het beroep, is de eerste verzoekende partij een vereniging van lokale algemeen directeuren en adjunct-algemeendirecteuren in het Vlaamse Gewest die zich profileert “als organisatie die elk van haar leden erkent, ondersteunt, aanmoedigt en enthousiasmeert” en zich onder meer tot doel stelt: “iv. Het behartigen-/verdedigen van de belangen van haar leden, onder meer door het onderhandelen – en afsluiten van een (beroepsaansprakelijkheid)verzekering voor-/namens haar leden en – door proactief de dialoog aan te gaan met andere lokale, Vlaamse, federale en internationale organisaties en instellingen.” Nog volgens dat artikel 2, kan de vereniging daarbij “alle (rechts-)handelingen stellen, activiteiten ontplooien, personele- en werkingsmiddelen aanwenden, die rechtstreeks en/of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van voormelde ideĂ«le niet-winstgevende doelstelling, met inbegrip van bijkomstige commerciĂ«le en winstgevende activiteiten binnen de grenzen van wat wettelijk is toegelaten en waarvan de opbrengsten te allen tijde volledig zullen worden bestemd voor de verwezenlijking van de ideĂ«le niet- winstgevende doelstelling van de vereniging”. IX-10.788-6/16 8.2. De tweede verzoekende partij is, blijkens haar statuten zoals ze golden bij het instellen van het beroep, een vereniging van onder meer financieel directeurs en adjunct-directeurs van gemeenten, financieel beheerders van provincies, gewestelijke ontvangers en bijzonder rekenplichtigen van politiezones en hulpverleningszones die blijkens artikel 4 van haar statuten onder meer het volgende maatschappelijk doel heeft: “het ambt te verdedigen en de verbondenheid onder de leden te bevorderen, de beroepsbelangen van haar leden te behartigen, mee te werken met de overheid en mee te werken met de organisaties van wettelijke graden, vak- en andere organisaties en dit voor alle aangelegenheden die hun ambt betreffen.” 8.3. Uit de statuten van de verzoekende partijen blijkt dat zij tot doel hebben de beroepsbelangen van hun leden te behartigen. 9. Het bestreden besluit regelt onder meer de wijze waarop de statutaire aanstelling van bepaalde leden van de verzoekende partijen – de (adjunct–)algemeendirecteurs en de (adjunct-)financieeldirecteurs – kan worden beĂ«indigd. De verwerende partij toont niet aan dat het bestreden besluit voordelige gevolgen genereert voor andere leden van de verzoekende partijen, zodat geen tegenstrijdige belangen binnen de verzoekende partijen kunnen worden vastgesteld. De verzoekende partijen kunnen zich beroepen op een collectief belang. 10. De exceptie is ongegrond. IX-10.788-7/16 VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 11. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden besluit geen rechtsgrond meer zal hebben nadat het Grondwettelijk Hof het decreet van 16 juni 2023 zal hebben vernietigd. Zij betogen: “Supra werd aangegeven dat momenteel niet minder dan vijf (5) – verschillende – beroepen strekkende tot de vernietiging van het Ontslagdecreet aanhangig zijn gemaakt bij het Grondwettelijk Hof, onder rolnummers 8109, 8134, 8139, 8140 en 8141. Gelet de in de verscheidene verzoekschriften vervatte middelen ontvankelijk en gegrond zullen verklaard worden door het Grondwettelijk Hof, zal het Ontslagdecreet (minstens deels-) vernietigd worden. Het bestreden Uitvoeringsbesluit bij het Ontslagdecreet vind[t] zijn grondslag evenwel in artikel 111bis, derde lid van het Provinciedecreet, zoals ingevoegd bij het Ontslagdecreet, en artikel 194/1, derde lid van het [Decreet over het lokaal bestuur], zoals eveneens ingevoegd bij het Ontslagdecreet. Vermits de rechtsgrond Ă©n oorzaak van het bestreden Uitvoeringsbesluit bij het Ontslagdecreet binnen afzienbare tijd vernietigd zal worden door het Grondwettelijk Hof, kan Uw Raad niet anders dan de bestreden beslissing evenzeer te vernietigen.” 12. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord in hoofdorde op dat het middel niet ontvankelijk is omdat de verzoekende partijen niet aanduiden welke rechtsregel door het bestreden besluit wordt geschonden, maar zich ertoe beperken te stellen dat het decreet, ter uitvoering waarvan het besluit is genomen, zal worden vernietigd. Ondergeschikt betoogt de verwerende partij dat het eerste middel alleszins ongegrond is omdat geen voorafname kan worden gedaan op de uitkomst van de beroepen die voor het Grondwettelijk Hof hangende zijn en omdat het instellen van die beroepen geen schorsende werking heeft. IX-10.788-8/16 13. In haar laatste memorie, neergelegd na tussenkomst van arrest nr. 85/2025 van 5 juni 2025 van het Grondwettelijk Hof, gaat de verwerende partij nog in op de omvang van de gebeurlijk uit te spreken vernietiging, wat hierna aan bod komt. Beoordeling 14.1. De verzoekende partijen steunen het eerste middel op “een (toekomstig doch vaststaand) gebrek aan rechtsgrond” voor het bestreden besluit. Zoals hiervóór sub 5.2 reeds is overwogen, is die grief te begrijpen als een beroep op het legaliteitsbeginsel. 14.2. Het middel is ontvankelijk. 15. Het bestreden besluit vermeldt als rechtsgronden: “- het Provinciedecreet van 9 december 2005, artikel 111bis, derde lid, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2023, en artikel 112, eerste lid, 3°, vervangen bij het decreet van 3 juni 2016; - het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, artikel 194/1, derde lid, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2023, artikel 195, eerste lid, 3°, en artikel 488, § 1, gewijzigd bij het decreet van 17 februari 2023.” Het bestreden besluit steunt derhalve in wezenlijke mate op het decreet van 16 juni 2023. In zijn arrest nr. 85/2025 van 5 juni 2025 heeft het Grondwettelijk Hof het decreet van 16 juni 2023 vernietigd. Dat vitieert de rechtsgrond van het bestreden besluit. 16. Het eerste middel is gegrond. IX-10.788-9/16 B. Tweede, derde, vierde en vijfde middel 17. Bij de bespreking van het eerste middel is besloten dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Onverminderd wat hierna wordt overwogen met betrekking tot de omvang van de uit te spreken vernietiging, kunnen het tweede, derde, vierde en vijfde middel niet tot een ruimere vernietiging leiden. 18. De voormelde middelen behoeven derhalve geen nader onderzoek. VII. Omvang van de uit te spreken nietigverklaring Standpunt van de verwerende partij 19. De verwerende partij vraagt in de memorie van antwoord om de nietigverklaring te beperken tot de bepalingen van het bestreden besluit die uitvoering geven aan het vernietigde decreet van 16 juni 2023, zijnde – volgens haar – de artikelen 4, 6 en 7. In haar laatste memorie bepleit zij een beperking van de nietigverklaring tot “de artikelen 6 en 7 en de opheffings- en overgangsbepalingen”. Beoordeling 20. Een reglementair besluit is in beginsel één en ondeelbaar. Dit betekent dat wanneer de Raad van State, zoals in dit geval, in het kader van een ontvankelijk annulatieberoep vaststelt dat een gegrond middel wordt aangevoerd tegen een dergelijk besluit, hij het besluit in beginsel in zijn geheel dient nietig te verklaren. IX-10.788-10/16 In afwijking van het voornoemde beginsel vermag de Raad van State slechts over te gaan tot een gedeeltelijke nietigverklaring van het desbetreffende besluit, indien aan twee voorwaarden is voldaan. Vooreerst moet blijken dat de gedeeltelijke nietigverklaring van dat besluit aan de verzoekende partij volledige genoegdoening geeft in het licht van haar belang bij het beroep. Voorts moet vaststaan dat de nietig te verklaren bepalingen kunnen worden afgesplitst van de rest van het besluit en dat de overheid ook afgezien van die bepalingen voor het overige hetzelfde besluit zou hebben genomen. Anders zou de Raad van State het desbetreffende besluit als het ware hervormen en zich aldus begeven op het domein van de beleidsuitoefening van de betrokken overheid. 21. Het bestreden besluit bestaat uit drie hoofdstukken. In advies nr. 74.921/3 van 19 december 2023 heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State de strekking van het haar voor advies voorgelegde ontwerp als volgt omschreven (voetnoten zijn weggelaten): “In hoofdstuk 1 van het ontwerp worden wijzigingen aangebracht aan het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022 ‘over een nieuwe functieclassificatie bij lokale besturen en over aangepaste salarisschalen ter uitvoering van het Zesde Vlaams Intersectoraal akkoord van 30 maart 2021 voor de social/non-profitsectoren’, waardoor ook de personeelsleden die werkzaam zijn in een federaal gefinancierde gezondheidsinstelling of - entiteit van een lokaal bestuur (zoals thuisverpleging) kunnen instappen in de IF-IC-functieclassificatie (artikel 1 in samenhang gelezen met artikel 3 van het ontwerp). Hoofdstuk 2 van het ontwerp strekt ertoe nadere regels vast te stellen voor de beĂ«indiging van het statutaire dienstverband van personeelsleden bij een provinciaal of lokaal bestuur in uitvoering van het decreet van 16 juni 2023 ‘tot wijziging van het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de beĂ«indiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid’. Hiertoe wordt het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2023 ‘tot vaststelling van de minimale voorwaarden van de rechtspositieregeling van het personeel van lokale en provinciale besturen’ gewijzigd (artikelen 2 en 4 tot 9 van het ontwerp). Het ontwerp voorziet hierbij in een overgangsregeling die bepaalt dat de procedures van proeftijd, evaluatie, verlies van de hoedanigheid van statutair personeelslid en definitieve ambtsneerlegging die opgestart zijn vóór de datum van de inwerkingtreding van het te nemen besluit, worden afgewerkt in overeenstemming met de regels die van toepassing waren op het [ogenblik] van de opstart van deze procedures (artikel 12 van het ontwerp). Statutaire personeelsleden die bij de inwerkingtreding van het te nemen besluit in disponibiliteit wegens ambtsopheffing zijn gesteld, kunnen IX-10.788-11/16 worden herplaatst met toepassing van het ontworpen artikel 23, § 3/2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2023 (artikel 13 in samenhang gelezen met artikel 6, 4°, van het ontwerp). Daarnaast strekt het ontwerp tot de gedeeltelijke omzetting voor de toepassing op statutaire personeelsleden van zowel de artikelen 9 (artikel 10 van het ontwerp) en 12 (artikel 7 van het ontwerp) van richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 ‘betreffende het evenwicht tussen werk en privĂ©leven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad’, als artikel 18 (artikel 7 van het ontwerp) van richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 ‘betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie’ waardoor statutaire personeelsleden die toepassing maken van de minimale rechten die zijn vastgesteld in hoofdstuk III van de wet van 7 oktober 2022 bijzondere ontslagbescherming genieten.” 22. Uit het voorgaande blijkt dat enkel de bepalingen uit hoofdstuk 2 de uitvoering vormen van het decreet van 16 juni 2023, met uitzondering van artikel 3. Die bepalingen dienen bijgevolg, samen met de opheffingsbepaling en de overgangsbepalingen, te worden vernietigd. Artikel 1 betreft een wijziging aan het besluit van de Vlaamse regering van 8 juli 2022 ‘over een nieuwe functieclassificatie bij lokale besturen en over aangepaste salarisschalen ter uitvoering van het Zesde Vlaams Intersectoraal akkoord van 30 maart 2021 voor de social/non-profitsectoren’ en artikel 10 is een (gedeeltelijke) omzetting van richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 ‘betreffende het evenwicht tussen werk en privĂ©leven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad’. Deze bepalingen hebben geen betrekking op het beĂ«indigen van de hoedanigheid van statutair personeelslid en kunnen van de rest van het besluit worden afgesplitst. IX-10.788-12/16 VIII. Handhaving van de gevolgen Verzoek 23. In haar laatste memorie vraagt de verwerende partij om na de vernietiging van het bestreden besluit de gevolgen ervan voor het verleden definitief te handhaven. Zij betoogt daarbij wat volgt (een voetnoot is weggelaten): “De verwerende partij meent dat er voor de hand liggende argumenten zijn om de gevolgen van dit besluit definitief voor het verleden te handhaven. Een ongemoduleerde vernietiging zoals de verzoekende partijen vragen, zou immers ontegensprekelijk tot een aanzienlijke rechtsonzekerheid leiden. Aangenomen moet worden dat, op het ogenblik dat het arrest in de voorliggende zaak zal worden gewezen, d.i. allicht ten vroegste eind 2025, een behoorlijk aantal Vlaamse lokale en provinciale besturen statutaire personeelsleden met toepassing van het bestreden besluit zullen hebben ontslagen. De terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest zou in casu echter tot gevolg hebben dat de wettigheid van deze ontslagbeslissingen in vraag zou kunnen worden gesteld. Daarbij komt nog dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 85/2025 van 5 juni 2025, met toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’, de gevolgen van het bij datzelfde arrest vernietigde Decreet van 16 juni 2023 heeft gehandhaafd. Het Grondwettelijk Hof [heeft] de gevolgen van het vernietigde Decreet van 16 juni 2023 gehandhaafd ‘(t)eneinde rechtsonzekerheid te vermijden als gevolg van de volledige vernietiging van het decreet van 16 juni 2023 en rekening te houden met de organisatorische moeilijkheden die uit deze vernietiging kunnen voortvloeien’. In het bijzonder rekening houdende met de handhaving van de gevolgen opgelegd door het Grondwettelijk Hof, zou het een enorme rechtsonzekerheid teweegbrengen indien genomen ontslagbeslissingen, ondanks deze handhaving, alsnog in vraag zouden kunnen worden gesteld. Bovendien zou zulks ook ingaan tegen het gezag van gewijsde waarmee het arrest nr. 85/2025 van het Grondwettelijk Hof van 5 juni 2025 is bekleed.” Beoordeling 24. De verwerende partij kan worden bijgevallen in haar betoog dat een nietigverklaring zonder meer van het bestreden besluit zou leiden tot rechtsonzekerheid, nu is komen vast te staan dat een aantal personeelsleden sinds de inwerkingtreding en met toepassing van het bestreden besluit werd ontslagen. IX-10.788-13/16 Precies omwille van die vaststelling heeft het Grondwettelijk Hof in arrest nr. 85/2025 van 5 juni 2025 omtrent de handhaving van de gevolgen van het decreet van 16 juni 2023 het volgende overwogen: “B.32.3. Zoals is vermeld in B.6, is het decreet van 16 juni 2023 in werking getreden op 1 oktober 2023. Zoals ook blijkt uit de memories van de stad Sint-Truiden en de stad Tongeren, hebben inmiddels verscheidene provinciale en lokale besturen statutaire personeelsleden ontslagen met toepassing van de bij dat decreet ingevoerde regeling, waarover mogelijk reeds gerechtelijke procedures bij de arbeidsgerechten hangende of zelfs afgerond zijn. Die besturen konden ervan uitgaan dat de tewerkstelling van het betrokken personeelslid definitief was beĂ«indigd en dat zij in geval van een betwisting in rechte hoogstens nog een financiĂ«le vergoeding verschuldigd zouden zijn, zodat zij in voorkomend geval onmiddellijk in de vervanging van het ontslagen personeelslid konden voorzien. B.32.4. Teneinde rechtsonzekerheid te vermijden als gevolg van de volledige vernietiging van het decreet van 16 juni 2023 en rekening te houden met de organisatorische moeilijkheden die uit deze vernietiging kunnen voortvloeien, dienen de gevolgen van het decreet van 16 juni 2023, met toepassing van artikel 8, derde lid, van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989, te worden gehandhaafd tot de datum van uitspraak van dit arrest.” 25. Deze vaststelling doet besluiten dat op het verzoek om de gevolgen van het bestreden besluit te handhaven, kan worden ingegaan. De verzoekende partijen moeten evenwel op hun beurt worden bijgevallen in hun betoog dat het niet noodzakelijk is om die gevolgen te handhaven tot de datum van uitspraak van dit arrest. Ten gevolge van het vóórmelde arrest van het Grondwettelijk Hof konden personeelsleden immers slechts tot en met 5 juni 2025 met toepassing van het decreet van 16 juni 2023 worden ontslagen. 26. Er is derhalve reden om de rechtsgevolgen van de hierna te vernietigen bepalingen van het bestreden besluit van 12 januari 2024 te behouden tot en met 5 juni 2025. IX-10.788-14/16 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de artikelen 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 11, 12 en 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 januari 2024 ‘tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022 over een nieuwe functieclassificatie bij lokale besturen en over aangepaste salarisschalen ter uitvoering van het Zesde Vlaams Intersectoraal akkoord van 30 maart 2021 voor de social/non-profitsectoren en het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2023 tot vaststelling van de minimale voorwaarden van de rechtspositieregeling van het personeel van lokale en provinciale besturen’. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 2. De vernietigde bepalingen van het voormelde besluit blijven uitwerking hebben tot en met 5 juni 2025. 3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het deels vernietigde besluit. 4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. IX-10.788-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.788-16/16