ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.786
Beslissingsdetails
🏛️ Raad van State
📅 2026-02-20
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Samenvatting
Arrest nr 265.786 van 20 februari 2026 Justitie - Personeel van de rechterlijke
orde Beslissing : heropening debatten Inwilliging tussenkomst
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Ve KAMER
nr. 265.786 van 20 februari 2026
in de zaak A. 242.022/V-2049
In zake: 1. XXXX
2. XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniëls kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij:
XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Uyttendaele kantoor houdend te 1060 Brussel Bronstraat 60
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 27 mei 2024, strekt tot de nietigverkla-
ring van het koninklijk besluit van 17 maart 2024 waarbij de aanwijzing van XXXX tot het mandaat van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel met ingang van 3 april 2024 wordt verlengd voor een periode van vijf jaar.
V-2049-1/12
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
XXXX heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partijen, de verwerende partij en de tussenko-
mende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Daisy Daniels, die verschijnt voor de verwerende partij en ad-
vocaten Marc Uyttendaele, Victorine Nagels en Annabelle Deleeuw, die verschij-
nen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör-
dineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
V-2049-2/12
3.1. Op 15 mei 2013 verschijnt in het Belgisch Staatsblad een mede-
deling aangaande vacante betrekkingen in de magistratuur. Een van de vacante be-
trekkingen is die van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, die vacant is vanaf 1 april 2014. De mededeling vermeldt dat met toepassing van artikel 43bis, § 4, van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’ (hierna:
Taalwet Gerechtszaken), in deze plaats dient te worden voorzien door de benoe-
ming van een Franstalige kandidaat.
Bij koninklijk besluit van 26 januari 2014, dat in werking treedt op de datum van de eedaflegging, welke niet mag gebeuren vóór 1 april 2014, wordt een kandidaat die tot de Franse taalrol behoort aangewezen tot het mandaat van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, voor een termijn van vijf jaar. Deze eerste voorzitter verzoekt niet om de verlenging van zijn mandaat dat einde maart 2019 verstrijkt.
3.2. In het Belgisch Staatsblad van 1 juni 2018 verschijnt een bericht betreffende de vacante betrekking van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel. Volgens dat bericht dient dat mandaat “[met] toepassing van artikel 259quater, § 6 van het Gerechtelijk Wetboek […] voor de hernieuwingsperiode te worden toegekend aan een kandidaat die door zijn diploma bewijst de examens van doctor, licentiaat of master in de rechten in het Frans te hebben afgelegd”.
Bij koninklijk besluit van 30 januari 2019 wordt de tussenko-
mende partij aangewezen tot het mandaat van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel voor een termijn van vijf jaar.
Bij arresten nrs. 246.548 van 3 januari 2020 en 247.709 van 4 juni 2020 verwerpt de Raad van State eerst een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld aanwijzingsbesluit en spreekt hij later de afstand van het geding uit.
V-2049-3/12
3.3. Met een e-mailbericht van 21 mei 2023 gericht aan de minister van Justitie verzoekt de tussenkomende partij om de verlenging van haar mandaat “overeenkomstig artikel 259quater, §§ 1, tweede lid, en 3bis, van het Gerechtelijk Wetboek”.
Aan dit verzoek tot hernieuwing van haar mandaat wordt door de minister van Justitie geen gevolg gegeven. De minister verwijst naar het stand-
punt dat werd ingenomen bij haar aanwijzing, namelijk dat haar aanwijzing als eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel moet worden beschouwd als een aanwijzing voor de hernieuwingsperiode ter vervanging van de voltooiing van het mandaat van haar voorganger. Dit betekent volgens de minister dat het mandaat na afloop van deze hernieuwingsperiode in 2024 niet meer hernieuwbaar is. Deze be-
slissing wordt door de minister op 13 juni 2023 aan de tussenkomende partij ter kennis gebracht.
3.4. Eveneens op 13 juni 2023 wordt in het Belgisch Staatsblad de vacature bekendgemaakt van het mandaat van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel vanaf 3 april 2024. Het bericht vermeldt:
“In toepassing van artikel 43bis, § 4, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken dient deze plaats te worden voorzien door een benoeming van een kandidaat die door zijn diploma bewijst de examens van doctor, licentiaat of master in de rechten in het Nederlands te hebben afgelegd. Het standaardprofiel voor deze functie van korpschef werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2016.”
3.5. Bij arrest nr. 258.071 van 30 november 2023 vernietigt de Raad van State de op 13 juni 2023 aan de tussenkomende partij ter kennis gebrachte weigering van de minister van Justitie om gevolg te geven aan haar verzoek tot hernieuwing en een dossier voor te leggen aan de Hoge Raad voor de Justitie, even-
als de vacantverklaring van het mandaat van eerste voorzitter van het hof van be-
roep te Brussel, zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juni 2023.
V-2049-4/12
3.6. Op 7 december 2023 wordt aan de toenmalige kandidaten voor de vacante plaats van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, onder wie de huidige verzoekers, het volgende meegedeeld:
“U stelde zich kandidaat voor de vacante plaats van eerste voorzitter van het hof beroep te Brussel, waarvan de oproep werd gepubliceerd in het Bel-
gisch Staatsblad van 13.06.2023.
Ten gevolge het arrest van de Raad van State nr. 258.071 van 30 november 2023, werd de vacantverklaring van het mandaat van korpschef van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juni 2023, vernietigd.
Derhalve kan ik u meedelen dat de verdere procedurestappen in deze be-
noemingsprocedure zonder voorwerp worden, en dat de op 13.06.2023 ge-
starte benoemingsprocedure bijgevolg definitief een einde neemt.”
3.7. Op 3 januari 2024 wordt het dossier betreffende de vraag tot her-
nieuwing van het mandaat van de tussenkomende partij toegezonden aan de benoe-
mings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, die zich ten gunste van de hernieuwing uitspreekt.
3.8. Bij koninklijk besluit van 17 maart 2024 wordt de aanwijzing van de tussenkomende partij in haar mandaat effectief hernieuwd voor een termijn van vijf jaar, met ingang van 3 april 2024.
Dat is het thans bestreden besluit.
3.9. In het Belgisch Staatsblad van 24 mei 2024 wordt de wet van 15 mei 2024 ‘houdende bepalingen inzake de taalvereisten met betrekking tot de korpschefs, hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen te Brussel en de aanwijzing van de procureur des Konings te Brussel, de arbeidsauditeur te Brussel, de adjunct-
procureurs des Konings te Brussel en de adjunct-arbeidsauditeurs te Brussel’ be-
kendgemaakt. Deze wet wijzigt de Taalwet Gerechtszaken en het Gerechtelijk Wetboek, onder meer wat het taalevenwicht en de taalalternatie betreft van diverse mandaten in de Brusselse hoven en bij de parketten te Brussel.
V-2049-5/12
IV. Tussenkomst
4. Verzoekster in tussenkomst blijkt voordeel te halen uit het be-
streden besluit en heeft er belang bij dat het beroep wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek worden ingewilligd.
V. Ontvankelijkheid van het beroep
Excepties
5. De verwerende partij werpt op dat de verzoekers niet over het rechtens vereiste belang beschikken. De vacature in het kader waarvan zij hun kan-
didatuur indienden, is vernietigd zodat de verzoekers nooit aanspraak hebben ge-
maakt op benoeming. Indien de bestreden beslissing zou worden vernietigd, zou er een nieuwe beslissing met betrekking tot het verzoek tot hernieuwing van het man-
daat van de tussenkomende partij moeten worden genomen, rekening houdend met het tussen te komen arrest van de Raad van State. Het is hoegenaamd niet zeker dat het verzoek zou worden afgewezen en het mandaat vervolgens vacant zou moeten worden verklaard zodat de verzoekers zich kandidaat zouden kunnen stellen. Zij streven een kans op benoeming na, maar de vernietiging van de bestreden beslis-
sing zou hen deze kans niet rechtstreeks opleveren.
In haar laatste memorie handhaaft de verwerende partij deze ex-
ceptie.
6. Ook de tussenkomende partij stelt vragen bij het belang van de verzoekers, omdat zij hebben nagelaten een beroep in te stellen tegen de tussen-
handeling die zij konden lezen in de brief van 7 december 2023. Volgens de tus-
senkomende partij hebben de verzoekers impliciet maar zeker ervan afgezien om na afloop van het eerste mandaat van de tussenkomende partij te kandideren voor een aanwijzing in het mandaat van eerste voorzitter van het hof van beroep te
V-2049-6/12
Brussel. De tussenkomende partij stelt zich met betrekking tot het belang van de verzoekers te gedragen naar de wijsheid van de Raad.
Beoordeling
7. Het voordeel dat de verzoekers nastreven met het voorliggende beroep bestaat erin dat zij, na een eventuele nietigverklaring, als Nederlandstalige magistraten zelf een kans krijgen om te kandideren voor het mandaat van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel en in dat mandaat te worden aangewe-
zen.
Anders dan de verwerende partij het ziet, is dat belang niet te onrechtstreeks. In de aangevoerde middelen betogen de verzoekers immers dat de tussenkomende partij hetzij de iure (tweede middel) hetzij de facto (eerste middel)
niet in aanmerking komt voor een verlenging van haar mandaat, wat dan van de weeromstuit betekent dat haar aanvraag moet worden afgewezen en dat het man-
daat vacant verklaard moet worden en opengesteld voor kandidaten van de Neder-
landse taalrol.
8. Anders dan de tussenkomende partij het ziet, dan weer, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep geenszins vereist dat eventuele voorbe-
reidende beslissingen, zelfs als deze dadelijk grievend zijn, ook worden aange-
vochten. Overigens vergist de tussenkomende partij zich ook door in de sub 3.6
aangehaalde brief van 7 december 2023, die enkel arrest nr. 258.071 van 30 no-
vember 2023 meedeelt en het noodzakelijk daaruit volgend verval van de lopende benoemingsprocedure, een beslissing van de verwerende partij te lezen, laat staan een aanvechtbare vóórbeslissing.
9. De excepties worden verworpen.
V-2049-7/12
VI. Onderzoek van het tweede middel
Uiteenzetting van het middel
10. Het tweede middel is geput uit de schending van artikel 43bis, § 4, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken en artikel 259quater, §§3bis en 6, GerW.
In arrest nr. 246.548 van 3 januari 2020 heeft de Raad van State geoordeeld dat de oorspronkelijke aanwijzing van de tussenkomende partij in strijd is met de Taalwet Gerechtszaken. De vacante betrekking van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel werd voorbehouden aan kandidaten behorend tot het Franse taalstelsel, terwijl een magistraat behorend tot het Nederlandse taalstelsel benoemd had moeten worden. De onwettigheid waarmee de eerste aanwijzing van de tussenkomende partij is behept – en die in arrest nr. 258.071 van 30 november 2023 ook uitdrukkelijk werd bevestigd – wordt volgens de verzoekers “overgeno-
men en bestendigd” in de verlenging van deze aanwijzing. Het bestreden besluit is behept met dezelfde onwettigheid.
In het arrest van 30 november 2023 wordt ook bepaald dat de aanwijzing van de tussenkomende partij voor dat eerste mandaat van korpschef definitief is geworden. Dit neemt niet weg dat het behept is met een onwettigheid en dat door de verlenging van deze (onwettige) aanwijzing van dit mandaat op-
nieuw een onwettige beslissing voorligt. Ook al is deze aanstelling, volgens de rechtspraak van de Raad van State, definitief geworden, dit neemt niet weg dat de Raad heeft vastgesteld dat de oorspronkelijke aanstelling onwettig was zodat de verlenging van dergelijk onwettig mandaat per definitie zelf ook onwettig is. De verlenging is geen loutere bekrachtiging van de vorige beslissing, maar een nieuwe constitutieve beslissing waardoor deze onwettigheid opnieuw mag worden vastge-
steld.
V-2049-8/12
11. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekers dat zij niet om de toepassing van artikel 159 van de Grondwet hebben gevraagd. Zij vra-
gen evenmin om het eerste aanwijzingsbesluit buiten toepassing te verklaren.
12. In hun laatste memorie herhalen de verzoekers dat zij niet ge-
vraagd hebben om het eerste aanstellingsbesluit buiten toepassing te laten. De oor-
spronkelijke aanwijzing van de tussenkomende partij is definitief geworden. Zij merken op dat dit besluit trouwens zijn volledige uitwerking al heeft gehad en dus niet langer van toepassing is.
Er wordt niet gevraagd het eerste aanwijzingsbesluit opnieuw aantastbaar te maken of met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te verklaren. Er wordt enkel een directe toetsing gevraagd van het be-
streden verlengingsbesluit. Aangezien de reeds door de Raad vastgestelde onwet-
tigheid doorwerkt in de verlenging van de aanwijzing, is ook het thans bestreden besluit hiermee belast. Door de aanwijzing te verlengen, wordt de onwettigheid opnieuw beslist en bevestigd. Een onwettig besluit, ook al is het definitief gewor-
den, kan niet worden verlengd. Enkel stellen dat de verlenging van een mandaat onder een afzonderlijke procedure valt, is absoluut onvoldoende om het middel te weerleggen.
Beoordeling
13. De verzoekers betogen in dit middel niet dat de verlenging van het mandaat van de tussenkomende partij onwettig is, omdat zij uit de vigerende regelgeving afleiden dat de eerste voorzitter van het hof van beroep voor de man-
daatperiode die ingaat op 3 april 2024 Nederlandstalig moet zijn.
Die verlenging is onwettig, zo argumenteren zij, enkel en alleen omdat de initiële aanstelling van de tussenkomende partij onwettig is, hetgeen dan “doorwerkt” naar de thans bestreden beslissing.
V-2049-9/12
De onwettigheid van de thans bestreden beslissing zoeken zij dus uitsluitend in de onwettigheid van een daaraan voorafgaande beslissing.
14. De Raad van State herinnert er echter aan dat een individuele bestuurshandeling definitief wordt indien daartegen bij hem geen beroep tot nie-
tigverklaring is ingesteld binnen de termijn van zestig dagen. De wettigheid van die handeling kan na die termijn niet meer voor de bestuursrechter worden betwist, zelfs niet bij wege van een exceptie op grond van artikel 159 van de Grondwet. Die regel is bedoeld om de rechtszekerheid en de stabiliteit van de rechtsbetrekkingen te waarborgen (RvS, alg. verg. afd. bestuursrechtspraak, 4 maart 2016, nr. 234.035).
15. De verzoekers vragen niettemin dat de Raad de onwettigheid van de eerste aanwijzing van de tussenkomende partij betrekt in de beoordeling van de wettigheid van de thans bestreden beslissing, wat onrechtstreeks ook neerkomt op de toepassing van artikel 159 van de Grondwet.
Het beginsel van de onaantastbaarheid van de definitief door een constitutieve administratieve beschikking gevestigde concrete individuele situaties en van de daaruit voortgekomen rechtsverhoudingen verbiedt de Raad van State evenwel om zich in huidig geschil nog uit te spreken over de wettigheid van de eerste aanwijzing van de tussenkomende partij. Daarmee wordt van de administra-
tieve rechter verlangd dat, ondanks het definitieve en onaantastbare karakter van die eerste aanwijzing, toch wordt gehandeld alsof die onwettig is.
16. Individuele handelingen kunnen na het verstrijken van de verja-
ringstermijn voor hun nietigverklaring – daargelaten de leer van de intrekking, hier niet aan de orde – niet langer rechtstreeks worden aangevochten, maar hun onwet-
tigheid kan evenmin onrechtstreeks bij wege van exceptie worden aangevoerd. Zo-
dra een individuele rechtshandeling definitief is geworden, kan de wettigheid ervan voor de Raad van State niet meer worden betwist. De aanwijzing van de tussenko-
mende partij vormt aldus een definitief gevestigde rechtssituatie waartegen geen
V-2049-10/12
rechtmatigheidsbezwaren meer kunnen worden aangenomen. Aannemen dat enige onwettigheid “doorwerkt” naar een navolgende beslissing zou hiermee strijdig zijn, omdat dit de Raad van State zou verplichten beteugelend op te treden op grond van een rechtmatigheidsbezwaar dat steunt op de vraag of de eerste aanwijzing over-
eenkomstig het recht is tot stand gekomen en alzo alsnog een onwettigheid vast te stellen die niet eigen is aan de thans bestreden beslissing, maar integendeel aan de definitief en onaantastbaar geworden eerste aanwijzing, wat buiten de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid valt.
17. Dat de Raad al in zijn arrest nr. 246.548 van 3 januari 2020 de door de verzoekers aangevoerde onwettigheid heeft vastgesteld, doet niet anders besluiten. In dat arrest heeft de Raad aansluitend geoordeeld dat hierover een vraag voorgelegd moest worden aan het Grondwettelijk Hof indien verzoeker de voor-
zetting van de procedure vroeg, wat uiteindelijk niet is gebeurd. De onwettigheid is vastgesteld, onder voorbehoud van het oordeel van het Grondwettelijk Hof.
Daarenboven is er door de Raad in die zaak noch geschorst, noch vernietigd. De in de overwegingen van het arrest vastgestelde onwettigheid is bijgevolg geen onlos-
makelijk met het dictum verbonden motief.
18. Het middel wordt verworpen.
VII. Aanvullend onderzoek
19. Het auditoraatsverslag is beperkt tot een onderzoek van de opge-
worpen excepties en van het tweede middel. Aangezien dat onderzoek niet de op-
lossing van de zaak mogelijk maakt, is er reden tot aanvullend onderzoek.
VIII. Handhaving van de gevolgen
20. Het verzoek van de tussenkomende partij tot handhaving van de gevolgen van de bestreden beslissing is voorbarig, aangezien voorshands niet tot een nietigverklaring is besloten.
V-2049-11/12
BESLISSING
1. Het verzoek van XXXX tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
2. De Raad van State heropent het debat.
3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek.
4. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partijen en van de tussenkomende partij niet bekendge-
maakt.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Ve kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jan Clement, kamervoorzitter, Fréderic Gosselin, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Geert Van Haegendoren
V-2049-12/12