Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.784

Beslissingsdetails

🏛️ Raad van State 📅 2026-02-20 🌐 NL Arrest

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Samenvatting

Arrest nr 265.784 van 20 februari 2026 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.784 van 20 februari 2026 in de zaak A. 234.330/IX-9922 In zake: G.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Rieder kantoor houdend te 9000 Gent Recolettenlei 39-40 en advocaat Joris J. De Smet kantoor houdend te 1180 Ukkel Winston Churchilllaan 118b tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 16 augustus 2021, strekt tot de nietig- verklaring van artikel 3 van het koninklijk besluit van 24 juni 2021 ‘tot verlenging van sommige maatregelen genomen bij wetten van 20 december 2020 houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, van 30 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie en het notariaat in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 en van 20 mei 2020 houdende IX-9922-1/10 diverse bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19’, “voor zover betrekking hebbende op artikel 44 van de wet van 20 december 2020 en in de mate in dat wetsartikel de artikelen 61quater, § 6 en 61quinquies, § 5 van het Wetboek van Strafvordering zijn opge- nomen”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 251.396 van 30 augustus 2021 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur-generaal Luc Vermeire heeft op 29 augustus 2025 een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2026. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Sam Van Hoecke, die loco advocaten Patrick Devers, Hans Rieder en Joris J. De Smet verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat IX-9922-2/10 Lorane De Maeyer, die loco advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels ver- schijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur-generaal Luc Vermeire heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. De gegevens van de zaak A. Regelgevend kader zoals toepasselijk op het ogenblik van de aan dit beroep ten grondslag liggende feiten 3.1. Luidens artikel 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan onder meer de inverdenkinggestelde de onderzoeksrechter verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten. Dit artikel luidt: “§ 1. De inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen de onder- zoeksrechter verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten. § 2. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft; het beschrijft nauwkeurig de gevraagde onderzoekshandeling, dit op straffe van niet-ontvankelijkheid. Het wordt toegezonden aan of neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier zendt hiervan onverwijld een kopie aan de pro- cureur des Konings. Deze doet de vorderingen die hij nuttig acht. De onderzoeksrechter doet uitspraak op straffe van nietigheid van zijn be- schikking uiterlijk binnen een maand na de inschrijving van het verzoek- schrift in het register. Deze termijn wordt teruggebracht tot acht dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan de procureur des Konings en per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis ge- bracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing. IX-9922-3/10 § 3. De onderzoeksrechter kan dit verzoek afwijzen indien hij de maatregel niet noodzakelijk acht om de waarheid aan de dag te brengen of indien hij deze maatregel op dat ogenblik nadelig acht voor het onderzoek. § 4. Tegen de beschikking van de onderzoeksrechter kan hoger beroep wor- den ingesteld overeenkomstig artikel 61quater, § 5. § 5. Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn vermeerderd met vijftien dagen, kan de ver- zoeker zich tot de kamer van inbeschuldigingstelling wenden overeenkom- stig artikel 61quater, § 6. § 6. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezen- den of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voor- werp.” Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de in artikel 61quinquies, § 2, tweede lid, Sv bepaalde termijn vermeerderd met vijftien dagen, mag de verzoeker zich aldus luidens paragraaf 5 van dit artikel 61quinquies tot de kamer van inbeschuldigingstelling wenden overeenkomstig ar- tikel 61quater, § 6, Sv. Het uitblijven van een beslissing binnen de wettelijke ter- mijn dient immers te worden beschouwd als een afwijzing van het verzoek. Dat artikel 61quater, § 6, Sv bepaalt: “Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn, vermeerderd met vijftien dagen, kan de verzoe- ker zich wenden tot de kamer van inbeschuldigingstelling. Dit recht vervalt indien het met redenen omklede verzoekschrift niet binnen acht dagen is neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. Het verzoek- schrift wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. De procedure verloopt overeenkomstig § 5, derde tot zesde lid.” Artikel 61quater, § 5, derde tot zesde lid, Sv, luidt ten tijde van het bestreden besluit: “De procureur des Konings zendt de stukken over aan de procureur-generaal, die ze ter griffie neerlegt. De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen na de neerlegging van de verklaring. Deze termijn is geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op vraag van de verzoeker of van zijn advocaat. De griffier stelt de verzoeker en zijn advocaat per faxpost of bij een ter post aangetekende brief, uiterlijk achtenveertig uur vooraf, in kennis van plaats, IX-9922-4/10 dag en uur van de zitting. De procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat worden gehoord.” 3.2. Artikel 44 van de wet van 20 december 2020 ‘houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19’ (“wet van 20 december 2020”) bepaalde oorspronkelijk: “In afwijking van de artikelen 21bis, §§ 7 en 8, 28sexies, § 4, 28octies, § 4, 28novies, § 7, 61ter, §§ 5 en 6, 61quater, §§ 5 en 6, 61quinquies, §§ 4 en 5, en 61sexies, § 4, van het Wetboek van strafvordering, kan de kamer van in- beschuldigingstelling tot 31 maart 2021 de zaak die voor haar is aangebracht, schriftelijk behandelen. Voor zover de procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat schriftelijk opmerkingen overmaken aan de kamer van inbeschuldigingstelling, worden deze onverwijld, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, overgemaakt aan de andere partijen in de zaak, voor eventuele bijkomende schriftelijke opmerkingen, en dit voorafgaand aan de schriftelijke behande- ling van de zaak.” Luidens artikel 81 van deze wet van 20 december 2020 mag de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder meer de datum bedoeld in dit artikel 44 “aanpassen teneinde rekening te houden met de duurtijd van de maatregelen genomen met het oog op de strijd tegen de COVID- 19-pandemie”. 3.3. Bij koninklijk besluit van 29 maart 2021 wordt onder meer in dit artikel 44 de datum “31 maart 2021” vervangen door “30 juni 2021”. 3.4. Bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 24 juni 2021 ‘tot ver- lenging van sommige maatregelen genomen bij wetten van 20 december 2020 hou- dende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, van 30 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie en het notariaat in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 en van 20 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de IX-9922-5/10 verspreiding van het coronavirus COVID-19’ wordt onder meer in dit artikel 44 de datum “30 juni 2021” vervangen door “30 september 2021”. Dat artikel 3 is de bestreden bepaling, voor zover het betrekking heeft op artikel 44 van de wet van 20 december 2020 en in de mate in dit artikel 44 de artikelen 61quater, § 6, en 61quinquies, § 5, Sv zijn opgenomen. B. Concrete feitelijke gegevens 4.1. Verzoeker heeft ten tijde van het instellen van huidig beroep de hoedanigheid van inverdenkinggestelde en maakt, met anderen, het voorwerp uit van een vordering van het openbaar ministerie tot regeling van rechtspleging en verwijzing naar de correctionele rechtbank van 10 februari 2021. 4.2. Op 21 mei 2021 legt verzoeker overeenkomstig artikel 61quin- quies Sv, een verzoekschrift neer ter griffie en gericht aan de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, met een vraag tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. 4.3. Bij gebrek aan een tijdige uitspraak van de onderzoeksrechter wendt verzoeker zich, overeenkomstig artikel 61quinquies, § 5, Sv, op 9 juli 2021 met dezelfde vraag tot het hof van beroep van Gent, kamer van inbeschuldiging- stelling. 4.4. Met een niet gedateerd telefaxbericht, volgens verzoeker ontvan- gen op 6 augustus 2021, deelt de griffier van de kamer van inbeschuldigingstelling mee dat “de kamer van inbeschuldigingstelling […] in deze zaak [heeft beslist] tot toepassing van de schriftelijke behandeling conform artikel 44 van de wet van 20 december 2020 […], zoals gewijzigd bij artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 24 juni 2021 […]”. Vervolgens wordt vermeld dat verzoeker zijn eventuele schriftelijke bemerkingen ten laatste op 30 augustus 2021 moet doen toekomen op de griffie en tegelijkertijd meedelen aan het ambt van de procureur-generaal, IX-9922-6/10 alsook: “Op de terechtzitting van 31 augustus 2021 zal de kamer van inbeschuldi- gingstelling de zaak zonder debat in beraad nemen, tenzij de procureur-ge- neraal op de voormelde terechtzitting om een uitstel verzoekt teneinde schrif- telijk te antwoorden op de tijdig meegedeelde schriftelijke bemerkingen van de appellant. In dat laatste geval wordt de behandeling van de zaak uitgesteld naar een datum die door de griffier onmiddellijk ter kennis van de appellant en zijn advocaten wordt gebracht.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 5. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoeker geen actueel belang heeft bij het beroep aangezien het bestreden artikel 3 van het koninklijk besluit van 24 juni 2021 de toepassing van de maatregelen bedoeld in artikel 44 van de wet van 20 december 2020 verlengt tot 30 september 2021 en de toepassing van deze maatregelen, die verzoeker bekritiseert, vervolgens niet meer werd verlengd. De maatregelen in kwestie hebben aldus hun volledige uitwerking gehad en zijn niet meer van toepassing. Aangezien het beroep van ver- zoeker, dat werd ingesteld overeenkomstig artikel 61quinquies, § 5, Sv, werd be- handeld op 31 augustus 2021, heeft verzoeker uiteraard geen actueel noch persoon- lijk belang meer bij zijn beroep. De gevorderde nietigverklaring kan verzoeker geen enkel voordeel meer opleveren of enig nadeel voorkomen. 6. In het inleidend verzoekschrift ziet verzoeker zijn belang hierin gelegen dat “zijn op 9 juli 2021 bij het hof van beroep te Gent, de kamer van inbe- schuldigingstelling, aangetekend beroep behandeld wordt middels een gewone te- rechtzitting, waarop hijzelf en zijn advocaten aanwezig kunnen zijn en het woord kunnen voeren, dan wel het tegensprekelijk debat met het Openbaar Ministerie kunnen aangaan en de gebeurlijke vragen van de zetel kunnen beantwoord wor- den”. IX-9922-7/10 In zijn memorie van wederantwoord herhaalt hij dit betoog. Voorts repliceert hij dat, anders dan de verwerende partij betoogt, de Gentse kamer van inbeschuldigingstelling op 31 augustus 2021 niet heeft gezeteld in zijn zaak, die werd uitgesteld naar de zitting van 5 oktober 2021, waarop zijn zaak evenmin werd behandeld, aangezien hij een verdelingsincident ex artikel 88, § 2, en artikel 109, derde lid, GerW had opgeworpen, waarop de zaak opnieuw werd uitgesteld, nu naar de terechtzitting van 4 november 2021 – om daar opnieuw te worden uit- gesteld. Hij betoogt dat hij, “ten gevolge van de toepassing van de voor Uw Raad bestreden bepaling van het K.B. van [24] juni 2021 (en onrechtstreeks vanwege het door de verzoekende partij als naar recht gevoerde verweer) […] gedurende maan- den verstoken [is] gebleven van de behandeling van zijn zaak door de Gentse Ka- mer van Inbeschuldigingstelling, hetgeen op zich afdoende is om zijn initieel be- lang te behouden (zie in dat verband de ultra korte termijnen in artikel 61quater, § 5 Wetboek Strafvordering waarnaar artikel 61quinquies, § 4 van hetzelfde Wet- boek verwijst)”. 7. In zijn laatste memorie stelt verzoeker “dat aan het inroepen van een verdelingsincident (een legitiem verweermiddel) een onrechtmatig obstakel wordt toegevoegd: wie, in een situatie zoals deze van de verzoekende partij, ervoor kiest een [haar] ter beschikking staande verweermiddel in de strafprocedure te be- nutten, zou daardoor (met name vanwege de tijd nodig om het incident behandeld te zien) zijn belang in de vernietigingsprocedure voor Uw Raad zien teloor gaan”. Beoordeling 8. Verzoeker ziet zijn belang – in het verzoekschrift en opnieuw in de memorie van wederantwoord – in wezen in de behandeling van zijn beroep bij de kamer van inbeschuldigingstelling middels een gewone terechtzitting waarop hijzelf en zijn advocaten aanwezig kunnen zijn en het woord voeren, een tegen- sprekelijk debat kunnen aangaan met het openbaar ministerie en de gebeurlijke vragen van de zetel kunnen beantwoorden. IX-9922-8/10 9. Uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker op 27 augus- tus 2021 door de diensten van de griffie van de kamer van inbeschuldigingstelling telefonisch werd gecontacteerd met de vraag of hij, in afwijking van de voorgeno- men schriftelijke behandeling, toch een mondelinge behandeling wenste, in welk geval de zaak op de rechtszitting van 31 augustus 2021 zou worden uitgesteld met het oog op een behandeling “bij toepassing van de artikelen 61quinquies, § 4, en 61quater, § 5, [Sv.]”, dat hij hierop bevestigend heeft geantwoord en dat hij ver- volgens schriftelijk werd uitgenodigd voor behandeling op de terechtzitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 5 oktober 2021. 10. Hieruit blijkt dat verzoeker de kans om de zaak niet schriftelijk maar mondeling te kunnen pleiten en bijgevolg de normale procedure, omschreven in de artikelen 61quinquies, § 4, en 61quater, § 5, Sv te volgen, gerealiseerd zag en hij het bij voorliggend beroep nagestreefde voordeel heeft verworven. 11. Verzoeker wou een louter schriftelijke behandeling vermijden. Dat nadeel heeft zich niet gerealiseerd. Op 5 oktober 2021 vond een gewone terechtzitting plaats, waarop hijzelf en zijn advocaten aanwezig hebben kunnen zijn en het woord voe- ren, een tegensprekelijk debat hebben kunnen aangaan met het openbaar ministerie en de gebeurlijke vragen van de zetel hebben kunnen beantwoorden. Dat verzoeker vervolgens op die terechtzitting van 5 oktober 2021 een verdelingsincident opwierp en dat de behandeling van zijn zaak mede om die reden nog meermaals is uitgesteld, is vreemd aan de bestreden bepaling. Ver- zoeker toont het tegendeel niet aan. Bij de toewijzing van de gevorderde nietigverklaring heeft ver- zoeker dan ook geen belang meer. 12. Het beroep is onontvankelijk. IX-9922-9/10 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Het onverschuldigd gekweten bedrag van 220 euro wordt terugbetaald aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig februari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-9922-10/10