ARR:BM 4275.159 en WI 23.DE001
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2025-05-06
🌐 FR
Vonnis
veroordeling
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950
Volledige tekst
Rol nummer Dertigste kamer Vonnisnr
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
In de zaak van het openbaar ministerie en de eiser tot herstel:
WOONINSPECTEUR
met kantoor te 1000 Brussel, Herman Teirlinckgebouw , Havenlaan 88 bus 22
KBO 0316.380.841
tegen: eiser tot herstel, vertegenwoordigd door meester
meester beiden advocaat te
RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
woonstkeuze doende bij zijn raadsman meester
opposant, vertegenwoordigd door meester met kantoor te
advocaat te /
p.2
loco
die verzet heeft aangetekend tegen het vonnis deze rechtbank en kamer van 7 januari 2025,
(vonnisnumme betichtenummer waarbij geoordeeld werd als volgt:
"De rechtbank:
bij verstek ten aanzien van
Op strafgebied
Ten aanzien van
Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen A.1, A.2 en 8 bewezen.
Veroordeelt
8: voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A.1, A.2 en
tot een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,D0 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 3 maanden.
Verklaart verbeurd overeenkomstig art. 42,3° en 43bis Sw. een bedrag van 500,00 EUR, zijnde
de vermogensvoorde/en.
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Veroordeelt tot betaling van: Vonnisnr I
p.3
-een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
-een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
-een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
58,90 EUR
-de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 348,88 EUR, te vermeerderen
met de kosten van betekening van dit vonnis.
Woonherstel
Beveelt om aan het pand gelegen te
kadastraal gekend als wegens
de stedenbouwkundige inbreuken, een andere bestemming te geven, dan wel te slopen (tenzij
de sloop op grond van wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen verboden is}, steeds
overeenkomstig de bepalingen van de VCRO (art. 3.43 Vlaamse Codex Wonen); en in geval van
gewijzigde bestemming de woning(en) conform te maken in de zin van de Vlaamse Codex
Wonen (artikel 3.1 Vlaamse Codex Wonen) en zonder dat er overbewoning is, en dit onder
verbeurte van een dwangsom van 150~00 EUR per dag vertraging in de nakoming van dit bevel
lastens de veroordeelde ten voordele van de wooninspecteur.
Bepaalt de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregel op 10 maanden vanaf de dag
waarop dit vonnis wordt uitgesproken.
Zegt voor recht dat de veroordeelde overeenkomstig artikel 3.46. VCW2021 de wooninspecteur
en het college van burgemeester en schepenen van onmiddellijk bij
aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs op de hoogte moet brengen
wanneer de opgelegde herstelmaatregelen vrijwillig werden of zullen zijn uitgevoerd.
Machtigt de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen van om
zelf het herstel uit te voeren indien de veroordeelde in gebreke blijven om dat te doen.
Veroordee/1 tot vergoeding van alle uitvoeringskosten in geval van ambtshalve
uitvoering overeenkomstig artikel 3.47. VCW2021.
Verklaart het vonnis wat betreft het bevolen herstel uitvoerbaar bij 11oorraad niettegenstaande
iedere voorziening.
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Op burgerlijk gebied
Houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan."
UIT HOOFDE VAN DE TENLASTELEGGINGEN
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek; Vonnisnr /
p.4
A verhuren, te huur of ter beschikking stellen, met het oog op bewoning, van niet-conforme
of overbewoonde woning
als verhuurder, als eventuele onderverhuurder of als persoon die een woning ter beschikking
stelt, een niet-conforme of overbewoonde woning rechtstreeks of via tussenpersoon te
hebben verhuurd, te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog op bewoning,
op het perceel gelegen te kadastraal gekend als
eigendom van de huwgemeenschap
geboren wonende te
en geborer wonende
, verleden bij aankoopakte d.d. 22.10.2020 door
notaris
1 Een niet conforme (ongeschikte en onbewoonbare) kamer te hebben verhuurd aan
tE in de periode van 1 september 2022 tot en met 8 februari 2023 (St. 118 en
st. 119)
2 Een niet conforme (ongeschikte en onbewoonbare) kamer te hebben verhuurd aan
te
88J in de periode van 1 november 2022 tot en met 12 januari 2023 (St. 9 en St.
(art. 3.34. Vlaamse Codex Wonen van 2021)
B opsplitsen van woning of in gebouw aantal woongelegenheden wijzigen zonder of in strijd
met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het opsplitsen van een woning of het wijzigen in een gebouw van het
aantal woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of
een alleenstaande, ongeacht of het gaat om een eengezinswon ing, een etagewoning, een
flatgebouw, een studio of een al dan niet gemeubileerde kamer, hetzij zonder voorafgaande
stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor
stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden,
Rol nummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr /
p.5
hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval,
vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval
van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
op het perceel gelegen te
eigendom van de huwllemeenschao
:eb oren te kadastraal gekend als
wonende te
en ~eboren Nonenae
te
notaris te verleden bij aankoopakte d.d. 22.10.2020 door
Het pand dat gekend is als eengezinswoning te hebben gewijzigd naar een meergezinswoning
door het aantal woongelegenheden te hebben gewijzigd van 1 naar 2
(art. 4.2.1., 7°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1 °, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
te in de periode van 22 oktober 2020 tot en met 12 januari 2023 (aankoop
woning en vaststellinen WI)
VERMOGENSVOORDEEL : Art. 42 en 43 Bis S.W.B.
Tevens gedagvaard teneinde zich overeenkomstig art. 42 en 43bis van het Strafwetboek, te
horen veroordelen tot de bijzondere verbeurdve rklaring van 500 euro
1. hetzij de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen,
2. hetzij goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld,
3. hetzij inkomsten uit belegde voordelen,
waarbij de rechter, indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de
beklaagde, de geldwaarde ervan dient te ramen (het equivalent bedrag).
Berekening:
huuropbrengst gedurende de incriminatieperiode:
huuropbrengst tenlastelegging A2 (st. 9}
PROCEDURE
De akte van verzet werd betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder met
standplaats te d.d. 21 januari 2025, aan de procureur des Konings
te Gent, er sprekende met substituut-procureur des Konings en bij afzonderlijk
exploot aangezegd aan de eiser tot herstel.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal. I
p.6
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
De rechtbank voegde de beslissing omtrent de ontvankelijkheid van het verzet bij de grond van
de zaak.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
VOORAFGAAND
De rechtbank stelt vast dat het door opposant aangetekende verzet ontvankelijk is en er geen
redenen voorhanden zijn om dit verzet ongedaan te verklaren.
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
De opposant is samen met zijn echtgenote de eigenaar van de woning
gelegen te
Op 13 decembe r 2022 lichtte de Vlaamse wooninspectie
in van een vermoeden van verhuring van het pand terwijl het niet zou voldoen aan
de woonkwaliteitsnormen van de Vlaamse Codex Wonen. Er zouden in het verouderde en
verwaarloosde pand personen in erbarmelijke omstandigheden wonen.
Gelet op deze melding voerde de wooninspectie op 12 januari 2023 een controle uit in het
pand. Voor het gebouw werden 1 klein gebrek in categorie 1, 4 ernstige gebreken in categorie
Il en 1 gebrek dat een direct gevaar oplevert voor de veiligheid of gezondheid of
mensonwaardige levensomstandigheden veroorzaakt in categorie III vastgesteld.
Kamer werd ongeschikt en onbewoonbaar verklaard (5 kleine gebreken in categorie 1, 29
ernstige gebreken in categorie Il en 12 gebreken die een direct gevaar opleveren). Deze kamer
werd bewoond door die niet aanwezig was tijdens de inspectie.
Kamer werd ongeschikt en onbewoonbaar verklaard (5 kleine gebreken in categorie 1, 28
ernstige gebreken in categorie Il en 12 gebreken die een direct gevaar opleveren). Deze kamer
werd bewoond door Hij verklaarde een huurcontract te hebben
afgesloten op 1 november 2022 met een maandelijkse huurprijs van 500 EUR. Hij betaalde
geen huurwaarborg, hij betaalde nog maar één maand huur.
De gemeenschappe lijke keuken, badkamers en toiletten werden telkenma le niet conform
bevonden . Foto's van deze technische vaststellingen werden aan het dossier gevoegd.
Er werd tevens vastgesteld dat de woning opgesplitst werd zonder omgeving svergunning. Het
pand is stedenbouwkundig gekend als een eengezinswoning.
Rol nummer Dertigste kamer Vonnlsnr I
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 7
Op 3 februari 2023 werd de herstelvordering bij het parket ingeleid.
De opposant werd verhoord op 9 maart 2023. Hij verklaarde de eigenaar van het pand te zijn
sedert eind 2020-begin 2021. Hij is feitelijk gescheiden van Hij kocht
het pand leegstaand en in dezelfde staat zoals het bevonden werd. Hij had de intentie om van
dit pand een klein hotel te maken en zag het als een investering. Door diverse tegenslagen
waaronder een brand in de pizzeria die hij uitbaatte en COVID kon hij dit project niet starten.
Hij besloot om er zelf te gaan wonen en renovatiewerken uit te voeren. Hij mocht er evenwel
niet gaan wonen van de wijkagent wegens de staat van het pand. Hii heeft er nooit gewoond.
Een dakloze illegaal heeft er ongeveer een maand gewoond. is de werknemer
van een vriend van hem en heeft er ook verbleven. Hij stelde een pro forma contract met deze
persoon op zodat die zich bij kon aanmelden . Er werd geen prijs afgesproken.
Die persoon verbleef er van september 2022 tot begin februari 2023.
verbleef eerst in een asielcentrum en kwam in terecht om er te
werken. Hij liet die persoon toe om in het pand te verblijven omdat die dat vroeg. Hij heeft
hem gezegd dat hij voorzichtig diende te zijn met de elektriciteit. Die persoon heeft geen huur
betaald, het contract voorzag wel een bedrag van 500 EUR. In ruil voor niet-betaling van de
huur vroeg hij aan deze persoon om een oogje in het zeil te houden in het pand.
De drie personen die er verbleven hebben, hebben ervoor gekozen om daar gratis te
verblijven . Ze wisten hoe de staat van het pand was toen ze erin trokken. Hij heeft geen
klachten gekregen. Ze verbleven er tijdelijk tot ze iets anders hadden gevonden. Hij was er zich
niet bewust van dat er gevaarlijke gebreken aanwezig waren met ernstige risico's voor de
bewoners. Hij heeft op het ogenblik van zijn verhoor nog geen stappen ondernomen om de
vastgestelde gebreken te herstellen. Hij zou informatie inwinnen om te zien hoe hij het kan
oplossen en zal het pand als eengezinswoning herstellen .
De wooninspecteur ontving van de opposant geen melding van herstel.
De opposant werd vervolgens tweemaal per aangetekende brief aangemaand om de
woon inspectie in te lichten over de stand van zaken van de uitvoering van de herstelvordering.
De beklaagde reageerde ook daarop niet.
Op 21 maart 2024 ontving de wooninspectie een mail van de politie waarin gemeld werd dat
er geen aanpassingswerken gebeurden en er opnieuw een aanvraag tot woonstverandering
voor dit pand werd ingediend, zijnde door de echtgenote van de opposant. Er was een
vermoeden dat dit was om de belasting op leegstand te vermijden.
1. Bespreking
Voorafgaand
De verdediging van de opposant stelt in conclusies dat de huiszoeking uitgevoerd door de
wooninspecteur op 12 januari 2023 onregelmatig zou zijn verlopen en dit op grond van de
overwegingen zoals ontwikkeld in zijn conclusies op pagina 4 -7. Gelet het onregelmatig
verkregen bewijs zou de vrijspraak van de opposant zich opdringen.
Rol nummer Dertigste kamer
rechtbank 111:t11 ~~• )<~ dd"'~I!; vust-Vlaanderen, afdeling Gent
De rechtbank volgt dit niet. Vonnisnr I
p.8
Het openbaar ministerie heeft op de zitting van 1 april 2025 een stuk neergelegd waaruit blijkt
dat Nooninspecteur Woon inspectie op 6 januari 2023 een e
mail verstuurde naar de politie met de melding dat er met de huurder afgesproken werd om
volgende week donderdag een onderzoek te verrichten. De huurder ging daarmee akkoord en
zou thuis zijn. Aangezien de huurder niet wist of de andere persoon die in het pand woonde
aanwezig zou zijn, zou dan wel gezien worden of de kamer al dan niet toegankelijk was.
Vervolgens werd het onderzoek gepland op 12 januari 2023 om 15uur. Eerste inspecteur
bevestigde deze afspraak.
Uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat wooninspecteur zich effectief op
12 januari 2023 om 15u30 aanbood aan het pand. Daar waar in het PV inderdaad niet
verwezen wordt naar dit voorafgaand telefonisch contact met huurder
blijkt evenwel uit het verloop van het onderzoek en de navolgende stukken die door het
openbaar ministerie ter zitting werden neergelegd dat deze huurder wel degelijk aan de
wooninspecteur de voorafgaande toestemming heeft verschaft om het gebouw te betreden
alwaar vervolgens de nodige vaststellingen in de gemeenschappelijke delen van het gebouw
verricht konden worden alsook in de privatieve delen die toegankelijk waren.
Er zijn derhalve geen redenen om de huiszoeking van 12 januari 2023 onwettig te verklaren en
de daaruit verkregen bewijzen uit te sluiten.
Tenlastelegging A
Het nieuwe artikel 3.34. VCW2021 stelt het verhuren, te huur stellen of ter beschikking stellen
van een niet-conforme woning strafbaar.
Een conforme woning is volgens artikel 1.3, 7° VCW2021 een woning die geen enkel gebrek als
vermeld in artikel 3.1, §1, derde lid, 2° en 3°, vertoont.
Dat artikel maakt als volgt een onderscheid tussen 3 categorieën van gebreken:
Bij de nadere bepaling van de vereisten, vermeld in het eerste lid, en de vaststelling van de
specifieke en aanvullende veiligheidsnormen, vermeld in het tweede lid, hanteert de Vlaamse
Regering een of meer lijsten van mogelijke gebreken die onderverdeeld zijn in de volgende drie
categorieën:
1 ° gebreken van categorie I: kleine gebreken die de levensomstandigheden van de bewoners
negatief beïnvloeden of die potentieel kunnen uitgroeien tot ernstige gebreken;
2° gebreken van categorie Il: ernstige gebreken die de levensomstandigheden van de bewoners
negatief beïnvloeden maar die geen direct gevaar vormen voor hun veiligheid of gezondheid/
waardoor de woning niet in aanmerking zou komen voor bewoning;
3° gebreken van categorie /Il: ernstige gebreken die mensonwaardige levensomstandigheden
veroorzaken of die een direct gevaar vormen voor de veiligheid of de gezondheid van de
bewoners, waardoor de woning niet in aanmerking komt voor bewoning .
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Een woning is dus niet conform als zij gebreken vertoont van categorie Il of categorie 111. /
p.9
Uit de vaststellingen van de wooninspectie blijkt dat de kamers onder de tenlasteleggingen
A.1 en A.2 niet conform waren binnen de ten laste gelegde periode van 1 september 2022 tot
en met 8 februari 2023.
De wooninspecteur stelde afdoende de inbreuken vast. Daaruit blijkt afdoende dat het om
structurele gebreken gaat.
De feiten onder deze tenlasteleggingen zijn bewezen en werden ten andere door de opposant
niet betwist in zijn verhoor.
Ook in ondergeschikte orde werd door de verdediging van de opposant geen betwisting
gevoerd.
Tenlastelegging B
Ook de feiten onder deze tenlastelegging zijn afdoende bewezen gelet op de strafinformatie
en het verhoor van de opposant waarin hij verklaarde het gebouw opnieuw de bestemming
van een eengezinswoning te zullen geven, hetgeen de vergunde toestand betreft.
Ool< in ondergeschikte orde werd door de verdediging van de opposant op de zitting geen
betwisting gevoerd.
3. Straftoemeting
De bestraffing
De feiten zijn de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde misdadig opzet,
zodat voor ze samen slechts één straf moet worden opgelegd.
De Vlaamse Wooncode beoogt uitvoering te geven aan het fundamenteel recht op
menswaardig wonen (artikel 4 Wooncode / artikel 1.5. Vlaamse Codex Wonen 2021).
Artikel 23 van de Belgische Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft een menswaardig leven
te leiden en dat de wet of het decreet daartoe, rekening houdend met de overeenkomstige
plichten, de economische, sociale en culturele rechten waarborgt. Die rechten omvatten onder
meer het recht op een behoorlijke huisvesting.
De overheid doet belangrijke inspanningen om dit recht te waarborgen onder meer door
sociale huisvesting te organiseren, door minimumkwaliteitseisen voor woningen te bepalen
en een wooninspectie te organiseren ... Grote bedragen gemeenschapsgelden worden daarin
geïnvesteerd.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 10
Van diegene die met winstoogmerk huizen verhuurt, mag verwacht worden dat ook hij
inspanningen levert en zich minstens aan de opgelegde kwaliteitsnormen houdt. Zo niet wordt
het fundamenteel recht op een behoorlijke huisvesting aangetast, komen mogelijk
mensenlevens in gevaar en wordt de gezondheid van doorgaans maatschappelijk kwetsbare
huurders in gevaar gebracht.
De opposant moet beseffen dat hij bij het verhuren niet alleen de lusten maar ook de lasten
moeten dragen en hij zijn verantwoordelijkheid moet nemen.
De opposant heeft zich tevens schuldig gemaakt aan een stedenbouwkundige inbreuk. Hij
getuigt van een gebrek aan respect voor regels geldend in onze maatschappij.
Een geldboete moet ook van die aard zijn dat zij ontmoedigt nog langer de wet te overtreden
of aanzet tot een afweging van pakkans en economisch voordeel.
Bovendien moet rekening worden gehouden met de maatschappelijke kost die door de
beklaagde veroorzaakt wordt in de vorm van de noodzakelijke inzet van mensen en middelen
voor de handhaving. De inzet van inspectiediensten, politie en justitie betekent voor de
gemeenschap een grote kost.
De rechtbank houdt ook rekening met het strafrechtelijk verleden van de opposant.
De opposant liep in het verleden verschillende veroordelingen van de politierechtbank op en
verkreeg op 6 februari 2015 van de correctionele rechtbank van Brussel de gunst van de
opschorting wegens faillissementsmisdrijven. De opposant blijkt uit deze verkregen kans geen
afdoende lessen te hebben getrokken . Uit de verklaring van de opposant blijkt hij werkzaam
te zijn als tolk.
De verdediging van de opposant legde op de zitting van 1 april 2025 een e-mail van de
opposant van 27 maart 2025 als (enig) stuk neer. Daaruit blijkt dat het pand ingevolge een
brand bij het naburig pand onbewoonbaar was geworden en ingevolge problemen met de
brandverzeke raar er niet onmiddellijk een vergoeding volgde. Door financiële problemen kon
het pand niet gerenoveerd worden met eigen middelen . In die periode heeft hij uit menselijke
solidariteit onderdak geboden aan twee mensen in dit pand zonder dat er sprake was van
commerciële verhuur. Hij ontving geen huurgeld.
Op de zitting van 1 april 2025 stelde de verdediging van de opposant nog dat de opposant
ernstig ziek zou zijn en verzocht de rechtbank daarmee rekening te houden bij het bepalen van
de strafmaat.
De rechtbank stelt vast noch tijdens het opsporingsonderzoek noch terloops de
verzetprocedure enig stuk werd voorgelegd omtrent de brand van het naastgelegen pand en
de daaruit ontstane schade aan het pand van de opposant en de financiële problematiek. Er
werd tevens geen stuk voorgelegd omtrent de aangehaalde ernstige zieke toestand van de
opposant.
De rechtbank stelt verder vast dat de vastgestelde gebreken aan de in de dagvaarding
geviseerde pand wijzen op structurele tekortkomingen waaronder de aantasting van de
houten dakstructuur, losliggende gasleidingen, ernstige verwering van het buitenschrijnwerk,
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 11
loshangende leuning van de trap, risico op CO-vergiftiging, .... Los van de onderliggende reden
van deze algemeen slechte staat van het pand was het voor de opposant derhalve in geen
enkel geval toegestaan om dit pand aan mensen te verhuren of ter beschikking te stellen.
Gelet op deze vaststellingen en gelet op het feit dat de opposant in het verleden reeds de gunst
van de opschorting verkreeg en hij daaruit geen afdoende lessen heeft getrokken, gaat de
rechtbank niet op de vraag van de opposant om hem de gunst van de opschorting te verlenen.
Deze gunst zou hem niet afdoende op het ontoelaatbare van zijn handelen wijzen en
bovendien een verkeerd maatschappelijk signaal vormen.
De verdediging van de opposant werpt verder nog op dat de redelijke termijn geschonden is.
nu er twintig maanden verstreken tussen het verhoor van de opposant (3 februari 2023) en de
dagvaarding. Er zou tevens een jaar verstreken zijn tussen de mail van het parket aan het
Vlaams Woonagentschap dd. 12 oktober 2023 waarbij men liet weten tot dagvaarding van de
opposant te zullen overgaan en de betekening van de dagvaarding op 3 september 2024.
De rechtbank stelt vast dat er inderdaad een zekere schending van de redelijke termijn is maar
geen zeer zwaarwichtige miskenning. De rechtbank zal daarmee rekening houden bij het
bepalen van de strafmaat in die zin dat een groot deel van de opgelegde geldboete met uitstel
van tenuitvoerlegging kan opgelegd worden.
De verdediging van de opposant maakt het verder niet aannemelijk dat er redenen
voorhanden zijn om in toepassing van artikel 195 Sv een geldboete op te leggen beneden het
wettelijk minimum. Er worden immers geen stukken voorgelegd omtrent de opgeworpen
benarde financiële toestand in hoofde van de opposant.
De hierna bepaalde effectieve geldboete is doeltreffend, evenredig en afschrikkend .
De opposant moet een wettelijk verplichte bijdrage betalen voor de financiering van het
"Bijzonder Fonds tot Hulp van de Slachtoffers van Opzettelijke gewelddaden en aan de
Occasionele Redders" (artikel 29, tweede lid van de Wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale
bepalingen). Deze bijdrage bedraagt 200 euro (met opdeciemen). Deze bijdrage heeft een
eigen aard en is geen straf.
De opposant moet een wettelijk verplichte bijdrage betalen voor de financiering van het
"Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand" (artikel 4 § 3 en artikel 5 §§ 1 en 1
van de Wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische
tweedelijnsbijstand). Deze bijdrage bedraagt 24 euro.
De opposant moet ook een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken betalen (artikel
91, tweede lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement op de gerechtskosten in strafzaken). Deze vergoeding bedraagt 58,90 euro.
Verbeurdverklaring vermogensvoordeel
Het openbaar ministerie vordert eveneens de bijzondere verbeurdverklaring van 500,00 euro
lastens de opposant.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr I
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 12
Overeenkomstig artikel 42, 3° Strafwetboek kunnen de vermogensvoordelen die rechtstreeks
uit het misdrijf zijn verkregen, worden verbeurdverklaard.
De huurgelden zijn vermogensvoordelen die de opposant in ieder geval rechtstreeks uit de
bewezen verklaarde misdrijven heeft verkregen.
Het is daarbij niet van belang dat de huurder zich geen burgerlijke partij heeft gesteld. De
verbeurdverklaring van de vermogensvoordeel betreft immers een bijkomende sanctie om de
opposant aan te tonen dat het plegen van misdrijven niet kan lonen.
Het kan principieel niet aanvaard worden dat de veroordeelde in het bezit gelaten wordt van
de voordelen of winsten die hij uit een misdrijf haalt. Misdrijven plegen mag immers niet
lonend zijn. Dit zou een verkeerd signaal zijn ten aanzien van burgers en bedrijven die wel de
wet naleven, correct handelen en daartoe inspanningen en investeringen doen. Het zou dus
ook de geloofwaardigheid van, en het vertrouwen in de overheid ondermijnen.
De verbeurdverklaring van het bedrag van 500,00 euro dringt zich op.
WOON HERSTEL
Op 31 januari 2023 vorderde de wooninspecteur het herstel voor het pand aan
Op de zitting van 1 april 2025 alsook uit de conclusies van de opposant is gebleken dat het
herstel op heden nog steeds niet is uitgevoerd. Het herstel dient dan ook nog steeds te worden
opgelegd.
De wooninspecteur heeft ook in haar vordering volhard op de zitting van 1 april 2025.
De wooninspecteur vorderde om ofwel het pand een andere bestemming te geven op basis
van de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ofwel het pand te slopen, tenzij
dit verboden is.
De wooninspecteur vorderde de uitvoering van de werken binnen een termijn van 10 maanden
na de uitspraak en dat voor het geval de veroordeling niet binnen de opgelegde termijn wordt
uitgevoerd, de overtreder wordt veroordeeld tot een dwangsom van 150 euro per dag
vertraging.
Zij vorderde dat de rechter zou bevelen dat zij ambtshalve in het opgelegde herstel kan
voorzien in het geval de overtreder in gebreke blijft de door de rechter bevolen werken zelf uit
te voeren.
Zij vorderde dat zij gemachtigd zou worden om de kosten, bedoeld in art. 15, §1 (huidig art.
17bis, §2) Vlaamse Wooncode, te verhalen op de beklaagde.
Zij vorderde eveneens de onmiddellijke uitvoerbaarheid.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p.13
Artikel 3.43. VCW2021 bepaalt dat:
Naast de straf kan de rechtbank de overtreder bevelen om werken uit te voeren om de woning
of het pand dat het gebouw met de aanwezige woningen omvat, conform te maken en om de
overbewoning te beëindigen. Als de rechtbank vaststelt dat de woning niet in aanmerking komt
voor werkzaamheden, of dat het gaat om een goed als vermeld in artikel 3.35, beveelt ze de
overtreder om er een andere bestemming aan te geven overeenkomstig de bepalingen van de
Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 of om de woning of het goed te slopen,
tenzij de sloop ervan verboden is op grond van wettelïjke, decretale of reglementaire
bepalingen. Dat gebeurt ambtshalve of op vordering van de wooninspecteur of het college van
burgemeester en schepenen van de gemeente waar de woning, het pand of het goed ligt.
De rechtbank bepaalt de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen en kan, op
vordering van de wooninspecteur of het college van burgemeester en schepenen, eveneens een
dwangsom bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen. De
termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen bedraagt maximaal twee jaar.
De verantwoordelijkheid voor de melding van de uitvoering van een eventueel vrijwillig herstel
ligt bij de overtreder. Behoudens bewijs van het tegendeel geldt alleen het proces-verbaal van
uitvoering als bewijs van het herstel en van de datum van het herstel (artikel 20bis, §6 Vlaamse
Wooncode/3.46. VCW2021}.
Dat bewijs ligt niet voor.
Integendeel, uit de behandeling van de zaak ter terechtzitting bleek dat het herstel nog steeds
niet volledig was uitgevoerd gelet op de neergelegde conclusie van de woon inspecteur.
De herstelvordering is afdoende gemotiveerd en is niet onredelijk.
Het herstel moet nog steeds worden bevolen.
De termijn van uitvoering van de herstelmaatregelen wordt bepaald op 10 maanden.
De opposant moet de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen tijdig
bij aangetekende brief of bij afgifte tegen ontvangstbewijs op de hoogte brengen van de
uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel, waarna de wooninspecteur, na controle ter
plaatse, een proces-verbaal van uitvoering opmaakt dat, behoudens bewijs van het tegendeel,
geldt als bewijs van het herstel en van de datum van dit herstel (artikel 3.46. VCW2021).
Het opleggen van een dwangsom als drukkingsmiddel voor het uitvoeren van het bevolen
herstel is eveneens noodzakelijk . Het bedrag ervan kan door de rechter bepaald worden zelfs
zonder een specifiek gevorderd bedrag of hoger dan het gevorderde bedrag.
Het volstaat dat een dwangsom gevorderd wordt.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 14
Een dwangsom van 150 euro per dag moet worden opgelegd gelet op het talmen om over te
gaan tot het herstel.
Het bestuur heeft er namelijk belang bij dat de veroordeelde zelf de veroordeling tot het
herstel nakomt gelet op de beperkte overheidsmiddelen, de zware procedure van
aanbesteding en de lange tijd nodig voor een ambtshalve uitvoering.
Tenslotte heeft de gemeenschap er baat bij dat dit ten spoedigste gebeurt. Een dwangsom is
daartoe het meest efficiënte middel. Om dezelfde redenen, en om te vermijden dat de
beklaagden een financiële afweging zouden maken tussen de kosten van het herstel en de
dwangsommen, wordt geen maximumbedrag opgelegd.
Om verdere vertraging in de uitvoering van het herstel te vermijden wordt het vonnis wat het
woonherstel betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De veroordeling tot herstel blijft de grondslag voor het verhaal op de opposant van de kosten
van een eventueel ambtshalve herstel door de bevoegde overheid of voor een verhaal van
herstelkosten die de nieuwe eigenaar in voorkomend geval zou moeten maken als gevolg van
de door de opposant gepleegde feiten.
BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
Gelet op het mogelijke bestaan van schade veroorzaakt door de bewezen verklaarde
misdrijven, worden de burgerlijke belangen ambtshalve aangehouden.
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 -Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 187, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
art. 1, 2, 3, 7, 38, 40, 41, 65, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen
aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
art. 1 (§1, 2° en §2), 8, 14 §1 Wet van 29 juni 1964;
Rolnumme r Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p.15
DE RECHTBANK:
op TEGENSPRAAK en op VERZET ten aanzien van
Verklaart het verzet ontvankelijk .
Beschouwt de veroordelingen op strafrechtelijk gebied uitgesproken bij vonnis bij verstek van
deze rechtbank en kamer d.d. 7 JANUARI 2025 voor niet bestaande en wijst opnieuw ten gronde:
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien va
Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen A.1, A.2 en 8 bewezen.
Veroordeelt
B: voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A.1, A.2 en
tot een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 3 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van
3 jaar, doch slechts voor een gedeelte van 2.000,00 EUR, zijnde 250,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen.
Verklaart verbeurd overeenkomstig art. 42,3° en 43bis Sw. een bedrag van 500,00 EUR1 zijnde
de vermogensvoordelen.
Veroordeelt tot betaling van:
-een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
-een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p.16
-een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
-de kosten van het eerste vonnis en in al de door het verzet veroorzaakte kosten en
uitgaven, met inbegrip van de kosten van betekening van het vonnis, ten bate van de
Staat, begroot op 483,41 EUR, het verstek aan de opposant te wijten zijnde.
WOON HERSTEL
Beveelt om aan het pand gelegen te
kadastraal gekend als wegens
de stedenbouwkundige inbreuken, een andere bestemming te geven, dan wel te slopen (tenzij
de sloop op grond van wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen verboden is), steeds
overeenkomstig de bepalingen van de VCRO (art. 3.43 Vlaamse Codex Wonen); en in geval van
gewijzigde bestemming de woning(en) conform te maken in de zin van de Vlaamse Codex
Wonen (artikel 3.1 Vlaamse Codex Wonen) en zonder dat er overbewon ing is, en dit onder
verbeurte van een dwangsom van 150,00 EUR per dag vertraging in de nakoming van dit bevel
lastens de veroordeelde ten voordele van de wooninspecteur.
Bepaalt de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregel op 10 maanden vanaf de dag
waarop dit vonnis wordt uitgesproken.
Zegt voor recht dat de veroordeelde overeenkomstig artikel 3.46. VCW2021 de
wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen van
onmiddellijk bij aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs op de hoogte moet
brengen wanneer de opgelegde herstelmaatregelen vrijwillig werden of zullen zijn uitgevoerd.
Machtigt de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen van om
zelf het herstel uit te voeren indien de veroordeelde in gebreke blijven om dat te doen.
Veroordeelt tot vergoeding van alle uitvoeringskosten in geval van ambtshalve
uitvoering overeenkomstig artikel 3.47. VCW2021.
Verklaart het vonnis wat betreft het bevolen herstel uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande
iedere voorziening.
OP BURGERLIJK GEBIED
Houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p.17
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 6 mei 2025 door de rechtbank
van eerste aanleg Oost-Vlaanderen , afdeling Gent, kamer G30D1:
rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting,
met bijstand van griffier