Naar hoofdinhoud

ARR:BM 1064.212

🏛️ Hof van Beroep Antwerpen 📅 2025-05-07 🌐 FR veroordeling

Rechtsgebied

strafrecht

Geciteerde wetgeving

1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 18 december 1986, 19 maart 2017

Volledige tekst

Hof van beroep Antwerpen - 2024/PGA/2169- 2024/VJll/872 Het OPENBAAR MINISTERIE tegen 1. rijksregisternummer geboren wonende te van Belgische nationaliteit beklaagde vertegenwoordigd door mr. advocaat bij de balie 2. ondernemingsnummer met maatschappelijke zetel te beklaagde vertegenwoordigd door mr. advocaat bij de balie 1. Ten laste gelegde feiten p. 2 loco mr. loco mr. Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het Strafwetboek; Op het onroerend goed gelegen te gekadastreerd als met een oppervlal<te van l4a 4Uca, eigendom van ingevolge akte dd. 18 augustus 2009 , beiden ·, beiden Hof van beroep Antwerpen - -p. 3 A schending vergunningsplicht buiten de gevallen bedoeld in artikel 16.6.1. § 1 lid 2 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, zonder omgevingsvergunning een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse te hebben geëxploiteerd of veranderd, (art. 5.2.1. §§ 3, 4 en 6 lld 1, en 16.6.1. § 1 lid 1 Decreet 05 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid; art. 5, 1 °, c), 5, 2°, b} en 6 lid 1 en 2 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) 1 te ·, in de periode van 22 mei 2020 tot en met 28 januari 2023, meermaals, op niet nader bepaalde data, laatst op 27 januari 2023 door namelijk opslag en mechanische behandeling van niet-gevaarlijk schroot, ingedeeld onder rubriek 2.2.2.c van Bijlage 1 van het Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (VLAREM Il), 2 te , in de periode van 22 mei 2020 tot en met 28 januari 2023, meermaals, op niet nader bepaalde data. laatst op 27 ianuari 2023 door namelijk de opslag en mechanische behandeling van andere gevaarlijke afvalstoffen, ingedeeld onder rubriek 2.2.2.g van Bijlage 1 van VLAREM Il, B gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van grond voor opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, allerlei materialen, materieel of afval zonder of in strijd met een geldige vergunning buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of Inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning , hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, Hof van beroep Antwerpen - -p. 4 namelijk het gewoonlijk gebruiken van het terrein op het adres te , voor het opslaan van allerlei materiaal, materieel en afval, zoals onder meer schrootafval, afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, zoals kapotte elektrische toestellen, printplaten, condensatoren, elektrische kabels, lamparmaturen met de TL­ lampen nog aanwezig, (art. 4.2.1., 5°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 en 2 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) te in de periode van 22 mei 2020 tot en met 28 januari 2023, meermaals, op niet nader bepaalde data, laatst op 27 januari 2023 door C opzettelijk achterlaten of beheren van afvalstoffen in strijd met de voorschriften van het Materialendecreet of de uitvoeringsbesluiten ervan opzettelijk, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning, afvalstoffen te hebben achtergelaten, beheerd of overgebracht, te weten afvalstoffen te hebben achtergelaten of beheerd in strijd met de voorschriften van het Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen of de uitvoeringsbeslu iten ervan, namelijk het opslaan van allerlei afval, onder meer schrootafval, afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, zoals kapotte elektrische toestellen, printplaten, condensatoren, elektrische kabels, lamparmaturen met de TL­ lampen nog aanwezig, zoals vermeld onder tenlasteleggingen A.1 en A.2, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning, (art. 16.6.3. § 1 lid 1 en 16.6.4. Decreet 05 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid; art. 3, 1 ° en 7°, 12 § 1 en 69 Decreet 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, en art. 5.2.1. §§ 3, 4 en 6 lid 1, en 16.6.1. § 1 lid 1 Decreet OS april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid; art. S, 1 °, c), 5, 2°, b) en 6 lid 1 en 2 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) te tussen 22 mei 2020 en 28 januari 2023, meermaals, op niet nader te bepalen data en laatst op 27 januari 2023 door Hof van beroep Antwerpen· p.5 D niet naleven maatregelen opzettelijk de opgelegde bestuurlijke maatregelen, bestuurlijke geldboeten, voordeelontnemlngen, veiligheidsmaatregelen of de door de rechter opgelegde maatregelen niet te hebben uitgevoerd, betaald of te hebben genegeerd, namelijk het niet naleven van de bestuurlijke maatregel A/16813/2020 dd. 17 december 2020, (art. 16.6.1. § 2, 1° Decreet 05 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid) te door , in de periode van 17 december 2020 tot en met 27 januari 2023 Tevens gedagvaard om, bij toepassing van artikel 16.6.4 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zich te horen veroordelen tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen binnen een door de rechter vastgestelde termijn, onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag bij niet naleving van deze veroordeling. Overgesch reven op het kantoor Rechtszekerheid Ref.: Bedrag: 240,00 euro Adviseur (get.) 2. Bestreden beslissing 2.1. d.d. 18 augustus 2023 Bij het vonnis, op tegenspraak gewezen op 27 mei 2024 door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, kamer ACl, werd als volgt beslist: Op strafgebied Omschrijft de tijdsbepaling van tenlastelegging D als volgt: "op 1 juni 2021". Hof van beroep Antwerpen - -p. 6 Ten aanzien van , eerst beklaagde Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen Al, A2, B, C en D - met aangepaste tijdsbepaling-: tot een geldboete van 12.000,00 EUR, zijnde 1.500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 90 dagen. Verleent uitstel van tenuitvoer legging wat betreft deze geldboete voor een termijn van 3 jaar, doch slechts voor een gedeelte van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen . Veroordeelt tot betaling van: een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders; een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand; een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken . Deze vergoeding bedraagt 58,90 EUR; de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/2 x 332,82 = 166,41 EUR. Ten aanzien van beklaagde Veroordeelt , tweede voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen Al, A2, B, C en D -met aangepaste tijdsbepaling -: tot een geldboete van 10.000,00 EUR, zijnde 1.250,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Hof van beroep Antwerpen - -p. 7 Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van 3 jaar, doch slechts voor een gedeelte van 6.000,00 EUR, zijnde 750,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Verklaart verbeurd overeenkomst ig artikel 42, 3° en 43bis Sw. de vermogensvoordelen voor een bedrag van 16.600 euro. Veroordeelt van: tot betaling -een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders; -een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand; -een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,90 EUR; de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/2 x 332,82 = 166,41 EUR. Herstel Stelt vast dat de herstelvordering zonder voorwerp is. 2.2. Er werd hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis van 27 mei 2024 op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen : op 26 juni 2024 door de beklaagden tegen alle beschikkingen, op 26 juni 2024 door het OPENBAAR MINISTERIE ten aanzien van de beklaagden tegen alle beschikkingen op strafgebied. Hof van beroep Antwerpen - -p. 8 2.3. Er werd een verzoekschrift in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen: op 26 juni 2024 door de beklaagden op 26 juni 2024 door het OPENBAAR MINISTERIE ten aanzien van de beklaagde op 26 juni 2024 door het OPENBAAR MINISTERIE ten aanzien van de beklaagde 3. Rechtspleging voor het hof De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 2 april 2025. Het hof heeft hierbij gehoord: mevrouw de Voorzitter in haar verslag, het Openbaar Ministerie in zijn uiteenzetting van de zaak en in zijn vordering, de beklaagden in hun middelen van verdediging , ontwikkeld door hun raadsman voornoemd. De neergelegde C0'1clusie werd in het beraad betrokken . 4. Beoordeling van de ontvankelijkheid en de omvang van de hogere beroepen 4.1. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen 1. De verklaringen van hoger beroep van beklaagden en van het Openbaar Ministerie werden tijdig en regelmatig gedaan op de griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen. 2. Het verzoekschrift van beklaagden zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering werd tijdig en regelmatig ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde grieven met betrekking tot de schuldigverklaring, de kwalificatie, de overschrijding van de redelijke termijn, de straf en de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen zijn nauwkeurig. Hof van beroep Antwerpen - p.9 3. De verzoekschriften van het Openbaar Ministerie ten opzichte van beklaagden zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering werden tijdig en regelmatig ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen en de telkens daarin bepaalde grief met betrekking tot de straf is nauwkeurig. 4. De hogere beroepen van de beklaagden en van het Openbaar Ministerie zijn regelmatig naar vorm en termijn en zijn ontvankelijk, gelet op het bovenstaande . 4.2. Omvang van de hogere beroepen Het hof heeft ambtshalve geen grieven van openbare orde opgeworpen zoals bedoeld in artikel 210, tweede lid Wetboek van Strafvordering. Gelet op de overwegingen onder rubriek 4.1. van dit arrest strekt de rechtsmacht van het hof zich uit tot de beoordeling van de beschikkingen van het bestreden vonnis die betrekking hebben op de schuldigverklaring van beide beklaagden aan de feiten onder tenlasteleggingen Al, A2, B, C en D, de kwalificatie van deze feiten en de straf ten aanzien van beide beklaagden, daarin inbegrepen de verbeurdverk laring van vermogensvoordelen. De vaststelling van de eerste rechter dat de herstelvordering op grond van artikel 16.6.4 DABM zonder voorwerp was, staat definitief vast. Het hof heeft derhalve ook niet meer te oordelen over het door de beklaagden in hun conclusie opgeworpen middel dat de herstelmaa tregel op die rechtsgrond niet gepaard zou kunnen gaan met het opleggen van een dwangsom. 5. Beoordeling op strafrechte lijk gebied -met betrekking tot de kwalificatie en de schuld De eerste rechter heeft terecht de tijdsbepa ling voor het feit onder tenlastelegging D beperkt tot de datum 1 juni 2021. Op grond van de voorliggende gegevens van het strafdossier en na nieuw onderzoek ter terechtzitting door het hof is de schuld van de beide beklaagden aan de feiten onder tenlasteleggingen A1, A2, B, C en D (met aangepaste tijdsbepaling) bewezen gebleven onder de voorziene kwalificaties. Hof van beroep Antwerpen - -p, 10 Hiervoor wordt verwezen naar de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter op blz. 4 tot en met 6 van het bestreden vonnis, die door de beklaagden in hoger beroep niet wordt weerlegd en door het hof integraal wordt beaamd en overgenomen. De eerste rechter heeft op omstandige en volledige wijze uiteengezet waarom de beklaagden schuldig zijn aan deze feiten en de beklaagden hebben in hoger beroep geen middelen aangebracht die het hof tot een ander besluit kunnen brengen. Noch de door de beklaagden neergelegde foto's van de huidige toestand, noch de beslissing van 15 maart 2024 van de milieutoezichthouder om de voorheen opgelegde bestuurlijke maatregelen met dwangsom op te heffen zijn van aard om twijfel te zaaien omtrent de juistheid en de betrouwbaarheid van de objectieve vaststellingen die uit het strafdossier blijken en die het bewijs van de ten laste gelegde feiten opleveren. Uit beide stukken blijkt louter dat de beklaagden na de feiten het nodige hebben gedaan om de toestand ter plaatse te regulariseren en om de wederrechtelijke gevolgen van de door hen gepleegde feiten te doen verdwijnen . 6, Beoordeling op strafrechtelijk gebied -met betrekking tot de straf De bewezen verklaarde feiten onder tenlasteleggingen Al, A2, B, C en D (met aangepaste tijdsbepaling) waren voor de beide beklaagden de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde misdadig opzet, zodat ten aanzien van elk van hen slechts één straf dient te worden uitgesproken, namelijk deze die het feit bestraft waarvoor de wet de zwaarste straf voorziet. Het hof houdt bij de straftoemeting rekening met: de persoonlijkheid van de beklaagden; hun onderscheiden strafrechtelijk verleden: beklaagde en 2023 al veroordeeld tot correctionele straffen. Beklaagde werd in 2011, 2018 verkreeg in 2013 de gunst van de opschorting voor een sociaalrechte lijk misdrijf en liep in 2022 een veroordeling voor een verkeersinbreuk op; de omstandigheden, de aard en de ernst van de feiten, die blijk geven van een eigengereid optreden, vermoedelijk uitgaande van de verwerpelijke opvatting dat dit soort van misdrijven alsook het herstel ervan niet ernstig zou worden genomen. Hof van beroep Antwerpen - -p. 11 De beklaagden maakten zonder voorafgaande omgevingsvergunning jarenlang gebruik van een perceel in agrarisch gebied om er schroot en andere afvalstoffen op te slaan en te behandelen; -het maatschappelijk nadeel van de feiten, die een zware belasting voor zowel het milieu als de plaatselijke ruimtelijke ordening tot gevolg hadden; het door de beklaagden beoogd winstbejag; de vaststelling dat de beklaagden inmiddels wel het nodige hebben gedaan om de toestand ter plaatse te regulariseren; het tijdsverloop sedert de feiten zonder dat er een schending van de redelijke termijn in strafzaken voorligt. Na de eerste controle op 23 mei 2020 werd aan de beklaagden de kans gelaten om zich in regel te stellen. Op 17 december 2020 werd aan de beklaagden een bestuurlijke maatregel met dwangsom opgelegd, waarbij hen werd aangezegd om alle afvalstoffen waarvoor geen geldige omgevingsvergunning kon worden voorgelegd, tegen uiterlijk 1 juni 2021 af te voeren. Bij een opvolgcont role op 11 maart 2022 werd vastgesteld dat de toestand verbeterd was, maar dat het terrein niet voldoende was opgeruimd en er ook nog steeds een onvergunde opslag en behandeling van afvalstoffen plaatsvond . Tijdens haar verhoor van 31 augustus 2022 verklaarde beklaagde dat zij de afvoering van de afvalstoffen niet op zulke korte tijd geregeld kreeg, maar dat zij dit in samenwerk ing met een milieuconsu ltant verder wilde opnemen. Aan de beklaagden werd nogmaals de kans geboden zich in regel te stellen, maar navolgende controles van 4 januari 2023 en 27 januari 2023 wezen uit dat de wederrechtelijke toestand nog steeds aanhield, waarop werd besloten over te gaan tot dagvaard ing voor de correctionele rechtbank. Uit dit alles blijkt dat aan de beklaagden meermaals, en vaak op eigen verzoek, de kans werd geboden om zich in regel te stellen en dat pas tot strafrechtelijke handhaving werd overgegaan vanaf het ogenblik dat vaststond dat zij hieraan onvoldoende tegemoet bleven komen. Wanneer de strafvervolging betrekking heeft op de regelgeving betreffende de ruimtelijke ordening, het milieu-of omgevingsrecht en de huisvesting, waar de herstelvordering een onderdeel is van de strafvordering in de ruime zin, kan de strafrechter bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van de strafvervolging rekening houden met de mogelijkheden die aan de beklaagde werden toegekend om vrijwillig over te gaan tot herstel of regularisatie van de wederrechtelijke toestand. Behoudens wanneer de beklaagde ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven niet vrijwillig tot herstel of regularisatie te zullen overgaan, houdt dit geen miskenning in van het recht van de beklaagde om niet mee te werken aan zijn vervolging, noch van zijn recht om niet vrijwillig over te gaan tot herstel of regularisatie zolang hij niet definitief is veroordeeld (vergelijk Cass. 23 februari 2021, Hof van beroep Antwerpen - -p. 12 Het hof stelt noch tijdens de fase van het vooronderzoek, noch tijdens de fase van de berechting in eerste aanleg of in hoger beroep periodes van stilstand van het gerechtelijk apparaat vast waar geen gerechtvaardigde verantwoo rding voor bestaat, zodat er geen schending van de redelijke termijn voorligt. Het hof gaat niet in op het ondergeschikt verzoek van de beklaagden om hen de gunst van de opschorting van de uitspraak van hun veroordeling te verlenen. Deze gunst zou hen immers onvoldoende wijzen op hun maatschappelijke beperkingen en verplichtingen, en zou een onvoldoende en ongepaste reactie naar hun persoon uitmaken, gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten. Om al deze redenen heeft de eerste rechter om oordeelkundige redenen, die worden beaamd en overgenomen door het hof, een wettige en passende bestraffing opgelegd aan beklaagde onder de vorm van een geldboete van 12.000,00 euro, dit is 1.500,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen, of een vervangende gevangenisstraf van negentig dagen en aan beklaagde onder de vorm van een geldboete van 10.000,00 euro, dit is 1.250,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen. Deze straffen zijn aangepast aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zijn nodig om de beklaagden het ontoelaatbare van hun handelen te doen inzien en moeten hen ertoe aanzetten om zich in de toekomst van zulke gedragingen te onthouden. De duur van de vervangende gevangenisstraf voor beklaagde geldboete die haar wordt opgelegd. is aangepast aan de omvang van de Nu de beklaagden inmiddels de toestand ter plaatse hebben geregulariseerd, heeft de eerste rechter terecht voor beide beklaagden, die daartoe aan de voorwaarden voldoen, het uitstel van de tenuitvoer legging van de opgelegde geldboeten gelast ten belope van het verder bepaalde gedeelte. Dit uitstel en een proeftermijn van drie jaar moeten een maximale preventieve werking van de uitgestelde straffen waarborgen. Verder werden de beide beklaagden door de eerste rechter terecht veroordeeld tot betaling van een bijdrage aan het slachtofferfonds, een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsb ijstand en een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze laatste bijdrage en vergoeding dienen weliswaar te worden geïndexeerd zoals verder bepaald. Hof van beroep Antwerpen• -p.13 ✓oor de eerste rechter vorderde het Openbaar Ministerie op grond van de artikelen 42, 3" en 43bis Strafwetboek schriftelijk de verbeurdverkla ring van de vermogensvoordelen die de beklaagden uit de misdrijven onder tenlasteleggingen A1, A2 en B zouden hebben verkregen, dewelke werden geraamd op 16.600,00 euro. De gevorderde verbeurdverklaring is facultatief. De eerste rechter ging deels op deze vordering in en bepaalde de vermogensvoorde len op het vermeld bedrag van 16.600,00 euro, dat volledig ten laste van beklaagde verbeurd werd verklaard. Net als de eerste rechter leidt het hof uit het strafdossie r af dat het enkel de rechtspersoon s geweest die opbrengsten uit de vermelde misdrijven heeft verworven. Deze beklaagde is zonder omgevingsvergunning haar schrootverwerkingsinrichting wederrech telijk blijven exploiteren om zich te verzekeren van lnkomsten uit deze activiteit. Het is maatschappelijk onaanvaardbaar dat beklaagde In het bezit zou blijven van de illegale opbrengsten van deze misdrijven, niet alleen omdat zij zonder verpinken het leefmilieu potentieel in gevaar bracht, maar ook omdat zij op die wijze oneerlijke concurrentie voerde ten aanzien van eventuele concurrenten die zich wel aan de regels hielden. Bij gebrek aan een andere beschikbare berekeningsbasis is het Openbaar Ministerie terecht uitgegaan van de resultatenreken ingen van de boekjaren 2020 en 2021, beschikbaar op de website van de Nationale Bank, en heeft zij terecht de genoten vermogensvoordelen geraamd op 20% van de gemiddelde bruto jaaromzet , om te komen tot het afgerond cijfer van 16.600,00 euro. Hiermee wordt aan beklaagde opgelegd. geen onredelijk zware straf De verkregen vermogensvoordelen konden niet worden gevonden in het vermogen van deze beklaagde, zodat de verbeurdverklaring betrekking heeft op de geldwaarde die ermee overeenstemt. 7. Wettelijke bepalingen Het hof houdt rekening met volgende wettelijke bepalingen, de artikelen: Hof van beroep Antwerpen p. 14 -11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 152, 162, 182, 185, 190, 190ter, 194, 195, 199, 200, 202, 203, 203bis, 204, 209bis, 210 en 211 van het Wetboek van Strafvordering -1, 2, 3, 5, 7, 7bis, 38, 40, 41bis, 42, 43bis, 50, 65 en 66 van het Strafwetboek -5.2.1. §§ 3, 4 en 6 lid 1, 16.6.1. § 1 lid 1, 16.6.1. § 2, 1 ° en 16.6.3. § 1 lid 1 van het Decreet van 5 april 1995 -5, 1 °, a) en c), 5, 2°, b) en 6 lid 1 en 2 van het Decreet van 25 april 2014 -rubriek 2.2.2.c en 2.2.2.g van Bijlage 1 van het Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 (VLAREM 11) -3, 1 ° en 7°, 12 § 1 en 69 van het Decreet van 23 december 2011 -4.2.1., 5°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1 ·, en 6.3.1. § 1 en 7.7.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening 1 van de wet van 5 maart 1952 -59 en 60 van de programmawet van 25 december 2016 -1, 8 en 18bis van de wet van 29 juni 1964 -58 van het KB van 18 december 1986 -28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985 -4 §3, 5 en 10 van de wet van 19 maart 2017 -6 van het KB van 26 april 2017 -91 van het KB van 28 december 1950 1 en 2 van het KB van 28 augustus 2020 -4 van de wet van 17 april 1878 (Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering) 8. Beslissing Het hof, Rechtdoende op tegenspraak; Beslist op grond van de hoger vermelde redenen, binnen de perken van de hogere beroepen zoals hiervoor bepaald, als volgt: Verklaart de hogere beroepen van de beklaagden Openbaar Ministerie ontvankelijk ; ::!n van het Hnf van beroep Antwerpen · -p. 15 Met betrekking tot de strafvordering Bevestigt de door de eerste rechter aangebrachte aanpassing van de tijdsbepaling van het feit onder tenlastelegging D; Ten aanzien van beklaagde Bevestigt het bestreden vonnis, In zoverre de beklaagde schuldig werd verklaard aan de feiten onder tenlasteleggingen Al, A2, B, C en D (met aangepaste tijdsbepaling); Bevestigt het bestreden vonnis met betrekking tot de straf, en veroordeelt de beklaagde voor deze feiten vermengd aldus tot een geldboete van 12.000,00 euro, zijnde 1.500,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van negentig dagen; Gelast gedurende een proeftijd van drie jaar vanaf heden het uitstel van de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete ten belope van 8.000,00 euro, zijnde 1.000,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen; Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre de beklaagde werd veroordeeld tot betaling van: een bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders van 200,00 euro, zijnde 25,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen; een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, waarvan het bedrag na indexering weliswaar wordt gebracht op 26,00 euro; een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken, waarvan het bedrag na indexering weliswaar wordt gebracht op 61,01 euro; Ten aanzien van beklaagde Bevestigt het bestreden vonnis, in zoverre de beklaagde schuldig werd verklaard aan de feiten onder tenlasteleggingen Al, A2, B, C en D (met aangepaste tijdsbepaling); Bevestigt het bestreden vonnis met betrekking tot de straf, en veroordeelt de beklaagde voor deze feiten vermengd aldus tot een geldboete van 10.000,00 euro, zijnde 1.250,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen ; Hof van beroep Antwerpen - -p. 16 Gelast gedurende een proeftijd van drie jaar vanaf heden het uitstel van de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete ten belope van 6.000,00 euro, zijnde 750,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen; Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre lastens de beklaagde de verbeurdverklaring bij equivalent wordt bevolen van de door haar genoten wederrechtelijke vermogensvoordelen van 16.600,00 euro; Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre de beklaagde werd veroordeeld tot betaling van: -een bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders van 200,00 euro, zijnde 25,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen; een bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, waarvan het bedrag na indexering weliswaar wordt gebracht op 26,00 euro; een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken, waarvan het bedrag na indexering weliswaar wordt gebracht op 61,01 euro; Met betrekking tot de kosten Bevestigt het bestreden vonnis In zoverre elk van beide beklaagden werden verwezen in de kosten van de strafvordering in eerste aanleg ten belope van de helft; Laat de kosten van het hoger beroep van het Openbaar Ministerie ten laste van de Belgische Staat; Verwijst de beklaagden hoofdelijk in de overige kosten van de strafvordering in hoger beroep, deze voorgeschoten door de openbare partij en in totaal begroot op 109,60 euro. Hof van beroep Antwerpen - • p.17 Dit arrest is gewezen te Antwerpen door het hof van beroep, C4 kamer, samengeste ld uit: Kamervoorzitter Raadshee r Raadsheer die aan de beraadslag ing hebben deelgenomen en in openbare terechtzitting van 7 mei 2025 uitgesproken dooi Kamervoorzitter in aanwezigheid van Substituut-procu reur-generaal met bijstand van Griffier

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot