ARR:BM 4169.221
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2025-05-06
🌐 FR
Vonnis
veroordeling
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950
Volledige tekst
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Omt-Vlaanderen, afdeling Gent
In de zaak van het openbaar ministerie en
BURGERLIJKE PARTIJ: Vonnisnr /
p.2
vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen
gevestigd in het stadhuis te
tegen: KBO
burgerlijke partij, vertegenwoordigd door meester
loco meester
BEKLAAGDEN:
1.
2. met maatschappel ijke zetel gevestigd te
ingeschreven onder het ondernemingsnummer
Actief Normale toestand
eerste beklaagde, vertegenwoordigd door meester
,RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
tweede beklaagde, vertegenwoordigd door meester
TENLASTELEGGING
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek; , advocaat te
advocaat te
:, advocaat te
:, advocaat te
gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van grond voor opslaan van gebruikte of
afgedankte voertuigen, allerlei materialen, materieel of afval zonder of in strijd met een
geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
p.3 rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen , materieel of
afval, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning ,
omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor
het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben
uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende
vergunning, hetzij in geval va11 schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben
uitgevoerd, namelijk
het terrein gelegen te
, eigendom van
maatschappelijke zetel te
29/12/1988 verleden voor notaris , kadastraal gekend als
ondernemingsnummer , met
, bij aankoopakte van
gewoonlijk te hebben gebruikt voor de opslag van bouw-en huishoudelijk afval, snoeiafva l,
met steenpuin vervuilde grond, hout, paletten, autobanden, asbest golfplaten, afgedankte
huishoudtoestellen, en lege en gevulde containers
(art. 4.2.1., 5°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
te in de periode van 23 maart 2022 tot 1 februari 2023
door
met de omstandigheid dat het in artikel 6.2.1. lid 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Orde
ning vermelde misdrijf gepleegd werd door een instrumenterende ambtenaar, vastgoedma
kelaar of een andere persoon die in de uitoefening van zijn beroep of activiteit onroerende
goederen koopt, verkavelt, te koop of te huur zet, verkoopt of verhuurt, bouwt of vaste of
verplaatsbare inrichtingen ontwerpt en/of opstelt of een persoon die bij die verrichtingen als
tussenpersoon optreedt, bij de uitoefening van zijn beroep.
herhaling wanbedrijf op wanbedrijf
met de omstandigheid dat de betrokkene het misdrijf heeft gepleegd sedert hij veroordeeld
werd tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar bij een in kracht van gewijsde gegane
beslissing op het ogenblik van de nieuwe feiten, en voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn
straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is, namelijk een gevangenisstraf van 2 jaren
bij arrest van het Hof van Beroep te Gent van 19 februari 2021 (art. 56 lid 1 en 2 Sw)
PROCEDURE
De dagvaarding werd op 2 oktober 2024 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te
Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het
voorwerp is van de tenlastelegging en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven
door de wetgeving inzake hypotheken .
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitt ing.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal. /
p.4
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
VOORAFGAANDELIJK
Verbetert de dagvaarding zoals in het beschikkend gedeelte vermeld.
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
1. De feiten
De tweede beklaagde werd bij arrest van het Hof van Beroep te Gent op 19 februari 2021 en
20 mei 2022 veroordeeld tot effectieve gevangenisstraffen van respectievelijk 2 jaar en 3 jaar
wegens ernstige milieumisdri jven begaan op het terrein , samen
met zijn toenmalige vennootschap Bij arrest van 19 februari 2021 werd tevens een
geldboete van 30.000,00 EUR aan de tweede beklaagde opgelegd en bij arrest van 20 mei 2022
werd hem een levenslang beroepsverbod opgelegd. De tweede beklaagde tekende een
voorziening in cassatie aan tegen zijn veroordelingen van 19 februari 2021 en 20 mei 2022
doch dit welke telkenmale bij arrest van het Hof van Cassatie (op 11 januari 2022 en 8
november 2022) verworpen.
Op 12 april 2023 stelde de verbalisant ruimtelijke ordening voor het stadsbestuur
van een PV op lastens de eerste beklaagde en dit met betrekking tot vastgestelde
inbreuken op het perceel gelegen te . Er werd vastgesteld dat
dit perceel gewoonlijk gebruikt werd voor de opslag van (gevaarlijk) bouw-en huishoudelijk
afval en (met steenpuin vervuilde) grond en het stallen van materialen en verschillende
containers (leeg en gevuld). Het terrein is ruimtelijk gelegen in industriegebied. In het PV wordt
een overzicht van vaststellingen met betrekking tot perceel sedert 16 maart 2022
weergegeven. Daaruit blijkt telkenmale dat het terrein zeer actief gebruikt wordt voor de af
en aanvoer van {gevaarlijk) afval en verwante activiteiten en dat dit heel wat hinder teweeg
brengt.
De eigenaar van het terrein, , stelde dat de beklaagden zijn loods willen
overkopen en er daartoe een overeenkomst tot overdracht van aandelen in juli 2020 werd
afgesloten met de beklaagden doch dit werd door hen nooit ondertekend . Er werd uiteindeli jk
op 1 januari 2022 een overeenkomst bezetting ter bede met de eerste beklaagde afgesloten
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
dewelke zou aflopen op 31 januari 2022. Vonnisnr I
p.~
werd door aangemaand om zich tegen 12 december 2022
in regel te stellen. Daarop antwoordde niet langer te willen onderhandelen
met de eerste beklaagde. Het einde van de overeenkomst bezetting ter bede werd op 31
december 2022 niet verlengd en de eerste beklaagde diende tegen uiterlijk 31 januari 2023
het materiaal van het terrein weg te halen.
Op 1 februari 2023 deelde mee dat alle afval verwijderd werd. Foto's van
deze opkuis werden door hem meegedeeld en gevoegd aan het strafdossier. Er werden tevens
meerdere attesten door de tweede beklaagde omtrent de verwijdering van het afval
overgemaakt doch de verbalisant merkte op dat niet voor alle afval die op het terrein werd
opgeslagen attesten werden overgemaakt zodat het vermoeden bestond dat de beklaagden
het afval naar een ander terrein verhuisde. Het strafdossier bevat daaromtrent geen verdere
aanwijzingen.
De loods op het terrein werd uiteindelijk door
aan een derde. op 13 april 2023 verkocht
De tweede beklaagde werd verhoord op 1 juli 2023. Hij verklaarde op het terrein goederen te
hebben gestockeerd dewelke afkomstig waren van de aan-en verkoop van allerhande
materialen door de eerste beklaagde. Er stonden ook containers waarin zaken gestockeerd
werden zoals lavastenen en autobanden. Hij kon het gebouw uiteindelijk niet aankopen
wegens een gebrek aan financiële middelen. Uit respect voor heeft hij
alles opgeruimd toen hij de site verlaten heeft. Hij voelt zich geviseerd door
2. Bespreking
Gelet op de gegevens van het strafdossier, de behandeling van de zaak op de zitting van 1 april
2025 en in het bijzonder gelet op:
de vaststellingen van de bevoegde controleur zoals weergegeven in het proces-verbaal
en de foto's die deze vaststellingen bevestigen;
de verklaring van de tweede beklaagde dat de goederen die er gestockeerd werden
afkomstig waren van de handelsactiviteiten van de eerste beklaagde;
de vaststelling dat voor deze vergunningsplichtige activiteiten geen omgevingsvergun
ning werd verleend;
zijn de feiten onder de enige tenlastelegging bewezen in hoofde van de eerste en de tweede
beklaagde.
Ook de verzwarende omstandigheid van artikel 146, 2e lid Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening is in hoofde van de beide beklaagden bewezen nu het doel van de eerste beklaagde
onder meer sloopwerken betreft en de tweede beklaagde -in strijd met het hem opgelegde
beroepsverbod- nog steeds feitelijk aannemer van sloopwerken is en optreedt als zaakvoerder
van de eerste beklaagde.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 6
Nu het bewezen verklaarde misdrijf een intrinsiek verband heeft met het doel van de eer~te
beklaagde, waaronder het slopen van gebouwen, goederenvervoer, groothandel in
bouwmaterialen en grondverzet, en de tweede beklaagde die de zaakvoerder is van deze
vennootschap met als ondernemingsvaardigheden "aannemer van sloopwerken", en de
tweede beklaagde ook niet betwist dat hij de algemene leiding had van deze vennootschap en
derhalve beslissingsbevoegdheid had, ook wat het bewezen verklaarde misdrijf betreft die
wetens en willens werd gepleegd, zal de rechtbank het bewezen verklaarde misdrijf
toerekenen aan de eerste en de tweede beklaagde .
De beklaagden, die de materialiteit van de hen ten laste gelegde feiten niet betwisten
beroepen zich in conclusies op overmacht als schuldontheffingsgrond en verwijzen daarvoor
naar de burgerrechtelijke discussie waarin zij verwikkeld waren met de eigenaar
en waaromtrent stukken worden voorgelegd. De rechtbank volgt dit evenwel niet.
Burgerrechtelijke discussies/procedures ontheffen de beklaagden geenszins van de
strafrechtelijke schuld voor het door hen gepleegde misdrijf nu de beklaagden het bewezen
verklaarde misdrijf wel degelijk wetens en willens hebben gepleegd.
Bovendien blijkt uit het strafverleden van de tweede beklaagde dat hij reeds meermaals
veroordeeld werd wegens inbreuken op de afvalstoffenwetgeving en inbreuken op de
Milieuvergunningen. Er werd hem daarvoor bij arrest van het Hof van Beroep te Gent op 19
februari 2021 een effectieve gevangenisstraf van 2 jaar opgelegd en een geldboete van 30.000
EUR. Bij arrest van het Hof van Beroep te Gent van 20 mei 2022 werd hem een bijkomende
effectieve gevangenisstraf van 3 jaar opgelegd èn een levenslang beroepsverbod. Deze
beklaagde wist dus zeer goed wat hij wel en niet mocht doen. Ondanks deze
vrijheidsberovende sanctie van effectief 5 jaar en het hem opgelegde beroepsverbod, blijkt hij
zijn gedrag niet te hebben aangepast. Integendeel, hij negeerde het hem opgelegde
beroepsverbod en pleegde nieuwe misdrijven daar hij zich opnieuw met de gekende
activiteiten van onvergunde opslag van allerhande afvalstoffen bezig hield en daarbij ook zijn
vennootschap de eerste beklaagde betrok.
Er kan dan ook in hoofde van de tweede beklaagde absoluut geen sprake zijn van overmacht
maar integendeel van een bewust kwaadwillig handelen. Het strafdossier toont ten andere
afdoende aan dat de tweede beklaagde het terrein aan de gebruikte om
daar zijn illegale activiteiten verder te zetten na zijn eerdere veroordelingen op het terrein
zoals uiteengezet door de burgerlijke partij in haar conclusies.
Gelet de tweede beklaagde de zaakvoerder van de eerste beklaagde is en het bewezen
verklaarde misdrijf hoger reeds toegerekend werd aan de eerste en de tweede beklaagde kan
er ook in hoofde van de eerste beklaagde geen sprake zijn van enige overmacht.
Wetteliike herhaling
In de dagvaarding wordt niet vermeld ten aanzien van welke beklaagde de staat van wettelijke
herhaling weerhouden dient te worden. De rechtbank stelt vast dat dat de dagvaarding dient
te worden aangevuld met de staat van wettelijke herhaling in hoofde van de tweede
beklaagde. De tweede beklaagde werd bij arrest van het Hof van Beroep te Gent van 19
februari 2021 veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 2 jaar en een geldboete van
30.000 EUR. Dit arrest is in kracht van gewijsde getreden. De staat van wettelijke herhaling is
bewezen.
Dertigste kamer
echtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
L Straftoemeting Vonnisnr /
p. 7
Bij de straftoemeting houdt de rechtbank naast de bijzondere ernst van de feiten tevens
rekening met de begeleidende omstandigheden, de eventuele strafverzwarend e factoren en
de individuele persoonlijkheid van de beklaagde zoals die onder meer kan blijken uit hun
strafverleden .
De beklaagden sloegen opnieuw onvergund en op een onverantwoorde manier, langdurig
allerlei materiaal en gevaarlijk afval op op het terrein
De illegale opslag van afval schaadt de leefbaarheid van de omgeving en is asociaal ten aanzien
van de gemeenschap die grote inspanningen moet doen voor het voeren van een degelijk
afvalverwijderingsbeleid,
De op te leggen straf moet duidelijk maken dat de naleving van de regels ter bescherming van
het leefmilieu ernstig genomen moet worden en dat de beklaagden zich niet ongestraft boven
de wet kan stellen.
De straf moet ook van die aard zijn dat zij ontmoedigt nog langer de wet te overtreden of
aanzet tot een afweging van pakkans en economisch voordeel.
Bovendie n moet ook rekening worden gehouden met de maatschappelijke kost die door de
beklaagden veroorzaakt wordt in de vorm van de noodzakeli jke inzet van mensen en middelen
voor de handhavin g. De inzet van inspectiediensten, politie en justitie betekent voor de
gemeenschap een grote kost.
De eerste beklaagde heeft een blanco strafregister. Gelet op de ernst van het gepleegde feiten
past het om een effectieve geldboete op te leggen.
De tweede beklaagde beschikt over een bijzonder ongunstig strafverled en en trekt zich niets
aan van de klachten, tussenkomst en van de politie en strafrechtelijke uitspraken met
vrijheidsberov ende sancties wegens leefmilieumisdrijven. De rechtbank tilt zwaar aan deze
houding van de tweede beklaagde. Deze beklaagde bevindt zich bovendien in staat van
wettelijke herhaling.
De tweede beklaagde is een hardleerse recidivist inzake leefmilieumi sdrijven. Dit dient zich te
veruitwendigen in de op te leggen bestraffing. De rechtbank zal bij het bepalen van de
strafmaat rekening houden met het gegeven dat de beklaagde het terrein vrijwillig opgeruimd
hebben. Dit is ook de enige verzachtende omstandigheid in hoofde van de tweede beklaagde .
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oo~t-Vlaanderen, afdeling Gent
OP BURGERLIJK GEBIED
De vordering van Vonnisnr /
p.1
Overeenkomstig de artikelen 44 en 45 van het Strafwetboek en 1382 e.v. van het oud
Burgerlijk Wetboek zijn de beklaagden gehouden tot integrale vergoeding van de schade
voortvloeiend uit het misdrijf waaraan zij schuldig zijn verklaard en uit hoofde waarvan zij
veroordeeld worden.
De bewezen verklaarde feiten, voorwerp van de enige tenlastelegging staan in oorzakelijk
verband tot de door deze burgerlijke partijen geleden schade. De beklaagden zijn
aansprakelijk voor de door de burgerlijke partij geleden schade en is er dan ook toe gehouden
deze schade integraal te vergoeden.
Het bestaan van een wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat er schade in de
zin van artikel 1382 of 1383 oud BW ontstaat. De burgerlijke partij levert naar het oordeel van
deze rechtbank afdoende bewijs dat zij schade heeft geleden ingevolge de bewezen verklaarde
tenlastelegging in hoofde van de eerste en de tweede beklaagde waarbij de tweede beklaagde
zich in staat van wettelijke herhaling bevindt.
De vordering van begroot op 750,00 euro voor de materiële schade komt
rechtmatig en billijk voor en kan derhalve worden toegeken d zoals gevorderd .
Gelet op de motivering van het arrest van het Hof Beroep te Gent van 20 mei 2022 waaruit
blijkt dat de tweede beklaagde zich steeds arrogant opstelde tegen de controlediensten van
:, aanmaningen, bestuurlijke maatregelen en verzegelingen negeerde en zorgde
voor een zeer grote illegale stort in waardoor er een enorme maatschappelijke
schade ontstond, aanvaardt de rechtbank dat thans een morele schade heeft
geleden nu de tweede beklaagde direct opnieuw hervallen is in het plegen van identieke
misdrijven binnen haar Stad en daarbij ook het hem opgelegde beroepsverbo d flagrant
negeerde. De tweede beklaagde stelt daarbij nog onomwonden dat hij zich geviseerd voelt
door •. Het ontbreekt aan elk schuldinzicht in hoofde van de beklaagden. Nu
enkel zij verantwoordelijk zijn voor de veroorzaakte schade ingevolge de door hen gepleegde
misdrijven.
Het is daarbij duidelijk dat de tweede beklaagde zijn spreekwoordelijke vinger naar de
burgerlijke partij (maar ook naar politie en justitie) uitsteekt.
Dergelijke schade komt voor vergoeding in aanmerking. De gevorderde som van 250 EUR voor
morele schade kan worden toegekend.
Ook de gevorderde rechtsplegingsvergoeding van 600 EUR is toewijsbaar.
De eerste en de tweede beklaagde zijn als in het ongelijk gestelde partij niet gerechtigd op
enige rechtsplegingsvergoeding lastens de burgerlijke patij.
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
De overige burgerlijke belangen Vonnisnr /
p.9
Gelet op het mogelijke bestaan van schade veroorzaakt door het bewezen verklaarde misdrijf
past het de burgerlijke belangen aan te houden.
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 -Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
art. 1, 2, 3, 5, 7, 7bis, 25, 38, 39, 40, 41, 41bis, 44, 45, 56, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de
artikelen en wetsbepalingen aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
art. 1382 e.v. Oud Burgerlijk Wetboek;
art. 1022 Gerechtelijk Wetboek;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
VOORAFGAANDELIJK
Verbetert de dagvaarding als volgt:
herhallng wanbedrijf op wanbedrijf
met de omstandighe id dat de tweede beklaagde het misdrijf heeft gepleegd sedert hij
veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar bij een in kracht van
gewijsde gegane beslissing op het ogenblik van de nieuwe feiten, en voordat vijf jaren zijn
verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is, namelijk een
gevangenisstraf van 2jaren bij arrest van het Hof van Beroep te Gent van 19 februari 2021 (art.
56 lid 1 en 2 Sw)
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr I
rechtban k van eerste aanleg Omt-Vlaanderen, afdeling Gent p. 1(
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van eerste beklaagde
Verklaart de feiten van de enige tenlastelegging bewezen.
Veroordee lt voor de enige tenlastelegging :
tot een geldboete van 24.000,00 EUR, zijnde 3.000,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen .
Veroordeel1 tot betaling van:
-een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
-een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijsta nd
-een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
-de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 191,30 EUR
Ten aanzien van , tweede beklaagde
Verklaart de feiten van de enige tenlastelegging bewezen .
Veroordeelt • 1 zich bevindende in staat van wettelijke herhaling , voor de
enige tenlastelegging:
tot een gevangenisstraf van 18 maanden en tot een geldboete van 56.000,00 EUR,
zijnde 7.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 3 maanden.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 11
Veroordeelt tot betaling van:
-een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
-een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
-een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
-de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 438,80 EUR
OP BURGERLIJK GEBIED
De vordering van
Verklaart de eis van de burgerlijke partij ontvankelijk en gegrond als volgt.
Veroordeelt om als schadevergoeding te betalen aan de burgerlijke partij
de som van: duizend euro (1.000,00 EUR} definitief, te vermeerderen met de
vergoedende intresten vanaf 3 maart 2025 tot op heden, de gerechtelijke intresten en de
kosten.
Veroordeelt om als rechtsplegingsvergoeding aan te betalen
de som van 600,00 EUR.
De overige burgerlijke belangen
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 6 mei 2025 door de rechtbank
van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30D1:
, rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting,
met bijstand van griffier