ARR:BM 4239.484
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2025-05-06
🌐 FR
Vonnis
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950
Volledige tekst
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
In de zaak van het openbaar ministerie tegen:
BEKLAAGDEN:
1.
2. RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven tE
eerste beklaagde, bijgestaan door meester
RRN
geborer
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
Tweede beklaagde, die verstek laat gaan
TENLASTELEGGING
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek; Vonnisnr
advocaat te
optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning /
p. 2
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van
onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunn ing voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
te in de periode van 1 januari 2020
tot en met 9 juni 2022, op een niet nader bepaalde datum
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr /
p.3
namelijk door tegels, steenslagverharding en kunstgras te hebben aangelegd in de
voortuinstrook, op een perceel gelegen tE kadastraal
gekend als
volle eigenaar van het huis te
-oppervlakte 04a 19ca). en zijn ieder voor de helft
perceel
Aangekocht voor de geheelheid volle eigendom door de huwgemeenschap
bij akte d.d. 12/09/2019 , notaris te Uit de
echt gescheiden op 08/11/2022. Verkoper:
door
PROCEDURE
De dagvaarding werd op 24 maart 2025 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te
Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het
voorwerp is van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven
door de wetgeving inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Beklaagde is niet verschenen hoewel hij rechtsgeldig werd gedagvaard.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
VOORAFGAAND
Het openbaar ministerie verzocht op de zitting van 1 april 2025 om de verzwarende
omstandigheid van artikel 146 2e lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in hoofde van de
tweede beklaagde toe te voegen daar de eerste beklaagde op de zitting verklaarde dat de
tweede beklaagde aannemer is.
De dagvaarding wordt aangevuld voor wat betreft de tweede beklaagde : met de
omstandighe id dat het in artikel 6.2.1 lid 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
vermelde misdrijf gepleegd werd door een instrumenterende ambtenaar, vastgoedmakelaar
of een andere persoon die in de uitoefening van zijn beroep of activiteit onroerende goederen
Rolnumme1 Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr I
p.4
koopt, verkavelt, te koop of te huur zet, verkoop of verhuurt, bouw of vaste of verplaatsbare
inrichtingen ontwerpt en/of opstelt of een persoon die bij die verrichtingen als tussenpersoon
optreedt, bij de uitoefening van zijn beroep.
De eerste beklaagde stelde op de zitting dat de verhardingen zoals geviseerd in de dagvaarding
aangebracht werden in het jaar 2019 maar zij kon zich de juiste datum niet meer herinneren .
De incriminatieperiode werd derhalve op de zitting uitgebreid naar de periode van 1 januari
2019 tot en met 9 juni 2022, op een niet nader bepaalde data en de verdediging had daarop
betrekking. De tweede beklaagde, die verstek liet gaan, kan zich op deze uitgebreide
incriminatieperiode nog verdedigen door het aanwenden van een rechtsmiddel.
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
1. De feiten
De beklaagden zijn de eigenaars van het perceel gelegen te
Op 25 augustus 2011 werd door de bevoegde verbalisant ruimtelijke ordening
vastgesteld dat zowel in de voortuinstrook als de zij-en achtertuinstrook verharding werd
aangebracht zonder vergunning: "de linkerzijde van de voortuinstrook ( 10 m breed) bestaat
uit grijze tegels; de rechterzijde van de voortuinstrook (8,20 m breed) bestaat uit steenslag. De
verharding beslaat quasi de gehele voortuinstrook (verhardingspercentage 95%), enkel ter
hoogte van de rechterperceelsgrens bevindt zich een haag. De voortuinstrook heeft een
breedte van 18,20 m en een lengte van 4,20 m (oppervlakte ca 76 m2). De verharding is in
gebruik als parking. De verharding bedraagt meer dan de strikt noodzakelijke toegangswegen
en is dus vergunningsplichtig. Op foto 2 (bijlage 2) en de luchtfoto van 2020 is te zien dat er
ook vergunningsplichtige verharding in de zij-en achtertuin aangebracht werd tot tegen de
perceelsgrenzen. Deze verharding heeft een grootte van ca. 100 m2. De verharding komt op
minder dan lm van de perceelsgrens en is dus vergunningsplichtig, de totale verharding in zij
en achtertuinstrook is ook groter dan 80 m2 waardoor deze niet onder het vrijstellingsbesluit
valt'~
In de stedenbouwkundige vergunning van 27 december 2007 voor het verbouwen van de
woning op dit perceel werd geen verharding op de plannen weergegeven. Het perceel is
gelegen in woongebied met landelijk karakter.
Foto's van deze vaststellingen werden aan het strafdossier gevoegd.
De beide beklaagden werden geseind voor verhoor. De tweede beklaagde werd op 4 maart
2022 gearresteerd voor verhoor. In opdracht van het parket werd de eerste beklaagde op 7
maart 2022 ontseind voor verhoor. Er blijken nadien geen stappen meer te zijn ondernomen
teneinde deze beklaagde te verhoren.
De tweede beklaagde verklaarde in zijn verhoor van 4 maart 2022 niet tewerkgesteld te zijn
als aannemer of immobiliën -makelaar, hij heeft wel een firma in dakwerken. Hij is aan het
scheiden van de eerste beklaagde. Hij heeft ondertussen met samengezeten om te
Rolnummer 25G001104 Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr /
p.5
kijken wat hij moet doen om zich in regel te stellen. Hij zou voor de zijkant van de woning een
attest bekomen hebben en aan de voorzijde van de woning heeft hij kiezelstenen gelegd maar
dit zou nog moeten vervangen worden door gazon. Hij zal een aannemer aanstellen om de
aanpassingswerken te doen uitvoeren .
Op 9 juni 2022 stelde de verbalisant ruimtelijke ordening vast dat in de voortuinstrook de zone
met kiezels werd vervangen door kunstgras, hetgeen tevens niet kan zonder
omgeving svergunning.
Met brief van 21 september 2023 heeft haar herstelvordering bij het
parket ingeleid. Daarin wordt de uitvoering van bouw-of aanpassingswerken gevraagd: "de
verharding in de voortuinstrook uitbreiden, inclusief fundering, zodat in de voortuinstrook de
verharding niet meer dan 50% van de strookoppervlakte beslaan en er maar één oprit van
maximum 4m breedte overblijft. De vrijgekomen zone in de voortuin moet met kwalitatieve
groenaanleg (gras, planten, bloemen ... ) beplant worden." Er wordt een hersteltermijn van 6
maanden gevorderd en een dwangsom van 100,00 euro.
2. Bespreking
Gelet op de gegevens van het strafdossier en in het bijzonder gelet op:
de vaststellingen van de bevoegde inspecteur ruimtelijke ordening zoals weergegeven
in het proces-verbaal
de foto's die deze vaststellingen bevestigen;
de niet betwisting van deze tenlastelegging door de eerste beklaagde op de zitting en
door de tweede beklaagde in zijn verhoor terloops het opsporingsonderzoek
zijn de feiten onder deze tenlastelegging bewezen en dit voor de verruimde
incriminatieperiode van 1 januari 2019 tot en met 9 juni 2022, op een niet nader bepaalde
data.
De verzwarende omstandigheid -zoals aangevuld -in hoofde van de tweede beklaagde is niet
bewezen. De tweede beklaagde verklaarde immers in zijn verhoor geen aannemer van
bouwwerken te zijn maar enkel dakwerken te verrichten. Gelet op deze verklaring alsook gelet
op de foto in het strafdossier waarbij op de beletterin g van de camionette van de tweede
beklaagde te lezen is dat hij dakwerken verricht en dus geen onroerende goederen bouwt, is
de verzwarende omstandigheid in hoofde van de tweede beklaagde niet bewezen zodat hij
daarvoor wordt vrijgesproken.
3. Straftoemeting
De feiten kunnen worden bestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot 5 jaar en met een
geldboete van 26 tot 400.000 euro of met één van die straffen alleen.
De beklaagden brachten schade toe aan de ruimtelijke ordening en die werd nog steeds niet
volledig ongedaan gemaakt.
Rolnumme, Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr /
p.6
De tweede beklaagde handelde daarbij doelbewust, uitgaande van de stoutmoed ige en
verwerpelijke opvatting dat bouwmisdrijven en het herstel ervan niet ernstig worden
genomen, en dat éénmaal uitgevoerd het bouwmisdrijf wel geregulariseerd, en minstens niet
hersteld zou worden. Hij stelde het eigen belang, waaronder het gemakkelijk kunnen parkeren
van zijn wagen en bestelwagen voor de woning, boven het belang dat de gemeenschap heeft
bij een goede ruimtelijke ordening.
De eerste beklaagde stelde op de zitting dat de tweede beklaagde deze werken uitvoerde en
zij daarin geen beslissingen had genomen. Ze erkende wel zich niet te hebben verzet tegen de
uitvoering van deze werken.
De eerste beklaagde beschikt nog over een blanco strafverleden.
De tweede beklaagde liet verstek gaan. Dit is zijn goed recht doch in die omstandigheden is de
rechtbank niet ingelicht over zijn huidige houding ten aanzien van de feiten en zijn intenties
naar de toekomst toe. Deze beklaagde werd bij vonnis van 4 april 2007 door de correctionele
rechtbank te Dendermonde bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden en
een geldboete wegens feiten van huisdiefstal. Hij liep nadien nog vier veroordelingen op
wegens verkeersdelicten. Ook deze veroordelingen wijzen op een bepaald gebrekkig
normbesef.
De straf moet doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Zo staat het ook in artikel 5 van
Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake
de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht.
De op te leggen straf moet duidelijk maken dat de naleving van de regels ter bescherming van
de ruimtelijke ordening ernstig genomen moet worden en dat de beklaagden zich niet
ongestraft boven de wet kan stellen.
Op de vraag van de eerste beklaagde om haar de gunst van de opschorting te verlenen, kan
gelet op de door haar geschetste specifieke omstandigheden en gelet haar blanco
strafverleden worden ingegaan. Deze gunst zal de beklaagde er afdoende toe aanzetten om in
de toekomst geen nieuwe feiten meer te plegen.
Overeenkomstig artikel 1, §2, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het
uitstel en de probatie, werd de eerste beklaagde vóór de sluiting van het debat door de
rechtbank ingelicht over de draagwijdte van de probatiemaatregelen en werd zij daarover
gehoord.
De hierna bepaalde geldboete komt in hoofde van de tweede beklaagde passend voor. Hij
komt nog in aanmerking voor het gewoon uitstel van tenuitvoerlegging van de op te leggen
bestraffing.
De geldboete moet van die aard zijn dat zij ontmoedigt nog langer de wet te overtreden of
aanzet tot een afweging van pakkans en voordeel. De rechtbank zal daarom een deel van de
geldboete effectief opleggen bij wijze van vergelding.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 7
Bovendien moet ook rekening worden gehouden met de maatschappelijke kost die door de
beklaagden veroorzaakt wordt in de vorm van de noodzakelijke inzet van mensen en middelen
voor de handhaving. De inzet van inspectiediensten, politie en justitie brengt voor de
gemeenschap een grote kost met zich.
De hierna bepaalde geldboete is doeltreffend, evenredig en afschrikkend .
STEDENBOUWKUNDIG HERSTEL
Op 21 september 2023 vorderde de gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur het herstel
door de uitvoering van bouw-of aanpassingswerken meer bepaald: "de verharding in de
voortuinstrook uitbreiden, inclusief fundering, zodat in de voortuinstrook de verharding niet
meer dan 50% van de strookoppervlakte beslaat en er maar één oprit van maximum 4m
breedte overblijft. De vrijgekomen zone in de voortuin moet met kwalitatieve groenaanleg
(gras, planten, bloemen ... ) beplant worden."
De gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur vordert het herstel te doen uitvoeren binnen
de 6 maanden en dit onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging.
De Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid gaf op 16 juni 2023 en positief advies.
De herstelvordering werd afdoende gemotiveerd en is noch onwettig, noch kennelijk
onredelijk.
Het herstel is nog steeds noodzakelijk ter vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening.
De rechtbank bepaalt gelet op de omvang van de werken de hersteltermijn op 6 maanden
voldoende als hersteltermijn.
Het opleggen van een dwangsom als drukkingsmiddel voor het uitvoeren van het bevolen
herstel is eveneens noodzakelijk . Het bedrag ervan kan door de rechter bepaald worden zelfs
zonder een specifiek gevorderd bedrag of hoger dan het gevorderde bedrag.
Het volstaat dat een dwangsom gevorderd wordt.
Een dwangsom van 100 euro per dag moet worden opgelegd gelet op het talmen om over te
gaan tot het herstel.
Het bestuur heeft er namelijk belang bij dat de veroordeelde zelf de veroordeling tot het
herstel nakomt gelet op de beperkte overheidsmiddelen, de zware procedure van
aanbesteding en de lange tijd nodig voor een ambtshalve uitvoering .
Tenslotte heeft de gemeenschap er baat bij dat dit ten spoedigste gebeurt.
Een dwangsom is daartoe het meest efficiënte middel.
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED Vonnisnr /
p.8
Gelet op het mogelijke bestaan van schade veroorzaakt door het bewezen verklaarde misdrijf
past het de burgerlijke belangen aan te houden.
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 -Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 191, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
art. 1, 2, 3, 7, 38, 40, 41, 50, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen
aangehaald in de tenlastelegg ingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand ;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
art. 1 (§1, 2° en §2), 8, 14 §1 Wet van 29 juni 1964;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
bij verstek ten aanzien van
VOORAFGAANDELIJK
Vult de enige tenlastelegging in de dagvaarding aan als volgt:
optrekken of plaatsen van constructie zonder of In strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van
onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd , hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr /
p.9
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
te in de periode van 1 januari 2019
tot en met 9 juni 2022, op een niet nader bepaalde datum
namelijk door tegels, steenslagverharding en kunstgras te hebben aangelegd in de
voortuinstrook, op een perceel gelegen te kadastraa l
gekend als
volle eigenaar van het huis te
-oppervlakte 04a 19ca).
Aangekocht voor de geheelheid volle eigendom door de
bij akte d.d. 12/09/2019, notaris
echt gescheiden op 08/11/2022. Verkoper:
door -zijn ieder voor de helft
(perceel
huwgemeenschap
te Uit de
met de omstandigheid dat het in artikel 6.2.1. lid 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening vermelde misdrijf gepleegd werd door een instrumenterende ambtenaar,
vastgoedmakelaar of een andere persoon die in de uitoefening van zijn beroep of activiteit
onroerende goederen koopt, verkavelt, te koop of te huur zet, verkoopt of verhuurt, bouwt
of vaste of verplaatsbare inrichtingen ontwerpt en/of opstelt of een persoon die bij die
verrichtingen als tussenpersoon optreedt, bij de uitoefening van zijn beroep door
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van eerste beklaagde
Verklaart de enige tenlasteleg ging lastens bewezen.
Gelast ten voordele van :Ie opschorting van de uitspraak van de veroordeling
met een proeftijd van 3 jaar.
Rolnumme, Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 10
Veroordeelt tot betaling van:
-een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsb ijstand
-een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
-solidair met medeveroordeelde Fatih Essfia tot de kosten van de strafvordering, op
heden begroot op 385,11 EUR.
Ten aanzien van tweede beklaagde
Spreekt voor de enige tenlastelegging vrij voor de verzwarende omstandigheid.
Verklaart de feiten van de enige tenlastelegging bewezen.
Veroordeelt voor de enige tenlastelegging :
tot een geldboete van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen.
Boete vervangba ar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 3 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van
3 jaar, doch slechts voor een gedeelte van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen.
Veroordeelt tot betaling van:
-een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
-een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbi jstand
-een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken . Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p.11
-solidair met medeveroordeelde tot de kosten van de strafvordering,
op heden begroot op 385,11 EUR, ondeelbaar veroorzaakt door de bewezen verklaarde
misdrijven en te vermeerderen met de kosten van betekening van dit vonnis.
HERSTEL
Beveelt op vordering van de gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur het herstel oo de
percelen gelegen te kadastraal gekend als
door het uitvoeren van bouw-at aanpassingswerken meer bepaald: "de
verharding in de voortuinstrook uitbreiden, inclusief fundering, zodat in de voortuinstrook de
verharding niet meer dan 50% van de strookoppervlakte beslaat en er maar één oprit van
maximum 4m breedte overblijft. De vrijgekomen zone in de voortuin moet met kwalitatieve
groenaanleg (gras, planten, bloemen ... ) beplant worden."
en dit onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging in de nakoming
van dit bevel lastens de beklaagden elk ten voordele van de gemeentelijk stedenbouwkundig
inspecteur .
Bepaalt de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregel op 6 maanden vanaf heden.
Zegt voor recht dat de gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester van
indien het vonnis niet vrijwillig wordt uitgevoerd binnen voormelde termijn,
ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien, overeenkomstig artikel 6.1.46 VCRO, op
kosten van de veroordeelden.
OP BURGERLIJK GEBIED
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 6 mei 2025 door de rechtbank
van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI:
, rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting,
met bijstand van griffie