Naar hoofdinhoud

ARR:BM 1102.171

🏛️ Hof van Beroep Antwerpen 📅 2025-05-07 🌐 FR veroordeling

Rechtsgebied

strafrecht

Geciteerde wetgeving

1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 18 december 1986, 19 maart 2017

Volledige tekst

Hof van beroep Antwerpen - 2025/PGA/29-2025/VJll/6 Het OPENBAAR MINISTERIE tegen 1. rijksregisternummer geboren wonende te van Nederlandse nationaliteit beklaagde ·p. 2 op de zitting van 5 februari 2025 in persoon aanwezig en bijgestaan door mr. advocaat bij de balie op de zitting van 12 maart 2025 vertegenwoordigd door mr. beiden advocaat bij de balie 2. rijksregistP.rnummer geboren wonende te van Nederlandse nationaliteit beklaagde op de zitting van 5 februari 2025 in persoon aanwezig en bijgestaan door mr. advocaat bij de balie op de zitting van 12 maart 2025 vertegenwoordigd door mr. beiden advocaat bij de balie 3. rij ksregistern u mme r geboren wonende te van Nederlandse nationaliteit loco mr. loco mr. Hof van beroep Antwerpen - p.3 beklaagde op de zitting van 5 februari 2025 vertegenwoordigd door mr. de balie op de zitting van 12 maart 2025 vertegenwoordigd door mr. beiden advocaat bij de balie 1. Ten laste gelegde feiten Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het Strafwetboek; advocaat bij loco mr. Op het onroerend goed gelegen te gekadastreerd als met een totale oppervlakte van 46a 13ca, eigendom van en ieder voor de helft in volle eigendom, ingevolge aankoop in 1994. A optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, (art. 4.1.1., 3° en 9°1 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1 °, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) te datum door tussen 24 maart 2020 en 20 november 2020, op een niet nader te bepalen namelijk door op voornoemd onroerend goed te in de grond een ovaal zwembad te hebben opgericht of geplaatst; Hof van beroep Antwerpen • ·p. 4 namelijk door op voornoemd onroerend goed te een woning/caravan in de hoogte te hebben opgericht, op een metalen onderconstructle die rust op vier ingebetonneerde palen; B met bomen begroeide oppervlakten ontbossen zonder of in strijd met een geldige vergunning buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het ontbossen, zoals vermeld in artikel 4, 15° van het bosdecreet van 13 juni 1990, van met bomen begroeide oppervlakten, vermeld in artikel 3 §§ 1 en 2 van voornoemd decreet, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, (art. 4.2.1., 2°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1 °, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) ll datum door :ussen 24 maart 2020 en 20 november 2020, op een niet nader te bepalen namelijk door op voornoemd onroerend goed te een gedeelte van een bos te hebben gekapt ten belope van een oppervlakte van ong. 1.500 m2; C aanmerkelijk wijzigen van reliëf van bodem zonder of in strijd met een geldige vergunning buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, onder meer door de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, Hof van beroep Antwerpen - p. 5 vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, (art. 4.2.1., 4°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) te datum door tussen 24 maart 2020 en 20 november 2020, op een niet nader te bepalen namelijk door op voornoemd onroerend goed te een put te hebben gegraven van ong. 1 meter diep voor het in de grond kunnen plaatsen of oprichten van een ovaal zwembad; D als eigenaar het optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning toestaan of aanvaarden als eigenaar te hebben toegestaan of aanvaard dat, buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning werd uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder werd uitgevoerd, (art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1 °1 a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 7°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) te datum door tussen 24 maart 2020 en 20 november 2020, op een niet nader te bepalen Hof van beroep Antwerpen - ·p.6 namelijk door te hebben toegestaan of aanvaard dat er op voornoemd onroerend goed te in de grond een ovaal zwembad werd opgericht of geplaatst; namelijk door te hebben toegestaan of aanvaard dat er op voornoemd onroerend goed te een woning/caravan in de hoogte werd opgericht, op een metalen onderconstructie die rust op vier ingebetonneerde palen; E als eigenaar het ontbossen van met bomen begroeide oppervlakten zonder of in strijd met een geldige vergunning toestaan of aanvaarden als eigenaar te hebben toegestaan of aanvaard dat, buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het ontbossen, zoals vermeld in artikel 4, 15° van het bosdecreet van 13 juni 1990, van met bomen begroeide oppervlakten, vermeld in artikel 3 §§ 1 en 2 van voornoemd decreet, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning werd uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder werd uitgevoerd, (art. 4.2.1., 2°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 7°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) te datum door tussen 24 maart 2020 en 20 november 2020, op een niet nader te bepalen namelijk door te hebben toegestaan of aanvaard dat er op voornoemd onroerend goed te een gedeelte van een bos werd gekapt ten belope van een oppervlakte van ong. 1.500 m2; Hof van beroep Antwerpen p. 7 F als eigenaar het aanmerkelijk wijzigen van reliëf van bodem zonder of in strijd met een geldige vergunning toestaan of aanvaarden als eigenaar te hebben toegestaan of aanvaard dat, buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, onder meer door de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning werd uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder werd uitgevoerd, (art. 4.2.1., 4°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 7°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) te datum tussen 24 maart 2020 en 20 november 2020, op een niet nader te bepalen door namelijk door te hebben toegestaan of aanvaard dat er op voornoemd onroerend goed te een put werd gegraven van ong. 1 meter diep voor het in de grond kunnen plaatsen of oprichten van een ovaal zwembad. Overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid· Ref.: Bedrag: 285,00 euro 2. Bestreden beslissing 2.1. d.d. 29 februari 2024 Bij het vonnis, op tegenspraak gewezen op 28 oktober 2024 door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, kamer ACl, werd als volgt beslist: Hof van beroep Antwerpen - Op strafgebied Ten aanzien van Veroordeelt C: p.8 , eerste beklaagde voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A, Ben tot een geldboete van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 90 dagen. Veroordeelt :ot betaling van: een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders; een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsb ijstand; een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,90 EUR; de kosten van de strafvorder ing tot op heden begroot op 1/3 x 374,99 = 125,00 EUR. Ten aanzien van Veroordeelt Een F: tweede beklaagde voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen D, tot een geldboete van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Boete vervangbaa r bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 90 dagen. Hof van beroep Antwerpen - -p. 9 Veroordeelt tot betaling van: een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen , ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders; een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbi jstand; een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,90 EUR; de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/3 x 374,99 = 125,00 EUR. Ten aanzien van Veroordeelt D, Een F: derde beklaagde Joor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen tot een geldboete van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000 100 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangen isstraf van 90 dagen. Veroordeelt tot betaling van: een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders; een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsb ijstand; een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,90 EUR; de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/3 x 374,99 = 125,00 EUR. Hof van beroep Antwerpen p. 10 2.2. Er werd hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis van 28 oktober 2024 op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen : -op 20 november 2024 door de beklaagde beschikkinge n, -op 20 november 2024 door de beklaagde beschikkingen, -op 20 november 2024 door de beklaagde beschikkingen , tegen alle tegen alle tegen alle -op 21 november 2024 door het OPENBAAR MINISTER IE ten aanzien van de beklaagden tegen alle beschikkingen op strafgebied . 2.3. Er werd een verzoekschrift in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen . afdeling Antwerpen : -op 20 november 2024 door de beklaagde -op 20 november 2024 door de beklaagde · -op 20 november 2024 door de beklaagde -op 21 november 2024 door het OPENBAA R MINISTERIE ten aanzien van de beklaagde -op 21 november 2024 door het OPENBAAR MINISTER IE ten aanzien van de beklaagde -op 21 november 2024 door het OPENBAAR MINISTERIE ten aanzien van de beklaagde 3. Rechtspleging voor het hof De zaak werd behandeld op de openbare zittingen van 5 februari 2025 en 12 maart 2025. Het hof heeft hierbij gehoord: Hof van beroep Antwerpen - -p. 11 mevrouw de Voorzitter in haar verslag, het Openbaar Ministerie in zijn uiteenzetting van de zaak en in zijn vordering, de beklaagde in persoon en in haar middelen van verdediging, ontwikkeld door haarzelf en door haar raadsman, voornoemd, de beklaagde in persoon en in zijn middelen van verdediging, ontwikkeld door hemzelf en door zijn raadsman, voornoemd, de beklaagde in haar middelen van verdediging, ontwikkeld door haar raadsman, voornoemd. De neergelegde stukken werden in het beraad betrokken. 4. Beoordeling van de ontvankelijkheid en de omvang van de hogere beroepen 4.1. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen 1. De verklaringen van hoger beroep van beklaagden en van het Openbaar Ministerie werden tijdig en regelmatig gedaan op de griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen. 2. Het verzoekschrift van beklaagde zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering werd tijdig en regelmatig Ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde grief met betrekking tot de straf is nauwkeurig. 3. Het verzoekschrift van beklaagde zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering werd tijdig en regelmatig ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde grief met betrekking tot de straf is nauwkeurig. 4. Het verzoekschrift van beklaagde zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering werd tijdig en regelmatig ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde grief met betrekking tot de straf Is nauwkeurig. Hof van beroep Antwerpen - p. 12 5. De verzoekschriften van het Openbaar Ministerie opzichtens de voormelde beklaagden zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering werden tijdig en regelmatig ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde grief met betrekking tot de straf is telkenmale nauwkeurig. 6. Gelet op het bovenstaande zijn de hogere beroepen van de beklaagden en ~n van het Openbaar Ministerie regelmatig naar vorm en termijn en ontvankelijk . 4.2. Omvang van de hogere beroepen Het hof heeft ambtshalve geen grieven van openbare orde opgeworpen zoals bedoeld in artikel 210, tweede lid Wetboek van Strafvorde ring. Gelet op de overwegingen onder rubriek 4.1. van dit arrest strekt de rechtsmacht van het hof zich daarom uit tot de beoordeling van de beschikkingen van het bestreden vonnis die betrekking hebben op de straf wat betreft de beklaagden De schuld van beklaagde aan de feiten van de tenlasteleggingen A, B en C zoals vastgeste ld door de eerste rechter en daaruit voortvloeiend de veroordeling van de beklaagde tot de vaste vergoeding voor de beheerskosten in strafzaken van 58,90 euro, is definitief. De schuld van beklaagde aan de feiten van de tenlasteleggingen D, E en F zoals vastgesteld door de eerste rechter en daaruit voortvloeiend de veroordeling van de beklaagde tot de vaste vergoeding voor de beheerskosten in strafzaken van 58,90 euro, is definitief. De schuld van beklaagde )an de feiten van de tenlasteleggingen D, E en F, zoals vastgesteld door de eerste rechter en daaruit voortvloeiend de veroordeling van de beklaagde tot de vaste vergoeding voor de beheerskosten in strafzaken van 58,90 euro, is definitief. De beslissing van de eerste rechter om ambtshalve geen herstel te bevelen nu het herstel het voorwerp uitmaakt van een bestuurlijke maatregel, is eveneens definitief bij gebrek aan grief hieromtrent door het Openbaar Ministerie. Hof van beroep Antwerpen • ·p. 13 5. Beoordeling op strafrechtelijk gebied -met betrekking tot de straf De lastens beklaagde bewezen verklaarde feiten van de tenlasteleggingen A, B en C waren voor haar de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde misdadig opzet, zodat ten aanzien van haar slechts één straf dient te worden uitgesproken. De lastens beklaagde bewezen verklaarde feiten van de tenlasteleggingen D, E en F waren voor hem de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde misdadig opzet, zodat ten aanzien van hem slechts één straf dient te worden uitgesproken. De lastens beklaagde bewezen verklaarde feiten van de tenlasteleggingen D, E en F waren voor haar de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde misdadig opzet, zodat ten aanzien van haar slechts één straf dient te worden uitgesproken. Bij de straftoemeting wordt rekening gehouden met: de omstandigheden, de aard en de ernst van de feiten, die blijk geven van een eigengereid optreden en een gebrek aan respect voor de reglementering die onze ruimtelijke ordening regelt. De beklaagden stelden hun eigen privaat belang boven het algemeen belang dat de samenleving heeft bij een goede ruimtelijke ordening en waarbij de beklaagden volledig voorbijgingen aan het gegeven dat bosgebied kwetsbaar gebied betreft in Vlaanderen; de strafrechtelijke voorgaanden van de beklaagden, dewelke allen in het verleden reeds correctioneel veroordeeld werden door dit hof inzake ruimtelijke ordening en hieruit geen enkele lering hebben getrokken. Voor beklaagde betreft dit de enige voorgaande veroordeling; beklaagde liep bijkomend één veroordeling op door de politierechtbank; beklaagde liep nog een bijkomende correctionele veroordeling op wegens bedrieglijke wegmaking van in beslag genomen goederen en werd in het verleden reeds 5 maal veroordeeld door de politierechtbank, hetwelk in zijn hoofde op zich al getuigt van een onwil zich aan de geldende normen te conformeren; Hof van beroep Antwerpen - ·p.14 -de vaststelling dat ten aanzien van de beklaagden en een bestuurlijke maatregel tot herstel in oorspronkelijk toestand en het staken van het strijdig gebruik van de percelen werd genomen, dewelke werd betekend op 26 juli 2024, nu de beklaagden nalieten het herstel vrijwillig uit te voeren. Het hof stelt vast dat de beklaagden reeds inspanningen leverden, maar dat uit het meest recente nazicht ter plaatse daterend van februari 2025 blijkt dat tot op heden het herstel niet integraal werd uitgevoerd. Om al deze redenen heeft de eerste rechter om oordeelkundige redenen die worden beaamd en overgenomen door het hof, aan elk van de beklaagden een wettige en aangepaste bestraffing opgelegd onder de vorm van een geldboete van 8.000,00 euro, dit is 1.000,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen, of een vervangende gevangenisstraf van negentig dagen. Deze straf is nodig om aan de beklaagden het ontoelaatbare van hun handelen te doen inzien. De omvang ervan is aangepast aan de ernst van de in hun hoofde bewezen verklaarde feiten en moet de beklaagden ervan weerhouden in de toekomst nog dergelijke laakbare handelingen te stellen. De duur van de vervangende gevangen isstraf is aangepast aan de omvang van de opgelegde geldboete. Gelet op de reeds geleverde inspanningen inzake het herstel maar er nog verdere inspanningen zullen dienen geleverd te worden en omdat uit de uitleg ter terechtzitting en de neergelegde stukken blijkt dat de beklaagden allen beperkte (vervangings-) inkomsten genieten, gelast het hof uitstel van tenuitvoerlegging van deze geldboete ten belope van de helft, om de beklaagden in de toekomst verder te ontraden zich aan dergelijke feiten schuldig te maken en hen ertoe aan te zetten de reglementering inzake ruimtelijke ordening stipt te respecteren . Dit uitstel en de proeftermi jn van drie jaar moeten een maximale preventieve werking van de uitgestelde straf waarborgen. Verder werden de beklaagden door de eerste rechter elk terecht veroordeeld tot het betalen van een bijdrage voor de financiering van het slachtofferfonds en een bijdrage ten behoeve van het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand. De bijdrage ten behoeve van het begrotingsfonds dient te worden geïndexeerd zoals hierna bepaald. 6. Wettelijke bepalingen Het hof houdt rekening met volgende wettelijke bepalingen, de artikelen: Hof van beroep Antwerpen -2024/CO/1312 -p. 15 11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 -162, 182, 185, 190, 190ter, 194, 195, 199, 200, 202, 203, 203bis, 204, 210 en 211 van het Wetboek van Strafvordering -1, 2, 3, 7, 38, 40, 65 en 66 van het Strafwetboek -4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 2° en 4°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1° en 7°, en 6.3.1. § 1 en 7.7.5. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening -5, 1 °, a), en 6 lid 1 van het Decreet van 25 april 2014 1 van de wet van 5 maart 1952 -59 en 60 van de programmawet van 25 december 2016 1 en 8 van de wet van 29 juni 1964 -58 van het KB van 18 december 1986 -28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985 -4 §3, 5 en 10 van de wet van 19 maart 2017 -6 van het KB van 26 april 2017 -91 van het KB van 28 december 1950 -1 en 2 van het KB van 28 augustus 2020 -4 van de wet van 17 april 1878 (Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering) 7. Beslissing Het hof, Rechtdoende op tegenspraak; Beslist op grond van de hoger vermelde redenen, binnen de perken van de hogere beroepen zoals hiervoor bepaald, als volgt: Verklaart de hogere beroepen van de beklaagden en van het Openbaar Ministerie ontvankel ijk; Op strafrechtelijk gebied Stelt vast dat de schuld van beklaagde tenlasteleggingen A, Ben C definitief is; Stelt vast dat de schuld van beklaagde ' tenlasteleggingen D, E en F definitief is; aan de feiten van de aan de feiten van de Hof van beroep Antwerpen - ·p. 16 Stelt vast dat de schuld van beklaagde tenlasteleggingen D, E en F definitief is; ian de feiten van de Stelt vast dat het hof niet meer te oordelen heeft over de herstelmaatregel; Wat betreft beklaagde Veroordeelt de beklaagde voor de in haar hoofde bewezen verklaarde feiten van de tenlasteleggingen A, B en C vermengd tot een geldboete van 8.000,00 euro , zijnde 1.000,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen. Gelast gedurende een proeftijd van drie jaar vanaf heden het uitstel van de tenuitvoerlegging van de helft van de opgelegde geldboete; Wat betreft beklaagde Veroordeelt de beklaagde voor de in zijn hoofde bewezen verklaarde feiten van de tenlasteleggingen D, Een F vermengd tot een geldboete van 8.000,00 euro, zijnde 1.000,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen; Gelast gedurende een proeftijd van drie jaar vanaf heden het uitstel van de tenuitvoerlegging van de helft van de opgelegde geldboete; Wat betreft beklaagde Veroordeelt de beklaagde voor de in haar hoofde bewezen verklaarde feiten van de tenlastelegg ingen D, E en F vermengd tot een geldboete van 8.000,00 euro, zijnde 1.000,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen; Gelast gedurende een proeftijd van drie jaar vanaf heden het uitstel van de tenuitvoerlegging van de helft van de opgelegde geldboete; Hof van beroep Antwerpen -; • p. 17 Wat betreft beklaagden Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre beklaagden elk werden veroordeeld tot betaling van: -een bijdrage 200,00 euro, zijnde 25,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen tot financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders; een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, welke na indexatie evenwel 26,00 euro bedraagt; Stelt vast dat beklaagden door de eerste rechter elk al definitief werden veroordeeld tot betaling van een vaste vergoeding voor beheerskosten In strafzaken van 58,90 euro; De kosten Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre elk van de beklaagden werden verwezen in de kosten van de strafvordering in eerste aanleg ten belope van 1/3; Laat de kosten van het hoger beroep van het Openbaar Ministerie ten laste van de Belgische Staat; Verwijst de beklaagden in de overige kosten van de strafvordering In hoger beroep, elk ten belope van 1/3, deze voorgeschoten door de openbare partij en in totaal begroot op 227,22 euro. Hof van beroep Antwerpen - p. 18 Dit arrest is gewezen te Antwerpen door het hof van beroep, C4 kamer, samengesteld uit: Kamervoorzitter Raadsheer Raadsheer die aan de beraadslaging hebben deelgenomen en in openbare terechtzitting van 7 mei 2025 uitgesproken door Kamervoorzitter In aanwezigheid van Substituut -procureur -generaal met bijstand van 3riffier

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot