ARR:BM 4150.024
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2025-05-27
🌐 FR
Vonnis
veroordeling
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950
Volledige tekst
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
In de zaak van het openbaar ministerie tegen:
BEKLAAGDE:
geboren te
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te RRN'
beklaagde, vertegenwoordigd door meester
beiden advocaat te
TENLASTELEGGINGEN
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek; Vonnisnr
loco meester /
p.2
A functioneel samenbrengen van materialen tot constructie zonder of in strijd met een
geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het functionee l samenbrengen van materialen waardoor een
constructie ontstaat, met uitzondering van onderhoudswerken , hetzij zonder voorafgaande
stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunn ing, omgevingsvergunning voor
stedenbouwk undige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden,
hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval,
vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval
van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk
Op het oerceel eelea:en te bn::,ctr::,::,J gekend als
eigendom van
wonende te
notaris
aangekocht bij
te
notaris ~eboren
aangekocht bij akte van 18.07.2019 verleden door
te perceel thans gekend als percelen ieels
akte van 18.07.2019 en deels op 28.08.2020 verleden door notaris De
perceel bij akte van 25.08.2022 recht van opstal gevestigd door
te
de grond, deels gelegen in valleigebied en deels gelegen in agrarisch gebied, te hebben verhard
(ca. 1.200 m2) met steenpuin (gebroken mengpuin 0/40)
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, b), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr /
p.3
te
vaststellingen) in de periode van 8 april 2019 tot en met 13 mei 2019 (St. 26 en St. 3-4
B aanmerkelijk wijzigen van reliëf van bodem zonder of in strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, onder meer door
de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie
van het terrein wijzigt, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk
Op het perceel gelegen te kadastraal gekend als
notaris
aangekocht bij akte
te
notaris eigendom van
geboren te wonende te
aangekocht bij akte van 18.07.2019 verleden door
te perceel hans gekend als percelen :leels
van 18.07.2019 en deels op 28.08.2020 verleden door notaris
perceel bij akte van 25.08.2022 recht van opstal gevestigd door
te
de grond, deels gelegen in valleigebied en deels gelegen in agrarisch gebied, te hebben
afgegraven (ca. 30 cm) over een oppervlakte van ongeveer 600 m2
(art. 4.2.1., 4°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
in de periode van 8 april 2019 tot en met 13 mei 2019 (St 26 en St. 3-4)
C gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van grond voor opslaan van gebruikte of
afgedankte voertuigen, allerlei materialen, materieel of afval zonder of in strijd met een
geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor
het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of
afval, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning,
omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor
het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben
uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende
vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben
uitgevoerd, namelijk
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Op het perceel gelegen te kadastraal gekend als
2igendom van
geboren wonende te /
p.4
percelen aangekocht bij akte van 18.07.2019 verleden door
notaris te perceel thans gekend als percelen deels
aangekocht bij akte van 18.07.2019 en deels op 28.08.2020 verleden door notaris
te perceel bij akte van 25.08.2022 recht van opstal gevestigd door
notaris te
Het perceel, deels gelegen in valleigebied en deels gelegen in agrarisch gebied, gewoonlijk te
hebben gebruikt voor de opslag en het stallen van materiaal
(art. 4.2.1., 5°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1 °, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
te in de periode van 19 april 2019 tot en met 27 oktober 2023 (St. 26, 10-13,
St. 282, St. 330)
PROCEDURE
De dagvaarding werd op 2 oktober 2024 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te
Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is
van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de
wetgeving inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
VOORAFGAANDELIJK
De rechtbank vult de dagvaarding aan zoals in het beschikkend gedeelte vermeld.
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaand eren, afdeling Gent Vonnisnr /
p.S ·•--_ .. _____________________ _______ _
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
1. Overzicht van de feiten
1. Op 13 mei 2019 werd de lokale politie in kennis gesteld van grondwerken in
die niet zouden zijn toegelaten. Deze plaats is gelegen deels in valleigebied
(ruimtelijk kwetsbaar) en deels in agrarisch gebied. Er zou grond worden afgegraven en ver
hard zijn met steenpuin. Ter plaatse bleek dat op het einde van de wegel inderdaad grond
werd afgegraven en er verhard werd met steenpuin. Er lagen grote bergen. Op de werf stond
er een met kentekenplaat ingeschreven op Beklaagde is
zaakvoerder van dit tuinaanlegbedrijf.
Beklaagde werd oas na de ten laste gelegde feiten eigenaar van de percelen bouwland
waarop de stedenbouwkundige inbreuken betrekking hebben. Op het
ogenblik van de werken was eigenaar. Er werd wel reeds een compromis gete-
kend op 3 april 2019.
Er werd een stakingsbevel aangeplakt. Het stakingsbevel werd bekrachtigd op 4 juni 2019.
2. Op 19 juni 2019 werd beklaagde verhoord. Hij verklaarde dat hij 30 cm had afgegraven over
een oppervlakte van ongeveer 600 m2. De grond lag nog ter plaatse. De bedoeling was het
aanleggen van waterdoorlatende verharding. De verharding die werd aangevoerd betreft
mengpuin 0/40. Hij wou het terrein gebruiken om materiaal te stockeren en voertuigen te
parkeren. Hij wist niet dat dit valleigebied was. Hij zou een vergunning aanvragen.
Op 16 september 2019 was er nog geen vergunning aangevraagd. Op 23 oktober 2019 ver
klaarde beklaagde dat hij een afspraak had met om een vergunning aan te
vragen. De zaakvoerder van verklaard e dat hij al twee offertes had overgemaakt
aan beklaagde maar dat er nog geen offerte werd ondertekend zodat zij nog geen stappen
hadden ondernomen om een regularisatieaanvraag in te dienen.
Bij een plaatsbezoek op 12 november 2019 werd vastgesteld dat op de steenslagverharding
en langsheen de toegangsweg verschillende bouwmaterialen werden gestapeld.
Op 8 oktober 2020 werd vastgesteld dat de verharding nog steeds aanwezig was en intensief
werd gebruikt voor de opslag van allerhande materialen en materieel in functie van het tuin
aanlegbedrijf.
Op 30 november 2020 heeft beklaagde een vergunning aangevraagd voor het stallen van voer
tuigen, het slopen en herbouwen van bijgebouwen, het verbouwen van een bijgebouw tot
kantoorruimte en het gedeeltelijk regulariseren van verhardingen.
Op 12 april 2021 heeft het college de vergunning geweigerd.
3. Op 27 januari 2022 werd een herstelvordering ingeleid bij het parket door de gewestelijk
stedenbouwkundi g inspecteur. Het betreft een herstel in de oorspronkelijke staat door verwij
dering van de steenslag (met uitzondering van de strikt noodzakelijke verharding als toegang
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr /
p.6
tot de bestaande loods), wat ook de staking van het strijdige gebruik van het terrein voor op
slag van allerlei materialen, materieel en afval impliceert . Er wordt een hersteltermijn van 12
maanden voorgesteld en een dwangsom van 100 euro per dag vertraging gevorderd .
De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering verleende een positief advies.
4. Op 16 maart 2022 werd beklaagde opnieuw verhoord. Hij verklaarde dat er een nieuwe
aanvraag werd ingediend op 29 september 2021. Op 31 januari 2022 werd de aanvraag goed
gekeurd. Pas na de definitieve goedkeuring op 7 april 2022 zou hij de vergunning kunnen be
ginnen uitvoeren . De verharding zou dan gedeeltelijk moeten worden verwijderd.
Op 9 november 2022 bleek er nog niets gewijzigd. Beklaagde verklaarde volop bezig te zijn
met verbouwingen en nog geen tijd te hebben gehad om de strook van 800 m2 vrij te maken
en af te graven.
In de verleende vergunning van 31 januari 2022 stond dat er 794 vierkante meter steenslag
verharding moest verwijderd worden. 398 vierkante meter werd geregulariseerd maar mocht
niet als opslagruimte gebruikt worden en mocht louter dienen als strikt noodzakelijke toegang
tot het bijgebouw .
Op 19 april 2023 ging de politie ter plaatse. De steenslagverharding aan de linkerzijde van het
perceel (op de oprij) bleek niet verwijderd. Beklaagde stelde dat deze ging dienen als fundering
voor het vergunde karrespoor.
Op het terrein was er een stuk verharding gemarkeerd met paaltjes en rood-wit lint. Beklaagde
verklaarde dat dit het stuk van 398 vierkante meter was dat werd geregulariseerd. Op dit stuk
lag allerlei materiaal. Rond het vergunde stuk werd de steenslag verwijderd en vervangen door
aarde.
5. Op 18 juni 2023 lichtte de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur zijn standpunt toe met
betrekking tot de herstelvordering. De verharding mocht niet gebruikt worden als fundering
voor het karrespoor. De verharding moest integraal verwijderd worden en vervangen worden
door een karrespoor zoals in de vergunning werd voorzien. Bijkomend diende er langsheen de
toegangsweg nog een wintergroene haag aangeplant te worden. Het plaatsen van allerhande
materialen was expliciet verboden door de verleende vergunning . Het groenscherm van min
stens 3 meter breed diende nog voorzien te worden over de volledige achterste perceelsgrens
met de buur.
Bij controle op 27 oktober 2023 werd vastgesteld dat er op de plaats van het vergunde karren
spoor een laag aarde was aangebracht met daaronder een worteldoek. Langs de toegangsweg
was er een haag aangeplant. Op het terrein was er een vierkant waarvan de bodem een meng
sel van aarde en puin betrof. Op dit vierkant stond geen materiaal. Aan de achterste perceels
grens was er beplanting waarvan beklaagde stelde dat dit het groenscherm van 3 meter betrof.
In een hoek was er een haag in de vorm van een vierkant. Er werden daar boordstenen opge
slagen onder een worteldoek. Beklaagde werd aangemaand dit te verwijderen . Achteraan het
terrein lag er een stapel hout afgedekt door platen. Beklaagde werd aangemaand dit te ver
wijderen.
Rechts van het bijgebouw werd thans allerhande materiaal opgeslagen. Mogelijks betrof dit
materiaal dat oorspronkelijk op het terrein links werd opgeslagen. Beklaagde stelde zo snel
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr /
p. 7
mogelijk een loods te zoeken voor de opslag. Hij had plannen voor een loods in het bedrijven-
terreir Het bedrijventerrein moet nog worden aangelegd.
De inspecteur besloot dat er niet kon gesproken worden van een regularisatie nu het niet dui
delijk was wat er onder de worteldoek lag op de plaats van het vergunde karrespoor en dat de
opslag van links naast het•bijgebouw leek verplaatst te zijn naar rechts.
Op 28 oktober 2023 stuurde beklaagde nog een mail met foto's om aan te tonen dat de haag
in de vorm van een vierkant met daarbinnen opslag van boordstenen verwijderd was_
Op 31 januari 2024 stelde de verbalisant ruimtelijke ordening ter plaatse vast dat de stapel
hout afgedekt met platen nog aanwezig was op het terrein. Tevens bevonden er zich een drie
tal voertuigen/materieel op het terrein onder andere een kraan en een kleine vrachtwagen.
Dit was zichtbaar vanop de rechtsgelegen akker. De partner van beklaagde gaf de verbalisant
geen toegang tot het terrein.
Uit telefonisch contact met inspecteur bleek dat er geen foto's genomen
werden van de opslag rechts bij de controle op 27 oktober 2023 maar de inspecteur bevestigde
zijn bevindingen dat het materiaal verplaatst werd. De verbalisant behield zijn herstelvorde
ring.
6. Beklaagde werd gedagvaard en verscheen op de eerste zitting op 15 oktober 2024. Hij stelde
nog enkele werken te moeten uitvoeren en verzocht om erna nog een hercontrole te doen. Op
5 februari 2025 bleek er nog geen herstel te zijn. Op de navolgende zitting van 18 maart 2024
stelde de raadsman van beklaagde dat het herstel bijna compleet was en werd opnieuw om
een hercontrole en een uitstel verzocht. Op 20 maart 2025 bleek er hersteld te zijn. De her
stelvordering was zonder voorwerp. Er werden blijkbaar wel nieuwe overtredingen vastgesteld
waarvoor een nieuw aanvankelijk pv zou worden opgemaakt.
2. Bespreking van de schuldvraag
1. Beklaagde moet zich voor de rechtbank verantwoorden wegens het verharden met steen
puin van gronden deels in valleigebied en deels in agrarisch gebied zonder vergunning, het
aanmerkelijk wijzigen van het reliëf door het afgraven van gronden over een oppervlakte van
ongeveer 600 m2 in de periode van 8 april 2019 tot en met 13 mei 2019 en het gewoonlijk
gebruik van een perceel voor de opslag en het stallen van materiaal zonder vergunning in de
periode van 19 april 2019 tot en met 27 oktober 2023.
Het openbaar ministerie verzocht ter zitting om ook de verzwarende omstandigheid toe te
passen van artikel 6.2.1, lid 2 VCRO: "De minimumstraffen zijn echter een gevangen isstraf van
vijftien dagen en een geldboete van 2000 euro, of een van die straffen alleen, als de misdrijven,
vermeld in het eerste lid, gepleegd worden door instrumenterende ambtenaren, vastgoedma
kelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit onroerende goe
deren kopen, verkavelen , te koop of te huur zetten, verkopen of verhuren, bouwen of vaste of
verplaatsbare inrichtingen ontwerpen en/of opstellen of personen die bij die verrichtingen als
tussenpersonen optreden, bij de uitoefening van hun beroep."
De rechtbank heeft beklaagde verzocht zich hierop te verdedigen.
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr I
p.8
Ter zitting werden de tenlasteleggingen niet betwist. Ook de verzwarende omstandigheid werd
niet betwist.
2. Gelet op de duidelijke vaststellingen ter plaatse, de gevoegde foto's, het ontbreken van ver
gunningen en het feit dat beklaagde tuinaannemer is, zijn alle tenlasteleggingen met inbegrip
van de verzwarende omstandigheid in hoofde van beklaagde bewezen.
3. Straftoemeting
1. De rechtbank legt voor beklaagde overeenkomstig artikel 65, eerste lid Strafwetboek één
straf op voor de feiten van de tenlasteleggingen A, Ben C samen, met name de zwaarste.
Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van de
bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden , de eventuele strafverzwarende
factoren en de persoonlijkheid van beklaagde zoals die blijkt uit het strafrechtelijk verleden,
gezinstoestand en arbeidssituatie , voor zover de rechtbank die kent.
De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet
beklaagde ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te plegen.
2. Beklaagde trok zich niets aan van de vergunningsplicht en gebruikte zijn grond in ruimtelijk
kwetsbaar gebied voor opslag van materialen op onvergunde verhardingen. De opslagplaats
vormde een visuele smet binnen de onmiddellijke omgeving en was storend omwille van de
zichtbaarheid vanop de openbare weg. De opslag gebeurde in functie van zijn bedrijf.
Beklaagde plaatste daarmee zijn eigen belang en profijt boven het belang van een goede
ruimtelijke ordening. Beklaagde kon zich bovendien daardoor op illegale wijze een economisch
voordeel verschaffen dat degenen die de regelgeving inzake ruimtelijke ordening correct
naleven niet konden bekomen. Het duurde bijzonder lang voor beklaagde de situatie
herstelde. De vele tussenkomsten van de handhavingsdiensten brengt een grote
maatschappe lijke kost met zich mee.
3. Beklaagde is jaar oud en werd reeds driemaal veroordeeld wegens verkeersinbreuken .
Daarnaast verkreeg hij reeds éénmaal de gunst van de opschorting van de uitspraak van de
veroordeling wegens smaad. Gelet op de ernst en de duur van de feiten die in professioneel
verband werden gepleegd is de hierna bepaalde geldboete passend en noodzakelijk om
recidive te vermijden . Gelet op het uiteindelijk bereikte herstel zal de rechtbank een deel van
de geldboete opleggen met de gunst van het gewoon uitstel. Beklaagde komt hiervoor nog in
aanmerking gelet op zijn eerder beperkt strafrechtelijk verleden. Beklaagde moet beseffen dat
dit uitstel nog kan worden herroepen indien hij tijdens de proefperiode die de rechtbank
bepaalt op drie jaar opnieuw misdrijven zou plegen.
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
HERSTEL Vonnisnr /
p.9
Gelet op het op 20 maart 2025 vastgeste lde herstel is de herstelvordering thans zonder voor
werp.
BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
Omdat de door beklaagde gepleegde misdrijven mogelijk schade hebben veroorzaakt, houdt
de rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig artikel 4 van de Voor
afgaande Titel wetboek van Strafvordering (art. 4 V.T.Sv.).
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 -Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvorderin g;
art. 1, 2, 3, 7, 38, 40, 41, 65, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen
aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfond s voor de
juridische tweedelijn sbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
art. 1 (§1, 2° en §2), 8, 14 §1 Wet van 29 juni 1964;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien var
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 10
VOORAFGAANDELIJK
De rechtbank voegt de verzwarende omstandigheid toe bij de tenlasteleggingen A, B en C als
volgt:
"Met de omstandigheid dat de feiten werden gepleegd door instrumenterende ambtenaren,
vastgoedmak elaars of andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit on
roerende goederen kopen, verkavelen, te koop of te huur zetten, verkopen of verhuren, bouwen
of vaste of verplaatsbare inrichtingen ontwerpen en/of opstellen of personen die bij die ver
richtingen als tussenpersonen optreden, bij de uitoefening van hun beroep.
(artikel 6.2.1, lid 2 VCRO)"
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van
Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen A, B en C bewezen met de verzwarende
omstandigheid van artikel 6.2.1, lid 2 VCRO.
Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A, B en C
met de verzwarende omstandigheid van artikel 6.2.1, lid 2 VCRO:
tot een geldboete van 16.000,00 EUR, zijnde 2.000,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 3 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van
3 jaar, doch slechts voor een gedeelte van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen.
Veroordeelt tot betaling van:
-een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
-een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 11
een vaste vergoedin g voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
-de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 349,38 EUR
HERSTEL
De rechtbank stelt vast dat de herstelvordering zonder voorwerp is.
OP BURGERLIJK GEBIED
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 27 mei 2025 door de rechtbank
van eerste aanleg Oost-Vlaan deren, afdeling Gent, kamer G30DI:
rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting,
met bijstand van griffier