ARR:BM 4267.078
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2025-05-20
🌐 FR
Vonnis
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950
Volledige tekst
Rolnumme1 Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
In de zaak van het openbaar ministerie tegen:
BEKLAAGDE:
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te RRN
beklaagde, die persoonlijk verschijnt
TENLASTELEGGINGEN Vonnisnr I
p.2
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek ;
A optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van
onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd , hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
te in de periode van 1 maart 2020 tot en met 1 november 2021, op een niet
nader bepaalde datum
namelijk door een trailer en bijhorende verharding, een berging en een hondenhok te
hebben geplaatst,
op een perceel gelegen te kadastraal gekend als
eigendom van akte dd.
18/06/2014, notaris te
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaand eren, afdeling Gent Vonnisnr /
p.3
B gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van grond voor opslaan van gebruikte of
afgedankte voertuigen, allerlei materialen, materieel of afval zonder of in strijd met een
geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor
het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of
afval, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning,
omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor
het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben
uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende
vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning , verder te hebben
uitgevoerd,
(art. 4.2.1., 5°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
te 1n de periode van 1 maart 2020 tot en met 1 november 2021, op een niet
nader bepaalde datum
namelijk door 3 voertuigen, allerlei materialen en afval te hebben geplaatst,
op een perceel gelegen te kadastraal gekend als
eigendom van akte dd.
18/06/2014, notaris te
PROCEDURE
De dagvaarding werd op 2 januari 2025 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerhe id te
. Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is
van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de
wetgeving inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting .
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanieg vost-Vlaand eren, afdeling Gent
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
1. Overzicht van de feiten Vonnisnr I
p.4
1. Op 20 januari 2021 en 26 oktober 2021 begaf de verbalisant ruimtelijke ordening van de
dch naar het adres
Het terrein is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Op het perceel stond een
woontrailer die bewoond werd door beklaagde Hiervoor was geen vergun
ning. Op het perceel bevindt zich ook een hoop grond, houten planken, palletten met stenen
en rondslingerende stenen, een aanhangwagen, een metalen houder voor plastic vat, snoeiaf
val en afval.
Uit nazicht op Geopunt blijkt dat de trailer er nog niet stond in maart 2020. Ten westen van de
trailer bevindt zich een berging die deels bestaat uit betonplaten afgedekt met golfplaten en
deels uit een houten construct ie ook afgedekt met golfplaten. Onder het open afdak bevonden
er zich een niet gekeurd voertuig van het merk Opel, een hondenhok en diverse materialen.
Achter de woontrailer bevond er zich nog een houten constructie die eveneens werd aange
wend als berging, een caravan, jacuzzi op een aanhangwagen en de verblijfplaats van be
klaagde alvorens de woontrailer werd geplaatst.
Op 28 januari 2021 werd beklaagde schriftelijk aangemaand om te herstellen.
Op 26 oktober 2021 bleek er een groen doek bevestigd te zijn waardoor de woontrailer niet
meer zichtbaar was van op de openbare weg en hierdoor volgens beklaagde vrijgesteld was.
Op 30 december 2021 werd beklaagde verhoord. Hij verklaarde opnieuw zijn intrek genomen
te hebben in de chalet omdat hij niet mocht wonen in de trailer. Ook mocht de trailer niet
zichtbaar zijn. Daarom had hij een doek gehangen.
De verharding was niet groter dan 80 vierkante meter waardoor er geen vergunning nodig was
volgens beklaagde .
Hij beschikte over drie voertuigen: een bestelwagen, zijn persoonlijk voertuig en
een oldtimer type Dit laatste voertuig wachtte op restauratie. De andere voertui
gen worden niet gestald, maar tijdelijk geparkeerd als ze niet in gebruik zijn.
De bouwmaterialen had hij gekocht om een oprit aan te leggen. Hij moest nog vragen aan de
gemeente of dit onder het vrijstellingsbesluit kan vallen.
De jacuzzi was defect en had hij op zijn aanhangwagen geplaatst om aan de onderzijde te kun
nen werken.
Hij legde een stedenbouwkundig attest voor van 19 mei 2014 waarin staat dat het weekend
verblijf werd opgericht voor 1971 en als vergund kan worden beschouwd .
Hij was van oordeel dat hij niets onwettig heeft gedaan. Als bouwvakker vond hij het zeer ver
warrend en spijtig.
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr /
p.5
• ·-·--···--·~---------------------- ----
In een reactie van stond dat alle niet agrarische activiteiten zonevreemd zijn. Er zijn
geen vergunde constructies op het terrein. Enkel het weekendverb lijf is geacht vergund. De
aanvraag tot permanente woning werd steeds negatief geadviseerd door de gemeente. Aan
gezien er geen vergunde residentiële woning is, kan er geen beroep gedaan worden op het
vrijstellingsbeslu it. Door het plaatsen van een gesloten omheining werd bovendien een nieuw
misdrijf gepleegd.
Beklaagde werd in kennis gesteld van de argumenten van en verhoord op 3 mei 2022.
Hij vroeg tijd om zich in regel te stellen. Hij ging misschien een perceel aankopen in de Arden
nen.
Hij volhardde echter in zijn standpunt dat hij niets onwettig had gedaan.
In september 2022 was er nog geen verandering.
De gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur vordert het herstel in oorspronkelijke staat
door het verwijderen van 'open deel berging', 'voormalige verblijfplaats van betrokkene', 'hou
ten constructie' in gebruik als berging, 'woontrailer' , draad-en paalafsluiting langsheen de
Langelede met inbegrip van dubbele metalen poort, alle opgeslagen materialen, materieel en
afval op het terrein (niet limitatief: aanhangwagen met jacuzzi, caravan, houten planken, zak
ken grind/zand, afval, klinkers, ... ). Daarnaast werd de staking van het strijdige gebruik (illegale
bewoning) gevorderd. Er werd een termijn van vier maanden vooropgesteld en een dwangsom
van 250 euro per dag vertraging gevorderd.
De herstelvordering bekwam een positief advies van de Hoge Raad voor de Handhavingsuit
voering. Er werd onder meer gemotiveerd dat de concrete inrichting ter plaatse in functie van
permanente bewoning waarbij diverse constructies verspreid werden ingeplant op het per
ceel, een visuele smet vormt binnen de onmiddellijke omgeving. Verder is de huidige terrein
inrichting door de oprichting van de geviseerde constructies, het gegeven dat deze construc
ties op disparate wijze in allerhande heterogene, minderwaardige materialen zijn opgericht,
visueel storend in de onmiddellijke omgeving. Het gewoonlijk gebruik als opslagplaats van al
lerlei materialen, materieel en afval geeft het perceel een verloederde indruk. De Raad stelde
dat het om een wederrechtelijke toestand ging met voortschrijdend karakter. Dat de oprichting
van sommige geviseerde constructies op zichzelf beschouwd mogelijk niet-recente, niet-ge
consolideerde overtredingen betreffen, woog hier niet tegen op in ruimtelijk opzicht.
2. Bespreking van de schuldvraag
1. Beklaagde moet zich voor de rechtbank verantwoorden wegens het plaatsen van construc
ties zonder vergunning en het gewoonlijk gebruik van een perceel voor het stallen van voer
tuigen, materialen en afval.
Beklaagde voerde geen fundamentele betwisting over de feiten. Hij stelde dat hij niet wist dat
hij niet mocht wonen op die locatie. Hij wist niet dat hij vergunningen nodig had.
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr /
p.6
2. Gelet op de duidelijke vaststellingen ter plaatse en nu beklaagde voor deze handelingen
geen vergunningen kon voorleggen en deze bovendien niet konden vergund worden of onder
het vrijstellingsbesluit konden vallen, staat de schuld van beklaagde aan de tenlasteleggingen
A en B vast.
Het moreel element van het misdrijf vereist enkel (algemeen) opzet, dit is in casu niet te doen
wat door de vermelde bepalingen geboden is te doen. Het bewust en vrijwillig handelen vol
staat. Dat van dit laatste sprake is wordt verondersteld bij het plegen van de materiële hande
ling, die als de uiting van de vrije en bewuste wil van de beklaagde moet worden aangezien,
wanneer deze het bestaan van een schulduitsluitingsgrond , zoals overmacht of onoverkome
lijke dwaling, of van een rechtvaardigingsgrond, zoals noodtoestand , niet enigszins geloof
waardig maakt. De beklaagde voert geen verschonings- of rechtvaardigingsgro nden aan, noch
maakt hij deze aannemelijk.
Dat de beklaagde beweert niet op de hoogte te zijn geweest van het feit dat hij vergunningen
nodig had, vormt alleszins geen verschonings- of rechtvaardigingsgrond . Het valt niet na te
gaan waarvan beklaagde op de hoogte was en het is ook niet relevant.
3. Straftoemeting
1. De rechtbank legt voor beklaagde overeenkomstig artikel 65, eerste lid Strafwetboek één
straf op voor de feiten van de tenlasteleggingen A en B samen, met name de zwaarste.
Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van de
bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden, de eventuele strafverzwarende
factoren en de persoonlijkheid van beklaagde zoals die blijkt uit het strafrechtelijk verleden,
gezinstoes tand en arbeidssituatie, voor zover de rechtbank die kent.
De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet
beklaagde ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te plegen.
2. Beklaagde trok zich van de vergunningsplicht en de ruimtelijke ordening niets aan en richtte
een perceel in landschappelijk waardevol agrarisch gebied in voor permanente bewoning. De
vele slordige constructies, verhardingen, omheining, afval, materialen en voertuigen zorgden
voor een verloederd aanzicht. Lange tijd weigerde beklaagde iets aan de situatie te
veranderen.
3. Beklaagde is jaar oud en werd reeds éénmaal veroordeeld wegens een verkeersinbreuk.
Hij verzocht om een milde bestraffing. Hij woont niet meer in het weekendhuisje. Hij is
arbeidsongeschikt en ontvangt een vervangingsinkomen. Gelet op enerzijds de ernst van de
feiten en anderzijds het gedeeltelijk bereikte herstel en het nog gunstig strafverleden van
bel<laagde is een geldboete van 500 euro, deels met uitstel, een passende sanctie die recidive
zal voorkomen.
Rol nummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 7
HERSTEL
1. Uit het nazicht door op 24 februari 2025 en de door beklaagde ter zitting neerge
legde foto's blijkt dat de hondenkennel, caravan en trailer werden verwijderd. De auto's en
aanhangwagens waren eveneens weg, behalve een rode auto onder een afdak. De omheining
met metalen poort was er nog, maar het groene doek werd verwijderd.
Het terrein vertoonde een verwaarloosde indruk. Er lagen allerlei materialen gestapeld zoals
stenen, houten panelen, PVC-buizen, grond, isolatiepanelen, oude diepvriezer, jacuzzi op een
aanhangwagen. Er waren nog verschillende constructies aanwezig die dienst deden als ber
ging.
De herstelvordering omvatte duidelijk alle constructies en alle afval en materialen op het ter
rein. Het bevolen herstel dient immers de volledige illegaliteit ter plaatse te dekken.
2. De rechtbank stelt vast dat er geen aanwijzing is dat het herstel volledig is bereikt waardoor
de herstelvordering nog actueel is, met uitzondering van de vordering tot verwijdering van de
woontrailer en de caravan en de vordering tot staken van de permanente bewoning.
De rechtbank is van oordeel dat de herstelvorder ing niet gesteund is op motieven die vreemd
zijn aan de goede ruimtelijke ordening of die uitgaan van een opvatting over de goede ruimte
lijke ordening die kennelijk onredelijk is.
De schade die door het bouwmlsdrijf is berokkend aan de goede ruimtelijke ordening, kan
slechts worden opgeheven door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand. De
verwijdering ervan is dus noodzakelijk. Eveneens blijkt hieruit dat het betalen van een meer
waarde niet volstaat als herstelmaatregel.
Nu beklaagde in het verleden talmde om tot het herstel over te gaan, wordt terecht de ver
beurte van een dwangsom gevorderd bij niet naleving van het bevel tot herstel. De hierna
uitgesproken modaliteiten vormen een gepaste en noodzakelijke aansporing van beklaagde
om tot herstel over te gaan indien regularisatie niet mogelijk is. Rekening houdend met de
omvang van de uit te voeren herstelwerken, voorziet de rechtbank in een hersteltermi jn van
12 maanden .
De lange tijd sedert dewelke beklaagde al kon overgaan tot het herstel van de plaats in de
oorspronkelijke toestand en de ruime termijn welke hen hiertoe nog wordt verleend, brengen
mee dat er geen reden is om bij toepassing van artikel 1385bis, laatste alinea, Gerechtelijk
Wetboek nog een zekere termijn te bepalen waarna de veroordeelde pas de dwangsom zal
kunnen verbeuren .
De rechtbank machtigt de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester om ambtshalve
in de uitvoering van het herstel te voorzien wanneer beklaagde dit niet zelf binnen de gestelde
termijn zou doen (art. 6.3.4, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED Vonnisnr /
p.8
Omdat de door beklaagde gepleegde misdrijven mogelijk schade hebben veroorzaakt, houdt
de rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig artikel 4 van de Voor
afgaande Titel wetboek van Strafvordering (art. 4 V.T.Sv.).
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestandde len van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 -Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
art_ 1, 2, 3, 7, 38, 40, 41, 65, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen
aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijn sbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
art. 1 (§1, 2° en §2), 8, 14 §1 Wet van 29 juni 1964;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van
Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen A en B bewezen.
Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A en B:
tot een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnîsnr /
p.9 rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstra f van 3 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van
3 jaar, doch slechts voor een gedeelte van 2.000,00 EUR, zijnde 250,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen .
Veroordeelt tot betaling van:
-een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
-een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
-een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
-de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 348,88 EUR
HERSTEL
Beveelt aan
van op vordering van de gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur
het herstel in oorspronkelijke staat van het perceel gelegen te
kadastraal gekend als
meer concreet:
Het verwijderen van:
o De onvergunde constructie beschreven in van 15 november 2021
als 'open deel berging';
o De onvergunde constructie beschreven in van 15 november 2021
als 'voormalige verblijfplaats van betrokkene';
o De onvergunde constructie beschreven in van 15 november 2021
als 'houten constructie' in gebruik als berging;
o De draad-en paal-afsluiting langsheen de met inbegrip van de me-
talen poort;
o Alle opgeslagen materialen, materieel en afval op het terrein (onder meer aan-
hangwagen met jacuzzi, houten planken, zakken zand/grind, afval, klinkers, ... };
Beveelt dat het herstel zoals hierboven bevolen gebeurt binnen een termijn van 12 maanden
na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 30
euro per dag vertraging in geval van niet-uitvoering van dit vonnis binnen de gestelde termijn.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 10
Zegt voor recht dat de veroordeelde overeenkom stig art. 6.3.6 VCRO de stedenbouwkundige
inspecteur of de burgemeester van onmiddellijk met een beveiligde
zending ervan op de hoogte brengt als hij de opgelegde herstelmaatregel vrijwillig heeft
uitgevoerd;
Zegt dat de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester van
indien de veroordeelde in gebreke blijft om de bevolen herstelmaatregel binnen
de gestelde termijn vrijwillig uit te voeren, zelf in de uitvoering ervan kunnen voorzien,
overeenkomstig art. 6.3.4 §1, op kosten van de veroordeelde.
OP BURGERLIJK GEBIED
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 20 mei 2025 door de rechtbank
van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI:
rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting,
met bijstand van griffier