Naar hoofdinhoud

ARR:BM 4114.094

🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent 📅 2025-05-27 🌐 FR Vonnis veroordeling

Rechtsgebied

strafrecht

Geciteerde wetgeving

15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950, 29 juni 1964

Volledige tekst

Rolnummer Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent In de zaak van het openbaar ministerie tegen: BEKLAAGDEN: 1. 2. geboren te van Belgiscne nationaliteit ingeschreven te RRN eerste beklaagde. bijgestaan door meester met maatschappelijke zetel gevestigd tE ingeschreve n onder het ondernemingsnummer Actief Normale toestand tweede beklaagde, vertegenwoordigd door meester TENLASTELEGGING Vonnisnr advocaat te advocaat te / p.2 Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek; A. aanmerkelijk wijzigen van reliëf van bodem zonder of in strijd met een geldige vergunning buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, onder meer door de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunnin g voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd , hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning , hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk door grote hoeveelheden grond te hebben aangevoerd m.o.o. op ophoging, op een perceel gelegen te maatschappelijke zetel te 19/05/2005 voor notaris te zonder nummer, kadastraal gekende als eigendom van KBO met verleden bij akte van Rolnumm e Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent k_ door in de periode van 1 m;:i;:irt 7077 tnt Pn met o '3nril '10"')'1 Vonnisnr / p.3 (art. 4.2.1., 4°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1 °, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) PROCEDURE De dagvaarding werd op 23 juli 2024 overgeschreven op het kantoor Rechtszeker heid te Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de wetgeving inzake hypotheken. De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting. De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal. De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige partijen. Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting. VOORAFGAANDELIJK De rechtbank verbetert in de dagvaarding de vennootschapsvorm van de tweede beklaagde zoals vermeld onder de tenlastelegging A van naar mals in het beschikkend gedeelte vermeld. BEOORDELING OP STRAFGEBIED 1. Overzicht van de feiten 1. Op 9 april 2022 ging de politie ter plaatse bij de weide gelegen te ir naar aanleiding van een melding van de burgemeester dat er een overtreding zou plaatsvinden op deze weide. Er zouden werken aan de gang zijn die een reliëfwijziging inhielden zonder vergunning. Rolnumm er Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr I p.4 Er werd vastgesteld dat er inderdaad werken aan de gang waren om de grond op te hogen. De verantwoordelijke was aanwezig en verklaarde dat hij geen vergun­ ning had. Er werd hem gevraagd de werken stil te leggen. Er werd wel toestemming gegeven om de petrels weg te halen van de weide. Ook de kraan werd verwijderd en het terrein werd afgesloten met een hek. 2. Op 16 mei 2022 werd de beklaagde verhoord . Hij verklaarde zelf de opdrachtgever te zijn. De gronden zijn in eigendom van Hij verduidelijkte dat de werken werden stilgelegd alvorens er gebruik werd gemaakt van de graafmachine. De graafmachine stond nog op de oplegger. De bedoeling van de werken was om ruimte vrij te maken opdat er een bodemsanering zou kunnen plaatsvinden zoals gevraagd door OVAM. Hij zou geen regula­ risatieverg unning aanvragen. De verbalisanten noteerden dat de verduidelijkingen plausibel waren. Op 26 mei 2022 werd vastgesteld dat de situatie ongewijzigd was. 3. Met brief van 16 september 2022 werd een herstelvordering ingeleid bij het parket door de burgemeester van In de herstelvordering wordt er melding gemaakt dat de eigenaar van de terreinen gekend is bij de gemeente voor het onvergund uitvoeren van reliëfwijzigingen en het storten v:an over­ schotten grond op diverse terreinen op het grondgeb ied van de gemeente. Op het betrokken terrein werden er in het verleden reeds reliëfwijzigingen uitgevoerd . Ook op 1 mei 2021 wer­ den ophogingen opgemerkt. De burgemeester vordert het herstel in oorspronkelijke staat, namelijk het verwijderen van de op het terrein aangevoerde grond en het herstel van het bodemreliëf in de oorspronkelijke staat. Er wordt tevens toegevoegd: 'Het bevolen herstel dekt steeds de volledige il/egaliteit ter plaatse, ook al werd die mee veroorzaakt door stedenbouwkundige misdrijven die niet bij de rechter aanhangig zijn'. Op de foto's zou te zien zijn dat er meer dan 30 m3 grond werd aan­ gevoerd. Het terrein ligt in agrarisch en overstromingsgevoelig gebied. De burgemeester stelde een hersteltermijn van drie maanden voor en vorderde een dwang­ som van 250 euro per dag en per veroordeelde. De herstelvorderin g verkreeg een positief advies van de Hoge Raad voor de Handhaving suit­ voering. De Hoge Raad stelt dat uit eigen onderzoek bleek dat er op foto's van Google Street­ view van mei 2022 duidelijk grote hopen grond zichtbaar zijn. 4. De behandeling van de zaak werd tweemaa l uitgesteld omdat beklaagden zich bereidwillig opstelden om een herstel te bereiken. Uiteindelijk kon op 8 april 2025 worden vastgesteld dat de onvergunde ophoging werd hersteld door het afvoeren van de opgehoogde grond en het verzamelen van het resterende steenpuin dat zich her en der bevond. Rolnummer Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr I p.5 ·····-·•--·----------------------------- 2. Bespreking van de schuldvraag 1. Beklaagden moeten zich voor de rechtbank verantwoorden wegens het aanmerke lijk wijzi­ gen van het reliëf zonder vergunning door het ophogen van een perceel in de periode van 1 maart 2022 tot en met 9 april 2022. Eerste beklaagde verklaarde ter zitting dat er grond van in een andere straat tijdelijk gestockeerd werd op de percelen in Niet alle grond werd nadien terug verwijderd . Beklaagden hebben hun schuld niet betwist. 2. Gelet op de vaststellingen op 9 april 2022 en foto's waarop grote hoeveelheden aangevoerde grond te zien zijn en nu beklaagden de tenlastelegg ing niet betwisten is voor de rechtbank bewezen dat beklaagden het reliëf van de bodem op de percelen in aanmerkelijk hebben gewijzigd door ophoging zonder vergunning. Het bewezen misdrijf werd gepleegd op percelen in eigendom van tweede beklaagde en de ophoging houdt verband met de verwezenl ijking van de doelen van tweede beklaagde, namelijk het beheer van onroerend vermogen en de uitbating van Binnen de rechtspersoon werd te weinig aandacht besteea aan ae stedenbouwkundige regelgevin g. Dit maakt een eigen fout uit van de rechtspersoon die hem kan worden toegerekend . Eerste beklaagde is zaakvoerder van tweede beklaagde en gaf zelf de opdracht voor de ophoging. Beide beklaagden dragen een strafrechteli jke verantwoordelijkheid . 3. Straftoemeting 1. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van de bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden, de eventuele strafverzwa ­ rende factoren, het strafverleden van tweede beklaagde en de persoonlijkheid van eerste be­ klaagde zoals die blijkt uit het strafrechtelijk verleden, gezinstoestand en arbeidssituatie, voor zover de rechtbank die kent. De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet beklaagden ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te plegen. 2. Beklaagden trokken zich niets aan van de vergunningsplicht en stortten grote hoeveelheden grond in een weide met reliëfwijziging van de bodem tot gevolg. Zij hadden geen aandacht voor de impact die de ophoging van een perceel met zich mee kan brengen. 3. Eerste beklaagde is jaar oud en werd reeds tweemaal veroordeeld voor verkeersinbreuken . Tweede beklaagde werd opgericht in 1999 en heeft nog een blanco strafverleden. Gelet op het herstel dat thans is bereikt en het gunstig strafverleden van beide beklaagden, gaat de rechtbank in op de gevraagde gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling. Beklaagden moeten beseffen dat dit een zeer grote gunst is zeker nu er in het Rolnummer Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr I p.6 strafdossier aanwijzingen zijn dat beklaagden zich reeds eerder aan dergelijke feiten schuldig maakten. Eerste beklaagde verklaarde hieromtrent dat hij eens een aanmaning had gekregen toen hij grond had gestockeerd bij het graven van een kelder. Beklaagden moeten beseffen dat er hen alsnog een straf kan worden opgelegd indien zij binnen de proefperiode die de rechtbank bepaalt op vijf jaar opnieuw misdrijven zouden plegen. HERSTEL Gelet op het op 8 april 2025 vastgeste lde herstel is de herstelvordering zonder voorwerp. BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED Omdat de door beklaagden gepleegde misdrijven mogelijk schade hebben veroorzaakt, houdt de rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig artikel 4 van de Voor­ afgaande Titel wetboek van Strafvordering (art. 4 V.T.Sv.). TOEGEPASTE WETTEN De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen: art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935; art. 4 Wet van 17 april 1878 -Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvorder ing; art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvorder ing; art. 1, 2, 3, 5, 7, 7bis, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven; art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfond s voor de juridische tweedelijnsbijstand; art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement van de gerechtskosten in strafzaken; art. 1 (§1, 1 ° en §2), 3, 5, 6, 13 van de Wet van 29 juni 1964; DE RECHTBANK: op tegenspraak ten aanzien van Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 7 •••• "' ·---~--.. --------------------------- VOORAFGAANDELIJK Verbetert de vennootschapsvorm van de tweede beklaagde zoals vermeld onder de tenlasteleggingen A in de dagvaarding als volgt: A. aanmerkelijk wijzigen van reliëf van bodem zonder of in strijd met een geldige vergunning buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening , het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, onder meer door de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd , hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffen de vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk door grote hoeveelheden grond te hebben aangevoerd m.o.o. op ophoging, op een perceel gelegen te zetel te notaris te eigendom van KBO zonder nummer, kadastraal gekende als met maatschappelijke verleden bij akte van 19/05/2005 voor te door in de periode van 1 maart 2022 tot en met 9 april 2022 (art. 4.2.1., 4°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1 °, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergu nning) OP STRAFGEBIED Ten aanzien van. eerste beklaagde Verklaart de tenlastelegging A lastens bewezen. Gelast ten voordele van de gewone OPSCHORTING van de uitspraak van de veroordeling met een proeftijd van 5 jaar. Rolnummer Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Veroordeelt tot betaling van: Vonnisnr I p.8 -een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfon ds voor juridische tweedelijnsbijstand -een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR -de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 191,30 EUR Ten aanzien van tweede beklaagde Verklaart de tenlasteleggin g A lastens bewezen. Gelast ten voordele van ie gewone OPSCHORTING van de uitspraak van de veroordeling met een proeftijd van 5 jaar. Veroordeel· tot betaling van: -een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsb ijstand -een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR -de kosten van de strafvorde ring tot op heden begroot op 206, 70 EUR HERSTEL De rechtbank stelt vast dat de herstelvordering zonder voorwerp is. OP BURGERLIJK GEBIED De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan. Rolnummer Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr / p.9 Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 27 mei 2025 door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30D1: rechter in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting, met bijstand van griffier

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot