ARR:263.485
🏛️ Raad van State Brussel
📅 2025-06-02
🌐 FR
verworpen
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
29 juli 1991, 29 juli 1991, Grondwet, grondwet, gw
Volledige tekst
XII -9705-1/20 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
A R R E S T
nr. van 2 juni 2025 in de zaak A. 241.112/XII-9705
In zake :
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
OPGROEIEN REGIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
------------------------------------ ----------------- ------------------------------ --------------
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 5 fe bruari 2024, strekt tot de
nietigverklaring van “de beslissing va n de administrateur-generaal van
30 november 2023 over het bezwaar tegen de beslissing tot weigering van een subsidiebelofte uitbreidingsronde 2023 – omschakeling van be staande plaatsen
met basissubsidie naar plaatsen met subsidie voor inkomenstarief […] (en voor zoveel als nodig, tevens de beslissing va n de administrateur-generaal van 29 juni
2023 tot weigering subsidiebelofte voor omschakeling van bestaande plaatsen met basissubsidie naar plaatsen met subs idie voor inkomenstarief […])”.
II. Verloop van de rechtspleging
XII -9705-2/20 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord
ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord
ingediend.
Eerste auditeur heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het
geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste
memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 12 maart 2025.
Staatsraad heeft verslag uitgebracht.
Advocaat , die loco advocaten
en verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat
, die loco advocaat verschijnt voor de
verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur heeft een met dit arrest eensluidend
advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoekende partij baat dr ie kinderopvanglocaties uit, met
name .
3.2. Op 22 maart 2022 vindt een inspec tie plaats bij
door de Zorginspectie. Er worden diverse inbreuken vastgesteld. De Zorginspectie
XII -9705-3/20 adviseert omwille van de ernst van de va stgestelde tekorten om de handhaving op
te starten conform artikel 18 en volge nde van het decreet van 20 april 2012
‘houdende de organisatie van kinderopvang va n baby’s en peuters’ (hierna: decreet
van 20 april 2012).
3.3. Met een schrijven van 25 mei 2022 stuurt de verwerende partij
een aanmaning tot naleving van de vergunningsvoorwaarde in “de
kinderopvang-locatie georganiseerd door ”. De
verzoekende partij wordt aangemaand om de tekorten binnen de vermelde
termijnen weg te werken en om een plan van aanpak over te maken uiterlijk op 7 juni 2022. 3.4. Op 9 juni 2022 vindt een gesprek over de aanmaning plaats.
3.5. Op 14 oktober 2022 vindt opnieuw een inspectie plaats. De
Zorginspectie adviseert om de handhaving verder te zetten wegens de herhaalde
inbreuken. 3.6. Op 10 maart 2023 betekent de verwerende partij aan de
verzoekende partij een voornemen to t opheffing van de vergunning voor
. Bijlage 3 somt de betrokken
tekorten op voor De verzoekende partij wordt op 21 maart 2023
gehoord. 3.7. De verzoekende partij dient op 29 maart 2023 een aanvraag in
tot “subsidiebelofte voor de subsidie voor inkomstenst arief (Trap 2) Groepsopvang
– Omschakeling van bestaande plaatsen groepsopvang basissubsidie (Trap 1)”.
Op 3 mei 2023 verklaart de verwerende partij de aanvraag ontvankelijk.
3.8. Met een schrijven van 12 juni 2023 wordt de verzoekende partij
op de hoogte gebracht van het voornemen va n de verwerende partij tot weigering
van een subsidiebelofte voor subsid iegroep ). De
verwerende partij deelt mee: i) dat z ij in het kader van het onderzoek van de
XII -9705-4/20 aanvraag heeft vastgesteld dat er dossiermatige tegenindicaties voorhanden zijn
die erop wijzen dat de verz oekende partij de vergunnings - en subsidievoorwaarden
niet zal kunnen naleven; ii) dat zij daarom van plan is om de aanvraag te weigeren;
iii) dat het beslissingskader bepaal t dat het bestaan van een lopend
handhavingstraject, waarvoor de organisator een aanmaning kreeg, als een
dossiermatige tegenindicatie kan worden beschouwd.
3.9. De verzoekende partij reageert op 15 juni 2023 schriftelijk op dit
voornemen en formuleert daarbij vier middelen tegen het voornemen tot weigering van de subsidiebelofte. Zij stelt dat de handhavingsprocedure onwettig is nu deze
voor de drie opvanglocaties tezame n werd genomen, dat het lopende
handhavingstraject een facultatieve tege nindicatie betreft, dat de voorgenomen
weigering van de subsidiebelofte prematuur is in afwachting van een controlebezoek, en dat de weigering kennelijk onredelijk is, gelet op de geleverde
inspanningen. 3.10. Op 29 juni 2023 beslist de verwerende partij om de
subsidiebelofte te weigeren. Deze beslissing wordt als volgt, gemotiveerd:
“Uit het onderzoek blijkt het volgende:
Op 12 juni 2023 bezorgde Opgroeien re gie een voornemen tot weigering van de
subsidiebelofte aan de organisator op b asis van dossiermatige tegenindicaties, met
name het lopend handhavingstraject voor de kinderopvanglocatie
alsook voor de twee andere locaties van de organisator. Op 16 juni 2023 bezorgde de organisator per e-mail een reactie op het voornemen,
voormeld, waarbij vier middelen worden aangehaald : 1° Onwettige handhavingsprocedure. 2° Dossiermatige tegenindicatie is een facultatieve uitsluitingsgrond.
3° Het voornemen tot weigering is prematuur.
4° Het voornemen tot weigering is kennelijk onredelijk. Opgroeien regie heeft kennis genomen va n de aangehaalde middelen en is van
oordeel dat deze niet van aard zijn het v oornemen tot weigering te neutraliseren.
Het eerste middel dat verwijst naar het voornemen tot opheffing van de drie
opvanglocaties d.d. 10 maart 2023 die alle n onder de werking staan van dezelfde
organisator, , is geen handhavingsbeslissing. Voormeld
voornemen van 10 maart 2023 draagt juist in zich de kenmerken van transparantie,
duidelijkheid en behoudt het overzicht van de wijze van werking zowel in hoofde
van de organisator als van elke opvanglocatie specifiek en toont op een omstandige wijze aan wat de tekorte n op de vergunningsvoorwaarden zijn.
Het tweede middel is enkel informatief, het geeft aan wat reeds in het beslissingskader m.b.t. de oproep voor omschakeling van plaatsen met
basissubsidie naar subsidie inkomenstarie f d.d. 22 februari 2023 staat vermeld. De
XII -9705-5/20 dossiermatige tegenindicatie als facultatie ve uitsluitingsgrond zoals weergegeven
in het beslissingskader, voormeld, toont juist aan dat er voorzichtig omgesprongen
moet worden bij het toekennen van pub lieke financiële middelen, waardoor een
dossieranalyse een primordiale stap is om na te gaan of en zo ja er dossiermatige
tegenindicaties aanwezig zijn. Het derde middel geeft een geïsoleerde k ijk op het verloop van een oproep voor
omschakeling van plaatsen met basissubsid ie naar subsidie inkomenstarief.
Dossieranalyse heeft aangetoond dat de organisator van de drie kinderopvanglocaties duidelijk de werkingsvoorwaarden van het vergunningsstelsel niet nakomt. Sinds de opstart van de handhavingsproce dure middels de aanmaning d.d. 25 mei
2022, het gesprek d.d. 9 juni 2022 - waarb ij de tekorten werden toegelicht én de
organisator verklaarde de tekorten binnen de gestelde tim ings weg te werken - de
inspectiebezoeken van oktober 2022 en maart 2022, dient te worden vastgesteld dat er voor de kinderopvanglocatie ( alsook voor de andere
locaties) nog steeds recidiverende tekorten bestaan, hetgeen leidde tot het voornemen tot opheffing van de ver gunning d.d. 10 maart 2023. Dit
handhavingstraject kent actueel zijn verder verloop, waarbij Zorginspectie de
beloftes/engagementen die de organisator heeft aangehaald tijdens de hoorzitting
d.d. 21 maart 2023 kan nagaan om zo de werking te inspecteren op een werking
conform het vergunningsstelsel. Voor de huidige procedure voor de opr oep voor omschakeling van plaatsen met
basissubsidie naar subsidie inkomenstarief is vereist dat de aanvrager reeds kan
aantonen dat de werking conform het ve rgunningsstelsel verloopt, wat ten deze
omstandig is aangetoond dat daar erns tige vragen bijgestel d moeten worden.
Immers een organisator met alleen ee n vergunning dient reeds aan al deze
voorwaarden te voldoen.
De vraag die de organisator stelt om het resultaat van het inspectiebezoek af te
wachten alvorens in deze procedure te beslissen, kan niet worden ingegaan omdat
het beslissingskader, voormeld, bepaalt da t Opgroeien regie tegen 30 juni 2023
beslissing moet nemen tot het toekennen of weigeren van een subsidiebelofte.
Het vierde middel poneert dat het voorne men tot weigering kennelijk onredelijk
is, waarbij wordt verwezen naar de in spanningen die de organisator heeft
ondernomen.
De daarin vermelde elementen zijn evenwe l niet van aard dat hierbij is aangetoond
dat de reeds herhaalde tekorten zoals verm eld in de aanmaning, voormeld, op een
duurzame wijze zijn geremedieerd. Het aanwerven van kinderbegeleiders, het
aangaan van een sessie omtrent leiding, manager/verantwoordelijke, de aankoop
van materiaal op zich is geen waarbor g dat de organisator / verantwoordelijke
daadwerkelijk de capaciteiten heeft om zowel de bestaande als nieuwe
kinderbegeleiders kwaliteitsvol aan te st uren, dat de aanschaf van de materialen
daadwerkelijk correct, consistent worden gebruikt en opgevolgd, de teamvergaderingen zichtbaar een meerwaarde met zich mee brengen in de toepassing van de vereiste protocollen. Nazicht door een onafhankelijk orgaan,
onderlegd in een correcte toepassing van het vergunningsstelsel, met name
Zorginspectie, is een vereiste, reden waar om Opgroeien regie in het kader van de
handhavingsprocedure op niveau van de vergunning, na de hoorzitting het
voornemen nog niet heeft uitgevoerd.
Ondanks de reactie d.d. 16 juni 2023 is Opgroeien regie van oordeel dat er actueel
ernstige dossiermatige tegenindicaties blijven bestaan die een weigering van een
subsidiebelofte verantwoorden. Opgroeie n regie beroept zich bijgevolg op de
uitsluitingsgrond en heeft de aanvraag op basis van dossiermatige tegenindicaties
geweigerd.
[…].”
XII -9705-6/20
Dit is de tweede bestreden beslissing.
3.11. De verzoekende partij dien t op 31 juli 2023 bezwaar in tegen
deze beslissing. Het bezwaar wordt overgemaakt aan de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers (hierna: adviescommissie).
De adviescommissie adviseer t op 26 oktober 2023 als volgt:
“Opgroeien Regie heeft naar aanlei ding van deze uitbreidingsronde een
beslissingskader opgemaakt om de vr ijgemaakte middelen zo transparant
mogelijk te verdelen. Het beslissingskader omvat alle criteria die worden gebruikt
bij de beoordeling van de aanvraagdossiers.
De commissie gaat niet over tot een nieuwe, eigen beoordeling van de situatie, maar spreekt zich uit over de genomen beslissing. Zij gaat na of die beslissing in
overeenstemming is met de wettelijke regeli ng, met de algemene rechtsbeginselen
en met de beginselen van behoorlijk bestuur , of zij procedureel correct tot stand
gekomen is en of zij redelijk verantwoord en opportuun is.
De beslissing van Opgroeien regie is ge baseerd op een uitsluitingscriterium, zoals
opgenomen in het beslissingskader, op basis waarvan dossiers waarbij er een ernstige indicatie is dat de vergunnings- en/of subsidievoorwaarden niet zijn
nageleefd, omwille van ee n lopend handhavingstraject, worden uitgesloten en
geweigerd in het kader van deze uitbreidi ngsronde. Dat was hier het geval. De
commissie meent dat Opgroeien regie het b eslissingskader correct heeft toegepast.
Nadat de commissie kennis heeft genomen van het administratief dossier, inclusief het bezwaarschrift, en nadat ze beide partijen heeft gehoord op de zitting
beschouwt de commissie dit bezwaarschrift als ongegrond.”
3.12. Op 30 november 2023 bevestigt de verwerende partij de
weigering van een subsidiebelofte aan de verzoekende partij voor de omschakeling van bestaande plaatsen met basissubsid ie naar plaatsen met subsidie voor
inkomenstarief voor voor 36 plaatsen
inkomenstarief groepsopvang. Na een ve rwijzing naar het advies van de
adviescommissie luidt de motivering:
“Tevens heeft Opgroeien regie kennis genomen van de reactie van de organisator
van 31 oktober 2023 n.a.v. de mededeling van het vervolg op het voornemen tot
opheffing van de vergunning va n de drie locaties van de organisator, waaronder
van 26 oktober 2023 al sook het opvolggesprek van 6 november
2023.
Deze elementen kaderen in de ve rdere opvolging van het lopend
handhavingstraject m.b.t. […] de drie opvanglocaties van de organisator, waaronder
XII -9705-7/20 Voormeld handhavingstraject wordt actueel door Opgroeien regie verder
nauwgezet opgevolgd waarbij bijkome nde opvolgacties zijn gepland o.a.
opvolginspectiebezoek door Zorginspec tie, risicotaxatie door het VECK en
opvolging van de ondersteuning van CEGO die de organisator ontvangt.
Immers, n.a.v het opvolgingsbezoek van Zorginspectie d.d. 21 juni 2023 werd
voor de locatie m.b.t. de aanwezigheidsregister (art 38
Vergunningsbesluit van 22/11/2013) planni ng en registratie kinderbegeleiders
(art. 47 Vergunningsbesluit van 22/11/2013) , inzet kinderbegeleiders, (art. 42
Vergunningsbesluit 22/11/2013), verantw oordelijke (art. 39 Vergunningsbesluit
22/11/2013), risicoanalyse (art. 24 Verg unningsbesluit 22/11/2013) en ventilatie
in de binnenruimte (art. 21,2° Vergunningsbesluit 22/11/2013) tekorten
vastgesteld. Verder toonde de afname van het monitoringsinstrument MemoQ het
volgende aan:
Welbevinden : goed Betrokkenheid[:] nipt voldoende Emotionele ondersteuning : goed Educatieve ondersteuning : nipt voldoende Omgeving: nipt voldoende
Spijts doorgevoerde aanpassingen in de werki ng van de locaties, zijn deze niet van
aard om deze werking uit de handhaving te halen, reden waarom Zorginspectie
adviseerde tot verderzetting van de handhaving, zowel voor de locatie
alsook voor de overige twee locaties van de organisator.
Gelet op het verder verloop van dit handha vingstraject, stelt Opgroeien regie vast
dat heden ten dage nog steeds dossiermatig e tegenindicaties aanwezig zijn, zoals
bepaald in het beslissingskader, voornoemd, waardoor de minimale
kwaliteitsnormen niet vervuld zijn, rede n waarom ook deze opvanglocatie verder
in het handhavingstraject zit, en de aanvr aag subsidiebelofte om die redenen niet
kan worden toegekend. Het gevolg van deze beslissing
Gelet op hetgeen hierboven is uiteengezet, is Opgroeien regie van oordeel dat er
actueel dossiermatige tegenindicaties, zoals bepaald in het beslissingskader, blijven bestaan die een weigering van een subsidiebelofte verantwoorden. Opgroeien regie beroept zich bijgevolg op de uitsluitingsgrond zodat de aanvraag
op basis van dossiermatige tegenindicaties wordt geweigerd.
Opgroeien regie moet als overheid zorgvuldig het overheidsbudget besteden en
toekennen aan opvang die reeds kwalite itsvol én duurzaam is. Gelet op het
bovenstaande is er onvoldoende garantie op een duur zame kwaliteitsvolle opvang
en is het noodzakelijk dat eerst aanget oond wordt dat de bestaande werking in
staat is de aangehaalde tekorten op een duurzame wijze kan wegwerken vooraleer
bijkomende subsidies toegekend worden.”
Dit is de eerste be streden beslissing.
XII -9705-8/20 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Ambtshalve exceptie ratione materiae Uiteenzetting van de exceptie
4. Het auditoraat merkt ambtshalve op dat de weiger ingsbeslissing
van 29 juni 2023 (tweede bestre den beslissing) niet vatbaa r is voor beroep bij de
Raad van State. Wanneer tegen een besl issing een georganiseerd bestuurlijk
beroep openstaat, is enkel de in beroep genomen beslissing vatbaar voor beroep bij
de Raad van State.
5. De verzoekende partij neemt hiervan akte in haar laatste memorie.
Beoordeling
6. Alleen bestuurlijke beslissingen die in laatste aanleg zijn
genomen, kunnen het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietigverklaring bij de
Raad van State. Tegen de tweede bestreden beslis sing is een best uurlijk beroep
aangetekend overeenkomstig artikel 108 va n het besluit van de Vlaamse regering
van 9 mei 2014 ‘houdende de procedures voor de aanvraag en de toekenning van
de vergunning en de subsidies voor g ezinsopvang en groepsopvang van baby’s en
peuters’ (hierna: besluit van 9 mei 2014). Het bezwaar werd behandeld volgens de
regels die zijn vastgelegd in of ter ui tvoering van hoofdstuk III van het decreet van
7 december 2007 ‘houdende de oprichting van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers’. Dit heeft tot de eerste bestreden be slissing geleid, die
de in laatste aanleg genomen bestuurlijke beslissing vormt. De tweede bestreden
beslissing is bijgevolg geen in laatst e aanleg genomen bestuurlijke beslissing.
XII -9705-9/20 Het beroep tegen de tweede bestreden beslissing is niet
ontvankelijk.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
7. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending
aan van artikel 12 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juli 2013 ‘betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn,
Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers (hierna: het besluit van 12 juli 2013)’, artikel 108 van het besluit van 9 mei 2014, de artikelen 15 tot en met
21 van het decreet van 20 ap ril 2012, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motiv ering van de bestuurshandelingen’
(hierna: wet van 29 juli 1991), en het materiëlemotiveringsbeginsel.
De verzoekende partij vat het middel als volgt samen:
“Verzoekster heeft in haar bezwaar voor de Adviescommissie geargumenteerd dat
de handhavingsprocedure onwettig is omdat ze tege lijk wordt gevoerd ten
opzichte van de 3 kinderopvanglocaties,
, terwijl elk kinderdagverblijf een afzonderlijke vergunning heeft en
Opgroeien toegeeft dat een eventuele bestuurlijke maatregel per kinderdagverblijf
moet worden genomen. Dit bezwaar werd niet ontmoet, alhoewel het middel gegrond is. Tevens is er sprake van een motiveringsgebrek in hoofde van de
Adviescommissie die niet kon rechtgezet worden noch rechtgezet is in de bestreden beslissing.”
8. In de memorie van wederant woord herhaalt de verzoekende
partij dat een gezamenlijk voornemen to t opheffing van de vergunningen van de
drie opvanglocaties leidt to t een negatieve beeldvorming. Er is geen grond voor
samenvoeging. De bestreden beslissing is gesteund op het gecumuleerd
voornemen. Het advies van de adviescommi ssie is niet gemotiveerd, hierdoor kan
de minister niet met voldoende kennis van zaken beslissen.
XII -9705-10/20 9. In de laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat de
adviescommissie het opgeworpen bezwaar “niet behandeld [hee ft] of misschien
beter gezegd niet ontmoet”. Het gegeven dat het argument door de verzoekende
partij en door de verwere nde partij werd besproken ti jdens de hoorzitting brengt
daar geen verandering in. Het louter weergeven van de st andpunten van partijen is
geen inhoudelijk standpunt van de advi escommissie zelf. Vervolgens stelt de
verzoekende partij dat de collectieve handhavingsprocedure niet voorzien is, en
zelfs niet toegelaten, en dus een impact kan hebben op de bestreden beslissing.
Volgens haar blijkt uit niets dat er aan het lopende handhavingstraject voor
even zwaar zou zijn getild indien er niet werd verwezen naar de
andere opvanglocaties en er geen impact is van de negatieve beeldvorming. Anders
dan de auditeur stelt, ligt volgens de verzoekende partij, de bewijslast van de
beïnvloeding niet bij de verzoekende partij, maar de bewijslast van de
niet-beïnvloeding bij de ve rwerende partij. Dit bewijs argument is verantwoord
omdat (a) geen enkele bepa ling in de toepasselijke reglementering voorziet in een
‘collectieve’ handhavingsprocedure en (b) het bestaan van een handhavingstraject
een facultatieve u itsluitingsgrond is. Ieder handhavingsdossier en ieder
subsidiedossier vereist zijn eige n afzonderlijke beoordeling per vergund
kinderdagverblijf.
Beoordeling
10.
Overeenkomstig artikel 12 van het besluit van 12 juli 2013 heeft
de adviescommissie onder meer als opdrach t om advies uit te brengen aan de
Vlaamse minister, bevoegd voor de bi jstand aan personen en voor het
gezondheidsbeleid, over het bezwaar tegen de beslissing of het voornemen om een
subsidie voor kinderopvangloc aties te weigeren, te verm inderen, stop te zetten of
terug te vorderen. Artikel 12, § 2, van het besluit van 12 juli 2013 bepaalt:
“Het advies kan betrekking hebben op de inhoudelijke en formele aspecten van
het bezwaar en van het voornemen of de beslissing waartegen het bezwaar is
ingediend.
XII -9705-11/20 Het advies is gemotiveerd. Het maakt ook melding van een afwijkend standpunt
op verzoek van het lid dat het formuleert , zonder vermelding van zijn identiteit.”
Over het bezwaar kan overeenkomstig artikel 22 van datzelfde
besluit pas een beslissing worden genomen na ontvangst van het advies van de
commissie, tenzij de termijn is verstreken waarbinnen het advies moest worden gegeven. 11. Het advies van de adviescommissie is gemotiveerd zoals vereist
door artikel 12, § 2, van het besluit van 12 juli 2013. Dit blijkt uit de volgende
passage:
“De beslissing van Opgroeien Regie is gebaseerd op een uitsluitingscriterium,
zoals opgenomen in het beslissingskader, op basis waarvan dossiers waarbij er een
ernstige indicatie is dat de vergunnings- en/of subsidievoorwaarden niet zijn
nageleefd, omwille van ee n lopend handhavingstraject, worden uitgesloten en
geweigerd in het kader van deze uitbreidi ngsronde. Dat was hier het geval. De
commissie meent dat Opgroeien regie het beslissingskader correct heeft toegepast.”
12. De formelemotiveringsplicht zoal s bepaald in de artikelen 2 en 3
van de wet van 29 juli 1991 houdt in dat de beslissing van het bestuur uitdrukkelijk
de juridische en feitelijke overweginge n moet vermelden die eraan ten grondslag
liggen en dit op een afdoende wijze. Deze motiveringsplicht impliceert niet dat de
bestreden beslissing moet ingaan op álle argumenten die verzoeker heeft laten
gelden. Het volstaat in beginsel dat afdoe nde blijkt, minstens in het algemeen, op
grond van welke motieven de overheid eraan is voorbijgegaan. H e t a f d o e n d e karakter van de motiv ering betekent dat de
motivering pertinent moet zijn, dit wil ze ggen dat ze duidelijk me t de beslissing te
maken moet hebben, en dat ze draagkrachti g moet zijn, dit wil zeggen dat de
aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste
bestaansreden van de motiveringsplic ht, zoals die wordt opgelegd door de
voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de mo tieven moet kunnen aantreffen op grond
XII -9705-12/20 waarvan ze werd genomen, opdat de betr okkene met kennis van zaken zou kunnen
uitmaken of het aangewezen is de beslissi ng met een annulatieberoep te bestrijden.
De materiëlemotiveringsp licht houdt in dat iedere
administratieve rechtshandeling moet ste unen op motieven waarvan het feitelijk
bestaan naar behoren is bewezen en di e in rechte ter verantwoording van die
handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om
zijn oordeel omtrent de feiten in de pl aats te stellen van het oordeel van de
administratieve overheid. Hij is enkel bevo egd om desgevraagd na te gaan of de
administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoord eeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de
redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel
uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Uit het advies van de adviescommissie blijkt dat kennis is genomen van de argumenten van de verzoekende partij.
Vóór de in het vorige
randnummer geciteerde passage worden de standpunten van de verzoekende partij
en de verwerende partij weergegeven door de adviescommissie. De verwerende
partij stelt daarin onde r meer dat, wat het voornemen tot opheffing betreft, “de drie
kinderdagverblijven samen besproken worden maar er steeds duidelijk voor elke
locatie apart de analyse van de tekor ten wordt gemaakt. Het agentschap
verduidelijkt dat bij deze weigeringsbesl issing er enkel werd gekeken naar de
situatie van en niet naar de andere in het voornemen tot opheffing
vermelde locaties.” Daarop besluit de a dviescommissie “dat O pgroeien regie het
beslissingskader correct heeft toegepast”. In het licht van het voorgaande kan de verzoekende partij op afdoende wijze begr ijpen welke juridische en feitelijke
overwegingen aan het advies ten grondslag liggen. De eerste bestreden beslissing is afdoende gemotiveerd. Eerst
wordt het advies van de adviescommissie geciteerd waarin wordt verwezen naar
het lopende handhavingstraject. D aarna wordt uiteengezet dat het
handhavingstraject voor opvanglocatie wordt verdergezet en dat er
XII -9705-13/20 nog steeds dossiermatige tegenindicaties aan wezig zijn zoals bepaald in het
beslissingskader. Dit wordt door de ve rzoekende partij niet ontkend noch
weerlegd. Op basis van de geciteerde motivering kan de verzoekende partij
effectief inzicht krijgen in de redenen van de beslissing en is zij in staat met kennis
van zaken deze beslissing aan te vechten.
De verwijzingen in de eerste bestreden beslissing naar het
voornemen tot opheffing van de vergunning va n de andere locaties doet geen
afbreuk aan de vaststellingen met betrekki ng tot de situatie van
Noch de artikelen 2 en 3 va n de wet van 29 juli 1991, noch het
materiëlemotiveringsbeginsel, zijn geschonden. 13. Artikel 108 van het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei
2014, zoals het gold ten tijde van het indien en van het bezwaarschrift, luidde:
“De organisator kan uiterlijk dertig ka lenderdagen na de kennisgeving van de
beslissing, vermeld in artikel 20, 70 en 101, bezwaar aantekenen bij het
agentschap met een aangetekende brief. De aangetekende brief moet de volgende
gegevens bevatten:
1°de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2°de naam en het adres va n de kinderopvanglocatie;
3°het dossiernummer; 4°de motivering van het bezwaar; 5°de vermelding of de orga nisator wil gehoord worden;
6°de datum en de handteken ing van de organisator.”
Uit het administratief dossier bl ijkt dat de verzoekende partij op
31 juli 2023 bezwaar heeft ingediend. De verzoekende partij toont geen schending
aan van het voormelde artikel 108. 14. De verzoekende partij acht de artikelen 15 tot en met 21 van het decreet van 20 april 2012 geschonden door dat de verwerende partij een
“collectieve” handhavingsprocedure heeft ge voerd en omdat er één gezamenlijk
voornemen tot opheffing van de vergunning werd geformuleerd. De verzoekende partij stelt dat “[u]it niets blijkt dat er aan het lopende handhavingstraject voor
XII -9705-14/20 even zwaar zou zijn getild indien er niet werd verwezen naar de
andere opvanglocaties en er geen imp act is van de negatieve beeldvorm
ing”.
De eerste bestreden beslissing is gebaseerd op de vaststelling dat
het handhavingstraject voor opvanglocatie wordt verdergezet en
dat er nog steeds dossiermatige tegenindicatie s aanwezig zijn zoals bepaald in het
beslissingskader. De verzoekende partij weerlegt dit motief niet. De verzoekende
partij toont niet aan dat de tekorten vastgesteld voor opvanglocatie
op zich niet kunnen worden beschouwd als een ernstige indicatie dat de vergunnings- en/of subsidievoorwaarden niet zullen kunnen worden nageleefd en dat dit een tegenindicatie vormt voor he t geven van een subsidiebelofte zoals
voorzien in het beslissingskader. De verw ijzingen in de eerste bestreden beslissing
naar het voornemen tot opheffing van de vergunning van de andere locaties doet geen afbreuk aan de vaststellingen met betrekking tot de situatie van
In zoverre de verzoekende partij aldus aanvoert dat er niet “even
zwaar zou zijn getild [aan de tekorten in indien er niet werd
verwezen naar de andere opvanglocaties” heeft zij geen belang bij dit middelonderdeel. De kritiek van de verzoeke nde partij wordt bovendien niet
bijgevallen. Ongeacht of he t voornemen tot opheffing van de vergunningen in één
brief werd geformuleerd, blijkt dat de handhavi ngsprocedure per
kinderopvang-locatie werd gevoerd. Zo worden de locaties afzonderlijk
geïnspecteerd, worden de vaststellingen en de tekorten afz onderlijk opgesomd en
afzonderlijk beoordeeld. Uit het administ ratief dossier (aan maning tot naleving
vergunningsvoorwaarden, voornemen tot opheffing vergunning, inspectieverslagen) blijkt dat er tekorten werden vastgesteld op het niveau van de
organisator en op het niveau van de kinderopvanglocaties. Deze worden voor
weergegeven in bijlage 3 bij het voornemen tot opheffing. De
bewering dat alle tekortkomi ngen op één hoop worden gegooid en dat er sprake is
van een “collectieve handhavingsprocedur e” kan niet worden bijgetreden. De
tekortkomingen zijn verschillend per opva nglocatie en worden per opvanglocatie
opgelijst in een bijlage.
XII -9705-15/20 De verzoekende partij toont de schending van de aangehaalde
bepalingen niet aan.
15. Het eerste middel is niet gegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
16.
In een tweede middel voer t de verzoekende partij de schending
aan van “het Beslissing skader”, het beginsel patere legem quam ipse fecisti , de
artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en het materiëlemotiveringsbeginsel.
Doordat er verwezen wordt naar het ha ndhavingstraject van de twee andere
kinderdagverblijven zijn, volgens de verzoekende partij, de voornoemde bepalingen geschonden. Er wordt eveneens ni et afdoende gemotiveerd waarom het
facultatieve uitsluitingscriterium wordt toegepast. De verwerende partij houdt
onvoldoende rekening met de inspanningen. 17.
In de memorie van wederantwoord zet de verzoekende partij
uiteen dat de verwijzing naar het ha ndhavingstraject van
geen overtollig motief betreft. Het beslissingskader houdt net een
facultatieve uitsluitingsgrond in om rekening te kunnen houden met
verbeterings-inspanningen. In de bestreden beslissing wordt volgens de verzoekende partij geen rekening ge houden met de vele en ingrijpende
maatregelen die genomen zijn om de we rking van te verbeteren.
18. In de laatste memorie herhaa lt de verzoekende partij haar
standpunt. Een handhavingstraject is niet automatisch een ernstige tegenindicatie
en een ernstige tegenindicatie heeft niet automatisch de uitsluiting tot gevolg. De
bestreden beslissing is in werkelijkheid een sanctie voor een niet afgesloten
handhavingstraject dat niet noodzakelijk zal leiden tot een intrekking of
opschorting van de verg unning van
XII -9705-16/20 Beoordeling
19. In zoverre de verzoekende pa rtij een schending aanvoert van het
motiveringsbeginsel wat betreft het feit dat verwezen wordt naar het
handhavings-traject van de twee andere opvanglocaties, volstaat het om te
verwijzen naar de beoordeli ng van het eerste middel.
In tegenstelling tot wat de verzoekende partij uiteenzet, motiveert de beslissing wel de gelijk waarom de uitsluitingsgrond wordt toegepast:
er zijn “[s]pijts [de] doorgevoerde aanpassingen” nog dossiermatige tegen-indicaties waardoor de minimale kwalit eitsnormen niet zijn vervuld. Verder
wordt uiteengezet dat het overheidsbudget zorgvuldig moet worden besteed en moet worden toegekend aan opvang die reeds kwaliteitsvol en duurzaam is. Er is onvoldoende garantie op een duurzame kwaliteitsvolle opvang en het is noodzakelijk dat eerst aangetoond wordt dat de bestaande werking in staat is de aangehaalde tekorten op een duurzame w ijze weg te werken vooraleer er
bijkomende subsidies worden toegekend. 20. Het beginsel patere legem quam ipse fecisti houdt in dat het
bestuur, en de organen die er van afhangen, verplicht zijn de algemene regels die ze
zelf hebben vastgesteld, bij de concrete toepassing ervan, te eerbiedigen. Het kan derhalve enkel worden ingeroepen wanneer het gaat om de (nie t-)naleving van een
rechtsregel. De verzoekende partij ste lt dat het beslissingskader is
geschonden en benadrukt dat er sprake is va n een facultatief uitsluitingscriterium.
Het beslissingskader vermeldt op pagina 4 :
“Uitsluiting
Opgroeien regie screent de ont vankelijke aanvragen op basis van
7 uitsluitingscriteria. Als een uitsluitingscr iterium van toepassing is, dan wordt de
aanvraag uitgesloten en geweigerd. Er is dan geen subsidiebelofte mogelijk.
1. Dossiermatige tegenindicaties
Voor elke ontvankelijke aanvraag screent Opgroeien Regie het dossier van de
aanvrager.
XII -9705-17/20 Blijkt daaruit een ernstige indicatie dat de vergunnings- en/of
subsidievoorwaarden niet (zullen) kunne n worden nageleefd, dan is dit een
tegenindicatie voor het geven van een s ubsidiebelofte. Dan kan de aanvraag
worden uitgesloten.
Voorbeelden (niet exhaustief)
[…]
● Een lopend handhavingstraject ten aanzi en van de organisator waarvoor de
organisator een schriftelijke aanmaning kreeg. […]
Als deze uitsluiting zich voordoet, dan neemt de administrateur-generaal van Opgroeien Regie een gemotiveerde beslissing tot weigering van de subsidiebelofte.”
In casu ligt er een lopend handhavi ngstraject voor waarvoor de
organisator een schriftel ijke aanmaning kreeg. Deze uitsluiting doet zich voor en
heeft tot gevolg dat een gemotiveerde beslissing tot weigering van de
subsidiebelofte wordt genomen, zoals voorzien in het beslissingskader. De
bestreden beslissing houdt bovendien wel de gelijk rekening met de inspanningen
van verzoekster, maar stelt vast dat deze ni et van aard zijn om de werking uit de
handhaving te halen.
De schending van het beslissingskader en het beginsel patere
legem quam ipse fecisti wordt niet aangetoond.
21. Het tweede middel is niet gegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
22. De verzoekende partij voert in het derde middel de schending
aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondw et en het gelijkheids- en
non-discriminatiebeginsel en verzoekt om de toepassing van artikel 159 van de
Grondwet. De uitsluitingsgrond dossier matige tegenindicatie “lopend
handhavingstraject” houdt geen reke ning met de uitkomst van het
handhavings-traject. Verder wordt er geen rekening gehouden met
XII -9705-18/20 handhavingstrajecten die mogelijk eerstdaags na de subsidiebeslissing worden
stopgezet. Ten slotte heef t het criterium perverse effecten. De dossiermatige
tegenindicatie “lopend handhavings-traject” kan volgens de verzoekende partij tot gevolg hebben dat een handhavingstraject (bewust) langer wordt aangehouden om
kinderdagverblijven uit te sluiten van de subsidie.
23. In de memorie van wederantw oord zet de verzoekende partij
uiteen dat de verwerende partij zelf onde rzoek had moeten doen naar de genomen
verbetermaatregelen.
24. In de laatste memorie volha rdt de verzoekende partij en
argumenteert zij verder dat er een object ieve ongelijkheid is tussen opvanglocaties
waarbij de Zorginspectie snel een inspectiebezoek inplant en opvanglocaties
waarbij het langer duurt om een inspec tiebezoek in te plannen. Enkel naar
aanleiding van een bezoek van de Zo rginspectie kan een handhavingstraject
worden stopgezet. Uit het laatste inspectieverslag en het advies van VECK blijkt dat de werking van wél op korte termijn verbetert, hetgeen reeds
het geval was ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing.
Beoordeling
25. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de
niet-discriminatie, zoals vervat in de ar tikelen 10 en 11 van de Grondwet, vereisen
dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden op gelijke wijze worden
behandeld. Het gelijkheidsbeginsel belet dat er een willekeurig onderscheid wordt
gemaakt tussen burgers, ondernemingen of entiteiten. De grondwettelijke regels
van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit da t een verschil in
behandeling tussen bepaalde categorieën va n personen wordt ingesteld, voor zover
dat verschil op een objectief criterium be rust en het redelijk verantwoord is.
Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die
zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende
situaties bevinden, op identieke wijze word en behandeld, zonder dat daarvoor een
redelijke verantwoording bestaat. Het be staan van een dergelijke verantwoording
XII -9705-19/20 moet worden beoordeeld, rekening houdend me t het doel en de gevolgen van de
genomen maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Het
gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband
van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 26. Een vermeende ongelijkheid kan in casu niet dienstig worden
ingeroepen, aangezien ze gebaseerd is op loutere veronderstellingen die in het
geval van de verzoekende partij niet va n toepassing zijn. Het handhavingstraject
was op het ogenblik van de eerste bestre den beslissing nog niet beëindigd. De
verzoekende partij be weert evenmin, of toont evenmin aan, dat het
handhavingstraject eerstdaags na de subsid iebeslissing werd stopgezet. Het feit dat
de werking al verbeterd was ten tijde van het nemen van de eerste bestreden
beslissing, verandert niets aan de vastst elling in voornoemde beslissing dat de
Zorginspectie desondanks adviseerde tot verderzetting van de handhaving.
De bewering dat het handhavingstr aject perverse effecten heeft
en langer wordt aangehouden om kinderdagverb lijven uit te sluiten van de subsidie
wordt niet gestaafd. 27. Voor zover de verzoekende partij in de laatste memorie, voor het
eerst laat gelden dat “er […] een objectie ve ongelijkheid [is] tussen opvanglocaties
waarbij de Zorginspectie snel een inspectiebezoek inplant en opvanglocaties
waarbij het langer duurt dat Zorginspect ie een bezoek inplant nu enkel naar
aanleiding van een bezoek van Zorginspectie een handha vingstraject kan worden
stopgezet” en derhalve nieuwe kritiek en en argumenten aanvoert, toont de
verzoekende partij niet aan dat zij die ni et reeds in haar verzoekschrift had kunnen
ontwikkelen. Aldus geeft de verzoekende pa rtij op laattijdige en niet-ontvankelijke
wijze een nieuwe grondslag aan het midde l. Die argumenten en kritieken kunnen
derhalve niet tot nietigverklaring leiden. 28. Het derde middel is, voor z over ontvankeli jk, ongegrond.
XII -9705-20/20 BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van
24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is
aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee juni tweeduizend vijfentwintig, door
de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
, kamervoorzitter,
, staatsraad,
, staatsraad,
bijgestaan door , griffier.
De griffier De voorzitter