ARR:WI 18.DE012
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Dendermonde
📅 2025-05-16
🌐 FR
veroordeling
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
Gerechtelijk Wetboek
Volledige tekst
1.
2.
3. Rprhth;ink v,m PC1 ~te an nier, Oost-Vl;i;indE>rPn, ;ifdPlinn DC'ndcrmoncle -71ttrnP, v,rn 16 mei 202 5
D 8e kamer -
In de zaal< van:
WOONINSPECTEUR , bevoegd voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest, l<BO nummer
0316.380.841, met kantoren te 1000 Brussel, Havenlaan 88 bus 50,
Eiseres,
Vertegenwoordigd door Mr. loco Mr. , advocaat te
tegen:
, KBO nummer , met vennootschapszetel
te
, riJkreg1sternummer wonende te
, njkregisternumme r , wonende te
Verweerders,
Allen vertegenwoordigd door Mr. , advocaat te
DE RECHTBAN K SPREEl<T HET VOLGEND VONNIS UIT:
1. PROCEDU RE
1. De rechtbank nam In het dossier van rechtspleging onder meer kennis van:
-de inleidende dagvaarding die werd betekend op 13 oktober 2023;
de beschikking van 15 december 2023 met procedureregeling overeenkomstig
artikel 747 §1 van het Gerechtelijk Wetboek;
-de syntheseconclu~ie voor eiseres van 27 juni 2024;
de syntheseconclusie voor verweerders van 26 september 2024;
de door partijen neergelegde stukken
De rechtbank heeft de standpunten van partijen gehoord tijdens de zitting van 28 februari
2025.
De 1echtbank heeft de debatten gesloten en nam de zaak in beraad.
2/8
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde -zitting van 16 mei 2025
D Be kamer-
2. De rechtbank heeft toegezien op de naleving van de wet op het gebruik der talen in
gerechtszaken, in het bijzonder de artikelen 2 en 30 tot 42.
ll. FEITEN EN VOORGAAN DEN
3. zijn blote eigenaar van het handelspand
', gelegen In
heeft het vruchtgebruik.
In maart 2017 sloot een handelshuurovereenkomst met in
oprichting, vertegenwoordigd door waarbij het handelspand met ingang van
1 april 2017 in huur werd gegeven en met uitdrukkelijke bestemming horeca-tavern e.
4. Op 28 juni 2018 begaf een woon inspecteur bij het Agentschap Wonen-Vlaanderen zich
naar dit handelspand en stelde vast dat "het pand een handelszaak op het gelijkvloers betreft
met een kamerwoning met 2 kamers op de 1e verdieping".
Eiseres stelde een stedenbouwkundige overtreding vast vermits er geen
omgevingsvergunning gekend was voor de functiewijziging van het pand naar kamerwoning
en het wijzigen van het aantal woongelegenheden.
Eiseres stelde bijgevolg op 31 juh 2018 een herstelvordering op en stelde het Openbaar
Ministerie, het college van burgemeester en schepenen van verweerders en
hiervan In kennis.
Op 22 oktober 2018 besloot om de procedure tot ongeschikt
en onbewoonbaarverklar ing van het handelspand stop te zetten omdat "er geen bewoning is
en dat de bestemming van het pand Horeca-Taverne is".
5. Per brief van 28 juli 2021 verzocht eiseres aan verweerders haar in te lichten over de
stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de herstelvordering.
De raadsman van verweerders reageerde per e-mail van 6 september 2021 verwijzend naar
de stopzetting van de procedure tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring van het
handelspand en stellende dat de herstelvordering zonder voorwerp zou zijn.
Eiseres antwoordde dat zij de herstelvordering handhaafde.
Per brief van 6 januari 2022 lichtte eiseres verweerders in dat het Openbaar Ministerie het
dossier had geseponeerd maar dat zij de herstelvordering nog steeds handhaafde .
Vermits zij geen reactie kreeg op deze brief, verzond zij een laatste ingebrekestelling . De
raadsman van verweerders bleef in zijn brief van 6 mei 2022 bij zijn standpunt namens zijn
cliënten.
3/8
Rerhtbank van E'Pt'*' ;ianlcp; Oost Vlaand01Pn, afdf'ling 0endPrmondf' -z1ttmp. v;in l b rnei 202~
D Be kame1 -
Eiseres ging vervolgens over tot dagvaarding .
lil. VORDERINGEN
6. Eiseres vordert in haar syntheseconclus1e:
De vorde1mg van concludente ontvankelijk en geg10ud te verklaieu,
Te zeggen voor recht dat voo1 llet pand gelegen te
k:adastt aal gekend als munmei
, de puncipicle hcrstclmaattegel niet kau wo1den toegepast 1ekeuuig houdende
met het feit dat het pand ingevolge het bestaan van een wetteh.1k beletsel niet confo1m kan
w01den gemaakt, 111et name ingevolge een stedenbouwkundige inlneuk door het wijzigen van
het pand uaar kameiwomng en hel WlJZtgeu van het aantal woongelegenheden van I naai 2.
D1e11volget1s te zeggen vo01 recht dat de ove1treders/ve1werende partijen wo1dcn vc1001cleeld
tot het verlenen van een andere bestemnung aan llet pand volgens de bepalingen van de VCRO,
dnn wel het pand moeten slopen, tem.tJ deze sloop ve1boden is op grond van welleliJke,
decretale. of reglementaire bepalingen.
Onde1gesclükt en in 7.overre de rechlbank zou 001dclen dat c1 geen wettelijk beletsel annwezig
is, het pnncipielc he1stel van de VCW op te leggen.
Dienvolgens de verweerde1s te veroordelen tot een dwangsom van 125,00 cmo per dag
vertraging biJ het lllel-naleven vau dit bevel bmuen de voo1opgestclde term1Jn van tien maanden
met uitclrukkellJke vermelding dat de ternüjn van tien maanden enkel een aan de
hoofdveroo1delmg gekoppelde teuniju is en geenszins een dwangso111term1JI1 in de zin van
artikel 1385bis Gcr.W.;
Vervolgens de concludente en llct College van butgemeester en schepenen van
machllgmg te ve1leneu lot het uitvoc1en van het bevolen herstel m plaats van de
ve1001deeldcn na het ve1sttijken van de te1mijn ingeval zij dit nalaten en dit op hun kosten:
De verwee1de1s tevens te ve1oordelen tot de kosten van het gedlllg met inbegtip van de
dagvaatdingskost. de kost van de ove1 scluijvmg van de dagvamding op het Hypotheekkantoor,
de kost van de ove1schr~vrng van het tussen te komen vonnis en/of arrest op liet
Hypotbeekkau1001 en de 1echtsplegi.ngsvergoed111g begroot op de
bas1s1echtsplegmgsve1goedmg van l.800,00 cmo:
Tot slot de verweerdc1s te vc10ordelen tot de kosten van de herlluisvcstmg en llet te vellen
vonnis uitvoe1bam te ve1klaie11 b(j vo01rnad en mettegeustaaude alle verhaal. zonde1
borgstelling en met de uitsluiting van het kantonnement
4/8
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaand<!rcn, afdeling Dendermonde -zitting van 16 mei 2025
D Se kamer-
7. Verweerders vordert in hun syntheseconclusie:
De vordering van <'i!-irl al, onontvankelijk, minsten'> ah. ongegrond af te w~1zcn.
Eiser te horen vcrnord<'lcn Lot de kosten van de proct'durc, in hoofd<' van condnantc-n
bq~root op:
-RPV:
-Opvra!!,ing kaclastrak gq1,1'vc·m:
IV. ONTVANl(ELIJKHEID l .H00,00 :Cl JR
100,00 EUR
8. Verweerders betwisten de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres omdat de
vordering is ingesteld enkel door eiseres en niet samen met het college van burgemeester en
schepenen.
Het is niet omdat artikel 3.44, §4 Vlaamse Codex Wonen van 2021 bepaalt dat de
wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen voor de rechtbank van eerste
aanleg de uitvoering van de herstelmaatregel kunnen vorderen dat zij dit samen dienen te
doen Zij zijn elk titularis van dit vorderingsrecht maar de wet bepaalt niet dat dit een
gezamenl ijk vorderingsrecht betreft. Zij hebben elk de mogelijkheid om de uitvoet lng van de
herstelmaatrege l te vorderen voor de burgerlijke rechter.
De rechtbank ziet voor het overige zelf geen redenen die zij ambtshalve moet aanbrengen om
de ontvankelijkheid in vraag te stellen.
De rechtbank verklaart de vordering ontvankelijk.
V. BEOORDELING TEN GRONDE
9. Eiseres vordert de uitvoering van de herstelmaatr egel, in die zin dat zij een andere
bestemming dienen te geven aan het pand, dan wel het pand moeten slopen. Volgens eiseres
is het pand in eigendom van verweerders een kamerwoning die dient te voldoen aan artikel 5
van de Vlaamse Wooncode (thans artikel 3.1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021).
Artikel 20, §1, 2de lid van de Vlaamse Wooncode (thans artikel 3.34 van de Vlaamse Codex
Wonen van 2021) bepaalt als volgt:
"Wanneer een roerend of een onroerend goed dat niet hoofdzakelijk voor wonen
bestemd is, rechtstreeks of via een tussenper soon wordt verhuurd, te huur gesteld of
ter beschikking gesteld met het oog op bewoning terwijl dit goed gebreken vertoont
die een veiligheids- of gezondheidsrisico inhouden of terwijl in dit goed de
basisnutsvoorzieningén zoals elektriciteit, sanitair, kookgelegenheid en
verwarmingsmogelijkheid ontbreken of niet behoorlijk functioneren, wordt de
5/8
Rechlbank vdn f>t>r\ll' aanlPP. Oosl-Vl,1a nde1en, ,ifdPl!ng DendPr rnondP -zrll,np, v,111 16 mei 702!:7,
D8e kdf'ner-
verhuurder, de eventuele onderverhuurder of diegene die dat roerend of onroerend
goed ter beschikking stelt, gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie
Jaar en een geldboete van 500 tot 25.000 euro of met een van die straffen alleen."
Volgens artikel 2, §1, 31 ° van de Vlaamse Wooncode {thans artikel 1.1, 66° van de Vlaamse
Codex Wonen van 2021} is een woning elk onroerend goed of het deel ervan dat hoofdzakelijk
bestemd is voor de huisvestiging van een gezin of alleenstaande.
Eiseres houdt voor dat op de eerste verdieping van het handelspand twee kamers zijn
ingericht die worden verhuurd.
Eiseres stelde in haar vaststellingen dat op de eerste verdieping twee kamers voorzien zijn die
afhankelijk ziJn van gemeenschappel ijke voorzieningen, zijnde keuken, leefruimte en
badkamer.
Zij slaagt er evenwel niet in aan te tonen dat deze kamers effectief bewoond worden en
verhuurd worden door verweerders
In tegenstelling tot wat eiseres in haar syntheseconclusie voorhoudt, werd er geen
huurovereenkomst ge5loten met sloot een
handelshuurovereenkomst met 111 oprichting met als bestemming de uitbating
van het café en zonder woongelegenheid.
De werkelijke bestemming heeft uiteraard voorrang op de contractueel voorziene
bestemming. Voor wat betreft kamer , 1s het duidelijk dat eiseres zich baseert op de
verklaringen van die beweerde aldaar te wonen en de kamer te verhuren
aan een zekere voor 150 euro per maand. Eiseres stelde
evenwel zelf ter plaatse vast dat de kamer niet bewoond wordt ("De kamer lijkt niet echt
dagdagelijks bewoond en gebrwkt."). Het is dus niet duidelijk of de verklaring van
overeenstemt met de werkelijkheid en misschien eerder dient gelezen te worden
in het licht van zijn wens om zich te laten inschnjven op het adres van het handelspand in de
bevolkingsregister maar dit reeds werd geweigerd door de wijkagent. In kamer heeft
eiseres zelf geen vaststellingen kunnen doen vermits deze kamer slotvast was.
verklaarde eveneens dat deze persoon niet vaak aanwezig 1s.
Daar komt nog bij dat het college van burgemeester en schepenen besloot tot stopzetting van
de procedure tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring wegens het niet verhuren van een
woning. Eberes stelde hoger beroep in maar dit hoger beroep werd zonder voorwerp
verklaard. Ook het Openbaar Ministerie ging over tot seponering van de biJ haar aanhangige
zaak.
Eiseres faalt in haar bewijslast. Haar vordering is ongegrond.
6/8
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde -zitting van 16 mei 2025
D 8e kamer-
Vl. PROCESl<OSTEN
10. De proceskosten vallen in de regel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij
(artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek).
De proceskosten omvatten (1) de kost van dagvaarding, (2) de rolrechten en (3) de
rechtsplegingsvergoeding, te weten een forfaitaire tussenkoms t in de advocatenkosten
(artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek) .
Eiseres is in casu de in het ongelijk gestelde part1J.
11. Behalve de eigen proceskosten, waaronde r de kost van dagvaarding met inbegrip van
de bijdrage voor het begrotingsfonds voor de juridische bijstand, dient eiseres de
proceskosten van verweerders te dragen. Deze omvatten de rechtsplegingsvergoed ing van
verweerders, te weten een forfaitaire tussenkomst in ziJn advocatenkosten (artikel 1022 van
het Gerechtelijk Wetboek).
Verweerders vorderen een rechtsplegingsverg oeding van 1.800 euro. De rechtbank dient
ambtshalve de rechtsplegmgsvergoeding te indexeren. Sinds 1 maart 2025 bedraagt de
rechtsplegmgsvergoeding 1.883, 72 euro.
12. Verweerders vorderen eveneens vergoeding van de kost van 100 euro voor het
opvragen van kadastrale gegevens .
Dit betreft evenwel geen proceskost volgens artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek.
13. Eiseres dient als in het ongelijk gestelde partij in te staan voor de betaling van het
rol recht van 165 euro, te innen door de Belgische Staat (Federale Overheidsdiens t Financièn).
VII. BESLISSING
De rechtbank:
doet uitspraak op tegenspraak en in eerste aanleg;
verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond;
verwijst eiseres in de proceskosten en veroordeelt haar tot betaling van een
rechtsplegingsvergoeding van 1.883,72 euro;
veroordeelt eiseres tot betaling van het rolrecht van 165 euro, te innen door de Federale
Overheidsdienst Financiën.
7/8
RPchthank wm f'<'r~tf' aanlc>f\ Oo~t-Vl<1<1ndN0 n, ;ifdl'hnr, Dondormond0 -zittinr, van 16 mei 2025
D 8€:' karne1 -
Dit vonnis is uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting van ZESTIEN MEI TWEEDUIZEND
VIJFENTWINTIG van de D8 kamer, zitting houdend in burgerlijke zaken, van de rechtbank van
ee, ste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde;
Aanwezig: , voorzitter van de D8 kamer en , griffier.
8/8