ARR:WI 20.HV.021
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Brussel
📅 2025-06-26
🌐 FR
Vonnis
gegrond
Rechtsgebied
strafrecht
burgerlijk_recht
Geciteerde wetgeving
15 juni 1935
Volledige tekst
In de zaak van:
DE WOON INSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST, met kantoor te 1000 Brussel, Havenlaan
88 bus 22;
eiseres,
ter zitting vertegenwoordigd door mr. , advocaat met kantoor te
1.
wonende te
2.
wonende te
3.
te
4.
wonende te
verweerders,
ter zitting vertegenwoordigd door mr.
met kantoor te , met nationaal nummer
, en
, met nationaal nummer
, en
, met nationaal nummer
, en
·, met nationaal nummer
loco mr.
*
In deze zaak spreekt de rechtbank het volgende vonnis uit.
Het vonnis wordt uitgesproken in eerste aanleg, na tegenspraak . wonende
, advocaat
Artikel 2 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werd toegepast voor
het opmaken van de akten van rechtspleging die aan dit vonnis voorafgingen.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van de rechtspleging, en in het bijzonder
van de dagvaarding, betekend op 11 maart 2024, alsook de laatste besluiten van partijen en
de door hen neergelegde stukken.
Op de openbare terechtzitting van 19 juni 2025 werden de advocaten van de partijen in hun
pleidooi gehoord, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
4do kamer Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel - p.2
A. Nopens de feiten en procedurele voorgaanden
1. De wooninspecteur van het Vlaamse gewest heeft de consoorten ., als
oorspronkelij ke mede-eigenaars van het onroerend goed gelegen te
alsdan kadastraal gekend onder
, bij exploot betekend op 11 maart 2024 gedagvaard teneinde
een herstelmaatregel te zien uitspreken op grond van overtredingen op de Vlaamse
Woon codex.
2. Bij proces-verbaal nr. van 27 oktober 2020 werd ten laste van
de verwerende partij in hun hoedanigheid van volle eigenaar (1/5) en verhuurder, vastges.teld
dat de woning gelegen werd bewoond door
, de beiden in het rijksregiste r werden
ingeschreven.
oktober 2020. was aanwezig bij de vaststellingen van 27
3. Op datum van 20 november 2020 wordt door de wooninspecteur een herstelvorde ring
opgesteld:
"Overeenkomstig de hogergenoemde de decretale bepalingen vordert de wooninspecteur,
namens het Vlaamse Gewest, dat de rechtbank beveelt dat de overtreder werken moet
uitvoeren om het pand, zijnde het gebouw met de aanwezige woonentite iten, te laten voldoen
aan de vereisten en normen, vastgesteld met toepassing van artikel 5.
De werken dienen uitgevoerd te worden binnen een termijn van 10 maanden na de uitspraak.
Voor het geval de veroordeling niet binnen de opgelegde termijn wordt uitgevoerd, dient de
overtreder te worden veroordeeld tot een dwangsom van 150,00 euro per dag vertraging
volgend op het verstrijken van hoger vermelde hersteltermijn.
Voor het geval de overtreder in gebreke blijft de door de rechter bevolen werken zelf uit te
voeren, dient de uitspraak te bevelen dat de wooninspecteur ambtshalve in de uitvoering van
het opgelegde herstel kan voorzien.
De rechter dient de wooninspecteur te machtigen om de kosten, bedoeld in artikel 17bis, §2
van de Vlaamse Wooncode te verhalen op de veroordeelde.
Tot slot dient de uitspraak uitvoerbapr bij voorraad te worden verklaard. 11
4. Bij schrijven van 3 september 2021 deelt de procureur des l<onings mee dat de 2aak
op strafrechtelijk gebied zonder gevolg werd geklasseerd.
4do kamer Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel - p.3
5. Bij schrijven van 17 september 2021 wordt dit meegedeeld door de wooninspecteur
aan de verwerende partijen (zie stuk 6 bundel wooninspecteur) met het verzoek om binnen
de maand ofwel te melden dat alle gebreken zijn hersteld ofwel een renovatieplan over te
maken waaruit de plannen van verweerders blijken tot herstel binnen een redelijke termijn.
6. Bij schrijven van 28 november 2022 wordt gevraagd om een afspraak te maken voor
hercontrole (zie stuk 7 bundel wooninspecteur).
7. Bij schrijven van 21 februari 2023 heeft de wooninspecteur dan aan betrokkenen
meegedeeld dat het dossier werd overgem aakt aan het hoofdbestuur te Brussel voor
burgerlijke dagvaarding, doch dat zij alsnog een allerlaatste kans werden toegekend om de
gebreken volledig te herstellen.
8. Op 16 februari 2024 wordt een geactualiseerde herstelvordering opgesteld en bij
exploot betekend op 11 maart 2024 worden verweerders ten verzoeke van de woon inspecteur
gedagvaard.
9. Op 22 oktober 2024 wordt er een controlebezoek uitgevoerd, in aanwezighe id van
, door de wooninspecteur (stuk 10 overtuigingsstukken
wooninspecteur), waarbij kon worden vastgeste ld dat de woning alsdan niet bewoond was en
er niemand stond ingeschreven in het rijksregister, doch dat de woning alsnog niet conform
was met de bepalingen van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 waarbij nog een niet
conformiteit werd vastgesteld met betrekl<lng tot trappen, overlopen en borstweringen.
10. Na een nieuwe controle op 18 februari 2025 heeft de wooninspecteur uiteindelijk op
13 maart 2025 een proces-verbaal van vaststelling van uitvoering van de herstelvorde ring
kunnen opstellen overeenkomst ig artikel 3.46 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Dit
proces-verbaal van uitvoering geldt als conformiteitsattest. De herstelvordering van 20
november 2020, zoals geactualiseerd op 16 februari 2024, is dientengevolge zonder voorwerp.
11. De zaak werd dienvolgens nog behandeld op de openbare terechtzitting van 19 juni
2025 om reden dat partijen geen akkoord konden treffen omtrent de procedurekosten .
B. Eisen
8. De wooninspecteur vordert in laatste besluiten:
"Te zeggen voor recht dat de herstelvordering van de wooninspecteur d.d. 20 november 2020,
zoals geactualiseerd op 16 februari 2024, zonder voorwerp is geworden zoals vastgesteld bij
navolgend proces-verbaal d.d. 18 februari 2025;
Verweerders in solidum te veroordelen tot de kosten van het geding, zijnde de
dagvaarding skosten, de kosten van overschrijving van het exploot tot inleiding van het geding
in de registers van het kantoor rechtszekerheid en de kosten van de kantmelding van de
4do kamer Nederlandsta lige rechtbank van eerste aanleg Brussel p.4
gewezen eindbeslissing op het overgeschreven exploot, alsook de rechtsplegingsvergoeding in
casu begroot op 1.800,00 euro;"
9. De consoorten Wieland vorderen in laatste besluiten om: "De vordering
ontoelaatbaar, c.q. onontvankelijk, minstens zonder voorwerp en ongegrond is.
Eiser te veroordelen tot de kosten van het geding aan zijde van conc/uanten begroot op €
1.883, 72 rechtsplegingsvergoeding.
Ondergeschikt en in iedere eventualiteit, eiser te veroordelen tot zijn eigen kosten en dezen
van concluanten als voorzegd. Minstens de rechtsplegingsvergoeding toekomend aan eiser,
te herleiden tot het minimum. 11
C. Beoordeling
10. De verwerende partijen stellen in besluiten dat de wooninspecteur geen belang had
om tot dagvaarding over te gaan en de vordering van eiseres dientengevolge niet toelaatbaar
is. Ool< het onderdeel van de vordering waarbij aan de rechtbank werd gevraagd om bij gebrek
aan herstel binnen de bij vonnis te bepalen termijn zelf te voorzien in het herstel, zou
ontoelaatbaar zijn. Eiseres zou ook geen kosten vanwege het college van burgemeester en
schepenen kunnen recupereren.
Verder stellen verweerders dat zij tijdig hebben gereageerd op de aanmaningen en op 26
januari 2024 nog een behoorlijk gedocumenteerde aanvullende opschorting van heffing
hebben gevraagd, doch er anderhalve maand later zonder verdere verwittiging werd
overgegaan tot dagvaarding.
Bovendien zou de wooninspecteur bij schrijven van 22 september 2023 nog opschorting van
heffing hebben toegestaan tot 2 oktober 2025.
De vordering was aldus verweerders "van in den beginne zonder voorwerp".
Ten gronde dient de vordering volgens verweerders te worden verworpen om reden dat
verweerders de wooninspecteur van het verloop der werken telkens hebben ingelicht, doch zij
hiertoe niet de nodige tijd werden gegund en er ook geen vervaldag werd gesteld.
De wooninspecteur zou de kosten van huidige procedure hebben gemaal<t "in miskenning van
de inspanningen welke concluanten hebben geleverd en afspraken met de diensten van eiser
zelf".
Tot slot stellen verweerders in besluiten dat zij om 'proceseconomische redenen' tevergeefs
een voorstel tot regeling van de procedure zouden hebben gedaan en dat het ministens past
om, in voorkomend geval, de rechtsplegingsvergoeding toekomend aan eisers te herleiden tot
het minimum.
4d, kamer Nederlandsta lige rechtbank van eerste aanleg Brussel - p.5
11. De wooninspecteur betwist deze weergave van de feiten en verwijst hierbij naar het
proces-verbaal van 27 oktober 2020, de herstelvordering van 20 november 2020, het proces
verbaal van 26 januari 2021, het schrijven van 17 september 2021, de rappel van 28 november
2022 en 21 februari 2023, de geactualiseerde herstelvordering van 16 februari 2024, het
navolgende proces-verbaal van 22 oktober 2024 (zie stukken 1-11 bundel wooninspecteur).
12. De dagvaarding werd betekend op 11 maart 2024, dus op een ogenblik dat er geen
discussie bestaat omtrent de vaststelling dat de woning niet conform was aan de bepalingen
van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
De verwerende partijen betwisten voor alle duidelijkheid de initiële inbreuken op de Vlaamse
Codex Wonen niet. Ool< in besluiten stellen verweerders expliciet "dat de woning diende te
worden hersteld, wordt niet betwist." Er wordt door verweerders geen enkel dossierstuk
bijgebracht waaruit zou dienen te blijken dat de vastgeste lde inbreuken niet met de realiteit
zouden overeenstemmen.
De dagvaarding waarbij de uitvoering van de renovatie-, verbeterings- en/of
aanpassingswerken worden gevorderd is zonder enige twijfel uitgebracht op een ogenblik dat
deze werken alsnog niet werden uitgevoerd. De oorspronkelijke vordering is bovendien bij de
rechtbank aanhangig gemaakt met toepassing van artikel 3.44, §4 van de Vlaamse Codex
Wonen van 2021. Deze bepaling luidt als volgt:
"De wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen kunnen ook voor de
rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden, in het gerechtelijk
arrondissement waar de woning, het pand of het goed, vermeld in artikel 3.34, 3.35 en 3.36,
zich bevindt, de uîtvoering van herstelmaatregelen vorderen zoals omschreven in artikel 3.43. 11
De wooninspecteur toont hierbij aan, en dit wordt door de verwerende partijen ook niet
betwist, dat de niet-conforme woning op het ogenblik van de vaststelling van het
oorspronkelijk proces-verbaal werd verhuurd met het oog op bewoning.
In de mate de argumentatie van verweerders al geen betrekking heeft op de grond van de
zaak, kan de rechtbank enkel vaststellen dat de herstelvordering toelaatbaar is en geenszins
zonder voorwerp was op het ogenblik van het inleiden van huidige procedure.
Het is pas bij proces-verbaal van 18 februari 2025 dat kon worden vastgesteld dat alle bij de
herstelvordering gevraagde werken waren uitgevoerd. Het proces-verbaal van vaststelling van
uitvoering van een herstelvordering (stul< 12 bundel wooninspecteur) dateert van 13 maart
2025.
13. De rechtbank kan verder enkel vaststelle n uitzonderlijk dat verwerende partijen veel
ruimte en tijd kregen van de wooninspecteur om de inbreuken te herstellen: het aanvankelijk
proces-verbaal dateert van 27 oktober 2020, waar aan de inbreuken pas werd verholpen op
18 februari 2025.
Het schrijven 22 septembe r 2023 waarnaar verwerende partijen verwijzen heeft bovendien
betrekking op de opschorting van de heffing op ongeschikt- en onbewoonbaarheid, uitgaande
4de kamer Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel - p.6
van de dienst Wonen West-Vlaanderen en l<aderend in de opname in de Vlaamse inventaris
van ongeschikte en onbewoonbare woningen.
Verder dient de rechtbank vast te stellen dat de verwerende partijen zelf geen enkel initiatief
hebben genomen om de wooninspecteur, voorafgaand aan de dagvaarding, uit te nodigen
teneinde vast te stellen dat de vereiste herstelwerken zouden zijn uitgevoerd, wel integendeel.
Het is de wooninspecteur zelf die telkenmale om een controlebezoek heeft verzocht (zie
brieven 17 september 2021, 28 november 2022 en 21 februari 2023).
Het is pas ingevolge de controle op 22 oktober 2024 dat er werd vastgesteld dat er werken
werden uitgevoerd doch de woning alsnog niet conform de bepalingen was van de Vlaamse
Codex Wonen van 2021. De conformiteit van de uitgevoerde werken kon pas worden
vastgesteld op 18 februari 2025.
Het feit dat de herstelvordering na dagvaarding zonder voorwerp is geworden is het gevolg
van de uitvoering van de in de herstelvordering opgelegde werken, waarvan het
conformiteitsattes t werd toegekend bij proces-verbaal van vaststelling van uitvoering van een
herstelvordering op 13 maart 2025.
14. Uit de voorgelegde gegevens blijkt afdoende dat de verwerende partijen een gebouw
ter beschikking hebben gesteld voor bewoning dat niet voldeed aan de minimale
kwaliteitsnormen waarbij de woning ernstige gebreken vertoonde die de gezondheid- en/of
veiligheid van de bewoners in het gedrang brachten.
Verweerders tonen niet aan dat de renovatie- en herstelwerken werden uitgevoerd
voorafgaand aan de dagvaarding en dienen dan ook te worden beschouwd als de in het
ongelijk gestelde partijen.
14. leder eindvonnis verwijst de in het ongelijk gestelde partij in de kosten (artikel 1017
van het Gerechtel ijk Wetboek}. In de rechtsverhouding tussen de wooninspecteur en de
consoorten Wielant, zijn laatst genoemden in het ongelijk gesteld en moeten zij de
gerechtsl<osten van de eisende partij betalen.
De kosten voor de eisende partij worden begroot op 1.883,72 euro rechtsplegingsvergoeding
(basisbedrag niet in geld waardeerbare vordering) , de kosten overschrijving kantoor
rechtszekerheid ten bedrage van 287,75 euro en de dagvaardingskosten ten bedrage van
320,91 euro.
De rechtbank ziet geen enkel reden om de aan de eisende partij toekomende
rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimumbedrag.
De verwerende partijen, die in het ongelijk zijn gesteld, dienen hun eigen kosten zelf te dragen.
De consoorten Wielant worden tevens veroordeeld tot betaling aan de Belgische Staat van het
rolrecht van 165 euro, te innen door de FOD Financiën.
4de kamer Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel - p.7
OP GROND VAN DEZE OVERWEGINGEN BESLIST DE RECHTBANI<:
Na tegenspraak, in eerste aanleg en in openbare zitting;
De vordering van de wooninspecteur van het Vlaamse gewest is toelaatbaar en gegrond als
volgt;
en , worden in solidum veroordeeld tot betaling aan de
eisende partij van 1.883,72 euro rechtsplegingsvergoeding, de kosten overschrijv ing kantoor
rechtszeke rheid ten bedrage van 287,75 euro en de dagvaardingskosten ten bedrage van
320,91 euro.
Partijen worden van het meer-of anders gevorderde afgewezen .
, worden in solidum veroordeeld tot betaling van de
rolrechten van 165 euro, te innen door de FOD Financiën overeenkomstig het l<.B. van 28
januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie-, hypotheek -en
griffierechten en het houden van de registers in de griffies der hoven en rechtbanken.
*
Dit vonnis wordt uitgespro ken tijdens de openbare zitting van de 4de kamer van de
Nederlandstal ige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 26 juni 2025, door
:, rechter, in aanwezigheid van
4d, kamer Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel p.8