ARR:263.659
🏛️ Raad van State Brussel
📅 2025-06-20
🌐 FR
verworpen
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
29 juli 1991, cir
Volledige tekst
X-18.452-1/13 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KA
MER
A R R E S T
van 20 juni 2025
in de zaak A. 239.831/X-18.452
In zake : .
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1. Het verzoekschrift, ingediend op 14 augustus 2023, strekt tot de
nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister voor Financiën en
Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed van 1 juni 2023 houdende de vaststelling
van de inventaris van het bouwkundig erfgoed in de provincie
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd heeft een
verslag opgesteld.
X-18.452-2/13 Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende
partij
heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 4 april 2025.
Kamervoorzitter heeft verslag uitgebracht.
Advocaat , die loco advocaat
verschijnt voor verzoeker, en advocaat , die loco advocaat
verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd heeft een
met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoeker is eigenaar van een eeuwenoude boerenwoning te
, die zuidoostelijk georiënteerd is en haaks staat op de ten zuiden
ervan ge
legen straat. Ten westen van deze boerenwoning is in 2001 een nieuwbouw
opgericht (hierna: verzoekers nieuwbouw), die met een gang verbonden is met de
boerenwoning (hierna: de verbindingsgang). Verzoeker woont in de door de
verbindingsgang aaneengeschakelde gebouwen.
Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit een stuk van
het administratief dossier.
X-18.452-3/13
4.1. Van
1 april 2022 tot 30 mei 2022 organiseert de
verwerende partij een openbaar onderzoek over het ontwerp van de inventaris van
het bouwkundig erfgoed in de provincie In dit ontwerp is
verzoekers boerenwoning opgenomen.
4.2. Ver
zoeker dient een bezwaarschrift in waarin hij argumenteert
dat de materialen die in 1970 of later zijn aangebracht geen historische waarde
hebben. Volgens het bezwaarschrift hoort de boerenwoning niet thuis op de
inventaris omdat door verbouwingen de erfgoedwaarde verdwenen is.
5. Op 9
februari 2023 geeft de Vlaamse Commissie voor Onroerend
Erfgoed advies.
6.1. Met het bestreden besluit stelt de bevoegde Vlaamse minister de
inventaris van het bouwkundig erfgoed vast.
Om reden van de historische en de architecturale waarden wordt
verzoekers boerenwoning er in opgenomen.
X-18.452-4/13 6.2. Het be zwaarschrift van verzoekers wordt als volgt weerlegd:
“De [boeren]woning hoort omwille van zijn erfgoedwaarde nog steeds
thuis in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed. De beschrijving op
basis van de erfgoedkenmerken, op basis waarvan de vaststelling van het
pand wordt geargumenteerd, houdt rekening met de renovaties: ‘Haaks ten
opzichte van de straat ingeplante en zuidoostelijk gerichte boerenwoning van
zeven traveeën onder zadeldak (leien, voorheen met pannen), minstens
opklimmend tot eind 18de eeuw, mogelijk teruggaand op nog oudere
constructie. Van de voormalige hoeve rest nu nog deze langgerekte woning,
die naar verluidt circa 1974 grondig gerenoveerd werd. Verankerde
bakstenen lijstgevel op gepikte plint, met onder meer getraliede rechthoekige
vensters.’
Er zijn inderdaad eind-18de-eeuwse erfgoedelementen verwijderd. Er zijn
anno 2022 echter voldoende erfgoedelementen en -kenmerken aanwezig op
basis waarvan de historische en architecturale waarde kan worden
gemotiveerd. Het volume, de historische inplanting, het algemene aanzicht,
de lijstgevel en de getraliede vensters zijn nog steeds aanwezig.
In het verzoek tot schrapping worden ook enkele geplande werken
opgesomd. Toekomstige werken hebben geen invloed op de huidige
erfgoedwaarden en de actuele toestand op basis waarvan de opname in de
vastgestelde inventaris verantwoord wordt. Hiermee kan dan ook geen
rekening worden gehouden.
Bezwaarindiener haalt aan dat de woning nooit had mogen opgenomen
worden in de wetenschappelijke inventaris, omdat op het moment van
inventarisatie (2000) geen erfgoedwaarde (meer) aanwezig was. De hoeve
werd inderdaad aangepast in vergelijking met de toestand zoals op de
toegestuurde historische postkaart. De aanpassingswerken aan de hoeve
werden echter duidelijk mee in rekening genomen bij de evaluatie en selectie
in 2000, en worden geduid in de beschrijving van de erfgoedelementen in de
wetenschappelijke inventaris. De foto’s in bijlage bij het bezwaarschrift
tonen aan dat de erfgoedkenmerken en -elementen op basis waarvan het goed
in 2000 in de wetenschappelijke inventaris werd geregistreerd en beschreven
nog in voldoende mate aanwezig zijn:
Ter verduidelijking zal in de
beschrijving in de wetenschappelijke inventaris een samenvatting
toegevoegd worden van de door bezwaarindiener omschreven wijzigingen:
‘Het als woning omgevormde boerenhuis werd recent gerenoveerd, waarbij
de belangrijkste erfgoedelementen van het exterieur werden gerespecteerd.
De interieurindeling werd gewijzigd, waarbij de kelder is verdwenen. In het
dak zijn dakvlakvensters geplaatst, tegen de achtergevel is een
nieuwbouwvolume toegevoegd.
• Informatie verkregen tijdens het openbaar onderzoek voor de
vaststelling van de inventaris bouwkundig erfgoed in
(2022).’
In de publicatie ‘Restaureren in ’ van 1989 wordt de
toenmalige restauratie van de boerenwoning opgenomen in een lijst met
uitgereikte oorkonden in 1977 op basis van de geslaagde restauratie.
X-18.452-5/13 De erkenning van deze restauratie in 1977 wijst op het cultuurhistorisch
belang va
n de boerenwoning en de waarde die toen op lokaal niveau aan het
gerestaureerde pand werd toegekend, en ondersteunt de erkenning van de
erfgoedwaarden op Vlaams niveau.
De na 2000 uitgevoerde, door bezwaarindiener aangehaalde aanpassingen
zijn niet van die aard dat deze de erfgoedwaarden van de boerenwoning teniet
doen. De voormalige boerenwoning en het ingekorte bedrijfsgebouw zijn
nog aanwezig en zijn overtuigend herkenbaar voor opname in een
vastgestelde inventaris.
De boerenwoning is opgenomen in de wetenschappelijke en in de
vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed omdat het een getuige is
van de landelijke architectuur in
. De restauraties en aanpassingen hielden voldoende rekening
met de essentie van de historische en architecturale waarden van het pand om
een opname in de wetenschappelijke en vastgestelde inventaris te
motiveren.”
6.3. In het bestreden besluit worden de boerenwoning en de
erfgoedwaarden ervan als volgt beschreven (hierna: de verantwoording van de
verwerende partij):
“Voormalige hoeve naar de eigenaar uit het begin van de 20ste eeuw
gekend als hoeve ‘ ’, heden woonhuis.
Volgens de literatuur werd de hofstede van al vermeld
in het eerste kwart van de 17de eeuw. Volgens vermelding (laatste kwart
18de eeuw) was de hoeve vergezeld van een ‘ . In
het laatste kwart van de 19de en eerste kwart 20ste eeuw nog met rosmolen
en bloempelderij, en met reisduifkwekerij van (°1854 -
†1927). Volgens het primitief kadasterplan (1817) en de Poppkaart voorheen
een hoeve met losse bestanddelen met U-vormige aanleg, achterin gelegen
aan een doodlopende zijweg van de (later doorgetrokken tot
huidig plein). Nu rest enkel nog de langgerekte woning, die naar verluidt
circa 1974 grondig gerenoveerd werd. In functie van straataanleg wijziging
oriëntatie erftoegang, afbraak afsluitingsmuur en inkorting aanpalend
bedrijfsgebouw tot poortgebouw.
Haaks ten opzichte van de straat ingeplante en zuidoostelijk gerichte
boerenwoning van zeven traveeën onder zadeldak (leien, voorheen met
pannen), minstens opklimmend tot eind 18de eeuw, mogelijk teruggaand op
nog oudere constructie. Verankerde bakstenen lijstgevel op gepikte plint.
Beluikte getraliede rechthoekige vensters onder nieuwe(?) hardstenen latei
en op in het gevelvlak gelegen onderdorpel. Rechthoekige deur tussen
vernieuwde bakstenen rest(?) van omlijsting met oren, stenen tussendorpel
en fijn getraceerd bovenlicht. Uiterst rechts sporen van gedichte
muuropening en rest van aanzet omlijsting van alternerende lagen rode
baksteen en gesinterde baksteen. Met de voordeur overeenstemmende deur
in achtergevel met één behouden opkamervenster boven getralied keldergat;
X-18.452-6/13 een gedicht opkamervenster en volgens bouwnaden aangepast metselwerk
aan de v
ensteropeningen (verwijderde neggen). Vernieuwd houtwerk.
Ten westen zijdelings aanpalende hoger oplopende poorttravee, met
nagenoeg blinde zijpuntgevel aan straat. Volgens prentbriefkaart
oorspronkelijk drie traveeën breed bedrijfsgebouw, ingekort tot wagenhuis
van één travee met lage bovenverdieping onder leien zadeldak met
toegevoegde aandaken en schouderstukken. Vergrote poort.
Interieur. Gewelfde huiskelder onder opkamer. Rest van samengestelde
balkenlaag (dubbele haard verwijderd). Diverse aanpassingen uit de 20ste
eeuw. Een schouwboezem met stuclijstwerk (eind 18de eeuw?) en medaillon
met tafereel met putti in reliëf. Jongere marmeren schouwmantel.
• , in Gedenkschriften
van de Oudheidkundige Kring van het Land van
Buitengewone uitgaven nr. 27, Jaarboek 1982, 1983, p. 66-67.
• Stroobants A., Gemalen en geplet. Molens en maalderijen te
in de 19de en 20ste , 2005, p. 141.
Bron: Bogaert C., Duchêne H., Lanclus K. & Verbeeck M. 2006:
Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 20n, onuitgegeven
werkdocumenten.
Auteurs: Verbeeck, Mieke (https://id.erfgoed.net/auteurs/31); Duchêne,
Helena )
Datum: 2001
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend
Erfgoed (AOE) )
Aanvullende informatie
Het als woning omgevormde boerenhuis werd recent gerenoveerd,
waarbij de belangrijkste erfgoedelementen van het exterieur werden
gerespecteerd. De interieurindeling werd gewijzigd, waarbij de kelder is
verdwenen. In het dak zijn dakvlakvensters geplaatst, tegen de achtergevel is
een nieuwbouwvolume toegevoegd.
• Informatie verkregen tijdens het openbaar onderzoek voor de
vaststelling van de inventaris bouwkundig erfgoed in
(2022).”
IV. O nde
rzoek van de middelen
A. Het eerste middel
Uiteenzetting van middel
7.1. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de
artikelen 4.1.2 en 4.1.6 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de
X-18.452-7/13 artikelen 4.1.1, 4.1.5 en 4.1.6 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014,
van de
artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke
motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet) en
van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het
rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
7.2. Verzoeker wijst erop dat zijn woning bestaat uit twee gebouwen,
meer bepaald een nieuwbouw en een restant van de oude hoeve. Het is volgens
verzoeker onduidelijk welke onderdelen van zijn woning precies opgenomen zijn
in de inventaris van het bouwkundig erfgoed. Het bij het bestreden besluit horende
grafische plan duidt immers zijn volledige woonperceel aan, terwijl in de
beschrijving enkel wordt verwezen naar het oude gedeelte. Er is volgens verzoeker
dan ook sprake van een tegenstrijdigheid tussen het grafische plan en de tekst van
de inventaris. Zelfs als enkel het oude gedeelte wordt geacht te zijn opgenomen,
zou er nog steeds onduidelijkheid bestaan waar precies de grens ligt tussen het oude
gedeelte en de nieuwbouw, nu deze delen op elkaar aansluiten.
Verzoeker voegt eraan toe dat in zoverre zijn woning volledig
zou zijn opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed, nergens uit blijkt
dat het nieuwe gedeelte in aanmerking zou komen voor inventarisatie.
8. In zijn memorie van wederantwoord beklemtoont verzoeker dat
het niet opgaat om in de memorie van antwoord te verwijzen naar een kadastraal
plan en een afbeelding die niet zijn opgenomen in de inventaris zelf. Dit is immers
een a posteriori -motivering die de onwettigheid van het bestreden besluit niet kan
verhelpen.
9. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat het bestreden
besluit zelf geenszins duidelijk de grens afbakent tussen het oude en het nieuwe
gedeelte van zijn woning. Men kan dan ook niet verwijzen naar een
stedenbouwkundige vergunning van 2001 waaruit die grens zou blijken.
X-18.452-8/13
Beoorde
ling
10. Terecht wijst de verwerende partij erop dat uit de tekst van het
bestreden besluit blijkt dat enkel de “[h]aaks ten opzichte van de straat ingeplante
en zuidoostelijk gerichte” boerenwoning met zeven traveeën opgenomen is in de
inventaris van het bouwkundig erfgoed. Anders dan verzoeker beweert, laat dit
besluit er geen enkele onduidelijkheid over bestaan dat verzoekers nieuwbouw –
met inbegrip van de verbindingsgang – niet opgenomen is in deze inventaris.
11. Daar het eerste middel feitelijke grondslag mist, wordt het
verworpen.
B. Het tweede middel
Uiteenzetting van middel
12.1. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van het
ministerieel besluit van 17 juli 2015 ‘tot vaststelling van de inventarismethodologie
voor de inventaris van bouwkundig erfgoed’ (hierna: het ministerieel besluit inzake
de i nve
ntarismethodologie), van de artikelen 4.1.2 en 4.1.6 van het
Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de artikelen 4.1.1, 4.1.5 en 4.1.6
van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, van de artikelen 2 en 3 van de
formelemotiveringswet en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de
materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
12.2. Verzoeker stelt dat de in de beschrijving van de inventaris
vermelde elementen (zeven traveeën onder zadeldak, een bakstenen lijstgevel op
gepikte plint met onder meer getraliede vensters), op zich niet aangeven waarom
de (volledige) boerenwoning dient te worden opgenomen in de inventaris.
Uit die beschrijving blijkt immers niet dat een nader onderzoek is uitgevoerd
aangaande de toestand van de diverse constructies. Deze beschrijving steunt op
onjuiste gegevens, aangezien er geen sprake is van traveeën en van een bakstenen
X-18.452-9/13 gevellijst en de U-vormige hoeve niet meer in zijn volledigheid aanwezig is.
De bes
lissing om de boerenwoning op te nemen in de inventaris van het
bouwkundig erfgoed berust dus op foutieve feitelijke elementen.
Verzoeker voegt eraan toe dat in de behandeling van zijn
bezwaarschrift evenmin een afdoende motivering aangaande de erfgoedwaarden
gevonden kan worden. Meer nog, uit deze behandeling blijkt dat de verwerende
partij geen zorgvuldig onderzoek heeft uitgevoerd en zich zelfs heeft gebaseerd op
foutieve en achterhaalde gegevens. Opnieuw verwijst verzoeker naar het volume
van de U-vormige hoeve en voert hij aan dat het bestreden besluit er verkeerdelijk
van uitgaat dat het volume van het 18de-eeuwse gebouw nog aanwezig is terwijl
dit, gezien de inkorting van het gebouw wegens de straataanleg, geenszins het
geval is. Bovendien is de motivering zelfs tegenstrijdig, nu verderop in de
behandeling van het bezwaar zelf wordt bevestigd dat het gaat om een ‘ingekort
bedrijfsgebouw’. De verwijzing naar de erkenning van de restauratie in een
oorkonde van 1977 is volgens verzoeker niet relevant, aangezien het pand daarna
zeer grondig werd verbouwd en deze erkenning de erfgoedwaarden dan ook niet
meer kan verantwoorden.
13. In zijn memorie van wederantwoord beklemtoont verzoeker dat
nergens uit het bestreden besluit blijkt dat er aan bepaalde selectiecriteria is
voldaan om te worden opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed.
Nochtans kan een onroerend goed conform de bijlage bij het ministerieel besluit
inzake de inventarismethodologie slechts op de inventaris worden opgenomen als
het aan verschillende selectiecriteria voldoet of als het in hoge mate aan slechts één
criterium voldoet.
14. In zijn laatste memorie voegt verzoeker eraan toe dat de
zogenaamde zeven traveeën geenszins hetzelfde uitzicht hebben. Zo is er in het
travee aan de straatkant op de bovenverdieping een raam met luiken aanwezig en
daaronder een groot dubbel raam dat tot onderaan de blauwe steen doorloopt. Een
ander travee heeft louter een deur en andere traveeën hebben dan weer louter een
getralied raam.
X-18.452-10/13
Beoorde
ling
15.1. De beoordeling van opportuniteitskritiek behoort niet tot de
bevoegdheid van de Raad van State, die een wettigheidsrechter is. In de uitoefening
van zijn wettigheidscontrole mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen
van de overheid, die met betrekking tot de opname in een erfgoedinventaris
beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid. De Raad van State is als
rechter van de wettigheid wel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de overheid
is uitgegaan van werkelijk bestaande en relevante feitelijke gegevens die met de
vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, of zij die correct en met een
zorgvuldige afweging heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de
perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
15.2. Over het afwegingskader dat gehanteerd wordt om een onroerend
goed te waarderen wordt in de bijlage bij het ministerieel besluit inzake de
inventarismethodologie het volgende gesteld:
“De inventaris van bouwkundig erfgoed bevat een selectie van het
gebouwde patrimonium in Vlaanderen. De term ‘bouwkundig erfgoed’
wordt gehanteerd in de meest ruime zin van het woord […]. Naast de grote,
monumentale gebouwen gaat er ook aandacht naar de meer bescheiden
architectuur zoals woonhuizen […].
[…]
Om een gedegen afweging te maken of een onroerend goed kan worden
opgenomen in de inventaris, wordt rekening gehouden met de
erfgoedwaarden, de selectiecriteria en de bewaringstoestand.
Die waarden en criteria worden niet afzonderlijk beschouwd. De totale
beoordeling vormt het uitgangspunt voor de evaluatie. […]
a. De erfgoedwaarden
[…]
Architecturale waarde: Een onroerend goed heeft architecturale waarde als
het getuigt van een fase of aspect van de geschiedenis van de bouwkunst of
de tuin- of de landschapsarchitectuur.
[…]
Historische waarde: Een onroerend goed heeft historische waarde als het
getuigt van gebeurtenissen en ontwikkelingen uit het verleden van de mens,
van figuren of instellingen die de geschiedenis mee bepaalden of van
historisch landgebruik.[…]
b. De selectiecriteria
X-18.452-11/13 De selectiecriteria worden bijkomend gebruikt om te wegen of een
onroere
nd goed al dan niet wordt opgenomen in de inventaris. Een
onroerend goed kan geselecteerd worden voor opname als het aan
verschillende criteria tegemoetkomt, maar het kan ook in aanmerking
komen voor opname als het in hoge mate aan slechts één criterium
tegemoetkomt.
[…]
• Het selectiecriterium representativiteit geeft aan in hoeverre het
onroerend goed typerend is voor een geografische of historische context of
een welbepaald type of een bepaald oeuvre.
• Het selectiecriterium herkenbaarheid geeft aan in hoeverre het onroerend
goed een goed leesbare uitdrukking is van zijn oorspronkelijke functie,
uitzicht of vormgeving, of van een belangrijke fase in de latere
ontwikkeling daarvan.”
16. Het in het vorige randnummer geciteerde ministerieel besluit
vermeldt op goede gronden dat ook “de meer bescheiden architectuur” in
aanmerking komt voor opname in de erfgoedinventaris.
17. Te dezen moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat
het bestreden besluit de erfgoedwaarden van de boerenwoning koppelt aan de
architecturale kwaliteiten ervan en het gebruik van het gebouw in de historische
context, waarbij voldaan is aan de in de bijlage bij het ministerieel besluit inzake
de inventarismethodologie bedoelde selectiecriteria van herkenbaarheid en
representativiteit.
18. Verzoeker overtuigt er niet van dat de opname van zijn
boerenwoning in de inventaris van het bouwkundig erfgoed zou steunen op onjuiste
feitelijke elementen.
De stukken van het administratief dossier tonen immers aan dat
de boerenwoning, anders dan in het verzoekschrift wordt beweerd, wel degelijk
zeven traveeën heeft. Dat – zoals verzoeker in zijn laatste memorie opmerkt – de
invulling van de onderscheiden traveeën niet identiek is, blijkt ook uit de
verantwoording van de verwerende partij en tast geenszins de wettigheid van het
bestreden besluit aan. Zoals uit de laatstgenoemde verantwoording kan worden
afgeleid, valt de travee aan de straatkant samen met het ingekort bedrijfsgebouw.
X-18.452-12/13 Het bestreden besluit is ter zake geenszins met een contradictie behept en houdt
terde
ge rekening met het feit dat meerdere onderdelen van het oorspronkelijke U-
vormige gebouwencomplex inmiddels verdwenen zijn.
Bovendien vergist verzoeker zich wanneer hij ervan uitgaat dat
de verwerende partij aangenomen zou hebben dat de lijst rondom de gevel intact
bewaard is. Er wordt immers in de verantwoording van de verwerende partij
gespecificeerd dat er op de gevel “[een] rest van aanzet omlijsting van alternerende
lagen rode baksteen en gesinterde baksteen” aanwezig is. Verzoeker toont niet aan
dat die vermelding onjuist is of dat het ten onrechte is dat de verwerende partij
gesteld heeft dat de bakstenen gevel op gepikte plint waarop deze lijstaanzet
voorkomt nog steeds aanwezig is.
19. Voorts kan niet worden ingestemd met de stelling van verzoeker
als zou uit de behandeling van zijn tijdens het openbaar onderzoek ingediend
bezwaarschrift een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel blijken.
Uit de gegevens van de zaak volgt immers dat de verwerende partij dit
bezwaarschrift terdege heeft onderzocht en afdoende heeft laten begrijpen waarom
ze het niet heeft ingewilligd. Daar de toekenning van de erfgoedwaarde gesteund
is op meerdere substantiële elementen die na de uitgevoerde verbouwingen
bewaard gebleven zijn, blijkt niet dat – zoals verzoeker voorhoudt – de verwijzing
naar de erkenning van de restauratie in een oorkonde van 1977 irrelevant zou zijn.
20. De conclusie is dat verzoekers niet aannemelijk maken dat de
verwerende partij zich zou gesteund hebben op onjuiste feitelijke gegevens of dat
zij de aangevoerde rechtsregels anderszins zou hebben geschonden.
21. Het tweede middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
X-18.452-13/13 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring,
begroot
op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een
rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de
verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig juni tweeduizend vijfentwintig,
door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
, kamervoorzitter,
, staatsraad,
, staatsraad,
bijgestaan door
, griffier.
De griffier De voorzitter