Naar hoofdinhoud

ARR:WI 21.AN038

🏛️ Hof van Beroep Antwerpen 📅 2025-06-04 🌐 FR veroordeling

Rechtsgebied

strafrecht

Geciteerde wetgeving

1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 18 december 1986, 19 maart 2017

Volledige tekst

Hof van beroep Antwerpen -p. 2 2O23/PGA/2734 -2023/VJU/1O44 Het OPENBAAR MINISTERIE en DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST met burelen te 1000 BRUSSEL, Havenlaan _ 88 bus 22 en te eiser tot herstel niet vertegenwoordigd noch iemand namens hem verschenen tegen rijksregisternummer geboren wonende te van Belgische nationaliteit beklaagde vertegenwoordigd door mr. balie 1. Ten laste gelegde feiten loco mr. ., beiden advocaat bij de Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het Strafwetboek; In het onroerend goed gelegen te helft in volle eigendom en ), gekadastreerd als , eigendom van ingevolge akte verleden op 4 december 2017, ) voor de ) voor de helft in volle eigendom, Hof van beroep Antwerpen - p. 3 In het onroerend goed gelegen te gekadastreerd al~ 0la 19ca, eigendom van met een totale oppervlakte van ) voor het geheel in volle eigendom, ingevolge akte verleden op 15 december 2021. A verhuren, te huur of ter beschikking stellen, met het oog op bewoning, van niet­ conforme of overbewoonde woning als verhuurder, als eventuele onderverhuurder of als persoon die een woning ter beschikking stelt, een niet-conforme of overbewoonde woning rechtstreeks of via tussenpersoon te hebben verhuurd, te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog op bewoning, (art. 3.34. Vlaamse Codex Wonen van 2021) 1 te in de periode van 15 januari 2022 tot en met 24 juni 2022 namelijk een appartemen t ) gelegen te 2 te dat niet voldeed aan de minimale kwaliteitsvereisten, aan van 15 januari 2022 tot en met 24 juni 2022 aan 600,00 euro/maand. in de periode van 7 september 2020 tot en met 9 juli 2021 namelijk een woning ) gelegen te die niet voldeed aan de minimale kwaliteitsvereisten, aan september 2020 tot en met 9 juli 2021 aan 250,00 euro/maand. van 7 in de periode van 7 september 2020 tot en met 7 september 2021 namelijk een woning ) gelegen te , die niet voldeed aan de minimale kwaliteitsvereisten, aar 7 september 2020 tot en met 7 september 2021 aan 400,00 euro/maand . 4 te In de periode van 7 september 2020 tot en met 7 september 2021 namelijk een woning ) gelegen te 11 die niet voldeed aan de minimale kwaliteitsvereisten, aan van van 7 september 2020 tot en met 7 september 2021 a.an 400,00 euro/maand . Hof van beroep Antwerpen - -p. 4 5 te in de periode van 7 september 2020 tot en met 7 september 2021 namelijk een woning :) gelegen te , die niet voldeed aan de minimale kwaliteitsvereiste, aar september 2020 tot en met 7 september 2021 aan 400,00 euro/maand. 6 te in de periode van 7 september 2020 tot en met 7 september 2021 van 7 namelijk een woning gelegen te aan euro/maand. 7 te , die niet voldeed aan de minimale kwaliteitsvereisten, van 7 september 2020 tot en met 7 septembe r 2021 aan 425,00 in de periode van 1 november 2020 tot en met 7 september 2021 namelijk een woning )gelegen te 1 die niet voldeed aan de minimale kwaliteitsvereisten , aan van 1 november 2020 tot en met 7 september 2021 aan 500,00 euro/maand. in de periode van 7 september 2020 tot en met 7 september 2021 namelijk een woning ) gelegen te 1 die niet voldeed aan de minimale kwaliteitsvereisten, aan van 7 september 2020 tot en met 7 september 2021 aan 450100 euro/maand. 9 te in de periode van 7 september 2020 tot en met 7 september 2021 namelijk een woning ) gelegen te , die niet voldeed aan de minimale kwaliteitsvereisten, aan van 7 september 2020 tot en met 7 september 2021 aan 280,00 euro/maand. 10 te in de periode van 7 september 2020 tot en met 7 septembe r 2021 namelijk een woning ) gelegen te , die niet voldeed aan de minimale kwaliteitsvereisten, aan een man met de nationaliteit genaamc van 7 september 2020 tot en met 7 september 2021 aan 300,00 euro/maand. Hof van beroep Antwerpen - -p. 5 De feiten voor 1 januari 2021 omschreven en strafbaar gesteld als volgt: Als verhuurder, als eventuele onderverhuurder of als persoon die een woning ter beschikking stelt, een woning of een specifieke woonvorm, als vermeld in artikel 5 § 3 lid 1 van het Decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, die niet voldoet aan de vereisten en normen, vastgesteld met toepassing van artikel 5 van voornoemd Decreet, rechtstreeks of vla tussenpersoon, te hebben verhuurd, te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog op bewoning (art. 2 § 1, 31°, en 20 § 1 lid 1 Decreet 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode). Beklaagde tevens gedagvaard om te horen veroordelen tot de verbeurverklaring van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, in de plaats zijn gesteld of inkomsten vormen uit belegde voordelen (art. 42, 3° en 43bis Sw.), conform de schriftelijke vordering In het strafdossier. Overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid Antwerpen d.d. 20 maart 2023 Ref.: Bedrag: 240,00 euro Overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid .d. 22 maart 2023 Bedrag: 240,00 euro 2. Bestreden beslissing 2.1. Bij het vonnis. bij verstek ten aanzien van de beklaagde en op tegenspraak ten aanzien van de eiser tot herstel gewezen op 22 mei 2023 door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, kamer ACl, werd als volgt beslist: Op strafgebied Hof van beroep Antwerpen - -p. 6 Verleent akte aan De Woonînspecteur van het Vlaamse Gewest van haar vrijwillige tussenkomst. Ten aanzien van Moshe Zigelman Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen Al, A2, A3, A4, AS, A6, A7, A8, A9 en AlO: tot een gevangen isstraf van 4 maanden en tot een geldboete van 16.000,00 EUR, zijnde 2.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisst raf van 90 dagen. Verklaart verbeurd overeenkomstig artikel 42, 3° en 43bis Sw. de vermogensvoordelen voor een bedrag van 35.420,00 euro. Veroordeelt tot betaling van: -een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders; -een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand; Herstel een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,24 EUR; de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 561,87 EUR. Verklaart de vorderingen van de wooninspecteur van het Vlaams Gewest ontvankelijk en gegrond; Veroordeelt Hof van beroep Antwerpen - -p. 7 tot het geven van een andere bestemming aan het pand te volgens de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, hetzij de woning te slopen, tenzij de sloop verboden is op grond van wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen; bepaalt de termijn voor uitvoering op 15 maanden na het in kracht van gewijsde treden van onderhavig vonnisi legt een dwangsom op van 150 euro per dag vertraging na het verstrijken van de hoger bepaalde hersteltermijn in zoverre huidig vonnis vooraf werd betekend; legt geen dwangsomtermijn op; machtigt de wooninspecteur van het Vlaamse Gewest en het College van burgemeester en schepenen van conform artikel 3.47 van de Codex Wonen in de uitvoering van het opgelegde herstel te voorzien, op kosten van beklaagde, met machtiging tot recuperatie van de kosten aan de uitvoering verbonden; machtigt de wooninspecteur van het Vlaamse Gewest en het College van burgemeester en schepenen var om de eventuele kosten vermeld in artikel 3.33 van de Codex Wonen te verhalen op beklaagde wijst de vordering de veroordeling tot de herstelmaatregel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren af. Op burgerlijk gebied Houdt de burgerlijke belangen ambtshalve aan. 2.2. Er werd hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis van 22 mei 2023 op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 28 september 2023 door de beklaagde tegen alle beschikkingen. Hof van beroep Antwerpen - -p. 8 ....... -~ ~--------~---------- 2.3. Er werd een verzoekschrift In de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 28 september 2023 door de beklaagde 3. Rechtspleging voor het hof De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 7 mei 2025. Het hof heeft hierbij gehoord: mevrouw de Voorzitter in haar verslag, het Openbaar Ministerie in haar uiteenzetting van de zaak en in haar vordering, de beklaagde In zijn middelen van verdediging, ontwikkeld door zijn raadsman, voornoemd. De neergelegde conclusies en stukken werden in het beraad betrokken. De eiser tot herstel, alhoewel regelmatig gedagvaard zijnde, is niet in persoon of bij advocaat verschenen op de terechtzitting van 7 mei 2025 en de zaak werd te zijnen opzichte bij verstek behandeld. 4. Beoordeling van de ontvankelijkheid en de omvang van het hoger beroep 4.1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep 1. De verklaring van hoger beroep van de beklaagde werd tijdig en regelmatig gedaan op de griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen. 2. Het verzoekschrift van de beklaagde zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering werd tijdig ingediend ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen en de daarin bepaalde grieven met betrekking tot de schuld aan de tenlasteleggingen A.1, A.2, A.3, A.4, A.S, A.6, A.7, A.8, A.9 en A.10, de straf (met inbegrip van de bijzondere verbeurdverkla ring), de ambtshalve aanhouding van de burgerlijke belangen en de herstelvordering zijn nauwkeurig. Hof van beroep Antwerpen - -p.9 3. Gelet op het bovenstaande is het hoger beroep van de beklaagde regelmatig naar vorm en termijn en ontvanke lijk. 4.2. Omvang van het hoger beroep Het hof heeft ambtshalve geen grieven van openbare orde opgeworpen zoals bedoeld in artikel 210, tweede lid Wetboek van Strafvordering, Gelet op de overwegingen onder rubriek 4.1. van dit arrest strekt de rechtsmacht van het hof daarom uit tot de beoordeling van de beschikkingen op strafrechtelijk gebied van het bestreden vonnis die betrekking hebben op de schuld aan de feiten sub A.1 tot en met A.10, de straf (hierin inbegrepen de beschikkingen die betrekking hebben op de verbeurdverklaring van de illegale vermogensvoordelen} , het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen en de herstelvordering. 5. Beoordeling ten gronde 5.1. Met betrekking tot de schuld 1. Onder de tenlasteleggingen A.1 tot en met A.10 wordt beklaagde I ervan verdacht inbreuken gepleegd te hebben op de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en in het onroerend goed gelegen te een appartement te hebben verhuurd (tenlastelegging A.1), alsook in het onroerend gelegen te wooneenheden te hebben verhuurd (tenlasteleggingen A.2 tot en met A.10), dewelke niet voldeden aan de minimale kwaliteitsvereisten. 2. De gebreken aan de wooneenheden in het pand gelegen aan werden vastgesteld door de woon Inspectie op 7 september 2021. Voor wat betreft het appartement gelegen aan werd een controle uitgevoerd op 26 april 2022, nadat een melding was binnengekomen dat men verder bleef verhuren niettegenstaande het besluit tot ongeschiktheid- en onbewoonbaarheid van 13 september 2021. Hof van beroep Antwerpen - -p. 10 ___ , __________________ _ De beklaagde is eigenaar van het onroerend goed, alsook de verhuurder van alle wooneenheden vervat in de tenlasteleggingen. 3. Beklaagde betwist in hoger beroep de materialiteit van de vaststellingen niet, maar wel het moreel element. Na nieuw onderzoek ter terechtzitt ing door het hof, en door de stukken van het dossier, is de schuld van de beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten bewezen gebleven. Hiervoor wordt verwezen naar de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter, welke door beklaagde In hoger beroep niet weerlegd wordt en door het hof wordt beaamd en overgenomen, en aangevuld als volgt gelet op de neergelegde conclusie. De stelling van de beklaagde dat hij zich wel bewust was van het feit dat beide panden in slechte staat waren, maar dat hij zich in zijn besloten leefwereld niet bewust was van de strafrechtelijke implicaties van de feiten, en hij het louter administratief bekeek, kan niet worden gevolgd. Uit de door de beklaagde bijgebrachte stukken blijkt dat hij in het verleden door reeds was aangesproken Inzake de woonkwaliteit met betrekking tot het pand en dit ruim voor de vaststellingen die thans het voorwerp uitmaken van strafvervolging. Hij deed namelijk met betrekking tot dit pand al eerder een melding tot herstel, waarop een hercontrole volgde op 16 september 2019 waaruit bleek dat de toen gecontroleerde wooneenheden na het uitvoeren van werken voldeden en geen besluit tot ongeschiktheid -en onbewoonbaarheid meer werd genomen door Uit de verhoren van de aangetroffen huurders in het pand door de lokale recherche Antwerpen naar aanleiding van de controle in 2021 komt naar voor dat beklaagde maandelijks naar het pand kwam in verband met het innen van de huur, maar zich verder niks aantrok van hun meldingen van problemen en klachten. Uit meerdere verhoren blijkt ook de zeer precaire toestand van meerdere huurders. In zijn verhoor gaf de beklaagde verder aan reeds tien jaar eigenaar te zijn, en dat het pand oud en versleten was; hij had wel werken gedaan, maar niet aan de constructie. Kort na de controle door de wooninspectie (september 2021) verkocht de belaagde het pand aan een projectontwikkelaar (december 2021) voor een bedrag van 430.000,00 euro, en werd het door deze nieuwe eigenaar omgevormd tot een (vergund) meer gezinsgebouw met 3 appartementen. Hof van beroep Antwerpen - -p, 11 Gelet op het bovenvermelde, en in samenlezing met de duidelijke vaststellingen en foto's over de staat van het pand, is het voor het hof duidelijk dat de beklaagde er bewust en zo lang als mogelijk voor opteerde verder te verhuren en huurgelden op te strijken (tenlasteleggingen A.2 tot en met A.10), niettegenstaande de hem bekende zeer slechte staat van het pand, en hij zich na de eerdere werken in 2019 noch amper bekomme rde om de vereisten inzake de woon-en leefkwaliteit van de huurders. Het pand te (tenlastelegging A.1) werd verder verhuurd niettegenstaande een besluit tot ongeschiktheid- en onbewoonbaarheid van 13 september 2021, met vermelding van de strafsancties in dit besluit indien de woning verder verhuurd zou worden. Wat het moreel element betreft, volstaat hoe dan ook onachtzaamheid voor de onder de tenlastelegg ingen geviseerde inbreuken. Gelet op het bovenvermelde, is het in dit geval evenwel duidelijk voor het hof dat de inbreuk wetens en willens, dit is opzettelijk, werd gepleegd zoals hiervoor reeds uiteengezet. Beklaagde had immers ontegenspreke lijk, in zijn hoedanigheid van zowel eigenaar als verhuurder, reeds bij de aanvang van de huur kennis van de gebreken aan de woningen gelet op de ernstige en structurele aard van de gebreken en voor wat betreft het pand te gezien het besluit tot ongeschiktheid -en onbewoonbaarheid hetgeen hem bekend was. 5.2. Met betrekking tot de straf 1. De bewezen verklaarde feiten onder tenlasteleggingen A.1 tot en met A.10 waren voor de beklaagde de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde misdadig opzet, zodat slechts één straf dient te worden uitgesproken. 2. Bij de straftoemeting In hoofde van beklaagde gehouden met: 1 wordt verder rekening de aard en ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waarin de feiten werden gepleegd, De feiten geven blijk van een gebrek aan respect voor andermans welzijn, veiligheid en gezondheid en een zucht naar gemakkelijk geldgewin ten koste van anderen; Hof van beroep Antwerpen -p, 12 het strafrechtelijk verleden van de beklaagde, dewelke reeds een correctionele veroordeling opliep in 2020 en veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 20 maanden met uitstel 5 jaar voor 10 maanden en een geldboete van 3.500,00 euro, met uitstel 3 jaar voor 1.750,00 euro, waardoor hij niet meer in aanmerking komt voor éénvoudig uitstel van de tenuitvoerlegg ing; het gegeven dat de inbreuken met betrekking tot de wooneenheid te snel werden geremedieerd, en de herstelvordering met betrekking tot het pand Plantin en Moretuslei thans zonder voorwerp is; de sociale en persoonlijke toestand en persoonlijkheid van beklaagde voor zover deze uit het strafdossier en de behandeling ter terechtzitting zijn gebleken. Rel<ening houdend met al deze elementen, acht het hof het passend de beklaagde een bestraffing op te leggen onder de vorm van een geldboete van 16.000,00 euro, zijnde 2.000,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen, of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen. Deze straf is nodig om aan de beklaagde het ontoelaatbare van zijn handelen te doen inzien. De omvang ervan is aangepast aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten en moet de beklaagde ervan weerhouden in de toekomst nog dergelijke laakbare handelingen te stellen. De duur van de vervangende gevangenisstraf is aangepast aan de omvang van de geldboete. 3. Het Openbaar Ministerie nam in het strafdossier een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring op grond van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek van het wederrechtelijk verkregen vermogensvoordeel, begroot op 35.420,00 euro zijnde de optelsom van de genoten huur in de incriminatieperiode , met aftrek van de huurachterstallen , voor wat betreft de feiten vervat onder de tenlasteleggingen A.1 en A.3 tot en met A.10. De eerste rechter verklaarde het bedrag van 35.420,00 euro verbeurd. Ter zitting in hoger beroep verzocht het Openbaar Ministerie met betrekking tot de illegale vermogerisvoordelen een bevestiging van het bestreden vonnis. Hof van beroep Antwerpen - -p. 13 Overeenkomstig artikel 42, 3° Strafwetboek kunnen de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen verbeurd verklaard worden. Indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de beklaagde dient de rechter de geldwaarde ervan te ramen en kan een equivalent bedrag worden verbeurd verklaard (artikel 43bis Strafwetboek). Samen met de eerste rechter is het hof van oordeel dat het maatschappel ijk onaanvaardbaar is dat beklaagde in het bezit zou blijven van de illegale opbrengsten van het door hem gepleegd misdrijf. Door deze wijze van handelen hekwam de beklaagde immers een onrechtmatig voordeel. Aangezien de vermogensvoordelen niet konden worden gevonden in het vermogen van de beklaagde dient het hof deze voordelen bij equivalent te ramen. De beklaagde verzocht deze vordering tot verbeurdverklaring af te wijzen als ongegrond gezien de gevraagde vrijspraak, ondergeschikt verzocht deze beklaagde de verbeurdverklaring te mllderen naar een bedrag van 5.000,00 euro en rekening te houden met huurachterstal van goed 8.000,00 euro, onkosten van verbouwingen en herstellingen, financiële lasten en de afbetaling van een substantiële nafactuur waterverbruik van goed 15.000,00 euro. Het hof is van oordeel dat de genoten huurgelden In de weerhouden lncriminatiepe riode zoals berekend in de schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie een wederrechtelijk vermogensvoordeel uitmaken, waarbij de huurachte rstal reeds in rekening werd gebracht. Voor wat betreft de kosten van het waterverbruik wordt enkel een afbetalingsplan bijgebracht aan de gerechtsdeurwaarder, waarop een vermelding staat naar een factuur inzake waterverbruik van 14.237,29 euro, zonder vermelding van het pand waarop deze factuur betrekking heeft, en zonder de daadwerkelijke factuur bij te brengen. Uit het strafdossier blijkt wel dat het waterverbruik in de huurprijs inbegrepen zat, zodat het hof het wederrechtelijk bekomen vermogensvoordeel op grond van de elementen in het strafdossier in redelijkheid en billijkheid raamt op een bedrag van 32.000,00 euro, teneinde aan de beklaagde geen onredelijke bestraffing op te leggen. Het opleggen van deze verbeurdverklaring maakt geen onredelijk zware straf uit. Er is geen reden om tot een verdere mildering over te gaan, gelet op de aard en ernst van de litigieuze feiten. Daar misdrijven niet mogen lonen, zou het maatschappelijk onverantwoord zijn dat de beklaagde voordeel zou halen uit de litigieuze feiten. Uit geen enkel element blijkt dat de verbeurdverklaring van voormeld bedrag disproportioneel zou zijn. Hof van beroep Antwerpen - -p. 14 Louter volledighe idshalve onderstreept het hof hierbij nog dat de beklaagde hoe dan ook in gebreke blijft aannemelijk te maken dat de voormelde verbeurdve rklaring dermate afbreuk zou doen aan zijn financiële toestand dat dit een schending van zijn eigendoms recht zou inhouden. 4. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in zoverre de beklaagde werd veroordeeld tot betaling van: -een bijdrage van 200,00 euro, zijnde 25,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen tot financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasione le redders; -een vaste vergoeding voor de beheerskos ten in strafzaken van 58,24 euro; -een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand van 24,00 euro. Deze laatste bijdrage en vergoeding worden niet geïndexeerd gelet op de relatieve werking van het enkel beroep van de beklaagde. 5.3. Met betrekking tot de herstelvorde ring Uit het navolgend proces-verbaal van 11 maart 2025 blijkt dat de gevorderde herstelmaatregel volledig werd uitgevoerd, zodat de herstelvo rdering zonder voorwerp is geworden. 5.4. Met betrekl<ing tot het aanhouden van de burgerlijke belangen overeenkomstig artikel 4 V.T. Wetboek van Strafvordering Het hof bevestigt de beslissing van de eerste rechter tot het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen overeenkomstig het bepaalde In artikel 4 V.T. Wetboek van Strafvordering. 6. Wettelijke bepalingen Het hof houdt rekening met volgende wettelijke bepalingen, de artikelen: Hof van beroep Antwerpen - -p. 15 -11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 -152, 162, 182, 185, 186, 190, 190ter, 194, 195, 199, 200, 202, 203, 203bis, 204, 209bis, 210 en 211 van het Wetboek van Strafvordering -1, 2, 3, 7, 38, 40, 42, 43bis, 65 en 66 van het Strafwetboek -1, 2, 5, 15, 20 §1 en 20ter van het decreet van 15 juli 1997 -1.1., 1.2., 1.3., 3.1., 3.34. en 3.49 van de decreten over het Vlaamse woonbeleid van 17 jull 2020 "Vlaamse Codex Wonen van 2021" -1 van de wet van 5 maart 1952 -59 en 60 van de programmawet van 25 december 2016 -58 van het KB van 18 december 1986 -28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985 -4 §3, 5 en 10 van de wet van 19 maart 2017 -6 van het KB van 26 april 2017 -91 van het KB van 28 december 1950 -1 en 2 van het KB van 28 augustus 2020 -4 van de wet van 17 april 1878 (Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering) 7. Beslissing Het hof, Rechtdoende op tegenspraak ten aanzien van de beklaagde en bij verstek ten aanzien van de eiser tot herstel; Beslist op grond van de hoger vermelde redenen, binnen de perken van het hoger beroep zoals hiervoor bepaald, als volgt: Verklaart het hoger beroep van de beklaagde ontvankelijk; Op strafrechtelijk gebied Verklaart beklaagde schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten onder tenlasteleggingen A.1 tot en met A.10; Hof van beroep Antwerpen - -p.16 Veroordeelt beklaagde voor de in zijn hoofde bewezen verklaarde feiten samen tot een geldboete van 16.000,00 euro, zijnde 2.000,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen; Verklaart verbeurd overeenkomstig de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek de vermogensvoordelen voor een bedrag van 32.000,00 bij equivalent; Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre de beklaagde werd veroordeeld tot betaling van: een bijdrage van 200,00 euro, zijnde 25,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen tot financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders; -een vaste vergoeding voor de beheerskosten in strafzaken van 58,24 euro; -een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsb ljstand van 24,00 euro; . Met betrekking tot de herstelvordering Stelt vast dat de herstelvordering zonder voorwerp Is geworden; Op burgerrechtelijk gebied Bevestigt de beslissing van de eerste rechter in zoverre de burgerlijke belangen werden aangehouden overeenkomstig het bepaalde In artikel 4 V.T. Wetboek van Strafvordering ; De kosten Bevestigt het bestreden vonnis wat de veroordeling van de beklaagde tot de kosten van de strafvordering in eerste aanleg betreft; Veroordeelt de beklaagde tot de kosten van de strafvorder ing In hoger, deze voorgeschoten door de openbare partij en in totaal begroot op 202,80 euro, hierin begrepen de kosten van afschrift en betekening van het verstekvonnis, het verstek aan de beklaagde zelf te wijten zijnde. Hof van beroep Antwerpen - p. 17 Dit arrest Is gewezen te Antwerpen door het hof van beroep, C4 kamer, samengesteld uit: Kamervoorzitter Raadsheer Raadsheer die aan de beraadslaging hebben deelgenomen en in openbare terechtzitting van 4 juni 2025 uitgesproken door , Kamervoorzitter in aanwezigheid van , Eerste Advocaat-generaal met bijstand van , Griffier

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot