Naar hoofdinhoud

ARR:BM 4129.211

🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent 📅 2025-06-17 🌐 FR Vonnis veroordeling

Rechtsgebied

strafrecht

Geciteerde wetgeving

1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950

Volledige tekst

Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 2 In d e zaak van het openbaar ministerie tegen: BEKLAAGDEN: 1. met maatschappelijke zetel gevestigd te ingeschreven onder het ondernemingsnummer Actief Normale toestand BTW-nummer: eerste beklaagde, vertegenwoordigd door meester , advocaat te 2. , RRN geboren van Belgische nationaliteit ingeschreven te tweede beklaagde, bijgestaan door meester , advocaat te 3. , RRN geboren van Belgische nationaliteit ingeschreven te derde beklaagde, bijgestaan door meester loco meester beiden advocaat te TENLASTELEGGINGEN Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek; A oppervlaktewater Opzettelijk, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning, rechtstreeks of onrechtstreeks, stoffen, micro-organismen, geluid en andere trillingen of stralingen in of op water, bodem of atmosfeer te hebben ingebracht of te hebben verspreid, (art. 16.6.2.§ 1, lid 1 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en artikel 3.2.1 van het Gecoördineerd decreet van 15 juni 2018 betreffende het integraal waterbeleid) Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 3 te i n de periode van 28 januari 2022 tot en met 5 december 2023 nam elijk door bedrijfsafvalwater te hebben geloosd in de zonder over een geldige omgevingsvergunning te beschikken GE.64.L1.208/2022, GE.64.L1.1764/2023, GE.64.97.201814/2024 OKI, OKIII en OK IV door B schending vergunningsplicht buiten de gevallen bedoeld in artikel 16.6.1. § 1 lid 2 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, zonder omgevingsvergunning een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse te hebben geëxploiteerd of veranderd, (art. 5.2.1. §§ 3, 4 en 6 lid 1, en 16.6.1. § 1 lid 1 Decreet 05 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ; art. 5, 1°, c), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) 1 te in de periode van 28 januari 2022 tot en met 5 december 2023 nam elijk door bedrijfsafvalwater te hebben geloosd in , zonder over een geldige omgevingsvergunning te beschikken GE.64.L1.208/2022, GE.64.L1.1764/2023, GE.64.97.201814/2024 OKI, OKIII en OK IV door 2 te op 28 januari 2022 1. rubri ek 6.5 Vlarem 2 Indelingslijst brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen, namelijk installaties voor het vullen van brandstoftanks van motorvoertuigen met vloeibare koolwaterstoffen, bestemd voor de voeding van de erop geïnstalleerde motor(en): 1° inrichtingen met maximaal 2 verdeelslangen namelijk door twee mazouttanks met elk een verdeelslang te hebben aangewend voor de bedrijfsexploitatie; 2.1 rubriek 15.1. Al dan niet overdekte ruimte waarin de volgende voertuigen gestald worden: 1° 3 tot en met 25 motorvoertuigen of aanhangwagens, die geen personenwagens, bromfietsen, motorfietsen of voertuigen zoals gedefinieerd in artikel 3, 73°, van de spoorcodex van 30 augustus 2013 zijn Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 4 nam elijk meer dan drie voertuigen te hebben gestald op het bedrijfsterrein. door C gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van grond voor opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, allerlei materialen, materieel of afval zonder of in strijd met een geldige vergunning buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, (art. 4.2.1., 5°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) te op 4 oktober 2022 nam elijk door een berg afval bestaand uit aardappelresten en aarde te hebben aangelegd op het bedrijfsterrein gelegen te , kadastraal gekend als Het perceel zijnde een landgebouw, behoort toe aan ) voor de gehele blote eigendom. Ingevolge akte schenking (door de huwgemeenschap ) d.d. 12/07/2024, notaris te De huwgemeenschap ) voor het gehele vruchtgebruik. Zij waren voor de geheelheid volle eigenaar ingevolge akte d.d. 05/04/1989, notaris en ingevolge het overlijden op van uitdoving vruchtgebruik. door D Opzettelijke schending afvalstoffenregister Opzettelijk, in strijd met wettelijke bepalingen of met een vergunning, afvalstoffen, zijnde elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, te hebben achtergelaten, beheerd of overgebracht, meer bepaald in strijd met Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 5 de artikelen 6 §1 en 23 lid 1 van het Decreet van 23 december 2011 betref fende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen, en artikel 7.2.1.1 van het Besluit dd. 17 februari 2012 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen als producent van bedrijfsafvalstoffen, zijnde elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die bedrijfsafvalstoffen, met name afvalstoffen die ontstaan ten gevolge van een industriële, ambachtelijke of wetenschappelijke activiteit, en de afvalstoffen die daarmee gelijkgesteld worden bij een besluit van de Vlaamse Regering, voortbrengt, voorbehandelt, vermengt, of een handeling stelt die leidt tot de wijziging van de aard of samenstelling van de afvalstof, nagelaten te hebben een register van de door hem verwerkte afvalstoffen bijgehouden te hebben waarin onder meer de aard, oorsprong en hoeveelheid van de afvalstoffen wordt vermeld, namelijk geen afvalstoffenregister te hebben bijgehouden (art. 16.6.3.§1 eerste lid van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid) te op 4 oktober 2022 door Tevens gedagvaard om, bij toepassing van artikel 16.6.4 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zich te horen veroordelen tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen binnen een door de rechter vastgestelde termijn, onder verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag bij niet naleving van deze veroordeling. werd nog niet veroordeeld tot criminele straffen. Deze verzachtende omstandigheid maakt het mogelijk om correctionele straffen uit te spreken voor de tenlastelegging(en). werd nog niet veroordeeld tot criminele straffen. Deze verzachtende omstandigheid maakt het mogelijk om correctionele straffen uit te spreken voor de tenlastelegging(en). werd nog niet veroordeeld tot criminele straffen. Deze verzachtende omstandigheid maakt het mogelijk om correctionele straffen uit te spreken voor de tenlastelegging(en). PROCEDURE De dagvaarding werd op 7 februari 2025 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de wetgeving inzake hypotheken. Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 6 De b ehandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting. De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal. De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige partijen. De rechtbank merkt op dat de verzachtende omstandigheden weerhouden in de dagvaarding niet van tel zijn. Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting. BEOORDELING OP STRAFGEBIED 1. Overzicht van de feiten 1. Naa r aanleiding van een melding van sluiklozing, ging de politie ter plaatse ter hoogte van op 28 januari 2022. De melder had een vermoeden dat het afvalwa- ter afkomstig was van een aardappelverwerkend bedrijf. Bij nazicht van die langsheen het bedrijf stroomt, werd opgemerkt dat het water een bruine kleur had. Er was een afvoerbuis links van een pand van dit bedrijf waar water uit vloeit in . Ter hoogte van de afvoerbuis was er een bruine substantie, een ophoping van deze substantie ter hoogte van de afvoerbuis die boven het wateroppervlak uitstak. Tweede en derde beklaagde verklaarden ter plaatse dat de afvoerbuis afkomstig was van het . Tweede beklaagde verklaarde dat er in zijn bedrijf aardappelen gewassen worden met regen- water. Binnen het bedrijf is er een bezinkput met een overloop via de afvoerbuis om regenwa- ter af te voeren naar de gracht. Het is mogelijk dat er een klein beetje aarde was meegespoeld met het regenwater maar dit was geen vervuild water. Tweede beklaagde was bereid om het slijk uit de gracht te laten verwijderen. 2. Op 4 oktober 2022 ging de politie ter plaatse. Tweede beklaagde deed een rondgang met de politie en verklaarde dat er voor de site geen omgevingsvergunning werd aangevraagd. Het bedrijf is sinds 2008 actief in het ontvangen en sorteren van aangevoerde aardappelen. Tijdens de rondgang werden verschillende vergunningsplichtige activiteiten opgemerkt zoals de op- slag van twee mazouttanks met elk een verdeelslang waarvan één mazouttank enkelwandig is en niet ingekuipt, lozing van bedrijfsafvalwater, stalling van 3 tot 25 andere dan personenwa- gens. Op het terrein was op- en overslag van restanten van de gesorteerde/gespoelde aardappelen aanwezig die een sterke geurhinder verspreidde. Dit afval zou periodiek opgehaald worden door een lokale landbouwer voor verspreiding op zijn akkerlanden. Er kon geen afvalregister worden voorgelegd. Tweede beklaagde wist niet wat dit was. Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 7 Achter aan de bedrijfssite was een lozingspunt waarin het afvalwater van het bedrijf geloosd werd. De grachten waren duidelijk over een lengte van enkele tientallen meters verontreinigd met het bedrijfsafvalwater. 3. De berg afval op het bedrijfsterrein buiten bestond uit een beetje aarde en een grote hoe- veelheid rotte aardappelen. Volgens OVAM betrof dit organisch biologisch afval dat diende verwijderd te worden via een vergister nadat de aarde er eerst werd afgezeefd. Volgens VLM betrof dit geen meststof en kon dit niet verspreid worden op akkerlanden. Op 17 november 2022 werd het bedrijf aangemaand om de berg te verwijderen tegen 17 de- cember 2022. 4. Op 17 november 2022 werd door eerste en tweede beklaagde een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een aardappelloods en het aanleggen van betonverharding. Op 28 maart 2023 werd deze vergunning gedeeltelijk afgeleverd. Uit de vergunning van 28 maart 2023 blijkt dat beklaagden geen vergunning hebben aangevraagd voor de lozing van bedrijfsafvalwater. In de vergunning werd er uitdrukkelijk op gewezen dat de exploitant geen bedrijfsafvalwater mocht lozen aangezien hij hiervoor niet over de nodige omgevingsvergun- ning beschikt, noch over een machtiging van voor het lozen in de waterlopen . Het lozingspunt diende buiten gebruik/afgekoppeld te wor- den. 5. Op 23 juni 2023 bleek een berg met afval aanwezig te zijn op het akkerland naast het terrein. Het afval bestond uit rottende aardappelen met steenpuin en aarde. Het water van de Ruderwordewatergang vertoonde een bruine kleur. Uit de afvoerbuis kwam een substantie en de substantie stak boven het wateroppervlak uit. Derde beklaagde kwam bij de controle aangewandeld en verklaarde dat hij de buis ging dichten. Op 5 september 2023 werden tweede en derde beklaagde verhoord. Derde beklaagde meende dat het geen lozing betrof omdat het een overloop van water was. Het betrof zuiver water. had de gracht gekuist. De buis werd nu gedicht. De berg afval was van zijn broer met de bedoeling om af te voeren. Het lag op het akkerland van zijn broer. Tweede beklaagde verklaarde dat er ondertussen een milieuvergunning werd aangevraagd en verkregen. Het was de bedoeling om een stop op de afvoerbuis te zetten. Het afvalwater mocht op het land geloosd worden. Hij had een vergunning om het afval bestaande uit aarde van de aardappelen op het land te storten. Het steenpuin zou worden weggevoerd. 6. Op 5 december 2023 ging een handhavingsambtenaar van ter plaatse. Er waren twee lozingen aan de gang uit twee verschillende buizen. Er werden stalen genomen. Er werd geconcludeerd dat het afvalwater dat in de beek terecht kwam duidelijk beladen is en dit geconcentreerd afvalwater zeker een enorme impact heeft op de ontvangende waterloop. Gezien het bedrijf niet mag lozen in oppervlaktewater en er geen lozingsnormen zijn opgelegd aan het bedrijf kon er niet rechtstreeks getoetst worden. Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 8 Op 27 juni 2024 werd er een besluit bestuurlijke maatregelen genomen door de burgemeester van . In het besluit staat onder meer vermeld dat er tussen 8 februari 2024 en 27 februari 2024 mailverkeer was waaruit bleek dat er een studiebureau werd aangesteld om de lozing stop te zetten en een structurele oplossing te zoeken. Na 12 februari 2024 kwam er echter geen enkele feedback meer, noch van het studiebureau, noch van de eigenaar. Door de werd op 14 juni 2024 vastgesteld dat de lozing nog steeds bezig was. Volgende maatregelen werden opgelegd onder verbeurte van dwangsommen: - Lozing onmiddellijk stopzetten ten laatste tegen 2 augustus 2024. - Staalname laten uitvoeren op 5 punten stroomafwaarts ten laatste tegen 31 augustus 2024. - In afspraak met nagaan hoe de gracht best kan geruimd worden tegen 30 september 2024. - Ruiming gracht tegen 31 december 2024. 2. Bespreking van de schuldvraag 1. Bekl aagden moeten zich voor de rechtbank verantwoorden wegens het lozen van bedrijfs- afvalwater in de , schending van de vergunningsplicht door lozingen en gebruik van twee mazouttanks met elk een verdeelslang en het stallen van meer dan drie voer- tuigen, het gewoonlijk gebruik van een grond voor het aanleggen van een berg afval zonder vergunning en het niet bijhouden van een afvalstoffenregister. Tweede en derde beklaagde betwisten alle tenlasteleggingen met uitzondering van tenlaste- legging B.2, namelijk de schending van de vergunningsplicht door twee mazouttanks te heb- ben aangewend zonder vergunning en meer dan drie voertuigen op het bedrijfsterrein te heb- ben gestald zonder vergunning. Zij beweren echter niet op de hoogte geweest te zijn van de vergunningsplicht hiervan . Eerste beklaagde betwist ook de tenlastelegging B.2. Het is voor de rechtbank echter niet dui- delijk welk middel wordt aangevoerd. In de conclusie wordt enkel vermeld dat er thans een vergunning is. De drie beklaagden betwisten de tenlasteleggingen A en B.1 omdat zij van oordeel zijn dat het water dat in de Ruderwordewatergang terecht kwam geen afvalwater zou zijn of dit minstens niet zou bewezen zijn aangezien er slechts op 5 december 2023 een staal werd genomen waar geen enkele conclusie uit kon worden getrokken omdat hiervoor meerdere metingen dienden te gebeuren. Er werd een verslag gevoegd van eigen metingen die gebeurden op 24 augustus 2024 waaruit bleek dat het bedrijf enkel hemelwater loost en er geen negatieve impact is op het oppervlaktewater. Ondergeschikt voeren beklaagden rechtsdwaling aan of goede trouw aangezien de milieu-in- spectie zeven jaar geleden ter plaatse zou gekomen zijn en toen uitdrukkelijk akkoord was ge- gaan met de werkwijze. De drie beklaagden betwisten de tenlasteleggingen C en D omdat zij menen dat de hoop aarde met aardappelen slechts een heel klein percentage aardappelresten zou hebben bevat en hier- door geen afval is maar uitgezeefde aarde of grondbrij dat onder het grondverzet moet worden Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 9 afgevoerd. Beklaagden zijn aangesloten bij de grondbank en hebben toestemmi ng om de ge- zeefde aarde van de aardappelen op eigen land te deponeren. 2. Lozen van bedrijfsafvalwater (tenlasteleggingen A en B.1) Uit de vaststellingen op 28 januari 2022, 4 oktober 2022, 23 juni 2023 en 5 december 2023 blijkt duidelijk dat beklaagden in de Ruderwordewatergang afvalwater afkomstig van de ex- ploitatie van het aardappelbedrijf loosden in de periode van 28 januari 2022 tot en met 5 de- cember 2023. Uit de visuele vaststellingen, foto’s in het strafdossier en verklaringen van tweede en derde beklaagde blijkt dat het geloosde water hoeveelheden aarde en zetmeel bevatten die vrijge- komen waren bij het wassen van de aardappelen. Het water dat in de beek terecht kwam had een bruine kleur, er was een bruine ophoping ter hoogte van de afvoerbuis die boven het wa- teroppervlak uitstak en er stond schuim op het water. De mogelijkheid dat dit water misschien geen op zich gevaarlijke stoffen zou bevatten of er mogelijks geen schade zou zijn aangebracht aan het milieu is niet relevant voor de beoordeling of dit afvalwater betreft. Ook sterk beladen afvalwater zoals in deze zeker het geval was, met zeer veel bezinkbare en zwevende stoffen, heeft een impact op de ontvangende waterloop. Beklaagden wilden zich duidelijk van dit af- valwater ontdoen. Er was geen vergunning voor de lozing, noch een toelating van . De re- sultaten van verschillende stalen zijn niet noodzakelijk om beklaagden te kunnen veroordelen voor het illegaal lozen van afvalwater net omdat er geen vergunning was en er dus niet ge- toetst moet worden aan bepaalde lozingsnormen. Beklaagden werden er bij elke interventie op gewezen dat de lozing niet was toegestaan en in de vergunning van 28 maart 2023 werd zeer expliciet opgenomen dat lozen in de gracht op geen enkele manier was toegestaan, zelfs niet van hemelwater. Beklaagden trokken zich hier echter niets van aan en bleven lozen; blijk- baar zelfs tot een laatste vaststelling op 14 juni 2024. Beklaagden kunnen zich dan ook be- zwaarlijk beroepen op rechtsdwaling. De eventuele goede trouw van de beklaagden doet evenmin afbreuk aan het bestaan van het opzet. De te last gelegde misdrijven vereisen immers geen bijzonder opzet als moreel element, zodat goede trouw voor de schuldvraag niet relevant is. De tenlasteleggingen A en B.1 zijn voor de rechtbank bewezen. 3. Mazouttanks en wagens zonder vergunning (tenlastelegging B.2) Op 4 oktober 2022 werd vastgesteld dat beklaagden geen vergunning hadden voor hun activi- teiten, nochtans waren er verschillende vergunningsplichtige activiteiten aanwezig, zoals de opslag van twee mazouttanks met elk een verdeelslang waarvan één mazouttank enkelwandig is en niet ingekuipt en stalling van 3 tot 25 andere dan personenwagens. Tweede en derde beklaagde hebben deze tenlastelegging niet betwist. Het later verkrijgen van een vergunning doet het eerder gepleegde misdrijf niet teniet. De tenlastelegging B.2 is bewezen. Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 10 4. Opsl ag berg afval (aardappelresten en aarde) zonder afvalstoffenregister (tenlasteleggingen C en D) Hoew el aan de hand van de toegevoegde foto’s en de vaststellingen van de politie ter plaatse op 4 oktober 2022 dat de ‘berg afval bestaat uit een beetje aarde en een grote hoeveelheid rotte aardappelen ’ de conclusie van de verbalisanten dat de berg voor meer dan 80 % uit aard- appelen bestond aannemelijk lijkt, is er bij de rechtbank gerede twijfel aanwezig. De vaststelling van de politie dat de berg uit 80 % aardappelen bestond is immers enkel geba- seerd op een visuele vaststelling en niet op een steekproef of concrete meting. De verklaring van beklaagden ter zitting dat het niet erg economisch voordelig zou zijn om zoveel aardappe- len weg te smijten en dat het grotendeels ging om aarde die loskwam van de aardappelen is evenzeer aannemelijk. In die omstandigheden is het voor de rechtbank niet met gerechtelijke zekerheid bewezen dat de berg aarde die de politie op 4 oktober 2022 aantrof op het bedrijf van beklaagden gekwa- lificeerd diende te worden als afval waarvoor een afvalstoffenregister moest aanwezig zijn. De tenlasteleggingen C en D zijn niet bewezen. De herstelvordering die noodzakelijk geënt moet zijn op een misdrijf, kan niet worden opge- legd. 5. Tweede en derde beklaagde hadden duidelijk de eindverantwoordelijkheid over alle beslis- singen inzake milieu en de aanvraag van vergunningen. De bewezen verklaarde feiten kunnen hen worden toegerekend. De bewezen misdrijven houden verband met de verwezenlijking van de doelen van eerste be- klaagde, namelijk de uitbating van een land- en tuinbouwbedrijf. De vele inbreuken en de duur ervan geven blijk van een gewoonte om de milieuverplichtingen die toezicht en controle mo- gelijk moeten maken niet na te leven en een beleid binnen de rechtspersoon dat niet vol- doende aandacht schonk aan de regelgeving. Dit maakt een eigen fout uit van de rechtsper- soon die hem kan worden toegerekend. 3. Straftoemeting 1. De rechtbank legt voor elke beklaagde overeenkomstig artikel 65, eerste lid Strafwetboek één straf op voor de feiten van de tenlasteleggingen A, B.1 en B.2 samen. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van de bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden, de eventuele strafverzwarende factoren en het strafverleden van beklaagden. De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet beklaagden ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te plegen. Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 11 2. Bekl aagden hebben jarenlang hun bedrijfsafvalwater geloosd in een nabijgelegen gracht en hadden geen vergunning voor verschillende bedrijfsactiviteiten. Ook na het verkrijgen van een vergunning, leefden zij deze niet volledig na. De misdrijven konden het leefmilieu en de biodiversiteit schade toebrengen. Er dienden bestuurlijke maatregelen met dwangsommen opgelegd te worden om beklaagden tot actie te bewegen. 3. werd opgericht in 2008 met als zaakvoerders heeft nog een blanco strafregister. heeft onder meer als doel de handel in fruit en groeten en land- en tuinbouwbedrijf. Tweede beklaagde, , is jaar oud en werd éénmaal veroordeeld voor een verkeersinbreuk. Derde beklaagde, , is jaar oud en heeft nog een blanco strafverleden. Gelet op de duur van de lozing en de vele controles en bestuurlijke maatregelen die nodig waren om beklaagden aan te zetten tot het aanpassen van hun bedrijfswerking, is de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling niet passend. Een geldboete zoals hierna bepaald is voor elke beklaagde noodzakelijk om hen de ernst van de feiten te doen inzien en recidive te voorkomen. Een deel van de geldboetes kan opgelegd worden met de gunst van het gewoon uitstel nu beklaagden niet eerder voor dergelijke misdrijven werden veroordeeld en zij hiervoor nog in aanmerking komen. Zij moeten beseffen dat het uitstel kan worden herroepen indien zij nieuwe misdrijven zouden plegen gedurende de proeftijd die de rechtbank bepaalt op drie jaar. BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED Omdat de door beklaagden gepleegde misdrijven mogelijk schade hebben veroorzaakt, houdt de rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig artikel 4 van de Voor- afgaande Titel wetboek van Strafvordering (art. 4 V.T.Sv.). TOEGEPASTE WETTEN De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen: art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935; art. 4 Wet van 17 april 1878 - Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering; art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 191, 194, 195 Wetboek van Strafvordering; art. 1, 2, 3, 7, 7bis, 38, 39, 40, 41, 41bis, 65, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven; art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952; art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985; Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 12 art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand; art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement van de gerechtskosten in strafzaken; art. 1 (§1, 2° en §2), 8, 14 §1 Wet van 29 juni 1964; DE RECHTBANK: op tegenspraak ten aanzien van , OP STRAFGEBIED Ten aanzien van , eerste beklaagde Spree kt vrij voor de tenlasteleggingen C en D. Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen A, B1 en B2 bewezen. Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A, B1 en B2: tot een geldboete van 8.000,00 EUR, zijnde 1.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van 3 jaar , doch slechts voor een gedeelte van 4.000,00 EUR , zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Veroordeelt tot betaling van:  een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR , zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders  een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 13 tweedelijnsbijstand  een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR  de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 36,63 EUR, ondeelbaar veroorzaakt door de bewezen verklaarde misdrijven. Ten aanzien van , tweede beklaagde Spree kt vrij voor de tenlasteleggingen C en D. Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen A, B1 en B2 bewezen. Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A, B1 en B2: tot een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 3 maanden. Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van 3 jaar , doch slechts voor een gedeelte van 2.000,00 EUR , zijnde 250,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Veroordeelt tot betaling van:  een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR , zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders  een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand  een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR  de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 36,63 EUR, ondeelbaar veroorzaakt door de bewezen verklaarde misdrijven. Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 14 Ten aanzien van , derde beklaagde Spree kt vrij voor de tenlasteleggingen C en D. Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen A, B1 en B2 bewezen. Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A, B1 en B2: tot een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 3 maanden. Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van 3 jaar , doch slechts voor een gedeelte van 2.000,00 EUR , zijnde 250,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Veroordeelt tot betaling van:  een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR , zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders  een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand  een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR  de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 36,63 EUR , ondeelbaar veroorzaakt door de bewezen verklaarde misdrijven. Overtuigingsstuk Beveelt de overmaking aan het openbaar ministerie om te handelen als naar recht van het overtuigingsstuk gekend onder . Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 15 OP BURG ERLIJK GEBIED De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan. Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 17 juni 2025 door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI: - , rechter in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting , met bijstand van griffier .

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot