Naar hoofdinhoud

ARR:OE 44084.002

🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent 📅 2025-06-17 🌐 FR Vonnis veroordeling

Rechtsgebied

strafrecht

Geciteerde wetgeving

1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950

Volledige tekst

Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 2 In d e zaak van het openbaar ministerie tegen: BEKLAAGDEN: 1. , RRN geboren van Belgische nationaliteit ingeschreven te eerste beklaagde, bijgestaan door meester , advocaat te , 2. met maatschappelijke zetel gevestigd te , ingeschreven onder het ondernemingsnummer Actief Normale toestand BTW-nummer: tweede beklaagde, vertegenwoordigd door meester , advocaat te 3. met maatschappelijke zetel gevestigd te , ingeschreven onder het ondernemingsnummer Actief Normale toestand derde beklaagde, vertegenwoordigd door meester , advocaat te , loco meester , advocaat te , TENLASTELEGGINGEN Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek; A aanmerkelijk wijzigen van reliëf van bodem zonder of in strijd met een geldige vergunning met verzwarende omstandigheden buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, onder meer door de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 3 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in stri jd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, (art. 4.2.1., 4°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) met de omstandigheid dat het in artikel 6.2.1. lid 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vermelde misdrijf gepleegd werd door een instrumenterende ambtenaar, vastgoedmakelaar of een andere persoon die in de uitoefening van zijn beroep of activiteit onroerende goederen koopt, verkavelt, te koop of te huur zet, verkoopt of verhuurt, bouwt of vaste of verplaatsbare inrichtingen ontwerpt en/of opstelt of een persoon die bij die verrichtingen als tussenpersoon optreedt, bij de uitoefening van zijn beroep. (art. 6.2.1. lid 2 en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) op het terrein gelegen te , kadastraal gekend als eigendom van geboren , wonende te , bij aankoopakte van 30 november 2015 verleden voor notaris te meer bepaald een wadi te hebben aangelegd in de achtertuinzone, met een oppervlakte van 15m bij 10m en een diepte van 1,20m te in de periode van 1 januari 2021 tot 1 januari 2022 door , B optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning met verzwarende omstandigheden buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, (art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning) Wat betreft met de omstandigheid dat het in artikel 6.2.1. lid 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vermelde misdrijf gepleegd werd door een instrumenterende ambtenaar, vastgoedmakelaar of een andere persoon die in de uitoefening van zijn beroep of activiteit onroerende goederen koopt, verkavelt, te koop of te huur zet, Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 4 verkoopt of verhuurt, bouwt of vaste of verplaatsbare inrichtingen ontwerpt en/of opstelt of een persoon die bij die verrichtingen als tussenpersoon optreedt, bij de uitoefening van zijn beroep. (art. 6.2.1. lid 2 en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) op het terrein gelegen te , kadastraal gekend als eigendom van , geboren , wonende te , bij aankoopakte van 30 november 2015 verleden voor notaris te meer bepaald een frame met een partij van 21 zonnepanelen te hebben aangelegd te op 27 april 2022 door , C onroerend erfgoed bij inbreuk op de artikelen 5.1.1, 5.1.3 en 6.4.3, strafbaar gesteld door artikel 11.2.2 al.1 4° en 7° van het Decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed, de volgende handelingen, zijnde werkzaamheden, wijzigingen of activiteiten met gevolgen voor erfgoedwaarden, of nalatigheden, namelijk 4° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 5.1.3 (het ontsieren, beschadigen, vernielen of andere handelingen te stellen die de erfgoedwaarde ervan aantasten), zonder uitvoerbare toelating of in strijd met de code van goede praktijk, de voorwaarden of maatregelen van de toelating, de bekrachtigde archeologienota, de archeologienota waarvan akte is genomen, de bekrachtigde nota of de nota waarvan akte is genomen; 7° het niet naleven van het passiefbehoudsbeginsel, vermeld in artikelen 5.1.1 en 6.4.3 (verbod op het ontsieren, beschadigen of vernielen van archeologische artefacten, archeologische sites, archeologische ensembles en beschermde goederen of andere handelingen te stellen die de erfgoedwaarde ervan aantasten) meer bepaald op het terrein gelegen te , kadastraal gekend als eigendom van , geboren wonende te , bij aankoopakte van 30 november 2015 verleden voor notaris te meer bepaald in een zone die sinds 27 mei 2017 definitief beschermd is als een archeologische site " in strijd met het programma van maatregelen van de bekrachtigde archeologienota zoals gevoegd bij de omgevingsvergunning, twee waterciternes van elk 15.000 liter en een IBA (Individuele Behandeling Afvalwater), alsook een wadi te hebben aangelegd te in de periode van 22 mei 2017 tot 1 januari 2022 Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 5 door Wat betreft tenlasteleggingen A en B Bij toepassing van artikel 6.3.1.§1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zi ch te horen veroordelen tot het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand binnen een door de rechter vastgestelde termijn, onder verbeurte van een dwangsom van 500 euro per dag bij niet naleving van deze veroordeling. PROCEDURE De dagvaarding werd op 19 december 2024 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de wetgeving inzake hypotheken. De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting. De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal. De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige partijen. Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting. BEOORDELING OP STRAFGEBIED 1. Overzicht van de feiten 1. Eer ste beklaagde, , is eigenaar van , een perceel gelegen binnen de beschermde archeologische site van Dit betreft een Romeins legerkamp uit de eerste eeuw na Chr. dat omwille van zowel de date- ring als de locatie zeer zeldzaam is en als bijzonder waardevol wordt beschouwd. Op 22 mei 2017 werd een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het slopen van een woning en het verbouwen van een hoevewoning. Bij de vergunningsaanvraag werd er een ar- cheologische nota toegevoegd. In de bouwvergunning was opgenomen dat het programma van maatregelen van de bekrachtigde archeologienota en het Onroerend erfgoeddecreet van 12 juli 2013 moesten worden nageleefd. Bij een plaatsbezoek op 20 december 2022 werd vastgesteld dat de archeologienota niet werd nageleefd. Eveneens werd vastgesteld dat er zaken werden uitgevoerd zonder vergunning én in strijd met het beschermingsbesluit van 7 maart 2017. Er werd in de achtertuinzone in 2021 Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 6 een wadi aangelegd van ongeveer 15 op 10 meter en een diepte van ongeveer 1,2 meter. In de tuin werd een partij zonnepanelen aangelegd omgeven door een haagaanplanting in het voorjaar 2022 door het bedrijf 2. Op 30 januari 2023 werd verhoord door de politie. Hij verklaarde dat de wadi en de zonnepanelen werden aangelegd nadat de woning was afgewerkt en dat de archi- tect hier niet meer bij betrokken was. De wadi werd aangelegd door waarvan hij zaakvoerder is en de zonnepanelen werden aangelegd door . Hij was van mening geweest dat er hier geen vergunning voor nodig was. Hij ging eind februari een aanvraag doen. 3. Op 2 maart 2023 werd door eerste beklaagde een vergunningsaanvraag ingediend bij voor regularisatie van de wadi en de zonnepanelen. Op 12 juli 2023 werd vastgesteld dat de beslissingstermijn was verstreken en dat de aanvraag aldus stilzwijgend werd geweigerd. Er werd wel nog verwezen naar het ongunstig advies van de gemeentelijke omgevingsambtenaar waarin gesteld werd dat reliëfwijzigingen binnen de zone niet waren toegestaan (overdrukzone behoud van het oorspronkelijk reliëf) en de werken niet voor ver- gunning vatbaar waren. Tegen deze beslissing werd geen beroep aangetekend. Op 6 november 2023 werd verhoord omtrent zijn intenties. Hij verklaarde dat de toestand nog ongewijzigd was en het zijn bedoeling was om een nieuwe aanvraag in te dienen. Er werd geen nieuwe regularisatieaanvraag ingediend. 4. Op 16 mei 2024 werd medezaakvoerder van , verhoord door de politie. Hij was vergezeld van projectleider verklaarde samen met de leiding te hebben over de ven- nootschap. Zij volgen ook de vergunningen op. De klant is verantwoordelijk om in orde te zijn met de vergunning. Hij wordt er nadrukkelijk op gewezen en dat staat in de algemene voor- waarden. Concreet hadden zij het frame voor de zonnepanelen geplaatst op een bestaande betongrondplaat in Op het frame zijn 20 zonnepanelen bevestigd. De plaatsing werd uitgevoerd op 27 april 2022. De opdracht werd gegeven door De bouwheer was blijkbaar in gebreke gebleven met de vergunning. Ze gingen er van uit dat er een vergunning was nadat dit meermaals schriftelijk werd gevraagd. Er werd mailverkeer gevoegd die gevoerd werd tussen van . Hieruit blijkt dat op 18 november 2021 schreef “ zou het niet opportuun zijn om in de gemeente de toelating te vragen? (bouwvergunning) Kwestie van in orde te zijn…”Hierop antwoordde eerste beklaagde “ Worden de meeste zonnepanelen aange- vraagd? Volgens mij gebeurt dit zelden? Ik weet dat dit gaat doen, is dit een complete bouwaanvraag of is dit een gewone melding? “ Hierop antwoordde : “Bij sommige gemeenten moet je gewoon melden, andere vragen soms meer, dus afhankelijk van… Meestal is dit een simpele melding weliswaar. Dus even bellen naar de gemeente is wel aangewezen… je weet nooit dat je ergens een jaloerse buur hebt…” Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 7 5. De bescherming van als archeologische site beoogt zo veel als mogelijk een behoud van het archeologisch erfgoed op de plaats waar het zich in de bodem bevindt (een behoud in situ ). Een belangrijke beheersdoelstelling met het oog op een behoud in situ is het vermijden van ingrepen in de bodem dieper dan 30-35 cm. Op 15 februari 2023 ging een inspecteur onroerend erfgoed ter plaatse. Er bleken twee water- citernes te zijn aangelegd op een andere plaats dan voorzien in de vergunning wat zijn conse- quenties heeft binnen de beschermde archeologische site. Alle ingrepen in de bodem dienen besproken te worden met een erfgoedconsulent. De waterciternes zijn gelegen in de be- schermde zone waarvoor bij dergelijke handelingen een toelating nodig is van het Agentschap. Buiten de beschermde site werd een wadi aangelegd die eveneens behoort bij het bouwpro- ject als overstort van gezuiverd afvalwater. Ook ingrepen buiten de beschermde zone worden identiek behandeld. Er diende een omgevingsvergunning en een toelating bekomen te wor- den. De inspecteur onroerend erfgoed heeft een herstelvordering geformuleerd. Er wordt een scha- devergoeding voor verlies van erfgoedwaarde gevorderd aangezien de vernieling van archeo- logisch erfgoed onherroepelijk is. De schade werd berekend op 8.922,9 euro. 2. Bespreking van de schuldvraag 1. Eer ste en tweede beklaagde moeten zich voor de rechtbank verantwoorden wegens het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf door de aanleg van een wadi zonder vergunning en het plegen van inbreuken op het decreet onroerend erfgoed door het aanleggen van twee water- citernes, een IBA en een wadi in de archeologische site ” in strijd met het programma van maatregelen van de bekrachtigde archeologienota zoals ge- voegd bij de omgevingsvergunning. Eerste en derde beklaagde moeten zich tevens verantwoorden wegens het optrekken van een frame met een partij van 21 zonnepanelen zonder omgevingsvergunning te Eerste beklaagde voerde geen betwisting met uitzondering van de tenlastelegging C wat de wadi betreft. De wadi bevindt zich immers buiten de beschermde archeologische site. Tweede beklaagde verzocht om de vrijspraak. De vennootschap zou enkel een kraan ter plaatse gebracht hebben om de wadi te graven. Eerste beklaagde zou de kraan zelf bediend hebben en de wadi zelf gegraven hebben. Gelet op deze beperkte rol zou tweede beklaagde bezwaarlijk als uitvoerder kunnen worden aangemerkt. Met betrekking tot de tenlastelegging C is tweede beklaagde van oordeel dat een aannemer van bouwwerken niet dient in te staan voor de archeologische opvolging. Derde beklaagde verzocht om de vrijspraak. De zonnepanelen werden geplaatst op een be- staande betonplaat en qua oppervlakte kon dit onder het vrijstellingsbesluit vallen. Bovendien had derde beklaagde eerste beklaagde voorafgaand gesommeerd om de nodige stappen te ondernemen ten aanzien van Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 8 2.1 Tenla stelegging A: Wadi zonder omgevingsvergunning Gelet op de vaststelling op 20 december 2022 dat er te een wadi werd aangelegd die niet was opgenomen in de omgevingsvergunning is het voor de rechtbank be- wezen dat het reliëf van de bodem werd gewijzigd zonder vergunning. De wadi is ongeveer 150 vierkante meter groot en ongeveer 1,2 meter diep. Het valt niet te betwisten dat door deze grote wadi de aard en de functie van het terrein werden gewijzigd. Uit het proces-verbaal van de inspecteur Onroerend Erfgoed (OK 2, stuk 7) blijkt dat eerste be- klaagde bij de rondgang opmerkte dat er ook een aanzienlijk deel van het terrein werd opge- hoogd (zone tussen de achterzijde van de woning en de wadi). Deze zaken hebben een duide- lijke en bedoelde impact op de waterhuishouding op het terrein. Zowel eerste als tweede beklaagde zijn strafrechtelijk verantwoordelijk voor deze inbreuk. Eer- ste beklaagde verklaarde in zijn verhoor op 30 januari 2023 dat de wadi had aan- gelegd en eerste beklaagde heeft als zaakvoerder de wadi zelf gegraven. Dat dit gebeurde op zijn eigen eigendom is van geen belang. Zowel eerste als tweede beklaagde hebben opzettelijk gehandeld zonder vergunning. Het niet weten dat er een vergunningsplicht was is helemaal niet geloofwaardig en bovendien zou het beklaagden ook niet ontslaan van die plicht. Ook de verzwarende omstandigheid dat beklaagden handelden als personen die in de uitoe- fening van hun beroep of activiteit onroerende goederen bouwen is bewezen. Zij voerden als bouwbedrijf en zaakvoerder van dit bedrijf, dit is als professionelen in vastgoed, de grondwer- ken uit. Van dergelijke personen wordt terecht een grotere kennis en voorzichtigheid verwacht bij vergunningsplichtige handelingen. 2.2 Tenlastelegging B: Frame met een partij van 21 zonnepanelen Op 20 december 2022 werd vastgesteld dat er zonnepanelen werden aangelegd in de tuin omgeven door een haagaanplanting waarvoor geen vergunning was. Eerste beklaagde gaf hier- voor de opdracht. Eerste beklaagde betwistte zijn schuld niet. Het is ook totaal niet geloof- waardig dat hij als zaakvoerder van een bouwbedrijf dacht dat er geen vergunning nodig was. Het gaat immers om een vrij grote vaste constructie op een betonnen plaat (ongeveer 65 vier- kante meter). De verzwarende omstandigheid is eveneens bewezen in hoofde van eerste be- klaagde. De rechtbank zal derde beklaagde voor dit misdrijf vrijspreken. De rechtbank stelt immers vast dat de betonplaat al aanwezig was voordat derde beklaagde de zonnepanelen er op plaatste. Het misdrijf was aldus eigenlijk reeds gerealiseerd voor de tussenkomst van derde beklaagde. Eerste beklaagde bevestigde ter zitting dat hij de betonplaat zelf had gelegd. Derde beklaagde was aldus niet verantwoordelijk voor deze constructie en de eventueel hiervoor afgeleverde vergunning. Bovendien blijkt uit het mailverkeer dat derde beklaagde eerste beklaagde heeft geïnformeerd over het feit dat er mogelijk een vergunning of melding nodig was. Om die re- denen treft derde beklaagde geen schuld en dringt de vrijspraak zich op. Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 9 2.3 Tenla stelegging C: Waterciternes, IBA en wadi in strijd met het programma van maatrege- len van de bekrachtigde archeologienota. Op 20 december 2022 werd vastgesteld dat er een wadi werd aangelegd die niet voorzien was in de vergunning van 22 mei 2017 en de bijhorende archeologienota niet werd nageleefd. De archeologienota bepaalde dat er een sloopbegeleiding moest worden uitgevoerd, gevolgd door een opgraving en een werfbegeleiding voor bepaalde zones. Deze keuze en aanpak was gebaseerd op de impactbepaling van de geplande werken en werd opgemaakt door een er- kende archeoloog. Het blijkt echter dat eerste beklaagde alle werken uitvoerde zonder zich om de archeologie te bekommeren. Hij nam na het verkrijgen van de vergunning geen enkel contact op met de dienst onroerend erfgoed, er werd geen archeologisch onderzoek uitgevoerd of voorzien in werfbegeleiding. Op 15 februari 2023 werd vastgesteld dat de putten niet aangelegd werden zoals voorzien in de vergunning, namelijk niet ter hoogte van het terras, maar wel in de zone waar de zwemvij- ver was ontworpen. De zwemvijver werd niet uitgevoerd. Zowel de plaatsing van de twee waterciternes en de IBA als de wadi werden uitgevoerd in strijd met het programma van maatregelen van de bekrachtigde archeologienota. Het plangebied waarop de archeologienota van toepassing was, omvat immers ook de percelen en waar de wadi gelegen is. De inspecteur onroerend erfgoed stelde dat ingrepen in de bo- dem die worden gepland buiten de beschermingszone identiek worden behandeld en bespro- ken moeten worden met een erfgoedconsulent. De wadi is inderdaad gelegen buiten de be- schermde site maar behoorde tot hetzelfde bouwproject en was om die reden eveneens toe- latingsplichtig. De wadi werd echter uitgegraven zonder toelating en zonder zich te bekomme- ren om de verplichtingen van de archeologienota. Zowel eerste als tweede beklaagde zijn strafrechtelijk verantwoordelijk voor deze inbreuk. Eer- ste beklaagde verklaarde in zijn verhoor op 30 januari 2023 dat de wadi had aan- gelegd en eerste beklaagde heeft als zaakvoerder de wadi zelf gegraven. Dat dit gebeurde op zijn eigen eigendom is van geen belang. Zowel eerste als tweede beklaagde hebben opzettelijk gehandeld in strijd met de vergunning en het programma van maatregelen van de bekrachtigde archeologienota. De rechtbank stelt voor de -Bouwbedrijf wel degelijk een eigen schuldpatroon vast. De omstandigheid dat voor het doen van die vaststelling rekening wordt gehouden met de gedragingen of ver- zuimen van de enige zaakvoerder, belet dit niet. De vennootschap handelde immers door toe- doen van . Ook de verzwarende omstandigheid dat beklaagden handelden als personen die in de uitoe- fening van hun beroep of activiteit onroerende goederen bouwen is bewezen. Zij voerden als bouwbedrijf en zaakvoerder van dit bedrijf, dit is als professionelen in vastgoed, de grondwer- ken uit. Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 10 3. Stra ftoemeting 1. De rechtbank legt voor eerste beklaagde overeenkomstig artikel 65, eerste lid Strafwetboek één straf op voor de feiten van de tenlasteleggingen A, B en C samen, met name de zwaarste. De rechtbank legt voor tweede beklaagde overeenkomstig artikel 65, eerste lid Strafwetboek één straf op voor de feiten van de tenlasteleggingen A en C samen. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van de bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden, de eventuele strafverzwarende factoren en het strafverleden van beklaagden alsook met de gezinstoestand en arbeidssituatie van eerste beklaagde, voor zover de rechtbank die kent. De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet beklaagden ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te plegen. 2. De bewezen misdrijven zijn bijzonder laakbaar. Beklaagden handelden als professionals zonder en in strijd met de verkregen vergunning en bekommerden zich totaal niet om de bescherming van de archeologische site in het algemeen belang. Op die manier handelen is bijzonder egoïstisch en kortzichtig. Zij brachten onherroepelijke schade toe aan onroerend erfgoed. 3. Eerste beklaagde, , is jaar oud en werd reeds vijfmaal veroordeeld wegens verkeersmisdrijven. Bij vonnis van 16 januari 2009 werd hij reed s veroordeeld wegens een inbreuk op de wetgeving stedenbouw. Deze veroordeling had klaarblijkelijk niet veel indruk gemaakt nu eerste beklaagde zich opnieuw schuldig maakte aan dergelijke misdrijven en hij ter zitting verklaarde geen enkele herinnering te hebben aan deze veroordeling. In 2021 kreeg eerste beklaagde de gunst van de opschorting wegens sociaalrechtelijke inbreuken. Gelet op de verschillende thans bewezen inbreuken, de ernst van de inbreuken, de bewezen verzwarende omstandigheid en nu deze beklaagde reeds eerder werd veroordeeld voor een stedenbouwkundige inbreuk is een geldboete van 2.500 euro passend en noodzakelijk om recidive te voorkomen. Tweede beklaagde, werd opgericht in 1979 en heeft als activiteiten onder meer het oprichten van gebouwen. De vennootschap heeft nog een blanco strafverleden. Gelet op de verschillende bewezen inbreuken, de ernst van de inbreuken en de bewezen verzwarende omstandigheid is een geldboete van 2.000 euro zoals door het openbaar ministerie gevorderd passend en noodzakelijk om recidive te voorkomen. HERSTEL 1. De rechtbank stelt vast dat er geen aanwijzing is dat de zonnepanelen en wadi reeds zouden zijn verwijderd waardoor de herstelvordering nog actueel is. Het openbaar ministerie vordert Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 11 het herstel in oorspronkelijke toestand op grond van de tenlasteleggingen A en B, namelijk het verwijderen van de wadi en de zonnepanelen. Eerste en tweede beklaagde menen dat de herstelvordering kennelijk onredelijk is omdat de wadi de waterhuishouding en het natuurlijk milieu ten goede komen en de zonnepanelen energetisch aangewezen zijn en aan het zicht onttrokken worden door een groene haag zodat ze niet storend zijn voor de omgeving. 2. De rechtbank is van oordeel dat de herstelvordering wat betreft de zonnepanelen niet ge- steund is op motieven die vreemd zijn aan de goede ruimtelijke ordening of die uitgaan van een opvatting over de goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is. De constructie is groot en zorgt voor een overbezetting van het terrein. Alternatieve plaatsen voor de zonnepa- nelen zijn wel degelijk mogelijk en een vergunning voor de zonnepanelen kan worden aange- vraagd. De schade die door het bouwmisdrijf is berokkend aan de goede ruimtelijke ordening, kan slechts worden opgeheven door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand. De verwijdering van de zonnepanelen met frame en betonplaat is dus noodzakelijk. Eveneens blijkt hieruit dat het betalen van een meerwaarde niet volstaat als herstelmaatregel. Nu eerste beklaagde in het verleden talmde om tot het herstel over te gaan, wordt terecht de verbeurte van een dwangsom gevorderd bij niet naleving van het bevel tot herstel. De hierna uitgesproken modaliteiten vormen een gepaste en noodzakelijke aansporing van eerste be- klaagde om tot herstel over te gaan indien regularisatie niet mogelijk is. Rekening houdend met de omvang van de uit te voeren herstelwerken, voorziet de rechtbank in een herstelter- mijn van 6 maanden. De lange tijd sedert dewelke eerste beklaagde al kon overgaan tot het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand en de ruime termijn welke hem hiertoe nog wordt verleend, bren- gen mee dat er geen reden is om bij toepassing van artikel 1385 bis, laatste alinea, Gerechtelijk Wetboek nog een zekere termijn te bepalen waarna de veroordeelde pas de dwangsom zal kunnen verbeuren. De rechtbank machtigt de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester van de ge- meente Aalter om ambtshalve in de uitvoering van het herstel te voorzien wanneer eerste beklaagde dit niet zelf binnen de gestelde termijn zouden doen (art. 6.3.4, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening). 3. De rechtbank is van oordeel dat de herstelvordering wat betreft de wadi wel kennelijk on- redelijk is. Er is inmiddels een natuurlijke biotoop gecreëerd en het blijkt niet dat de reliëfwij- ziging, hoewel onvergunbaar, een onaanvaardbare invloed heeft op de nabijgelegen percelen. Het misdrijf is kennelijk verenigbaar met een goede ruimtelijke ordening. In die omstandighe- den zou het herstel in oorspronkelijke toestand naar het oordeel van de rechtbank meer kwaad dan goed doen. Het herstel via het betalen van een meerwaarde kan volstaan. Beklaagden berekenden de meerwaardesom op 260,82 euro door gebruik te maken van de geïndexeerde reguliere vergoeding. Deze vergoeding kan verhoogd worden tot de maximale vergoeding in- dien de rechtbank dit motiveert. In casu houdt de rechtbank rekening met de grote diepte van Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 12 de wadi waardoor de reliëfwijziging allesbehalve gering is. De rechtb ank hanteert om die re- den een verhoogde vergoeding van 5 euro per vierkante meter. Dat brengt de meerwaardesom op 690 euro. Eerste en tweede beklaagde kunnen zich wel op een geldige wijze kwijten van de betaling van de voormelde meerwaardesom door de plaats alsnog in de oorspronkelijke toestand te her- stellen (art. 6.3.1, §5, derde lid VCRO). 4. De inspecteur onroerend erfgoed vordert een schadevergoeding voor verlies van erf- goedwaarde aangezien de vernieling van archeologisch erfgoed onherroepelijk is. De schade werd berekend op 8.922,9 euro. Artikel 11.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet bepaalt dat de rechtbank naast de straf op vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed het integrale herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade beveelt. Als geen feitelijk herstel in een originele, goede staat mogelijk is en een gehele of gedeeltelijke reconstructie, al dan niet aangevuld met of vervangen door complementaire maatregelen, vol- gens het met redenen omklede oordeel van de inspecteur Onroerend Erfgoed evenmin moge- lijk is of minstens niet opportuun is, beveelt de rechter een integraal herstel door de vergoe- ding van de schade die het algemeen belang heeft opgelopen door de vernietiging van erf- goedwaarden, zo nodig aangevuld met maatregelen die verdere schade moeten voorkomen, zoals de vrijwaring van een verstoorde archeologische zone door een archeologische opgra- ving of de staking van een schadeverwekkende activiteit. Door de werken uit te voeren zonder naleving van de archeologische maatregelen (opgraving en werfbegeleiding) is de vernieling van archeologisch erfgoed inderdaad onherroepelijk: spo- ren en structuren die bij de uitvoering van de werken verstoord werden zijn definitief verloren. Nu een reëel herstel niet mogelijk is werd de schade terecht pecuniair begroot. Indien het programma van de archeologienota zou gevolgd zijn, zou dit ongeveer 6.000 euro gekost hebben. Deze kost hield rekening met veldwerk gedurende twee dagen door twee per- sonen. Het afdelingshoofd Onderzoek en Bescherming achtte deze kost echter onrealistisch laag. Bin- nen de beschermingszone van de archeologische site ‘Romeins Castellum op het Loveld’, wer- den recent immers meerdere opgravingen uitgevoerd waaruit een vrij grote dichtheid van ar- cheologische sporen bleek. Het Agentschap Onroerend Erfgoed stelde dat 12.747 euro een realistische kost was van de opgraving die gepaard zou gegaan zijn met de werken. Op dit be- drag werd de methode voor de berekening van de schadevergoeding bij beschermde archeo- logische sites toegepast. Dit leverde een schadevergoeding op van 8.922,9 euro. Eerste en tweede beklaagde zijn van oordeel dat de begroting kennelijk niet correct en vol- strekt overdreven is. Zo werd er bij de berekening geen rekening gehouden met het feit dat de zwemvijver niet werd gerealiseerd. Het aantal mandagen werd opgedreven van 4 (zoals voor- zien in de archeologienota) tot 14 dagen wat schromelijk overdreven zou zijn. De rechtbank oordeelt dat de kost inderdaad te ruim werd gerekend en de motivering daartoe niet volstaat nu de archeologienota bij de omgevingsvergunning inderdaad destijds in 2017 werd goedgekeurd door het Agentschap. De ‘recente ’ opgravingen waarnaar thans wordt ver- wezen om te stellen dat er een erg hoge sporendichtheid is, dateren van voordien, namelijk Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 13 1990, 2006, 2007 en 2008. Dit was aldus reeds gekend toen het Agentschap Onr oerend Erf- goed in 2017 de archeologienota met 4 geplande mandagen goedkeurde. Nu de rechtbank er wel vanuit gaat dat er ook maatregelen zouden nodig geweest zijn bij de realisatie van de wadi, wordt er geen rekening gehouden met het feit dat de zwemvijver niet gerealiseerd werd om de kost verder te drukken. Het uitvoeren van het initieel programma van de archeologienota zou volgens het Agentschap ongeveer 6.000 euro gekost hebben. Indien hierop de berekening van de schadevergoeding wordt toegepast, komt de rechtbank op een aanvaardbare schadevergoeding van 4.200 euro (6.000 x 40% x 1,75/1) als pecuniair her- stel. De rechtbank zal zowel eerste als tweede beklaagde veroordelen tot het herstel, zijnde elk tot de betaling van de helft van de schadevergoeding. Het Onroerenderfgoeddecreet bepaalt dat de schadevergoeding onmiddellijk betaalbaar is. Deze schadevergoeding komt toe aan het Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed. BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED Omdat de door eerste en tweede beklaagde gepleegde misdrijven mogelijk schade hebben veroorzaakt, houdt de rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig ar- tikel 4 van de Voorafgaande Titel wetboek van Strafvordering (art. 4 V.T.Sv.). TOEGEPASTE WETTEN De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen: art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935; art. 4 Wet van 17 april 1878 - Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering; art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 191, 194, 195 Wetboek van Strafvordering; art. 1, 2, 3, 5, 7, 7bis, 38, 39, 40, 41, 41bis, 65, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven; art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952; art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985; art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand; art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement van de gerechtskosten in strafzaken; Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 14 DE RE CHTBANK: op tegenspraak ten aanzien van OP STRAFGEBIED Ten aanzien van , eerste beklaagde Verk laart de feiten van de tenlasteleggingen A, B en C bewezen. Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A, B en C: tot een geldboete van 20.000,00 EUR, zijnde 2.500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 3 maanden. Veroordeelt tot betaling van:  een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR , zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders  een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand  een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR – de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 139,86 EUR Ten aanzien van , tweede beklaagde Verk laart de feiten van de tenlasteleggingen A en C bewezen. Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 15 Veroo rdeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A en C: tot een geldboete van 16.000,00 EUR, zijnde 2.000,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Veroordeelt tot betaling van:  een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR , zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders  een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand  een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR – de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 139,86 EUR Ten aanzien van , derde beklaagde Spree kt vrij voor de tenlastelegging B. Laat de kosten gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie ten laste van de Staat, tot heden begroot op 139,06 EUR . HERSTEL Stedenbouwkundig herstel Beveelt aan op vordering van het openbaar ministerie het herstel in oor- spronkelijke staat, meer concreet het verwijderen van de 21 zonnepanelen met frame en be- tonplaat op het terrein gelegen te en het afvoeren van de af- braakmaterialen; Beveelt dat het herstel zoals hierboven bevolen gebeurt binnen een termijn van zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging in geval van niet-uitvoering van dit vonnis binnen de gestelde termijn. Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr / rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 16 Zegt dat de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester van indien in gebreke blijft om de bevolen herstelmaatregel binnen de gestelde termijn vrijwillig uit te voeren, zelf in de uitvoering ervan kunnen voorzien, overeenkomstig art. 6.3.4 §1, op kosten van de veroordeelde. Veroordeelt en ambtshalve tot het betalen van ELK een meerwaardesom van 345 euro, op rekening van het binnen een termijn van zes maanden nadat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, meer de wettelijke verwijlinteresten vanaf het verstrijken van deze termijn van zes maanden. Zegt voor recht dat eerste en tweede beklaagde zich op een geldige wijze van deze meerwaardesom kunnen kwijten door binnen zes maanden nadat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, de plaats van de wadi te herstellen in de oorspronkelijke toestand. Herstel onroerend erfgoed Veroordeelt en tot het financieel herstel, namelijk het onmiddellijk betalen van een schadevergoeding aan het Agentschap Onroerend Erfgoed, namelijk ELK een bedrag van 2.100 euro aan het Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed OP BURGERLIJK GEBIED De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan. Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 17 juni 2025 door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer 1.3: - , rechter in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting , met bijstand van griffier .

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot