Naar hoofdinhoud

ARR:263.886

🏛️ Raad van State Brussel 📅 2025-07-04 🌐 FR verworpen

Rechtsgebied

burgerlijk_recht bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

14 augustus 1986, 14 augustus 1986, 29 juli 1991, Burgerlijk Wetboek, Grondwet

Volledige tekst

XII-9740-1/24 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER A R R E S T nr. van 4 juli 2025 in de zaak A. 242.733/XII-9740 In zake : bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op ingesteld op 13 augustus 2024, strekt tot de nietigverklaring van de bestemmingsbeslissing “van het afdelingshoofd Dierenwelzijn, van het Departement Omgeving van de Vlaamse Overheid dd. 21/06/2024, waarbij […] de honden van verzoekster, zijnde één teef (identificatienummer […]) met 6 pups in volle eigendom worden gegeven aan het asiel”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XII-9740-2/24 Eerste auditeur heef t een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 juni 2025. Staatsraad heeft verslag uitgebracht. Advocaat , die verschijnt voor verzoekster, en advocaat , die loco advocaat verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De lokale politie stelt op 22 april 2024, naar aanleiding van een huiszoeking in een kraakpand, overtredingen op het dierenwelzijn vast. 3.2. Op grond van een visitatiemachtiging uitgereikt door de politierechter, wordt het kraakpand op 26 april 2024 betreden. Meerdere honden worden in beslag genomen. XII-9740-3/24 3.3. Ver zoekster, die eigenares is van verscheidene in beslag genomen honden, wordt op 14 mei 2024 door de politie verhoord. 3.4. Het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving beslist op 21 juni 2024 om, in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, de zeven honden van de verzoekende partij in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar ze momenteel verblijven. Dit is de bestreden beslissing die wordt gemotiveerd: “De vaststellingen d.d. 26/04/2024 geacteerd in - Op 26/04/2024 voert de lokale politie navolgende controle uit te […] in aanwezigheid van het Bijzondere Bijstandsteam COPS en team inspectie van Dierenwelzijn Vlaanderen. COPS doorzoekt eerst de woning en alle aanwezige personen worden naar buiten begeleid. Als er geen personen in de woning meer aanwezig zijn, wordt controle uitgevoerd. - Als de hal van de woning wordt betreden komt er een indringende geur van uitwerpselen en urine tegemoet. De vloer ligt volledig bezaaid met uitwerpselen, plassen urine, allerhande vuil en gevaarlijke voorwerpen, oa glasscherven, naalden, schroeven die een gevaar vormen en de aanwezige honden kunnen verwonden. - Bij het betreden van een kamer is er een doordringende geur van urine en uitwerpselen. deze kamer ligt volgestouwd met meubels en voorwerpen. Op de grond liggen uitwerpselen en gevaarlijke voorwerpen zoals glasscherven en naalden. In de hoek van de kamer staat een bench met 7 puppy's. De puppy's hebben geen bewegingsvrijheid. Ze staan en liggen in hun uitwerpselen en urine. Er is geen drinken en eten voorzien in de bench. Ze vertonen tekenen van ondervoeding en hebben een stinkende vacht. De pups zouden begin februari 2024 geboren zijn. De pups zijn niet gechipt. - Verder in de woning worden in de leefruimte 2 moederhonden onder een tafel aangetroffen. In dezelfde kamer wordt een zelfgemaakte omheining aangetroffen waarin 6 pups rondlopen. l van de pups ligt apathisch op een vuile matras. De ruimte ligt vol met uitwerpselen en plassen urine, allerlei voorwerpen die gevaarlijk zijn voor de pups oa kapot gebeten matrassen(schuim), gevaarlijk materiaal, kleine glasscherven, stukken hout. De pups vertonen een opgezwollen buik wat kan wijzen op een wormbesmetting - Deze pups zouden half januari 2024 geboren zijn. - Verder zijn er nog een Husky en een Border Collie in de woning aanwezig. Wat erop wijst dal de dieren niet werden gehouden volgens hun fysiologische en ethologische behoeften, waardoor hun welzijn ernstig werd geschaad. XII-9740-4/24 Op 11/06/2024 ontvangt onze dienst navolgend PV dd 5/05/2024 va n de lokale politie Betrokkene is eigenares van de hond die met 6 pups in de leefruimte verbleven. Betrokkene [ ] werd op 14/05/2024 verhoord waarin zij onderstaande verklaart - Ik ben werkloos, ik ben lang in ziekteverlof geweest en krijg momenteel een leefloon - Ik heb 4 jaar, ik heb haar van ze was een straathond, ze was 5 maand als ik haar kreeg. - heeft 7 februari 6 pups gekregen. Het was de eerste keer en het was eigenlijk niet gepland. - De dierenarts is langsgekomen, ik heb haar naam niet, weet wie de dierenarts is. - Ik had nog geen geld om te chippen en vaccineren. - Er kwam die dag normaal iemand kijken om eentje te krijgen en ging ter compensatie wat hondenvoer kopen voor de honden/ zij had afgesproken met haar dierenarts om de pup te laten chippen en vaccineren. - Ik ben ervoor aan het kijken om bij andere vrienden te gaan wonen die ook kraken, ergens in [ ]. Het exacte adres weel ik nog niet. Een andere vriendin wil mijn hond(en)opvangen tot wanneer ze een nieuwe eigenaar gevonden hebben. - Alle pups hadden zo goed als allemaal een nieuwe thuis;1 pup ging bij mij blijven. De betrokkene beschikt niet over de middelen om haar dieren te houden en te verzorgen volgens hun ethologische en fysiologische behoeften: Het verslag van het asiel waaruit blijkt dat: - De pups worden op 10 weken geschat - 1 pup was wat apathisch, alle pups werden meteen ontwormd, de dag erna was het pupje levendiger. Alle pups hadden veel wormen. - De moeder was de eerste 2 dagen angstig en duidelijk niet veel sociaal contact gewoon Wat er op wijst dat betrokkene heeft nagelaten haar dieren de nodige medische zorgen te bieden waardoor minstens 1 pup fysiek geleden heeft. Op 4/06/2024 voert de inspectiedienst dierenwelzijn in aanwezigheid van de lokale politie hercontrole uit te […]. Betrokkene is oa aanwezig. Er wordt 1 hond aangetroffen, Er hangt nog steeds een doordringende geur van uitwerpselen en urine in de woning. De woning is volledig verduisterd zoals tijdens de beslagname van de honden zodat er geen natuurlijk daglicht is. Er werd een poging gedaan om op te ruimen maar er ligt nog steeds allerhande afval en materiaal. De vloer is vuil en aangekoekt. Betrokkene zegt niet veel en lijkt niet in staat te antwoorden op de vraag waar ze gaat verblijven. De woning zou in september gesloopt worden. Betrokkene toont gebrek aan inzicht in de noden en behoeften van dieren en in verantwoordelijkheidszin voor de dieren. De verklaringen van betrokkene kunnen de vaststellingen uit het PV niet weerleggen en wijzen bovendien op een gebrek aan kennis in de verzorging van dieren in het algemeen. XII-9740-5/24 Op16/06/2024 meldt betrokkene dat ze een nieuwe kamer heeft in een huurhuis. Doch uit bovenstaande blijken onvoldoende garanties dat het welzijn van de dieren gewaarborgd kan worden, waardoor een teruggave onverantwoord zou zijn. De kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen. De dieren hebben geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig hun ethologische en fysiologische behoeften.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Belang Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij werpt de volgende exceptie op: “Het verzoek tot vernietiging is onontvankelijk wegens het gebrek aan belang. Alle dieren, de hond Isabo en de zes pups, werden ondertussen geadopteerd en verblijven dus niet meer in het asiel. De verwerende partij brengt de adoptiecontracten hiervan bij in het administratief dossier […]. Het is vaststaande rechtspraak van uw Raad dat een verzoekende partij die haar belang steunt op het terugkrijgen van de dieren haar belang verliest wegens niet langer actueel bij een adoptie van de dieren voorafgaand aan een eventuele vernietiging. De dieren die het voorwerp uitmaken van de bestreden beslissing werden immers door derden geadopteerd. De vernietiging zoals door de verzoekende partij gevraagd van de bestreden bestemmingsbeslissing kan er dus onmogelijk nog toe leiden dat deze dieren aan de verzoekende partij worden teruggegeven. Aangezien de verzoekende partij haar belang steunt op het feit dat zij de mogelijkheid heeft de dieren na de vernietiging terug te krijgen en het eigendomsrecht over de dieren terug te krijgen, blijkt dit belang niet langer actueel. De verzoekende partij motiveert haar belang in het verzoekschrift door verwijzing naar haar eigendomsrecht. Zij meent over het vereiste belang te beschikken omdat zij eigenaar was van de hond en de zes pups. Het is duidelijk dat het eigendomsrecht niet teruggekregen kan worden na een eventueel vernietiging van de bestreden bestemmingsbeslissing. Er is dus geen sprake meer van een belang bij onderhavige procedure in hoofde van de verzoekende partij. De verzoekende partij beschikt aldus heden niet meer over het vereiste belang bij onderhavige vernietigingsprocedure. Immers wordt verwacht van een verzoekende partij dat het belang waarvan zij blijk dient te geven overeenkomstig artikel 19 RvS-wet, dient te bestaan op het ogenblik van de indiening van het beroep en dit moet ook nog bestaan op het ogenblik van de uitspraak in die zin dat de verzoekende partij op dat ogenblik moet XII-9740-6/24 aantonen dat zij nog een tastbaar voordeel kan halen uit de vernietiging van de best reden beslissing. Immers kan de vernietiging van de bestreden beslissing de adoptie niet ongedaan maken en er niet toe leiden dat de dieren nog aan de verzoekende partij worden teruggegeven. De verzoekende partij getuigt aldus niet meer van het vereiste actueel belang bij de vernietiging. Het beroep tot vernietiging is onontvankelijk wegens het gebrek aan actueel belang”. In de laatste memorie volhardt de verwerende partij in haar standpunt. Het belang werd uiterst summier omschreven in het verzoekschrift. Op geen enkele wijze maakt verzoekster duidelijk waar het beweerde nadeel in zou moeten bestaan. Zij geeft zeker niet te kennen dat het om een moreel nadeel zou gaan. De interpretatie die het auditoraat aan het belang van verzoekster geeft, valt niet af te leiden uit de stukken. Ook in haar memorie van wederantwoord omschrijft verzoekster geenszins haar belang. Verzoekster verwijst naar het eventueel strafrechtelijke karakter van de zaak en de mogelijkheid tot strafrechtelijke vervolging alsook naar de mogelijkheid om een schadevergoeding te eisen, zowel in de materiële als morele zin. Volgens de verwerende partij oordeelde de Raad reeds dat een vernietigingsberoep om een hypothetische strafvervolging te vermijden niet volstaat om een belang bij een vernietiging aan te tonen. 5. Verzoekster zet haar belang aanvankelijk uiteen in het verzoekschrift: “De verzoekende partij heeft ook een voldoende belang: Zij is de eigenaar van de honden die door het bestreden besluit geviseerd worden. Door de bestemmingsbeslissing worden verzoeker ontzet uit haar eigendomsrecht, zoals onder andere voorzien in artikel 3.50 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel luidt als volgt: ‘Het eigendomsrecht verleent aan de eigenaar rechtstreeks het recht om het voorwerp ervan te gebruiken, hiervan het genot te hebben en erover te beschi kken. De eigenaar heeft de volheid van bevoegdheden, behoudens de beperkingen die door wetten, verordeningen of door de rechten van derden worden opgelegd.’ Hierdoor lijdt verzoekster een nadeel en heeft zij aldus belang bij de vernietiging van de bestreden besluiten. XII-9740-7/24 Het belang is ook wettig. Verzoekster heeft het geleden nadeel in geen enkel opz icht aan haarzelf te wijten. Ten slotte staat tegen de bestreden administratieve rechtshandeling beroep voor de Raad van State open”. Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord: “Verwerende partij werpt op via haar memorie dat verzoekster niet langer een belang zou hebben omdat de dieren inmiddels zouden zijn geadopteerd, en dat het eigendomsrecht niet zou kunnen worden hersteld, zelfs na een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing. Verzoekster is het hier niet mee eens. Evident heeft zij nog een belang bij de handhaving van haar beroepsprocedure. Als een feitelijk herstel niet mogelijk zou zijn, dan ontstaat voor verzoekster de mogelijkheid om een schadevergoeding te eisen, zowel in materiële als morele zin. Daarnaast wijst verzoekster op het eventueel strafrechtelijk karakter van deze zaak. Er is een proces-verbaal opgemaakt, zodat het niet kan worden uitgesloten dat het Parket nog correctionele stappen zet. De bestreden beslissing werpt aldus een negatief licht op de wijze van verzorging van verzoekster, en deze gevolgen worden best geremedieerd door een gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing, ook al is een feitelijke teruggave niet langer mogelijk. Verzoekster heeft dus in ieder geval belang om deze negatieve beslissing uit het rechtsverkeer te laten verdwijnen. Tenslotte wijst verzoekster op de tegenstrijdigheid van de exceptie van verwerende partij. Zij geeft zelf aan via haar beslissing dat beroep bij de Raad van State mogelijk is, maar in de uiteindelijke procedure meent zij dan dat er geen belang kan zijn bij dit beroep, omwille van de situatie die zij zelf creëert door haar eigen beslissing (en dus door de honden te laten adopteren). Dit is niet ernstig. Verzoekster heeft in elk geval belang”. Verzoekster voegt wat het belang betreft niets toe in de laatste memorie. Beoordeling 6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden XII-9740-8/24 gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang” . Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, . Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, zonde r dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, , punten B.11.2 en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, , punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, , punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, , punten 42 e.v.) . Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven.   XII-9740-9/24   Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, .  7. Verz oekster wijst in het verzoekschrift op het nadeel dat zij ondervindt door de krenking van haar eigendomsrecht door de bestreden beslissing. De ontzetting uit het eigendomsrecht wordt aldus in het concrete geval beschouwd als een moreel nadeel. Deze opvatting wordt bevestigd in de memorie van wederantwoord. Uit de omschrijving van het belang in het verzoekschrift kan niet, zonder zich te bezondigen aan een te restrictieve interpretatie, worden afgeleid dat de betrachting van het beroep er enkel in bestaat de honden terug te krijgen. Verzoekster toont in dit concrete geval een moreel belang aan om de bestreden beslissing te doen vernietigen. 8. De exceptie is ongegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 9. In ee n eerste middel voert verzoekster een schending aan van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: wet van 14 augustus 1986), […] van artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. XII-9740-10/24 Verz oekster betoogt dat de voornoemde bepalingen en het voornoemde beginsel zijn geschonden: “Doordat de bestreden beslissing niet concreet vermeld aan wie de honden in volle eigendom worden overgedragen. Terwijl artikel 42, § 2 van de Wet Dierenwelzijn bepaalt dat de dienst de bestemming van het inbeslaggenomen dieren bepaalt. Terwijl artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn. En terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel voorschrijft dat de overheid verplicht is over te gaan tot een zorgvuldig onderzoek naar het bestaan van de in aanmerking komende feiten, en dat de feiten juist en volledig moeten zijn”. Verzoekster licht het middel toe: “In de bestreden beslissing wordt het volgende vermeld: ‘De teef Isabo identificatienummer […] met 6 pups worden, in toepassing van artikel 42, §2 van de wet van 14/08/1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, in volle eigendom gegeven aan het erkend asiel waar ze momenteel verblijven.’ De volle eigendom kan volgens artikel 42, § 2 Wet Dierenwelzijn worden gegeven aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon. De bestreden beslissing spreekt enkel over ‘het asiel’. Het asiel wordt echter niet benoemd met naam, maatschappelijke zetel en/of inschrijving in de Kruispuntbank der Ondernemingen. Het is dan ook onduidelijk aan wie het eigendomsrecht wordt overgedragen. Nochtans moet verwerende partij de bestemmeling zorgvuldig onderzoeken en beschrijven, en motiveren waarom deze bestemmeling geschikt is om de eigendom te krijgen”. 10. Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord: “Verwerende partij werpt op via haar memorie dat het onwenselijk is dat verzoekster in kennis zou worden gesteld van deze informatie, omdat zij dan ‘de kans zou hebben om bij haar dieren langs te gaan bij het desbetreffende asiel te eisen om haar dieren terug te krijgen’. Verwerende partij verliest uit het oog dat bepalingen van de Dierenwelzijnswet er niet zijn om nalatige eigenaars te straffen, doch wel om het welzijn van dieren te verzekeren. XII-9740-11/24 Op deze manier wordt verzoekster de kans volledig ontnomen om zich in regel te stellen met de overtredingen en binnen een redelijke termijn haar dieren terug te krijgen. Het is zo dat een asiel in ieder geval een grondig onderzoek voert naar de capaciteit van de kandidaat-adoptant, en dat het asiel in kwestie uiteindelijk beslist wie in aanmerking komt en wie niet, tenminste zolang de bestreden beslissing geldt. Op deze manier wordt verzoekster bijkomend in haar rechten aangetast, zonder dat de Dierenwelzijnswet dit voorziet. Het is niet omdat (tijdelijk) een situatie bestaat die gesanctioneerd wordt door het Agentschap Dierenwelzijn, dat de noodzaak bestaat om verzoekster te verhinderen kennis te namen van het asiel waar de honden verblijven. Als de honden door particulieren zijn geadopteerd, kan het wel wenselijk zijn om te vermijden dat de beslagene hiervan kennis zou nemen, om te verhinderen dat de privacy van de adoptant wordt geschaad en dat pijnlijke situaties vermeden worden. Bij een professioneel asiel bestaat deze noodzaak niet”. 11. In de laatste memorie volhardt verzoekster in het middel. Beoordeling 12. Artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 luidde ten tijde van de bestreden beslissing: “De Dienst bepaalt de bestemming van het dier dat overeenkomstig paragraaf 1 in beslag werd genomen. Deze bestemming bestaat uit het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de verantwoordelijke van het dier, het verkopen, het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het zonder verwijl doden”. Met de bestreden beslissing worden de honden in volle eigendom gegeven aan een rechtspersoon. Dat is een van de bestemmingsmogelijkheden die door de wetgever waren voorzien. Een schending van de betrokken bepaling is niet voorhanden. 13. Krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ moeten eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een XII-9740-12/24 ander bestuur, uitdrukkelijk worden gemotiveerd, wat inhoudt dat in de akte de juridi sche en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. De formelemotiveringsplicht is een doelnorm: ze moet de betrokkene toelaten de concrete redenen te achterhalen die het bestuur tot de beslissing hebben geleid. Nog anders gesteld, strekt de formelemotiveringsplicht ertoe de betrokkene een zodanig inzicht te verschaffen in de redenen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, tegen die beslissing kan verweren door aan te tonen dat de tot uiting gebrachte motieven niet gegrond zijn. Opdat die verplichting haar doel zou bereiken, dient de motivering die in de beslissing is opgenomen duidelijk te zijn, dat wil zeggen nauwkeurig en concreet de fundamentele redenen aangeven die de beslissing kunnen verantwoorden. Zo ook is vereist dat de motivering de bestuurde toelaat na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij deze feiten correct heeft beoordeeld, of zij in voorkomend geval de geformuleerde bezwaren heeft onderzocht en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat XII-9740-13/24 het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan een verzoekster toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken, zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze is tot stand gekomen. 14. Verzoekster is in staat om de bestreden beslissing te begrijpen en aan te vechten. Bovendien blijkt uit de bestreden beslissing dat de honden zijn ondergebracht in een “erkend asiel waar ze momenteel verblijven”. De bestreden beslissing motiveert aldus dat het betrokken asielcentrum over een erkenning overeenkomstig artikel 5, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 beschikt. Hiermee is de bestemming van de dieren afdoende gemotiveerd. In het licht van het voorgaande wordt eveneens aangenomen dat de verwerende partij zorgvuldig heeft gehandeld door de dieren in een erkend asiel onder te brengen totdat zij worden geadopteerd door derden. Ver zoekster toont geen schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 of van het zorgvuldigheidsbeginsel. 15. Voorts wordt opgemerkt dat het zich op heden alsnog conformeren aan de verplichtingen die rusten op verzoekster wegens haar eigen keuze om honden te houden, de wettigheid van bestreden beslissing, die wordt beoordeeld op het moment dat ze werd genomen, niet kan doen wankelen. 16. Het eerste middel is ongegrond. XII-9740-14/24 B. Tweede middel Uite enzetting van het middel 17. In ee n tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986, artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het Europees Verdrag van de rechten van de Mens. Verzoekster betoogt dat de voormelde bepalingen zijn geschonden: “Doordat de verwerende partij onterecht het eigendomsrecht van de honden van verzoekster heeft ontnomen, zonder strafrechtelijke veroordeling, zonder voorafgaande tussenkomst van een rechter, en zonder voorafgaande billijke vergoeding. Terwijl artikel 42, §2 van de Wet Dierenwelzijn bepaalt dat de dienst de bestemming van het inbeslaggenomen dieren bepaalt. Terwijl artikel 42, §2 Wet Dierenwelzijn strijdig is met artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het Europees Verdrag van de rechten van de Mens. Terwijl artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 EAV EVRM bepalen dat niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ten algemenen nutte”. Verzoekster licht het middel toe: “Nadat een levend dier in beslag werd genomen, dient hieraan een ‘bestemming’ te worden gegeven. Artikel 42, §2 Wet Dierenwelzijn voorziet daartoe in verschillende bestemmingsmogelijkheden, waarvan de keuze wordt overgelaten aan de Dienst Dierenwelzijn. Deze bestemming bestaat uit het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de verantwoordelijke van het dier, het verkopen, het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het zonder verwijl doden. In casu werden de honden van verzoeker in de bestreden beslissing overgedragen aan een dierenasiel. De (eenzijdige) overdracht van de volle eigendom van de honden leidt tot een definitieve eigendomsontneming. Opdat de inmenging in het eigendomsrecht in overeenstemming is met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM dient voldaan te zijn aan het principe van het billijke evenwicht. XII-9740-15/24 De ‘fair balance-test’ moet – net zoals bij de inmenging in het genot (art. 1, eers te zin Eerste Aanvullend Protocol EVRM) en de gebruiksregel (art. 1, § 2 Eerste Aanvullend Protocol EVRM) – in acht genomen te worden bij de ontnemingsregel (art. 1, tweede zin Eerste Aanvullend Protocol EVRM). Het ‘billijke evenwicht’ houdt in dat de eigendomsberoving die gebeurt via formele of materiële eigendomsontneming een behoorlijk evenwicht in acht moet nemen tussen het algemeen belang en het privaat belang. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat de fair balance-toetsing zowel formele als materiële rechtsbescherming aan het eigendomsrecht biedt. Daarnaast zal er in geval van eigendomsberoving in principe slechts sprake zijn van een behoorlijk evenwicht indien tegenover de inmenging een bepaalde vergoeding staat. De vergoedingsplicht vloeit voort uit artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM. Indien de eigendom van het in beslag genomen levende dier op bevel van de Dienst Dierenwelzijn wordt overgedragen en de eigenaar ervan wordt veroordeeld wegens overtreding van de Wet Dierenwelzijn, dan zou de regeling op dit punt de toets van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM misschien nog doorstaan, aangezien in dit geval (eveneens) verbeurdverklaring mogelijk is. Wanneer er een vergoeding is voorzien, indien er geen strafrechtelijke veroordeling volgt wegens overtreding van de Wet Dierenwelzijn, is mogelijks voldaan aan het vereiste van het billijk evenwicht (namelijk een vergoeding) van art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM. Het geval – in casu - waarbij het eigendomsrecht van het levende dier op bevel van de Dienst Dierenwelzijn wordt overgedragen zonder enige vergoeding en zonder enige strafrechtelijke veroordeling of rechterlijke tussenkomst is daarentegen wel strijdig met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol en artikel 16 Grondwet. Immers, in voorkomend geval is er sprake van een eigendomsontneming zonder uitzonderlijke omstandigheden die de afwezigheid van een vergoeding rechtvaardigen”. 18. Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord: “Verwerende partij werpt op via haar memorie dat er geen kritiek kan worden geleverd op de inbeslagname, dat deze terecht was en dat er geen sprake kan zijn van een schadevergoeding. Volgens verwerende partij ‘verzorgde verzoekster de dieren duidelijk niet goed’, en kan er geen sprake zijn van een vergoeding. Verder werpt zij op dat voormeld middel onontvankelijk zou zijn, omdat het nadeel enkel gestoffeerd wordt door ‘blote beweringen en feitelijke commentaar’. Dit laatste is alvast duidelijk incorrect. Verzoekster heeft duidelijk gemotiveerd waarom zij meent dat er sprake is van een schending van artikel 42, §2 Wet Dierenwelzijn, tevens artikel 16 XII-9740-16/24 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het Europee s Verdrag van de rechten van de Mens. Feitelijk meent verzoekster dat de foto’s uit het dossier, die de basis zijn voor de bestreden beslissing, eigenlijk foto’s zijn van ruimtes die niet toegankelijk waren voor de dieren en als het ware opengebroken zijn door de verbalisanten om vaststellingen te doen. Deze foto’s geven dan ook een vertekend beeld van de feitelijke situatie. De hoeveelheid gevonden uitwerpselen is ook niet van die aard om te besluiten dat er sprake is van dagenlange verwaarlozing, wel integendeel.” 19. Verzoekster volhardt in de laatste memorie in haar tweede middel. Beoordeling 20. De wet van 14 augustus 1986 houdt een beperking in op het volstrekt persoonlijk genot van het eigendomsrecht, beschermd door artikel 16 van de Grondwet, wat in overeenstemming is met artikel 1, tweede lid, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, dat luidt: “De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang […]”. Bijgevolg kan hoe dan ook de premisse niet worden bijgetreden dat het toekennen in volle eigendom aan een dierenasiel van dieren die in beslag zijn genomen, een schending inhoudt van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, indien blijkt dat, zoals te dezen het geval is, geen onwettigheid is vastgesteld en de maatregel evenredig is in verhouding met de beoogde doelstelling. 21. De bestreden beslissing is een bij artikel 42, § 2, van de wet van 14 augus t us 1986, zoals het luidde ten tijde van de bestreden beslissing ( supra nr. 14), voorziene bestuurlijke maatregel in het kader van de volksgezondheid en de diergeneeskundige politie. Deze maatregel beoogde geenszins de verantwoordelijke van het dier te bestraffen. De wet was toegankelijk, duidelijk en XII-9740-17/24 voorzienbaar. 22. In de bestreden beslissing wordt gemotiveerd dat de dieren niet volgens hun ethologische en fysiologische behoeften worden gehouden. De houders van dieren dienden volgens artikel 4 van de wet van 14 augustus 1986, zoals het luidde op het ogenblik van de bestreden beslissing, daaraan te voldoen. Uit het administratief dossier blijkt dat de lokale politie op 26 april 2024 het volgende heeft vastgesteld, zoals opgenomen in het proces-verbaal: “In het volledige kraakpand zijn leefomstandigheden erbarmelijk zowel voor mens en dier. In dit pand worden verdovende middelen gebruikt, hierdoor liggen overal naalden, gevaarlijke voorwerpen, glasscherven en allerlei afval. Er wordt niks opgeruimd zelfs de uitwerpselen/urine van de honden en puppy's worden niet opgekuist. Zie foto's bijlage 2. Door de plaatsgesteldheid komt de fysieke integriteit van de aanwezige huisdieren in gedrang”. Voorts is in het proces-verbaal te lezen: “Bij het betreden van een kamer nemen wij een doordringende geur van urine en fecaliën waar. Deze kamer ligt volgestouwd met meubels en allerhande voorwerpen. Op de grond liggen uitwerpselen en gevaarlijke voorwerpen o.a. glasscherven, naalden ect. In de hoek van de kamer staat een bench waarin 7 puppy's zitten. De puppy's hebben geen bewegingsvrijheid. De puppy's liggen/staan in hun uitwerpselen en urine. Er is geen drinken en eten voorzien in de bench. Zie foto's bijlage 3. Ze vertonen tekenen van ondervoeding en hebben een stinkende vacht. Naar verluidt zijn de puppy's begin februari 2024 geboren. De puppy's zijn niet gechipt. Als wij ons verder in de woning begeven zien wij een grote leefruimte alwaar wij 2 moederhonden aantreffen onder een tafel. De moederhonden worden geïdentificeerd aan de hand van chipnummers - en . In dezelfde kamer wordt een zelfgemaakte omheining aangetroffen waarin zes puppy's rondlopen. Eén van de puppy's ligt er apathisch bij op een vuile matras (schuim). De afgesloten ruimte ligt vol met uitwerpselen en plassen urine, allerlei voorwerpen die gevaarlijk zijn voor puppy's o.a. kapot gebeten matrassen (schuim), gevaarlijk materiaal, kleine glasscherven, stukken hout. Zie foto's bijlage 4. XII-9740-18/24 De puppy's vertonen een opgezwollen buik wat kan wijzen op een wormbe smetting. Deze puppy's zouden naar verluidt half februari 2024 geboren zijn”. In het dierenasiel moesten de puppy’s worden ontwormd. In de bestreden beslissing wordt ook verwezen naar de volgende vaststellingen bij de hercontrole op 4 juni 2024: “Er hangt nog steeds een doordringende geur van uitwerpselen en urine in de woning. De woning is volledig verduisterd zoals tijdens de beslagname van de honden zodat er geen natuurlijk daglicht is. Er werd een poging gedaan om op te ruimen maar er ligt nog steeds allerhande afval en materiaal. De vloer is vuil en aangekoekt. Betrokkene zegt niet veel en lijkt niet in staat te antwoorden op de vraag waar ze gaat verblijven. De woning zou in september gesloopt worden. Betrokkene toont gebrek aan inzicht in de noden en behoeften van dieren en in verantwoordelijkheidszin voor de dieren. De verklaringen van betrokkene kunnen de vaststellingen uit het PV niet weerleggen en wijzen bovendien op een gebrek aan kennis in de verzorging van dieren in het algemeen. Op16/06/2024 meldt betrokkene dat ze een nieuwe kamer heeft in een huurhuis. Doch uit bovenstaande blijken onvoldoende garanties dat het welzijn van de dieren gewaarborgd kan worden, waardoor een teruggave onverantwoord zou zijn. De kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen. De dieren hebben geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig hun ethologische en fysiologische behoeften.” Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beslissing motiveert waarom het noodzakelijk was om de dieren te beschermen tegen verwaarlozing en de daaruit volgende mishandeling. Daarmee werd een legitiem maatschappelijk belangrijk doel nagestreefd. Verzoekster toont niet aan dat de bestreden beslissing onevenredig is. Verzoekster toont geen schending aan van artikel 16 van de Grondwet en van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM. XII-9740-19/24 23. Met de bewering dat de erbarmelijke leefomstandigheden slechts een m omentopname waren, wil verzoekster haar eigen interpretatie in de plaats stellen van die van de verwerende partij. Uit het administratief dossier blijkt geenszins dat de door de verwerende partij in aanmerking genomen feiten niet correct zijn. Dat verzoekster, bijgestaan door een raadsman, betoogt dat de hoeveelheid gevonden uitwerpselen niet van dien aard zou zijn om te besluiten dat er sprake is van dagenlange verwaarlozing, bevestigt eerder de gedane vaststelling dat zij niet in staat is om te voldoen aan de verplichtingen die rusten op iemand die honden houdt. In dat verband wordt ook verwezen naar de bestreden beslissing die eerder al vaststelde dat verzoekster een gebrek aan inzicht toont in de noden en behoeften van dieren. Een schending van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 is niet aangetoond. 24. Artikel 42, § 5, van de wet van 14 augustus 1986 luidde: “De verantwoordelijke van het dier is een vergoeding verschuldigd aan de Dienst voor de kosten verbonden aan de maatregelen die worden genomen met toepassing van paragraaf 1, 2 en 4. De Vlaamse Regering stelt de tarieven van de vergoedingen, vermeld in het eerste lid, vast. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels van de procedure vast”. Artikel 3, 24°, van de wet van 14 augustus 1986 bepaalde: “Verantwoordelijke: de natuurlijke persoon, eigenaar of houder van een dier, die er gewoonlijk een onmiddellijk beheer of toezicht op uitoefent”. De verantwoordelijke van het dier – in dit geval verzoekster– is gehouden de kosten zoals omschreven in artikel 42, § 5, van de wet van 14 augustus 1986, te dragen, want een onwettigheid in het nemen van de bestreden bestemmingsbeslissing is niet vastgesteld. XII-9740-20/24 25. Een s chending van de in het middel ingeroepen bepalingen is niet aannemelijk gemaakt. 26. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 27. In een derde middel voert verzoekster de schending aan van arti kel 42, §2 van de wet van 14 augustus 1986 , van artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 , van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster betoogt dat de voormelde bepalingen en het voormelde beginsel zijn geschonden: “Doordat de bestreden beslissing niet afdoende motiveert waarom verzoekster het eigendomsrecht verliest van zeven honden. Terwijl artikel 42, §2 van de Wet Dierenwelzijn bepaalt dat de dienst de bestemming van het inbeslaggenomen dieren bepaalt. Terwijl artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn. En terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel voorschrijft dat de overheid verplicht is over te gaan tot een zorgvuldig onderzoek naar het bestaan van de in aanmerking komende feiten, en dat de feiten juist en volledig moeten zijn”. Verzoekster licht het middel toe: “Nadat een levend dier in beslag werd genomen, dient hieraan een ‘bestemming’ te worden gegeven. Artikel 42, §2, eerste lid Wet Dierenwelzijn voorziet daartoe in verschillende bestemmingsmogelijkheden, waarvan de keuze wordt overgelaten aan de Dienst Dierenwelzijn. Deze bestemming bestaat uit het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de verantwoordelijke van het dier, het verkopen, het in volle eigendom XII-9740-21/24 geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het zonde r ve rwijl doden. De beslissing tot bestemming is een bestuurlijke rechtshandeling, die formeel moet worden gemotiveerd. De formele motiveringsplicht die vereist is voor het goedkeuren van een eenzijdige bestuurshandeling met individuele strekking krachtens de artikelen 2 en 3 wet motivering bestuurshandelingen, vereist dat de dienst uitlegt waarom het ontnemen van het eigendomsrecht noodzakelijk is. Dat impliceert dat de motivering steunt op bewezen feiten, een redelijke verhouding tussen de geplande eigendomsontneming en het nagestreefde doel aangeeft en, in voorkomend geval, duidelijk maakt dat de verschillende mogelijke beleidsopties naar behoren werden afgewogen. Dit blijkt niet gebeurd te zijn. Zo kon men perfect overwegen om alle honden terug te geven tegen een waarborgsom. Daarnaast is het zo dat [aan] verzoekster gemeld werd dat zij een nieuwe verblijfplaats voor de honden diende door te geven. Zij woonde inderdaad op dat moment reeds op een ander adres, […], bij vrienden via een feitelijke onderhuur. Thans verblijft zij daar nog steeds. De bestreden beslissing vermeldt dat verzoekster op 16/06/2024 inderdaad had gemeld dat zij een nieuwe kamer had gevonden in een huurhuis, doch verwerende partij koos ervoor deze woonst niet te controleren, daar zij ervan overtuigd was dat verzoekster het welzijn van de dieren niet zou kunnen garanderen. Dit omdat zou blijken uit het asielverslag dat 1 pup apathisch was, en de pups wormen hadden. Nochtans is het duidelijk dat in dit verslag de verschillende nestjes door elkaar vermeld worden, waarbij verzoekster evident niet de eigenaar was van het nestje van de hond ), die ook onderwerp was van het PV dd. 22/04/2024. Het is dan ook niet ernstig dat verwerende partij niet de moeite deed om de nieuw woonomstandigheden van verzoekster te controleren, zijnde haar eigen voorwaarde voor teruggave. Het is niet aanvaardbaar dat verwerende partij een voorwaarde opleg die dan achteraf totaal willekeurig blijkt. Ook dit betreft een inbreuk op het motivatie- en zorgvuldigheidsbeginsel”. 28. Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord: “Verweerster mist het punt van dit middel volledig. Zoals eerder aangetoond, is de ratio legis van de Dierenwelzijnswet niet de sanctionering van nalatige eigenaars, maar de garantie van het welzijn van dieren. Verzoekster had wel degelijk de omstandigheden gecreëerd om zich in regel te stellen met de aanbevelingen van het Agentschap na de eerste vaststellingen. Dit heeft verwerende partij er niet van weerhouden om de drastische stap te zetten om de dieren in beslag te nemen en te laten adopteren. XII-9740-22/24 Evident is verwerende partij als bestuurlijke instantie gehouden om zich aan haa r eigen regels te houden. Als zij aan verzoekster een aantal [keer] helder uitlegt in welke omstandigheden zij de meest drastische sanctie kan vermijden, dan neemt zij als overheid uiteraard ook de verplichting op zich om minstens na te gaan of hieraan voldaan is. Verwerende partij gaat via haar conclusie uit van een vermoeden van schuld, hetgeen geen enkele basis heeft in de Dierenwelzijnswet. Zij had minstens verzoekster moeten interpelleren of deze nieuwe verblijfplaats, waarna zij wel gemotiveerde beslissing kon nemen om tot inbeslagname over te gaan. Nu is dit niet gebeurd, zodat de beslissing onwettig is”. 29. Verzoekster volhard in haar laatste memorie in het derde middel. Beoordeling 30. De geschonden geachte wettelijke bepalingen en de draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel zijn hiervoor uiteengezet. Er wordt naar verwezen (supra nummer 15). 31. De bestreden beslissing motiveert waarom de honden in volle eigendom worden gegeven aan het erkende dierenasiel waar ze verblijven. De enkele omstandigheid dat een verzoeker zich niet kan vinden in de formele motivering of meent dat die verder moet gaan, maakt die daarom niet onwettig. Uit de gehele motivering blijkt afdoende waarom de dieren niet teruggeven worden. In dat geval verplichten de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 niet dat bijkomend wordt gemotiveerd waarom voor geen andere, minder ingrijpende, bestuurlijke maatregel wordt geopteerd. 32. Eenmaal een dier in beslag is genomen, dient het volgens het destijds geldende artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 een bestemming te bekomen. Het is de wettigheid van die beslissing die moet worden beoordeeld op het ogenblik dat zij werd genomen. Het gegeven dat verzoekster ondertussen – zoals zij zelf voorhoudt – een vaste verblijfplaats heeft, kan de wettigheid van de bestreden beslissing niet doen wankelen. Dat is evenmin het geval voor de situatie dat er zich ook andere honden in het kraakpand bevonden. Verzoekster toont niet XII-9740-23/24 aan dat er verwarring is over welke honden aan verzoekster toebehoorden. Uit de motive ring van de bestreden beslissing blijkt dat enkel rekening werd gehouden met haar honden, namelijk de hond Isabo en haar pups. 33. Er berust op de verwerende partij geen verplichting om verzoekster te bevragen over haar nieuwe verblijfplaats vooraleer de bestuurlijke maatregel in het kader van de volksgezondheid en de diergeneeskundige politie te nemen. 34. Het derde middel is ongegrond. VI. Kosten en rechtsplegingsvergoeding 35. Verzoekster wordt als in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten. Aangezien verzoekster op 11 september 2024 per vergissing het rolrecht van 224 euro heeft betaald, is er reden om haar het onverschuldigd betaalde bedrag van 24 euro terug te geven. 36. Gelet op de toegekende kosteloze rechtsbijstand wordt de rechtsplegingsvergoeding beperkt tot het minimum conform artikel 67 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Het ten onrechte gekweten rolrecht van 24 euro dient aan verzoekster te worden terugbetaald. XII-9740-24/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier juli tweeduizend vijfentwintig, door de Raa d van State, XIIe kamer, samengesteld uit: , kamervoorzitter, , staatsraad, , staatsraad, bijgestaan door griffier. De griffier De voorzitter

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot