ARR:263.886
🏛️ Raad van State Brussel
📅 2025-07-04
🌐 FR
verworpen
Rechtsgebied
burgerlijk_recht
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
14 augustus 1986, 14 augustus 1986, 29 juli 1991, Burgerlijk Wetboek, Grondwet
Volledige tekst
XII-9740-1/24 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe
KAMER
A R R E S T
nr. van 4 juli 2025
in de zaak A. 242.733/XII-9740
In zake :
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op ingesteld op 13 augustus 2024, strekt
tot de nietigverklaring van de bestemmingsbeslissing “van het afdelingshoofd
Dierenwelzijn, van het Departement Omgeving van de Vlaamse Overheid dd.
21/06/2024, waarbij […] de honden van verzoekster, zijnde één teef
(identificatienummer […]) met 6 pups in volle eigendom worden gegeven aan het
asiel”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XII-9740-2/24 Eerste auditeur heef t een verslag opgesteld.
Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en
een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie
ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 19 juni 2025.
Staatsraad heeft verslag uitgebracht.
Advocaat , die verschijnt voor verzoekster, en
advocaat , die loco advocaat verschijnt
voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur heeft een met dit arrest
eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De lokale politie stelt op 22 april 2024, naar aanleiding van een
huiszoeking in een kraakpand, overtredingen op het dierenwelzijn vast.
3.2. Op grond van een visitatiemachtiging uitgereikt door de
politierechter, wordt het kraakpand op 26 april 2024 betreden.
Meerdere honden worden in beslag genomen.
XII-9740-3/24 3.3. Ver zoekster, die eigenares is van verscheidene in beslag
genomen honden, wordt op 14 mei 2024 door de politie verhoord.
3.4. Het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement
Omgeving beslist op 21 juni 2024 om, in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet
van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, de
zeven honden van de verzoekende partij in volle eigendom te geven aan het erkend
asiel waar ze momenteel verblijven.
Dit is de bestreden beslissing die wordt gemotiveerd:
“De vaststellingen d.d. 26/04/2024 geacteerd in
- Op 26/04/2024 voert de lokale politie navolgende controle uit te […]
in aanwezigheid van het Bijzondere Bijstandsteam COPS en
team inspectie van Dierenwelzijn Vlaanderen. COPS doorzoekt eerst de
woning en alle aanwezige personen worden naar buiten begeleid. Als er
geen personen in de woning meer aanwezig zijn, wordt controle uitgevoerd.
- Als de hal van de woning wordt betreden komt er een indringende geur
van uitwerpselen en urine tegemoet. De vloer ligt volledig bezaaid met
uitwerpselen, plassen urine, allerhande vuil en gevaarlijke voorwerpen, oa
glasscherven, naalden, schroeven die een gevaar vormen en de aanwezige
honden kunnen verwonden.
- Bij het betreden van een kamer is er een doordringende geur van urine en
uitwerpselen. deze kamer ligt volgestouwd met meubels en voorwerpen.
Op de grond liggen uitwerpselen en gevaarlijke voorwerpen zoals
glasscherven en naalden. In de hoek van de kamer staat een bench met 7
puppy's. De puppy's hebben geen bewegingsvrijheid. Ze staan en liggen in
hun uitwerpselen en urine. Er is geen drinken en eten voorzien in de bench.
Ze vertonen tekenen van ondervoeding en hebben een stinkende vacht. De
pups zouden begin februari 2024 geboren zijn. De pups zijn niet gechipt.
- Verder in de woning worden in de leefruimte 2 moederhonden onder een
tafel aangetroffen. In dezelfde kamer wordt een zelfgemaakte omheining
aangetroffen waarin 6 pups rondlopen. l van de pups ligt apathisch op een
vuile matras. De ruimte ligt vol met uitwerpselen en plassen urine, allerlei
voorwerpen die gevaarlijk zijn voor de pups oa kapot gebeten
matrassen(schuim), gevaarlijk materiaal, kleine glasscherven, stukken
hout. De pups vertonen een opgezwollen buik wat kan wijzen op een
wormbesmetting
- Deze pups zouden half januari 2024 geboren zijn.
- Verder zijn er nog een Husky en een Border Collie in de woning aanwezig.
Wat erop wijst dal de dieren niet werden gehouden volgens hun
fysiologische en ethologische behoeften, waardoor hun welzijn ernstig
werd geschaad.
XII-9740-4/24 Op 11/06/2024 ontvangt onze dienst navolgend PV
dd 5/05/2024 va
n de lokale politie Betrokkene is eigenares
van de hond die met 6 pups in de leefruimte verbleven.
Betrokkene [ ] werd op 14/05/2024 verhoord waarin zij onderstaande
verklaart
- Ik ben werkloos, ik ben lang in ziekteverlof geweest en krijg momenteel
een leefloon
- Ik heb 4 jaar, ik heb haar van ze was een straathond, ze
was 5 maand als ik haar kreeg.
- heeft 7 februari 6 pups gekregen. Het was de eerste keer en het was
eigenlijk niet gepland.
- De dierenarts is langsgekomen, ik heb haar naam niet, weet wie de
dierenarts is.
- Ik had nog geen geld om te chippen en vaccineren.
- Er kwam die dag normaal iemand kijken om eentje te krijgen en ging ter
compensatie wat hondenvoer kopen voor de honden/ zij had afgesproken
met haar dierenarts om de pup te laten chippen en vaccineren.
- Ik ben ervoor aan het kijken om bij andere vrienden te gaan wonen die
ook kraken, ergens in [ ]. Het exacte adres weel ik nog niet. Een andere
vriendin wil mijn hond(en)opvangen tot wanneer ze een nieuwe eigenaar
gevonden hebben.
- Alle pups hadden zo goed als allemaal een nieuwe thuis;1 pup ging bij mij
blijven.
De betrokkene beschikt niet over de middelen om haar dieren te houden en
te verzorgen volgens hun ethologische en fysiologische behoeften:
Het verslag van het asiel waaruit blijkt dat:
- De pups worden op 10 weken geschat
- 1 pup was wat apathisch, alle pups werden meteen ontwormd, de dag erna
was het pupje levendiger. Alle pups hadden veel wormen.
- De moeder was de eerste 2 dagen angstig en duidelijk niet veel sociaal
contact gewoon
Wat er op wijst dat betrokkene heeft nagelaten haar dieren de nodige
medische zorgen te bieden waardoor minstens 1 pup fysiek geleden heeft.
Op 4/06/2024 voert de inspectiedienst dierenwelzijn in aanwezigheid van
de lokale politie hercontrole uit te […].
Betrokkene is oa aanwezig. Er wordt 1 hond aangetroffen,
Er hangt nog steeds een doordringende geur van uitwerpselen en urine in
de woning. De woning is volledig verduisterd zoals tijdens de beslagname
van de honden zodat er geen natuurlijk daglicht is. Er werd een poging
gedaan om op te ruimen maar er ligt nog steeds allerhande afval en
materiaal. De vloer is vuil en aangekoekt.
Betrokkene zegt niet veel en lijkt niet in staat te antwoorden op de vraag
waar ze gaat verblijven. De woning zou in september gesloopt worden.
Betrokkene toont gebrek aan inzicht in de noden en behoeften van dieren
en in verantwoordelijkheidszin voor de dieren.
De verklaringen van betrokkene kunnen de vaststellingen uit het PV niet
weerleggen en wijzen bovendien op een gebrek aan kennis in de verzorging
van dieren in het algemeen.
XII-9740-5/24 Op16/06/2024 meldt betrokkene dat ze een nieuwe kamer heeft in een
huurhuis.
Doch uit bovenstaande blijken onvoldoende garanties dat het
welzijn van de dieren gewaarborgd kan worden, waardoor een teruggave
onverantwoord zou zijn.
De kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen.
De dieren hebben geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde die in
verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en
verzorging overeenkomstig hun ethologische en fysiologische behoeften.”
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Belang
Standpunt van de partijen
4. De verwerende partij werpt de volgende exceptie op:
“Het verzoek tot vernietiging is onontvankelijk wegens het gebrek aan
belang. Alle dieren, de hond Isabo en de zes pups, werden ondertussen
geadopteerd en verblijven dus niet meer in het asiel. De verwerende partij
brengt de adoptiecontracten hiervan bij in het administratief dossier […].
Het is vaststaande rechtspraak van uw Raad dat een verzoekende partij die
haar belang steunt op het terugkrijgen van de dieren haar belang verliest
wegens niet langer actueel bij een adoptie van de dieren voorafgaand aan
een eventuele vernietiging.
De dieren die het voorwerp uitmaken van de bestreden beslissing werden
immers door derden geadopteerd. De vernietiging zoals door de
verzoekende partij gevraagd van de bestreden bestemmingsbeslissing kan
er dus onmogelijk nog toe leiden dat deze dieren aan de verzoekende partij
worden teruggegeven. Aangezien de verzoekende partij haar belang steunt
op het feit dat zij de mogelijkheid heeft de dieren na de vernietiging terug
te krijgen en het eigendomsrecht over de dieren terug te krijgen, blijkt dit
belang niet langer actueel. De verzoekende partij motiveert haar belang in
het verzoekschrift door verwijzing naar haar eigendomsrecht. Zij meent
over het vereiste belang te beschikken omdat zij eigenaar was van de hond
en de zes pups. Het is duidelijk dat het eigendomsrecht niet teruggekregen
kan worden na een eventueel vernietiging van de bestreden
bestemmingsbeslissing. Er is dus geen sprake meer van een belang bij
onderhavige procedure in hoofde van de verzoekende partij.
De verzoekende partij beschikt aldus heden niet meer over het vereiste
belang bij onderhavige vernietigingsprocedure. Immers wordt verwacht
van een verzoekende partij dat het belang waarvan zij blijk dient te geven
overeenkomstig artikel 19 RvS-wet, dient te bestaan op het ogenblik van
de indiening van het beroep en dit moet ook nog bestaan op het ogenblik
van de uitspraak in die zin dat de verzoekende partij op dat ogenblik moet
XII-9740-6/24 aantonen dat zij nog een tastbaar voordeel kan halen uit de vernietiging van
de best
reden beslissing.
Immers kan de vernietiging van de bestreden beslissing de adoptie niet
ongedaan maken en er niet toe leiden dat de dieren nog aan de verzoekende
partij worden teruggegeven. De verzoekende partij getuigt aldus niet meer
van het vereiste actueel belang bij de vernietiging.
Het beroep tot vernietiging is onontvankelijk wegens het gebrek aan actueel
belang”.
In de laatste memorie volhardt de verwerende partij in haar
standpunt. Het belang werd uiterst summier omschreven in het verzoekschrift. Op
geen enkele wijze maakt verzoekster duidelijk waar het beweerde nadeel in zou
moeten bestaan. Zij geeft zeker niet te kennen dat het om een moreel nadeel zou
gaan. De interpretatie die het auditoraat aan het belang van verzoekster geeft, valt
niet af te leiden uit de stukken. Ook in haar memorie van wederantwoord omschrijft
verzoekster geenszins haar belang. Verzoekster verwijst naar het eventueel
strafrechtelijke karakter van de zaak en de mogelijkheid tot strafrechtelijke
vervolging alsook naar de mogelijkheid om een schadevergoeding te eisen, zowel
in de materiële als morele zin. Volgens de verwerende partij oordeelde de Raad
reeds dat een vernietigingsberoep om een hypothetische strafvervolging te
vermijden niet volstaat om een belang bij een vernietiging aan te tonen.
5. Verzoekster zet haar belang aanvankelijk uiteen in het
verzoekschrift:
“De verzoekende partij heeft ook een voldoende belang: Zij is de eigenaar
van de honden die door het bestreden besluit geviseerd worden.
Door de bestemmingsbeslissing worden verzoeker ontzet uit haar
eigendomsrecht, zoals onder andere voorzien in artikel 3.50 van het
Burgerlijk Wetboek.
Dit artikel luidt als volgt:
‘Het eigendomsrecht verleent aan de eigenaar rechtstreeks het recht om het
voorwerp ervan te gebruiken, hiervan het genot te hebben en erover te
beschi
kken. De eigenaar heeft de volheid van bevoegdheden, behoudens de
beperkingen die door wetten, verordeningen of door de rechten van derden
worden opgelegd.’
Hierdoor lijdt verzoekster een nadeel en heeft zij aldus belang bij de
vernietiging van de bestreden besluiten.
XII-9740-7/24 Het belang is ook wettig. Verzoekster heeft het geleden nadeel in geen
enkel opz
icht aan haarzelf te wijten.
Ten slotte staat tegen de bestreden administratieve rechtshandeling beroep
voor de Raad van State open”.
Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord:
“Verwerende partij werpt op via haar memorie dat verzoekster niet langer
een belang zou hebben omdat de dieren inmiddels zouden zijn geadopteerd,
en dat het eigendomsrecht niet zou kunnen worden hersteld, zelfs na een
eventuele vernietiging van de bestreden beslissing.
Verzoekster is het hier niet mee eens.
Evident heeft zij nog een belang bij de handhaving van haar
beroepsprocedure. Als een feitelijk herstel niet mogelijk zou zijn, dan
ontstaat voor verzoekster de mogelijkheid om een schadevergoeding te
eisen, zowel in materiële als morele zin.
Daarnaast wijst verzoekster op het eventueel strafrechtelijk karakter van
deze zaak. Er is een proces-verbaal opgemaakt, zodat het niet kan worden
uitgesloten dat het Parket nog correctionele stappen zet.
De bestreden beslissing werpt aldus een negatief licht op de wijze van
verzorging van verzoekster, en deze gevolgen worden best geremedieerd
door een gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing, ook al is
een feitelijke teruggave niet langer mogelijk.
Verzoekster heeft dus in ieder geval belang om deze negatieve beslissing
uit het rechtsverkeer te laten verdwijnen.
Tenslotte wijst verzoekster op de tegenstrijdigheid van de exceptie van
verwerende partij. Zij geeft zelf aan via haar beslissing dat beroep bij de
Raad van State mogelijk is, maar in de uiteindelijke procedure meent zij
dan dat er geen belang kan zijn bij dit beroep, omwille van de situatie die
zij zelf creëert door haar eigen beslissing (en dus door de honden te laten
adopteren).
Dit is niet ernstig.
Verzoekster heeft in elk geval belang”.
Verzoekster voegt wat het belang betreft niets toe in de laatste
memorie.
Beoordeling
6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op
de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van
deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden
XII-9740-8/24 gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een
belang”
. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede
rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019,
Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang
indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden
administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en
wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring
van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe
miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019,
.
Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het
beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.)
22 maart 2019, zonde r dat de
verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer
zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020,
, punten B.11.2 en B.12.2).
Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende
partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep.
De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een
buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast
(GwH 30 september 2010, , punt
B.4.3;
GwH 9 juli 2020, , punt B.9.3;
EHRM 17 juli 2018,
, punten 42 e.v.)
.
Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang
bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel
getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid
hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven.
XII-9740-9/24 Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de
contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die
door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening
houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019,
.
7. Verz
oekster wijst in het verzoekschrift op het nadeel dat zij
ondervindt door de krenking van haar eigendomsrecht door de bestreden
beslissing. De ontzetting uit het eigendomsrecht wordt aldus in het concrete geval
beschouwd als een moreel nadeel. Deze opvatting wordt bevestigd in de memorie
van wederantwoord.
Uit de omschrijving van het belang in het verzoekschrift kan
niet, zonder zich te bezondigen aan een te restrictieve interpretatie, worden afgeleid
dat de betrachting van het beroep er enkel in bestaat de honden terug te krijgen.
Verzoekster toont in dit concrete geval een moreel belang aan
om de bestreden beslissing te doen vernietigen.
8. De exceptie is ongegrond.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
9. In ee n eerste middel voert verzoekster een schending aan van
artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en
het welzijn der dieren (hierna: wet van 14 augustus 1986), […] van artikel 2 en 3
van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van
bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur en meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel.
XII-9740-10/24 Verz oekster betoogt dat de voornoemde bepalingen en het
voornoemde beginsel zijn geschonden:
“Doordat de bestreden beslissing niet concreet vermeld aan wie de honden
in volle eigendom worden overgedragen.
Terwijl artikel 42, § 2 van de Wet Dierenwelzijn bepaalt dat de dienst de
bestemming van het inbeslaggenomen dieren bepaalt.
Terwijl artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de
uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de
bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermelden
die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn.
En terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel voorschrijft dat de overheid
verplicht is over te gaan tot een zorgvuldig onderzoek naar het bestaan van
de in aanmerking komende feiten, en dat de feiten juist en volledig moeten
zijn”.
Verzoekster licht het middel toe:
“In de bestreden beslissing wordt het volgende vermeld:
‘De teef Isabo identificatienummer […] met 6 pups worden, in toepassing
van artikel 42, §2 van de wet van 14/08/1986 betreffende de bescherming
en het welzijn der dieren, in volle eigendom gegeven aan het erkend asiel
waar ze momenteel verblijven.’
De volle eigendom kan volgens artikel 42, § 2 Wet Dierenwelzijn worden
gegeven aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon.
De bestreden beslissing spreekt enkel over ‘het asiel’. Het asiel wordt
echter niet benoemd met naam, maatschappelijke zetel en/of inschrijving
in de Kruispuntbank der Ondernemingen.
Het is dan ook onduidelijk aan wie het eigendomsrecht wordt
overgedragen.
Nochtans moet verwerende partij de bestemmeling zorgvuldig
onderzoeken en beschrijven, en motiveren waarom deze bestemmeling
geschikt is om de eigendom te krijgen”.
10. Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord:
“Verwerende partij werpt op via haar memorie dat het onwenselijk is dat
verzoekster in kennis zou worden gesteld van deze informatie, omdat zij
dan ‘de kans zou hebben om bij haar dieren langs te gaan bij het
desbetreffende asiel te eisen om haar dieren terug te krijgen’.
Verwerende partij verliest uit het oog dat bepalingen van de
Dierenwelzijnswet er niet zijn om nalatige eigenaars te straffen, doch wel
om het welzijn van dieren te verzekeren.
XII-9740-11/24 Op deze manier wordt verzoekster de kans volledig ontnomen om zich in
regel
te stellen met de overtredingen en binnen een redelijke termijn haar
dieren terug te krijgen.
Het is zo dat een asiel in ieder geval een grondig onderzoek voert naar de
capaciteit van de kandidaat-adoptant, en dat het asiel in kwestie uiteindelijk
beslist wie in aanmerking komt en wie niet, tenminste zolang de bestreden
beslissing geldt.
Op deze manier wordt verzoekster bijkomend in haar rechten aangetast,
zonder dat de Dierenwelzijnswet dit voorziet.
Het is niet omdat (tijdelijk) een situatie bestaat die gesanctioneerd wordt
door het Agentschap Dierenwelzijn, dat de noodzaak bestaat om
verzoekster te verhinderen kennis te namen van het asiel waar de honden
verblijven.
Als de honden door particulieren zijn geadopteerd, kan het wel wenselijk
zijn om te vermijden dat de beslagene hiervan kennis zou nemen, om te
verhinderen dat de privacy van de adoptant wordt geschaad en dat pijnlijke
situaties vermeden worden.
Bij een professioneel asiel bestaat deze noodzaak niet”.
11. In de laatste memorie volhardt verzoekster in het middel.
Beoordeling
12. Artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 luidde ten tijde
van de bestreden beslissing:
“De Dienst bepaalt de bestemming van het dier dat overeenkomstig
paragraaf 1 in beslag werd genomen. Deze bestemming bestaat uit het al
dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de verantwoordelijke van het
dier, het verkopen, het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon
of rechtspersoon, het slachten of het zonder verwijl doden”.
Met de bestreden beslissing worden de honden in volle
eigendom gegeven aan een rechtspersoon. Dat is een van de
bestemmingsmogelijkheden die door de wetgever waren voorzien. Een schending
van de betrokken bepaling is niet voorhanden.
13. Krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991
‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ moeten
eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur
en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een
XII-9740-12/24 ander bestuur, uitdrukkelijk worden gemotiveerd, wat inhoudt dat in de akte de
juridi
sche en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing
ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn.
De formelemotiveringsplicht is een doelnorm: ze moet de
betrokkene toelaten de concrete redenen te achterhalen die het bestuur tot de
beslissing hebben geleid. Nog anders gesteld, strekt de formelemotiveringsplicht
ertoe de betrokkene een zodanig inzicht te verschaffen in de redenen waarom een
voor hem ongunstige beslissing is genomen, dat hij zich, met de ter beschikking
staande rechtsmiddelen, tegen die beslissing kan verweren door aan te tonen dat de
tot uiting gebrachte motieven niet gegrond zijn.
Opdat die verplichting haar doel zou bereiken, dient de
motivering die in de beslissing is opgenomen duidelijk te zijn, dat wil zeggen
nauwkeurig en concreet de fundamentele redenen aangeven die de beslissing
kunnen verantwoorden.
Zo ook is vereist dat de motivering de bestuurde toelaat na te
gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of
zij deze feiten correct heeft beoordeeld, of zij in voorkomend geval de
geformuleerde bezwaren heeft onderzocht en of zij op grond daarvan in
redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis
van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een
annulatieberoep te bestrijden.
Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich
gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde
omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur
zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de
beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de
vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht
om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de
feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat
XII-9740-13/24 het met kennis van zaken kan beslissen.
Het
komt aan een verzoekster toe om met concrete gegevens
aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het
vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen
aannames, veronderstellingen en kritieken, zonder enig begin van bewijs, volstaat
niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige
wijze is tot stand gekomen.
14. Verzoekster is in staat om de bestreden beslissing te begrijpen
en aan te vechten. Bovendien blijkt uit de bestreden beslissing dat de honden zijn
ondergebracht in een “erkend asiel waar ze momenteel verblijven”. De bestreden
beslissing motiveert aldus dat het betrokken asielcentrum over een erkenning
overeenkomstig artikel 5, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 beschikt. Hiermee
is de bestemming van de dieren afdoende gemotiveerd.
In het licht van het voorgaande wordt eveneens aangenomen dat
de verwerende partij zorgvuldig heeft gehandeld door de dieren in een erkend asiel
onder te brengen totdat zij worden geadopteerd door derden.
Ver
zoekster toont geen schending aan van de artikelen 2 en 3
van de wet van 29 juli 1991 of van het zorgvuldigheidsbeginsel.
15. Voorts wordt opgemerkt dat het zich op heden alsnog
conformeren aan de verplichtingen die rusten op verzoekster wegens haar eigen
keuze om honden te houden, de wettigheid van bestreden beslissing, die wordt
beoordeeld op het moment dat ze werd genomen, niet kan doen wankelen.
16. Het eerste middel is ongegrond.
XII-9740-14/24 B. Tweede middel
Uite
enzetting van het middel
17. In ee n tweede middel voert verzoekster de schending aan van
artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986, artikel 16 van de Grondwet en
artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het Europees Verdrag van de
rechten van de Mens.
Verzoekster betoogt dat de voormelde bepalingen zijn
geschonden:
“Doordat de verwerende partij onterecht het eigendomsrecht van de honden
van verzoekster heeft ontnomen, zonder strafrechtelijke veroordeling,
zonder voorafgaande tussenkomst van een rechter, en zonder voorafgaande
billijke vergoeding.
Terwijl artikel 42, §2 van de Wet Dierenwelzijn bepaalt dat de dienst de
bestemming van het inbeslaggenomen dieren bepaalt.
Terwijl artikel 42, §2 Wet Dierenwelzijn strijdig is met artikel 16 van de
Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het Europees
Verdrag van de rechten van de Mens.
Terwijl artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 EAV EVRM bepalen dat
niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan en op de wijze bij de
wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ten
algemenen nutte”.
Verzoekster licht het middel toe:
“Nadat een levend dier in beslag werd genomen, dient hieraan een
‘bestemming’ te worden gegeven. Artikel 42, §2 Wet Dierenwelzijn
voorziet daartoe in verschillende bestemmingsmogelijkheden, waarvan de
keuze wordt overgelaten aan de Dienst Dierenwelzijn.
Deze bestemming bestaat uit het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven
aan de verantwoordelijke van het dier, het verkopen, het in volle eigendom
geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het
zonder verwijl doden.
In casu werden de honden van verzoeker in de bestreden beslissing
overgedragen aan een dierenasiel. De (eenzijdige) overdracht van de volle
eigendom van de honden leidt tot een definitieve eigendomsontneming.
Opdat de inmenging in het eigendomsrecht in overeenstemming is met
artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM dient voldaan te zijn aan het
principe van het billijke evenwicht.
XII-9740-15/24 De ‘fair balance-test’ moet – net zoals bij de inmenging in het genot (art. 1,
eers
te zin Eerste Aanvullend Protocol EVRM) en de gebruiksregel (art. 1,
§ 2 Eerste Aanvullend Protocol EVRM) – in acht genomen te worden bij
de ontnemingsregel (art. 1, tweede zin Eerste Aanvullend Protocol EVRM).
Het ‘billijke evenwicht’ houdt in dat de eigendomsberoving die gebeurt via
formele of materiële eigendomsontneming een behoorlijk evenwicht in acht
moet nemen tussen het algemeen belang en het privaat belang. Uit de
rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat
de fair balance-toetsing zowel formele als materiële rechtsbescherming aan
het eigendomsrecht biedt.
Daarnaast zal er in geval van eigendomsberoving in principe slechts sprake
zijn van een behoorlijk evenwicht indien tegenover de inmenging een
bepaalde vergoeding staat. De vergoedingsplicht vloeit voort uit artikel 1
Eerste Aanvullend Protocol EVRM.
Indien de eigendom van het in beslag genomen levende dier op bevel van
de Dienst Dierenwelzijn wordt overgedragen en de eigenaar ervan wordt
veroordeeld wegens overtreding van de Wet Dierenwelzijn, dan zou de
regeling op dit punt de toets van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol
EVRM misschien nog doorstaan, aangezien in dit geval (eveneens)
verbeurdverklaring mogelijk is.
Wanneer er een vergoeding is voorzien, indien er geen strafrechtelijke
veroordeling volgt wegens overtreding van de Wet Dierenwelzijn, is
mogelijks voldaan aan het vereiste van het billijk evenwicht (namelijk een
vergoeding) van art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM.
Het geval – in casu - waarbij het eigendomsrecht van het levende dier op
bevel van de Dienst Dierenwelzijn wordt overgedragen zonder enige
vergoeding en zonder enige strafrechtelijke veroordeling of rechterlijke
tussenkomst is daarentegen wel strijdig met artikel 1 Eerste Aanvullend
Protocol en artikel 16 Grondwet.
Immers, in voorkomend geval is er sprake van een eigendomsontneming
zonder uitzonderlijke omstandigheden die de afwezigheid van een
vergoeding rechtvaardigen”.
18. Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord:
“Verwerende partij werpt op via haar memorie dat er geen kritiek kan
worden geleverd op de inbeslagname, dat deze terecht was en dat er geen
sprake kan zijn van een schadevergoeding.
Volgens verwerende partij ‘verzorgde verzoekster de dieren duidelijk niet
goed’, en kan er geen sprake zijn van een vergoeding.
Verder werpt zij op dat voormeld middel onontvankelijk zou zijn, omdat
het nadeel enkel gestoffeerd wordt door ‘blote beweringen en feitelijke
commentaar’.
Dit laatste is alvast duidelijk incorrect.
Verzoekster heeft duidelijk gemotiveerd waarom zij meent dat er sprake is
van een schending van artikel 42, §2 Wet Dierenwelzijn, tevens artikel 16
XII-9740-16/24 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het
Europee
s Verdrag van de rechten van de Mens.
Feitelijk meent verzoekster dat de foto’s uit het dossier, die de basis zijn
voor de bestreden beslissing, eigenlijk foto’s zijn van ruimtes die niet
toegankelijk waren voor de dieren en als het ware opengebroken zijn door
de verbalisanten om vaststellingen te doen.
Deze foto’s geven dan ook een vertekend beeld van de feitelijke situatie.
De hoeveelheid gevonden uitwerpselen is ook niet van die aard om te
besluiten dat er sprake is van dagenlange verwaarlozing, wel integendeel.”
19. Verzoekster volhardt in de laatste memorie in haar tweede
middel.
Beoordeling
20. De wet van 14 augustus 1986 houdt een beperking in op het
volstrekt persoonlijk genot van het eigendomsrecht, beschermd door artikel 16 van
de Grondwet, wat in overeenstemming is met artikel 1, tweede lid, van het Eerste
Aanvullend Protocol bij het EVRM, dat luidt:
“De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht
aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij
noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van
eigendom in overeenstemming met het algemeen belang […]”.
Bijgevolg kan hoe dan ook de premisse niet worden bijgetreden
dat het toekennen in volle eigendom aan een dierenasiel van dieren die in beslag
zijn genomen, een schending inhoudt van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1
van het Eerste Aanvullend Protocol, indien blijkt dat, zoals te dezen het geval is,
geen onwettigheid is vastgesteld en de maatregel evenredig is in verhouding met
de beoogde doelstelling.
21. De bestreden beslissing is een bij artikel 42, § 2, van de wet van
14 augus t
us 1986, zoals het luidde ten tijde van de bestreden beslissing ( supra nr.
14), voorziene bestuurlijke maatregel in het kader van de volksgezondheid en de
diergeneeskundige politie. Deze maatregel beoogde geenszins de
verantwoordelijke van het dier te bestraffen. De wet was toegankelijk, duidelijk en
XII-9740-17/24 voorzienbaar.
22. In de
bestreden beslissing wordt gemotiveerd dat de dieren niet
volgens hun ethologische en fysiologische behoeften worden gehouden. De
houders van dieren dienden volgens artikel 4 van de wet van 14 augustus 1986,
zoals het luidde op het ogenblik van de bestreden beslissing, daaraan te voldoen.
Uit het administratief dossier blijkt dat de lokale politie op 26
april 2024 het volgende heeft vastgesteld, zoals opgenomen in het proces-verbaal:
“In het volledige kraakpand zijn leefomstandigheden erbarmelijk zowel
voor mens en dier. In dit pand worden verdovende middelen gebruikt,
hierdoor liggen overal naalden, gevaarlijke voorwerpen, glasscherven en
allerlei afval. Er wordt niks opgeruimd zelfs de uitwerpselen/urine van de
honden en puppy's worden niet opgekuist. Zie foto's bijlage 2.
Door de plaatsgesteldheid komt de fysieke integriteit van de aanwezige
huisdieren in gedrang”.
Voorts is in het proces-verbaal te lezen:
“Bij het betreden van een kamer nemen wij een doordringende geur van
urine en fecaliën waar. Deze kamer ligt volgestouwd met meubels en
allerhande voorwerpen. Op de grond liggen uitwerpselen en gevaarlijke
voorwerpen o.a. glasscherven, naalden ect.
In de hoek van de kamer staat een bench waarin 7 puppy's zitten. De
puppy's hebben geen bewegingsvrijheid. De puppy's liggen/staan in hun
uitwerpselen en urine. Er is geen drinken en eten voorzien in de bench. Zie
foto's bijlage 3.
Ze vertonen tekenen van ondervoeding en hebben een stinkende vacht.
Naar verluidt zijn de puppy's begin februari 2024 geboren. De puppy's zijn
niet gechipt.
Als wij ons verder in de woning begeven zien wij een grote leefruimte
alwaar wij 2 moederhonden aantreffen onder een tafel.
De moederhonden worden geïdentificeerd aan de hand van chipnummers -
en .
In dezelfde kamer wordt een zelfgemaakte omheining aangetroffen waarin
zes puppy's rondlopen. Eén van de puppy's ligt er apathisch bij op een vuile
matras (schuim).
De afgesloten ruimte ligt vol met uitwerpselen en plassen urine, allerlei
voorwerpen die gevaarlijk zijn voor puppy's o.a. kapot gebeten matrassen
(schuim), gevaarlijk materiaal, kleine glasscherven, stukken hout. Zie foto's
bijlage 4.
XII-9740-18/24 De puppy's vertonen een opgezwollen buik wat kan wijzen op een
wormbe
smetting. Deze puppy's zouden naar verluidt half februari 2024
geboren zijn”.
In het dierenasiel moesten de puppy’s worden ontwormd.
In de bestreden beslissing wordt ook verwezen naar de volgende
vaststellingen bij de hercontrole op 4 juni 2024:
“Er hangt nog steeds een doordringende geur van uitwerpselen en urine in
de woning. De woning is volledig verduisterd zoals tijdens de beslagname
van de honden zodat er geen natuurlijk daglicht is. Er werd een poging
gedaan om op te ruimen maar er ligt nog steeds allerhande afval en
materiaal. De vloer is vuil en aangekoekt.
Betrokkene zegt niet veel en lijkt niet in staat te antwoorden op de vraag
waar ze gaat verblijven. De woning zou in september gesloopt worden.
Betrokkene toont gebrek aan inzicht in de noden en behoeften van dieren
en in verantwoordelijkheidszin voor de dieren.
De verklaringen van betrokkene kunnen de vaststellingen uit het PV niet
weerleggen en wijzen bovendien op een gebrek aan kennis in de verzorging
van dieren in het algemeen.
Op16/06/2024 meldt betrokkene dat ze een nieuwe kamer heeft in een
huurhuis. Doch uit bovenstaande blijken onvoldoende garanties dat het
welzijn van de dieren gewaarborgd kan worden, waardoor een teruggave
onverantwoord zou zijn.
De kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen.
De dieren hebben geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde die in
verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en
verzorging overeenkomstig hun ethologische en fysiologische behoeften.”
Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beslissing motiveert
waarom het noodzakelijk was om de dieren te beschermen tegen verwaarlozing en
de daaruit volgende mishandeling. Daarmee werd een legitiem maatschappelijk
belangrijk doel nagestreefd. Verzoekster toont niet aan dat de bestreden beslissing
onevenredig is.
Verzoekster toont geen schending aan van artikel 16 van de
Grondwet en van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM.
XII-9740-19/24 23. Met de bewering dat de erbarmelijke leefomstandigheden slechts
een m
omentopname waren, wil verzoekster haar eigen interpretatie in de plaats
stellen van die van de verwerende partij. Uit het administratief dossier blijkt
geenszins dat de door de verwerende partij in aanmerking genomen feiten niet
correct zijn. Dat verzoekster, bijgestaan door een raadsman, betoogt dat de
hoeveelheid gevonden uitwerpselen niet van dien aard zou zijn om te besluiten dat
er sprake is van dagenlange verwaarlozing, bevestigt eerder de gedane vaststelling
dat zij niet in staat is om te voldoen aan de verplichtingen die rusten op iemand die
honden houdt. In dat verband wordt ook verwezen naar de bestreden beslissing die
eerder al vaststelde dat verzoekster een gebrek aan inzicht toont in de noden en
behoeften van dieren.
Een schending van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus
1986 is niet aangetoond.
24. Artikel 42, § 5, van de wet van 14 augustus 1986 luidde:
“De verantwoordelijke van het dier is een vergoeding verschuldigd aan de
Dienst voor de kosten verbonden aan de maatregelen die worden genomen
met toepassing van paragraaf 1, 2 en 4.
De Vlaamse Regering stelt de tarieven van de vergoedingen, vermeld in het
eerste lid, vast.
De Vlaamse Regering stelt de nadere regels van de procedure vast”.
Artikel 3, 24°, van de wet van 14 augustus 1986 bepaalde:
“Verantwoordelijke: de natuurlijke persoon, eigenaar of houder van een
dier, die er gewoonlijk een onmiddellijk beheer of toezicht op uitoefent”.
De verantwoordelijke van het dier – in dit geval verzoekster– is
gehouden de kosten zoals omschreven in artikel 42, § 5, van de wet van 14 augustus
1986, te dragen, want een onwettigheid in het nemen van de bestreden
bestemmingsbeslissing is niet vastgesteld.
XII-9740-20/24 25. Een s chending van de in het middel ingeroepen bepalingen is
niet aannemelijk gemaakt.
26. Het tweede middel is ongegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
27. In een derde middel voert verzoekster de schending aan van
arti
kel 42, §2 van de wet van 14 augustus 1986 , van artikel 2 en 3 van de wet van
29 juli 1991 , van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meer in het
bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel.
Verzoekster betoogt dat de voormelde bepalingen en het
voormelde beginsel zijn geschonden:
“Doordat de bestreden beslissing niet afdoende motiveert waarom
verzoekster het eigendomsrecht verliest van zeven honden.
Terwijl artikel 42, §2 van de Wet Dierenwelzijn bepaalt dat de dienst de
bestemming van het inbeslaggenomen dieren bepaalt.
Terwijl artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de
uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de
bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermelden
die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn.
En terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel voorschrijft dat de overheid
verplicht is over te gaan tot een zorgvuldig onderzoek naar het bestaan van
de in aanmerking komende feiten, en dat de feiten juist en volledig moeten
zijn”.
Verzoekster licht het middel toe:
“Nadat een levend dier in beslag werd genomen, dient hieraan een
‘bestemming’ te worden gegeven. Artikel 42, §2, eerste lid Wet
Dierenwelzijn voorziet daartoe in verschillende
bestemmingsmogelijkheden, waarvan de keuze wordt overgelaten aan de
Dienst Dierenwelzijn.
Deze bestemming bestaat uit het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven
aan de verantwoordelijke van het dier, het verkopen, het in volle eigendom
XII-9740-21/24 geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het
zonde r ve
rwijl doden.
De beslissing tot bestemming is een bestuurlijke rechtshandeling, die
formeel moet worden gemotiveerd.
De formele motiveringsplicht die vereist is voor het goedkeuren van een
eenzijdige bestuurshandeling met individuele strekking krachtens de
artikelen 2 en 3 wet motivering bestuurshandelingen, vereist dat de dienst
uitlegt waarom het ontnemen van het eigendomsrecht noodzakelijk is.
Dat impliceert dat de motivering steunt op bewezen feiten, een redelijke
verhouding tussen de geplande eigendomsontneming en het nagestreefde
doel aangeeft en, in voorkomend geval, duidelijk maakt dat de
verschillende mogelijke beleidsopties naar behoren werden afgewogen.
Dit blijkt niet gebeurd te zijn. Zo kon men perfect overwegen om alle
honden terug te geven tegen een waarborgsom.
Daarnaast is het zo dat [aan] verzoekster gemeld werd dat zij een nieuwe
verblijfplaats voor de honden diende door te geven.
Zij woonde inderdaad op dat moment reeds op een ander adres, […], bij
vrienden via een feitelijke onderhuur.
Thans verblijft zij daar nog steeds.
De bestreden beslissing vermeldt dat verzoekster op 16/06/2024 inderdaad
had gemeld dat zij een nieuwe kamer had gevonden in een huurhuis, doch
verwerende partij koos ervoor deze woonst niet te controleren, daar zij
ervan overtuigd was dat verzoekster het welzijn van de dieren niet zou
kunnen garanderen.
Dit omdat zou blijken uit het asielverslag dat 1 pup apathisch was, en de
pups wormen hadden.
Nochtans is het duidelijk dat in dit verslag de verschillende nestjes door
elkaar vermeld worden, waarbij verzoekster evident niet de eigenaar was
van het nestje van de hond ), die ook
onderwerp was van het PV dd. 22/04/2024.
Het is dan ook niet ernstig dat verwerende partij niet de moeite deed om de
nieuw woonomstandigheden van verzoekster te controleren, zijnde haar
eigen voorwaarde voor teruggave.
Het is niet aanvaardbaar dat verwerende partij een voorwaarde opleg die
dan achteraf totaal willekeurig blijkt.
Ook dit betreft een inbreuk op het motivatie- en zorgvuldigheidsbeginsel”.
28. Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord:
“Verweerster mist het punt van dit middel volledig.
Zoals eerder aangetoond, is de ratio legis van de Dierenwelzijnswet niet de
sanctionering van nalatige eigenaars, maar de garantie van het welzijn van
dieren.
Verzoekster had wel degelijk de omstandigheden gecreëerd om zich in
regel te stellen met de aanbevelingen van het Agentschap na de eerste
vaststellingen.
Dit heeft verwerende partij er niet van weerhouden om de drastische stap
te zetten om de dieren in beslag te nemen en te laten adopteren.
XII-9740-22/24 Evident is verwerende partij als bestuurlijke instantie gehouden om zich
aan haa
r eigen regels te houden.
Als zij aan verzoekster een aantal [keer] helder uitlegt in welke
omstandigheden zij de meest drastische sanctie kan vermijden, dan neemt
zij als overheid uiteraard ook de verplichting op zich om minstens na te
gaan of hieraan voldaan is.
Verwerende partij gaat via haar conclusie uit van een vermoeden van
schuld, hetgeen geen enkele basis heeft in de Dierenwelzijnswet.
Zij had minstens verzoekster moeten interpelleren of deze nieuwe
verblijfplaats, waarna zij wel gemotiveerde beslissing kon nemen om tot
inbeslagname over te gaan.
Nu is dit niet gebeurd, zodat de beslissing onwettig is”.
29. Verzoekster volhard in haar laatste memorie in het derde middel.
Beoordeling
30. De geschonden geachte wettelijke bepalingen en de draagwijdte
van het zorgvuldigheidsbeginsel zijn hiervoor uiteengezet. Er wordt naar verwezen
(supra nummer 15).
31. De bestreden beslissing motiveert waarom de honden in volle
eigendom worden gegeven aan het erkende dierenasiel waar ze verblijven. De
enkele omstandigheid dat een verzoeker zich niet kan vinden in de formele
motivering of meent dat die verder moet gaan, maakt die daarom niet onwettig. Uit
de gehele motivering blijkt afdoende waarom de dieren niet teruggeven worden. In
dat geval verplichten de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 niet dat
bijkomend wordt gemotiveerd waarom voor geen andere, minder ingrijpende,
bestuurlijke maatregel wordt geopteerd.
32. Eenmaal een dier in beslag is genomen, dient het volgens het
destijds geldende artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 een bestemming
te bekomen. Het is de wettigheid van die beslissing die moet worden beoordeeld
op het ogenblik dat zij werd genomen. Het gegeven dat verzoekster ondertussen –
zoals zij zelf voorhoudt – een vaste verblijfplaats heeft, kan de wettigheid van de
bestreden beslissing niet doen wankelen. Dat is evenmin het geval voor de situatie
dat er zich ook andere honden in het kraakpand bevonden. Verzoekster toont niet
XII-9740-23/24 aan dat er verwarring is over welke honden aan verzoekster toebehoorden. Uit de
motive
ring van de bestreden beslissing blijkt dat enkel rekening werd gehouden
met haar honden, namelijk de hond Isabo en haar pups.
33. Er berust op de verwerende partij geen verplichting om
verzoekster te bevragen over haar nieuwe verblijfplaats vooraleer de bestuurlijke
maatregel in het kader van de volksgezondheid en de diergeneeskundige politie te
nemen.
34. Het derde middel is ongegrond.
VI. Kosten en rechtsplegingsvergoeding
35. Verzoekster wordt als in het ongelijk gestelde partij verwezen in
de kosten. Aangezien verzoekster op 11 september 2024 per vergissing het rolrecht
van 224 euro heeft betaald, is er reden om haar het onverschuldigd betaalde bedrag
van 24 euro terug te geven.
36. Gelet op de toegekende kosteloze rechtsbijstand wordt de
rechtsplegingsvergoeding beperkt tot het minimum conform artikel 67 van het
besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor
de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot
nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een
rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende
partij.
Het ten onrechte gekweten rolrecht van 24 euro dient aan verzoekster te
worden terugbetaald.
XII-9740-24/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier juli tweeduizend vijfentwintig, door
de Raa
d van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
, kamervoorzitter,
, staatsraad,
, staatsraad,
bijgestaan door
griffier.
De griffier De voorzitter