ARR:264.064
🏛️ Raad van State Brussel
📅 2025-09-04
🌐 FR
verworpen
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
29 juli 1991
Volledige tekst
X-18.729-1/15 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe
KAMER
A R R E S T
nr. van 4 september 2025
in de zaak A. 242.372/X-18.729
In zake :
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1. Het verzoekschrift, ingediend op 4 juli 2024, strekt tot de
nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister voor Financiën en
Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed van 26 april 2024 houdende de
vaststelling van de inventaris van het bouwkundig erfgoed in de provincie
.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd heeft een
verslag opgesteld.
X-18.729-2/15
Ve
rzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende
partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 23 mei 2025.
Kamervoorzitter heeft verslag uitgebracht.
Advocaat , die loco advocaten
en verschijnt voor verzoekster, en advocaat , die
loco advocaat verschijnt voor de verwerende partij, zijn
gehoord.
Eerste auditeur heeft een met dit arrest
andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is een van de eigenaars van een onroerend goed te
(hierna: het betrokken pand).
Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit een door
verzoeker neergelegde recente foto.
X-18.729-3/15
3.2. I
n 2006 wordt het betrokken pand opgenomen in de
wetenschappelijke inventaris van het bouwkundig erfgoed van -
3.3. Tussen 24 september 2009 en 14 mei 2024 is het betrokken pand
opgenomen in de door de administrateur-generaal vastgestelde inventaris van het
bouwkundig erfgoed van de provincie
3.4. De laatst op 2 mei 2022 bijgewerkte wetenschappelijke
inventaris vermeldt het volgende over het betrokken pand
(hierna: de wetenschappelijke inventaris):
“Typologie: dorpswoningen
Datering: eerste helft 20ste eeuw
Beschrijving
Twee dubbelhuizen met aansluitend schuurtje (thans verbouwd) uit het
eerste kwart van de 20ste eeuw. Volume van rode baksteen met aflijnende
water- en tandlijst. Licht getoogde muuropeningen met bewaard houtwerk.
Vernieuwde poort.
Bron: . met medewerking van
2006: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie
Gemeente
Bouwen door de eeuwen heen in
Vlaanderen WVL27, onuitgegeven werkdocumenten.
Auteurs: De Gunsch, Ann; De Leeuw, Sofie
Datum: 2006
[…]
Aanvullende informatie
X-18.729-4/15 Het aansluitende, verbouwde schuurtje werd gesloopt.
• Googl
e Maps , Streetview […] (geraadpleegd op 2 mei 2022).
Auteurs: Verhelst, Julie
Datum: 02-05-2022
[…].”
3.5. Van 1 april 2023 tot 30 mei 2023 organiseert de
verwerende partij een openbaar onderzoek over het ontwerp van een nieuwe
inventaris van het bouwkundig erfgoed in de provincie . In dit
ontwerp is het betrokken pand opgenomen, wat wordt gemotiveerd door het
aanhalen van de wetenschappelijke inventaris en drie foto’s van het betrokken
pand.
3.6. Verzoeker dient een bezwaarschrift in waarin hij het volgende
aanvoert:
“De vaststelling komt totaal niet meer overeen met de feitelijke toestand.
De vaststelling inclusief foto zijn reeds meer dan 10 jaar geleden gedaan. In
bijlage treft U foto's van de huidige toestand. U zal merken dat de
bevindingen totaal niet meer overeenstem[men] met de huidige toestand.
Bovendien is er naast en achter deze woning een nieuwe verkaveling
gerealiseerd.
[…] Het aansluitend schuurtje werd ingevolge een
sloopvergunning/omgevingsvergunning d.d. 7/11/2018 effectief afgebroken.
[…]
[…] Volgens de beschrijving is het ‘bewaard houtwerk’ in onherstelbare
toestand.
[…] De [voor het betrokken pand gelegen weg] is de drukke
verbindingsweg tussen dorp . Hier kan men dus absoluut
niet spreken over een dorpswoning.”
Bij zijn bezwaarschrift voegt verzoeker de in randnummer 3.1
bedoelde foto.
3.7. Op 15 februari 2024 geeft de Vlaamse Commissie voor
Onroerend Erfgoed (hierna: VCOE) advies.
In dit advies wordt volgende kritiek geformuleerd:
X-18.729-5/15
“D
e commissie geeft aan te betreuren dat zowel bij de huidige als reeds
afgeronde procedures de inventaris bouwkundig erfgoed vastgesteld wordt
op basis van een minimale invulling van de inventarismethodologie, zoals
voorzien in het ministerieel besluit van 17 juli 2015. Dit zowel op vlak van
de summiere beschrijving van vast te stellen objecten, als de onduidelijke
toepassing van het afwegingskader.
De commissie verduidelijkt dat het eigenlijke vaststellingsdossier zich
beperkt tot gegevens die ‘minstens’ opgenomen moeten zijn in de
vastgestelde inventaris. Voor elk item is dat een korte beschrijving op basis
van enkele erfgoedkenmerken en een vermelding van de erfgoedwaarde(n)
zonder nadere motivering. Enkel deze minimale gegevens maken deel uit van
de vaststelling en zijn dus juridisch gezien onderwerp van de rechtsgevolgen.
Daarnaast valt uit de vaststellingsfiches zelf – die louter doorverwijzen naar
de wetenschappelijke inventaris – niet af te leiden in welke mate en op welke
wijze een actuele afweging plaatsvond van aanwezige erfgoedwaarden en
selectiecriteria. Dergelijke methodologische duiding had nochtans
bijgedragen tot de publieke transparantie van het vaststellingsproces.
Naar aanleiding van de VCOE-adviezen werd de aanpak verduidelijkt in
toelichtingsnota’s en mondelinge toelichting door het agentschap.
De commissie erkent dat niet alle gegevens die de inventarismethodologie
voorschrijft, daadwerkelijk overgenomen moeten worden in de vastgestelde
inventaris. Meer informatie over objecten kan effectief teruggevonden
worden in de wetenschappelijke inventaris, waar de erfgoedkenmerken
gekaderd zijn in hun ruimere context en eventuele ensemblewaarde.
Dat impliceert wel dat de controle en actualisatie van deze wetenschappelijke
inventaris cruciaal is voor een adequate invulling van de zorg- en
motiveringsplicht. Deze bevoegdheid werd overgedragen aan de lokale
besturen en staat los van de vaststellingsprocedure. De vraag stelt zich dus of
de nodige controle en actualisatie van inventarisgegevens in de toekomst
gegarandeerd blijven.”
3.8. Met het bestreden besluit stelt de bevoegde Vlaamse minister de
inventaris van het bouwkundig erfgoed vast.
Om reden van de historische en de architecturale waarden wordt
het betrokken pand erin opgenomen.
3.9. Het bezwaarschrift van verzoekers wordt als volgt weerlegd:
“Er wordt niet ingegaan op de vraag om deze woning te schrappen uit de
vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed. De woningen zijn voldoende
goed bewaard en hebben historische en architecturale waarde, waarmee ze
X-18.729-6/15 voldoen aan de voorwaarden om te worden opgenomen in de vastgestelde
inve
ntaris bouwkundig erfgoed.
De beschrijving op basis van de erfgoedkenmerken waarmee de woningen
worden opgenomen in het vaststellingsbesluit is: ‘Twee dorpswoningen uit
het eerste kwart van de 20ste eeuw. Volume van rode baksteen met aflijnende
water- en tandlijst.’
[…] De sloop van de schuur is reeds verwerkt in de wetenschappelijke en
vastgestelde inventaris.
• Bij het erfgoedobject werd de sloop gemeld in aanvullende informatie
van 2 mei 2022.
• Bij de erfgoedkenmerken werd het erfgoedtype schuren toen geschrapt.
• In de beschrijving op basis van de erfgoedkenmerken wordt de schuur
niet meer vermeld.
De sloop van dit schuurtje heeft de erfgoedwaarden op basis waarvan deze
woningen werden opgenomen in de wetenschappelijke inventaris
daarenboven niet geschaad. Reeds bij de beschrijving van het ensemble bij
inventarisatie werd het schuurtje immers beschreven als ‘thans verbouwd’,
wat duidelijk maakt dat toen al werd geëvalueerd dat het schuurgedeelte een
lage erfgoedwaarde had door verbouwingen. De sloop van dit schuurtje had
dus weinig tot geen impact op de erfgoedwaarden van het bouwkundig
object.
De verkaveling van de achter- en naastgelegen percelen heeft evenmin de
erfgoedwaarden van de woningen geschaad. Gelet op het feit dat de context
van de woningen in de beschrijving op basis van de erfgoedkenmerken niet
vermeld wordt, doet het eigenlijk verlies ervan geen afbreuk aan de
erfgoedwaarde op basis waarvan het object werd geïnventariseerd en
vastgesteld.
[…]
[…] Bezwaarindiener stelt dat het houtwerk van ramen en deuren in
onherstelbare staat is, maar staaft dit niet. Zonder een gemotiveerd en
gedetailleerd verslag als basis, kan niet worden aangetoond dat het niet
mogelijk zou zijn deze gebreken op te lossen met hedendaagse
renovatietechnieken. Daarenboven wordt het bewaarde houtwerk enkel in de
wetenschappelijke en niet in de vastgestelde inventaris meegenomen als
erfgoedelement.
Gelet op het feit dat het houtwerk van ramen en deuren van de woningen
in de beschrijving op basis van de erfgoedkenmerken niet vermeld wordt,
doet de vermeende slechte toestand ervan dus ook geen afbreuk aan de
erfgoedwaarde op basis waarvan het object wordt opgenomen in het
vaststellingsbesluit.
]..] We toetsen de erfgoedkenmerken en erfgoedelementen van deze
woningen af aan de scope note van het erfgoedtype dorpswoningen in de
thesaurus waarmee de erfgoedkenmerken worden getypeerd in de inventaris
onroerende erfgoed: https://id.erfgoed.net/thesauri/erfgoedtypes/126. Het is
inderdaad correct dat het pand niet in een dorpskern is gelegen; er wordt
echter geoordeeld dat de bescheiden omvang van de eenlagige woningen
deze typologie toch kan rechtvaardigen.
We besluiten dat de dorpswoningen wel degelijk erfgoedwaarde hebben.
Ze hebben historische waarde als getuigen van de oudere, begin-20ste-
X-18.729-7/15 eeuwse basisbebouwing langs de [betrokken weg]. De architecturale waarde
bes
taat erin dat ze herkenbare en representatieve voorbeelden zijn van de
bescheiden architectuur in landelijk Vlaanderen van begin 20ste eeuw,
waarbij lage bakstenen woningen onder zadeldaken de basisbebouwing
vormden in de dorpskernen en langs de verbindingswegen tussen de
dorpskernen.
Typerende erfgoedelementen zoals de rode baksteen met aflijnende water-
en tandlijst en de licht getoogde muuropeningen [zijn] kenmerken van de
traditionele, landelijke bebouwing in begin 20ste eeuw.”
3.10. Wat de in randnummer 3.7 bedoelde kritiek betreft, wordt in het
bestreden besluit het volgende overwogen:
“De commissie geeft zelf aan te erkennen dat niet alle gegevens die
volgens de inventarismethodologie verzameld moeten worden ook
daadwerkelijk overgenomen moeten worden in de vastgestelde inventaris.
Het vaststellingsdossier bevat voor ieder vast te stellen object de
essentiële gegevens: een opsomming van de aanwezige erfgoedwaarde(n) en
een beschrijving op basis van de erfgoedkenmerken. Deze vormen een
getrouwe synthese van de omschrijving in de wetenschappelijke inventaris
die voorligt voor vaststelling. In deze beschrijving worden de vast te stellen
erfgoedkenmerken en -elementen van het onroerend goed of geheel aan
onroerende goederen aangeduid. Noch het ministerieel besluit voor
vaststelling van de inventarismethodologie, noch het
Onroerenderfgoeddecreet stelt dat de gegevens die volgens de methodologie
beoordeeld of verzameld moeten worden, ook in de vastgestelde inventaris
overgenomen moeten worden. De wetenschappelijke inventaris bevat
ruimschoots voldoende kaderende informatie die de afweging en selectie
toelicht en een toetsing aan de gehanteerde inventarismethodologie mogelijk
maakt. Er kan bezwaarlijk gesteld worden dat het dossier geen inzicht geeft
in de wijze waarop de erfgoedwaarde(n) en selectiecriteria in hun totaliteit
beoordeeld werden en dit een goed begrip van de voorgestelde selectie
onmogelijk zou maken.
Daarenboven werd in samenwerking met de lokale
besturen nagegaan of de objecten bij de start van het openbaar onderzoek nog
voldeden aan de waarden en criteria waarmee deze waren opgenomen in de
inventaris. Telkens wordt daarvoor de huidige toestand getoetst aan de
beschrijving en beelden daterend uit de inventarisatiefase, wat geldt als het
referentiemateriaal.
De commissie geeft aan dat een dergelijke actualisatiefase niet af te lezen
is aan de fiches die voorliggen bij het dossier. Dat is inderdaad zo.
De historiek van de aanpassingen van de gegevens is enkel te zien voor
aangemelde, bevoegde gebruikers van de inventariswebsite maar niet voor
het publiek. Het is belangrijk dat het publiek juiste, actuele gegevens te zien
krijgt. Het publiek maken van de historiek van de aanpassingen lijkt ons niet
nodig, en zelfs niet wenselijk gezien het verwarring kan opwekken
X-18.729-8/15 (bv. verwarring die kan ontstaan door het meedelen van oude huisnummers
bij
het wijzigen van huisnummers).
Het agentschap heeft de administratieve voorbereiding van het dossier
i.s.m. de lokale besturen toegelicht aan de VCOE tijdens de zitting van
18 januari 2024, waardoor de VCOE voldoende op de hoogte is van de
zorgvuldige manier waarop deze gegevens zijn geactualiseerd.
De commissie vraagt zich of de nodige controle en actualisatie van
inventarisgegevens in de toekomst gegarandeerd blijft, aangezien ‘deze
bevoegdheid werd overgedragen aan de lokale besturen’. Er moet opgemerkt
worden dat de steden en gemeenten inderdaad sinds 2017 de bevoegdheid
hebben om het bouwkundig en landschappelijk erfgoed in hun gemeente te
inventariseren. Het actueel houden van de bestaande gegevens blijft echter
een gedeelde bevoegdheid, waar het agentschap Onroerend Erfgoed blijvend
op inzet.
Het agentschap houdt de administratieve gegevens actueel van de
opgenomen objecten. Zo worden sloop of verlies aan erfgoedwaarde
verwerkt en worden gegevens zoals het adres actueel gehouden.”
IV. Onderzoek van het enige middel
Uiteenzetting van middel
4.1. In het enige middel wordt de schending aangevoerd van de
artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke
motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet) en
van het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene
beginselen van behoorlijk bestuur.
4.2. Verzoeker stelt dat het bestreden besluit niet afdoende
verduidelijkt dat het betrokken pand een erfgoedwaarde bezit die de inschrijving
in de erfgoedinventaris kan rechtvaardigen. Volgens verzoeker zijn de motieven
van het bestreden besluit niet evenredig met de rechtsgevolgen die dit besluit
teweegbrengt en niet draagkrachtig.
Verzoeker voegt eraan toe dat de bestreden beslissing
onzorgvuldig tot stand is gekomen. Dat de verwerende partij niet heeft gehandeld
als een normaal zorgvuldige overheid blijkt volgens hem uit de feitelijke
onjuistheden van haar behandeling van zijn bezwaarschrift, alsook uit de extreem
X-18.729-9/15 minimalistische en gebrekkige invulling van de inventarismethodologie.
Ve
rzoeker verwijst naar de harde kritiek van de VCOE, die volgens hem
rechtsreeks toepasselijk is op de opname in de inventaris van het betrokken pand.
Verzoeker wijst erop dat in de zogenaamde fiche van het
betrokken pand er enkel vermeld wordt dat het gaat om twee dorpswoningen uit
het begin van de twintigste eeuw, gebouwd uit rode bakstenen en met een
aflijnende water- en tandlijst. De fiche beschrijft niet waarom dat soort woning
zeldzaam zou zijn, noch waarom zij representatief zou zijn, herkenbaar zou zijn, in
de directe omgeving zou inpassen, of een hoge ensemblewaarde zou hebben.
De fiche maakt op geen enkele manier begrijpelijk of inzichtelijk waarom deze
concrete dorpswoningen in aanmerking komen als bouwkundig erfgoed. Volgens
verzoeker voegt de verwijzing naar de ‘historische waarde’ en de ‘architecturale
waarde’ niets concreet toe, daar dit in de fiche op geen enkele manier is toegelicht
en deze begrippen zodanig breed gedefinieerd zijn dat zij op zich genomen alle
onroerende goederen in het land kunnen omvatten. Het is pas in antwoord op zijn
bezwaarschrift dat verzoeker een nadere toelichting heeft mogen ontvangen. Die is
nog altijd zeer beknopt. De enige twee criteria waar de verwerende partij rekening
mee lijkt te hebben gehouden, zijn ‘herkenbaarheid’ en ‘representativiteit’. Wat de
‘historische waarde’ betreft, wordt enkel gesteld dat de dorpswoningen getuigen
zouden zijn van de bewoning langs deze steenweg aan het begin van de twintigste
eeuw. Dat kan onmogelijk volstaan. De ‘architecturale waarde’ wordt in amper
twee zinnen gekoppeld aan wat men kan beschouwen als de criteria
‘representativiteit’ en ‘herkenbaarheid’. Hoewel men niet de diepgang van een
wetenschappelijke verhandeling hoeft te verwachten, was een minimale
verduidelijking toch noodzakelijk. Er is te dezen naar geen enkele concrete
wetenschappelijke bron verwezen. Het valt ook op dat het bestreden besluit met
geen woord rept over de vernieuwde poort en de recent verbouwde aansluitende
schuur. De verwerende partij ziet het betrokken pand als “een leesbare uitdrukking
van zijn oorspronkelijke functie, uitzicht of vormgeving”. Daarbij moet worden
opgemerkt dat verzoeker alvast niet vertrouwd is met vroegtwintigste-eeuwse
woningen die plaats hadden voor een grote poort, met plastics in verwerkt, waar
een auto in kan worden gestald. Bovendien is verzoekers bezwaar inzake het
X-18.729-10/15 houtwerk van de ramen weerlegd met een motivering die niet draagkrachtig is.
Er
is immers te vlot voorbijgegaan aan de wetenschappelijke inventaris. Waarom
zou het oude houtwerk, dat volgens de wetenschappelijke beschrijving nochtans
authentiek is, niet erfgoedwaardig zijn? Door te overwegen dat verzoeker niet
aantoont dat het houtwerk van de ramen onherstelbaar beschadigd is, negeert de
verwerende partij het feit dat verzoeker een foto heeft neergelegd waaruit blijkt dat
dit houtwerk zich in slechte staat bevindt en aan vervanging toe is.
Verzoeker wijst erop dat, hoewel de inschrijving op de
erfgoedinventaris op zich geen grond tot weigering van een vergunning kan zijn,
ze wel een overweging uitmaakt in het kader van de goede ruimtelijke ordening.
Het belangrijkste gevolg is dat het pand niet meer gemakkelijk gesloopt zal kunnen
worden. In dat licht had de formele motivering van het bestreden besluit
uitgebreider moeten zijn. Zich moeten schikken naar plotseling verschuivende
maatstaven is één iets, maar het is nog iets geheel anders om zich te moeten
schikken naar maatstaven die men niet kent of zelfs niet kan kennen.
5. In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker toe dat de
argumentatie die de verwerende partij gebruikt om zijn bezwaarschrift te
weerleggen, weinig steekhoudt. Deze argumentatie komt er immers op neer dat alle
niet-vermelde elementen zonder enig probleem verwijderd kunnen worden, zonder
dat dit een merkelijk effect zou hebben op de erfgoedwaarden van het geheel.
Quid als er nog verbouwingen gebeuren die niet raken aan de in het bestreden
besluit vermelde erfgoedelementen, maar wel wezenlijk het ensemble veranderen,
zoals het aanbrengen van zonnepanelen en nieuwe glaspartijen of zelfs het
oprichten van een aanbouw?
Verzoeker vervolgt dat de enige bron waarnaar de
wetenschappelijke inventaris verwijst een louter intern document is dat al van 2006
dateert. Bovendien wordt deze bron kritiekloos overgenomen. Het hoeft geen
betoog dat een student geschiedenis die zich compleet kritiekloos op één enkele
bron baseert in zijn verhandeling, geen mooi cijfer mag verwachten.
Nergens maakt de verwerende partij gewag van enig plaatsbezoek of iets
X-18.729-11/15 dergelijks, waaruit zou blijken dat de opname van het betrokken pand op meer
geba
seerd zou zijn dan een vluchtige blik op een gedateerd intern werkdocument.
6. In zijn laatste memorie voegt verzoeker eraan toe dat een
nagenoeg onbestaande motivering niet pas als antwoord op een bezwaar helemaal
mag worden omgevormd tot een heel andere motivering waarin voor het eerst een
concrete toelichting wordt gegeven. Een rechtsonderhorige moet immers al in de
fase van het ontwerp van de inventaris een eerste nuttig besef kunnen hebben van
de motieven om tijdens het openbaar onderzoek nuttig gebruik te kunnen maken
van zijn bezwaarrecht. Wanneer de discrepantie tussen de motieven voor en na het
openbaar onderzoek té groot wordt, vormt zulks een duidelijk teken dat de
betrokken overheid niét over draagkrachtige motieven beschikt en alleszins ook
niet zorgvuldig heeft gehandeld.
Beoordeling
7.1. De beoordeling van opportuniteitskritiek behoort niet tot de
bevoegdheid van de Raad van State, die een wettigheidsrechter is. In de uitoefening
van zijn wettigheidscontrole mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen
van de overheid, die met betrekking tot de opname in een erfgoedinventaris
beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid. De Raad van State is als
rechter van de wettigheid wel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de overheid
is uitgegaan van werkelijk bestaande en relevante feitelijke gegevens die met de
vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, of zij die correct en met een
zorgvuldige afweging heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de
perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
7.2. Over het afwegingskader dat gehanteerd wordt om een onroerend
goed te waarderen wordt in de bijlage bij het ministerieel besluit van 17 juli 2015
‘tot vaststelling van de inventarismethodologie voor de inventaris van bouwkundig
erfgoed’ het volgende gesteld:
“De inventaris van bouwkundig erfgoed bevat een selectie van het
gebouwde patrimonium in Vlaanderen. De term ‘bouwkundig erfgoed’ wordt
X-18.729-12/15 gehanteerd in de meest ruime zin van het woord […]. Naast de grote,
monum
entale gebouwen gaat er ook aandacht naar de meer bescheiden
architectuur zoals woonhuizen […].
[…]
Om een gedegen afweging te maken of een onroerend goed kan worden
opgenomen in de inventaris, wordt rekening gehouden met de
erfgoedwaarden, de selectiecriteria en de bewaringstoestand.
Die waarden en criteria worden niet afzonderlijk beschouwd. De totale
beoordeling vormt het uitgangspunt voor de evaluatie. […]
a. De erfgoedwaarden
[…]
Architecturale waarde: Een onroerend goed heeft architecturale waarde
als het getuigt van een fase of aspect van de geschiedenis van de bouwkunst
of de tuin- of de landschapsarchitectuur.
[…]
Historische waarde: Een onroerend goed heeft historische waarde als het
getuigt van gebeurtenissen en ontwikkelingen uit het verleden van de mens,
van figuren of instellingen die de geschiedenis mee bepaalden of van
historisch landgebruik.
[…]
b. De selectiecriteria
De selectiecriteria worden bijkomend gebruikt om te wegen of een
onroerend goed al dan niet wordt opgenomen in de inventaris. Een onroerend
goed kan geselecteerd worden voor opname als het aan verschillende criteria
tegemoetkomt, maar het kan ook in aanmerking komen voor opname als het
in hoge mate aan slechts één criterium tegemoetkomt.
[…]
• Het selectiecriterium representativiteit geeft aan in hoeverre het
onroerend goed typerend is voor een geografische of historische context of
een welbepaald type of een bepaald oeuvre.
• Het selectiecriterium herkenbaarheid geeft aan in hoeverre het onroerend
goed een goed leesbare uitdrukking is van zijn oorspronkelijke functie,
uitzicht of vormgeving, of van een belangrijke fase in de latere ontwikkeling
daarvan.”
8. Het in het vorige randnummer geciteerde ministerieel besluit
vermeldt op goede gronden dat ook “de meer bescheiden architectuur” in
aanmerking komt voor opname in de erfgoedinventaris.
9. Terecht wijst de verwerende partij erop dat om de materiële
motieven te kennen van het bestreden besluit er rekening moet worden gehouden
met het geheel van het administratief dossier, waaronder met name de
wetenschappelijke inventaris evenals drie foto’s van het betrokken pand.
Wat vermeld wordt in de laatstgenoemde inventaris, die – zoals verzoeker in zijn
X-18.729-13/15 memorie van wederantwoord erkent – steunt op een wetenschappelijke bron, en
wa
t te zien is op deze drie foto’s stemt overeen met wat te zien is op de recente
foto die door verzoeker is neergelegd (randnr. 3.1). Anders dan verzoeker laat
uitschijnen, blijkt uit de laatstgenoemde foto niet dat het houtwerk van de ramen
onherstelbaar beschadigd zou zijn.
Even terecht preciseert de verwerende partij dat de weerlegging
van de bezwaarschriften opgenomen is in een document dat integraal deel uitmaakt
van het bestreden besluit, zodat die weerlegging behoort tot de formele motivering
ervan.
10. Voorts is het ten onrechte dat verzoeker in zijn laatste memorie
voorhoudt dat er een grote discrepantie zou bestaan “tussen de motieven voor en
na het openbaar onderzoek”. Het blijkt immers dat de bestreden opname gesteund
is op de aanwezige erfgoedelementen die beschreven zijn in de wetenschappelijke
inventaris, waarvan verzoeker bij het openbaar onderzoek kennis had en waarop
hij in zijn bezwaarschrift ook effectief is ingegaan.
11. Gewis zijn de te dezen in aanmerking genomen
erfgoedelementen bescheiden van aard, zodat de beschrijving ervan, evenals de
verantwoording van de historische en architecturale waarde, in weinig woorden is
gebeurd. Het gebrek aan een breedvoerige uiteenzetting maakt het bestreden besluit
evenwel nog niet onwettig.
Het bestreden besluit bevat wel degelijk een afdoende motivering
waarin de aanwezige erfgoedwaarden worden opgesomd en de historische waarde
en de architecturale waarde worden toegelicht. Niet bijgevallen wordt dat uit de
aangevoerde rechtsregels volgt dat het bestreden besluit ook expliciet had moeten
ingaan op de vernieuwde poort en de recent verbouwde aansluitende schuur of dat
de verwerende partij een plaatsbezoek had moeten doen.
12. Met zijn verwijzing naar de kritiek in het advies van de VCOE
toont verzoeker niet aan dat het bestreden besluit de aangevoerde rechtsregels
X-18.729-14/15 schendt, nu hij niet ingaat op de in dit besluit opgenomen weerlegging van deze
kri
tiek (randnr. 3.10).
13. Uit de gegevens van de zaak volgt dat de verwerende partij het
bezwaarschrift van verzoeker terdege heeft onderzocht en afdoende heeft laten
begrijpen waarom ze het niet heeft ingewilligd. Verzoeker poneert weliswaar dat
de weerlegging van zijn bezwaarschrift zou steunen op “feitelijke onjuistheden”,
maar hij maakt dit op geen enkele manier concreet aannemelijk. Zijn bedenkingen
dat op grond van de wetenschappelijke inventaris aangenomen kan worden dat ook
het oude houtwerk van de ramen erfgoedwaarde heeft en dat bepaalde
verbouwingswerken zoals het aanbrengen van zonnepanelen en nieuwe
glaspartijen of het oprichten van een aanbouw de ensemblewaarde van het
betrokken pand in gedrang zouden kunnen brengen, tonen geen schending van de
aangevoerde rechtsregels aan.
14. De conclusie is dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat er geen
draagkrachtige motieven voor het bestreden besluit zouden zijn, dat de verwerende
partij zich zou gesteund hebben op onjuiste feitelijke gegevens of dat zij de
aangevoerde rechtsregels anderszins zou hebben geschonden.
15. Het enige middel wordt verworpen.
VI. Conclusie
16. Gelet op de verwerping van het enige middel hiervoor, moet het
beroep hoe dan ook worden verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
X-18.729-15/15 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring,
be
groot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een
rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de
verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier september tweeduizend vijfentwintig,
door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
, kamervoorzitter,
, staatsraad,
, staatsraad,
bijgestaan door
, griffier.
De griffier De voorzitter