ARR:263.833
đïž Raad van State Brussel
đ
2025-06-30
đ FR
verworpen
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
12 april 1965, 12 april 1965, 26 maart 1971, 7 maart 1977, gw
Volledige tekst
X-19.057-1/15 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KA
MER
A R R E S T
nr. van 30 juni 2025
in de zaak A. 241.156/X-19.057
In zake : .
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 6 februari 2024, strekt tot de
nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse Minister van Justitie en
Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 29 november 2023 âwaarbij de
oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in van
openbaar nut wordt verklaardâ.
X-19.057-2/15 II. Verloop van de rechtspleging
2. De
verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
heeft een verzoekschrift tot tussenkomst
ingediend.
Auditeur heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende
partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 20 juni 2025.
Staatsraad heeft verslag uitgebracht.
Advocaat , die loco advocaat
verschijnt voor verzoeker, advocaat , die verschijnt voor de
verwerende partij en advocaat , die loco advocaat
verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Auditeur heeft een met dit arrest eensluidend
advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
X-19.057-3/15 III. Feiten
3.1. Ver
zoeker is eigenaar van vijf percelen, gelegen te
Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977
vastgesteld gewestplan waren verzoekers percelen gelegen in
agrarisch gebied met overdruk uitbreidingen van ontginningsgebieden. Volgens
het bij besluit van de Vlaamse regering van 16 december 2011 definitief
vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan âafbakening en
aansluitende open ruimtegebiedenâ situeren deze percelen zich thans in
ontginningsgebied met nabestemming bouwvrij agrarisch gebied.
3.2. wenst in samenwerking met
een project te realiseren in Meer bepaald wenst zij
âeen verbindingsriolering aan te leggen langs met de opname van
bestaande lozingspunten op , een waterloop van de tweede
categorie, en een aansluiting van de vuilvracht op de bestaande riolering in de
â (âtechnische motivatieâ bij de projectaanvraag).
3.3. Bij brief van 17 mei 2022 vraagt aan de bevoegde
Vlaamse minister om âhet aanleggen/renoveren en exploiteren van de
rioolwaterzuiveringsinfrastructuur (RWZI) â te
van openbaar nut te verklaren.
In de âverrechtvaardigingsnotaâ bij de aanvraag wordt in detail
ingegaan op de aard van de werken. Voor het deel ten laste van zijn er
meerdere onderdelen te onderscheiden waarbij in deze nota uitgebreid wordt stil
gestaan. Eén van de percelen van verzoeker wordt getroffen door het tracé. Op dat
perceel zal blijkens de voormelde âverrechtvaardigingsnotaâ âeen ondergrondse
leiding Ă355 mm (uitwendig) worden aangelegd middels gestuurde boring. De
aanlegwijze is sleufloos zodat de impact bovengronds nihil isâ.
X-19.057-4/15 3.4. Van 21 juni tot 20 juli 2022 vindt over de voormelde vraag een
openbaar onderzoek plaats.
3.5. Met het bestreden besluit van 29 november 2023 beslist de
verwerende partij om de RWZI in van openbaar nut te
verklaren. Het bestreden besluit bepaalt:
âArtikel 1. De bouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur - volgens de
bijgevoegde goedgekeurde grondinnemingsplannen nummers -
3-5.1/4 met revisie 4 van 17 februari 2022, met
revisie 4 van 17 februari 2022, met revisie 4 van
17 februari 2022 en met revisie 4 van 17 februari 2022,
en de bijbehorende legende, plannummer met revisie 4 van
17 februari 2022, van het project in het Investeringsplan 2024, -
onder, op of boven private onbebouwde gronden, die niet volledig omsloten
zijn met een ondoordringbare muur of omheining, gelegen op het
grondgebied van , wordt van openbaar nut verklaard
ten gunste van , hierna de
gerechtigde te noemen.
Deze installaties mogen op de hiernavolgende percelen gebouwd worden:
Gemeente:
-------------------------
Kadastraal gekend onder:
Perceel: nummers:
.
Kadastraal gekend onder:
Perceel: nummers: ,
.
Art. 2. De installaties op de onder artikel 1 vermelde percelen worden
opgericht onder de volgende voorwaarden:
1) gedurende de aanleg rust de wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar
nut op alle percelen en/of gedeelten van percelen aangeduid in gele,
groene en groen gearceerde kleur op de bijgevoegde
grondinnemingsplannen nummers met revisie 4
van 17 februari 2022, met revisie 4 van 17 februari
2022, 9 met revisie 4 van 17 februari 2022 en
met revisie 4 van 17 februari 2022;
2) na de oprichting van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur rust de
wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut op alle percelen en/of
gedeelten van percelen aangeduid in gele en groene kleur en vervalt de
wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut op de strook grond nodig
als tijdelijke werkzone, als gearceerde groene strook aangeduid op
bijgevoegde grondinnemingsplannen nummers met
revisie 4 van 17 februari 2022, met revisie 4 van
17 februari 2022, met revisie 4 van 17 februari
2022 en met revisie 4 van 17 februari 2022;
X-19.057-5/15 3) Overwegende dat op een deel van de percelen kadastraal gekend als
, voorw
erp van
onderhavig Ministerieel Besluit, een recht van toe- en doorgang wordt
gevestigd zoals aangeduid in rode arcering op het grondinnemingsplan
nummer met revisie 4 van 17 februari 2022, met
dien verstande dat indien voormeld recht van toe- en doorgang tijdelijk
niet kan uitgeoefend worden de eigenaar en/of gebruiker van
achterliggende perce(e)l(en) geen aanspraak kan maken op enige
vergoeding;
4) alle redelijke maatregelen zullen getroffen worden om, zelfs gedurende
de werkzaamheden, een normaal gebruik van de grond die belast is met
een erfdienstbaarheid door de eigenaar, de huurder of de eventuele
andere bezetter, mogelijk te maken;
5) de werkzaamheden mogen pas beginnen na het verloop van een termijn
van twee maanden na kennisgeving per aangetekend schrijven aan de
belanghebbende eigenaars en huurders;
6) de gerechtigde, dit is , stelt de nodige afdrukken van de
plannen, bestemd voor de openbare besturen of diensten, ter
beschikking.
Art. 3. Voor de studie, het toezicht, de oprichting, de bewaring, het
onderhoud en het herstellen van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur
krijgen de personen, door de gerechtigde daartoe aangesteld, steeds toegang
tot deze installaties, en dit langs de kortste weg vanaf de openbare weg. Zij
mogen zich langs de installatie verplaatsen en eventueel het materiaal nodig
voor de oprichting, het onderhoud en het herstellen per voertuig
aanbrengen.
Zij mogen daarvoor gratis gebruik maken van alle wegen,
erfdienstbaarheden en toegangen die langs de kortste weg naar de
installaties leiden, met dien verstande dat alle eventueel berokkende schade
aan het terrein of erop staande gewassen alsook de schade aan derden
vergoed worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 13 van de eerder
vermelde wet van 12 april 1965.
Art. 4. Als de eigenaars van de percelen, vermeld in artikel 1, wensen dat
de gerechtigde op deze erfdienstbaarheid de door de installaties bezette
grond zou kopen, kunnen ze dit aan de minister laten weten binnen een
termijn van twee jaar te rekenen vanaf het ogenblik waarop het besluit aan
hen betekend werd.
Art. 5. verstuurt een afschrift van dit besluit naar:
1) het college van burgemeester en schepenen van ;
2) de deputatie van de provincie
Art. 6. Het besluit wordt samen met de goedgekeurde bijbehorende
grondinnemingsplannen nummers met revisie 4 van
17 februari 2022, met revisie 4 van 17 februari 2022,
met revisie 4 van 17 februari 2022 en
met revisie 4 van 17 februari 2022, en de bijbehorende legende,
plannummer met revisie 4 van 17 februari 2022,
overgemaakt aan , die op haar
beurt de belanghebbende eigenaars en huurders op de hoogte brengt van dit
besluit.
X-19.057-6/15 Art. 7. Iedere belanghebbende kan door middel van een ondertekend
verzoe
kschrift tegen dit besluit bij de Raad van State een beroep tot
nietigverklaring indienen binnen een termijn van zestig dagen na
kennisneming.â
IV. Tussenkomst
4. is de begunstigde van het bestreden besluit. Haar
verzoek tot tussenkomst dient dan ook te worden ingewilligd.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
5. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van âhet
Gewestelijk RUP Afbakening Vlaams Strategisch Gebied rond Brussel en
aansluitende open ruimtegebieden - vastgesteld op 20 maart
2015, ontginningsgebied met nabestemming bouwvrij agrarisch gebied (artikel
C8.12), van artikel 4.4.7, §2 VCRO, van artikel 3, §2, 1° en §3 van het besluit van
de Vlaamse Regering van 20 maart 1991 houdende vaststelling van regelen met
betrekking tot de uitvoering van werken door in toepassing van het
artikel 2.6.1.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal
waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, laatst gewijzigd bij het besluit van de
Vlaamse Regering van 26 april 2019 [hierna: het besluit van de Vlaamse regering
van 20 maart 1991], en van het zorgvuldigheidsbeginsel als Algemeen Beginsel
van Behoorlijk Bestuur alsook de materiĂ«le motiveringsplichtâ.
Verzoeker acht artikel 3, § 2, 1°, en § 3, van het besluit van de
Vlaamse regering van 20 maart 1991 geschonden, omdat de weerslag van het
gevraagde op de bestemming ontginningsgebied betrokken moest worden bij de
beoordeling van het al dan niet gerechtvaardigd karakter van de verklaring van
openbaar nut. Dit geldt des te meer voor ontginningsgebied, waarvan de
X-19.057-7/15 verwezenlijking bemoeilijkt wordt of zelfs de fa cto onuitvoerbaar wordt door het
bestreden besluit.
Ook meent verzoeker dat onterecht naar artikel 4.4.7 VCRO
wordt verwezen, nu er immers geen vergunningsaanvraag ter beoordeling voorligt.
Op die manier wordt in het bestreden besluit toegegeven dat aan de
onverenigbaarheid van het gevraagde met de bestemming niet kan worden
voorbijgegaan.
Voorts bekritiseert verzoeker dat de aanvraag niet de vereiste
inlichtingen bevat en onontvankelijk moest worden verklaard, nu niet onderzocht
werd in welke mate de ondergrondse strook en bovengrondse buffer de realisatie
van het ontginningsgebied hypothekeert en welke weerslag het gevraagde op dit
bestemmingsgebied zou hebben.
Beoordeling
6.1. Waar verzoeker de niet-vermelding van de planologische
bestemming in de kwestieuze aanvraag bekritiseert, wordt opgemerkt dat artikel 3,
§ 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 de planologische
bestemming niet vermeldt als een inlichting die bij de aanvraag tot het verkrijgen
van een verklaring van openbaar nut moet worden gevoegd.
6.2. Voorts weze erop gewezen dat artikel 11 van de wet van 12 april
1965 âbetreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van
leidingenâ (hierna: de gaswet) bepaalt dat â[h]et gebruik waartoe het openbaar
domein of privéterreinen die gedeeltelijk worden bezet, is bestemd, moet worden
geĂ«erbiedigdâ. Het âgebruik waartoe het openbaar domein of privĂ©terreinen die
gedeeltelijk worden bezet, is bestemdâ refereert niet aan een stedenbouwkundige
bestemming. De verenigbaarheid van de beoogde RWZI met die bestemming
wordt in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag beoordeeld.
X-19.057-8/15 Gezi en het voormelde, is verzoekers kritiek dat de RWZI niet
verenigbaar is met de bestemming ontginningsgebied van de kwestieuze percelen,
dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt verwezen naar artikel 4.4.7, § 2,
VCRO â dat voorziet dat in een vergunning voor handelingen van algemeen belang
die een ruimtelijk beperkte impact hebben, mag worden afgeweken van
stedenbouwkundige voorschriften â en dat de verwerende partij de verkeerde
planbestemming aanduidt, niet van aard om het bestreden besluit te vitiëren.
6.3. De stelling van verzoeker dat artikel 3 van het besluit van de
Vlaamse regering van 20 maart 1991 niet zomaar in relatie kan worden gezien met
artikel 11 van de gaswet, kan niet worden bijgevallen. Artikel 32octies , § 3, van de
wet van 26 maart 1971 âop de bescherming van de oppervlaktewateren tegen
verontreinigingâ, thans opgenomen in artikel 2.6.1.1.1, § 3, tweede lid, van het
decreet van 18 juli 2003 âbetreffende het integraal waterbeleidâ, gecoördineerd op
15 juni 2018, bepaalt uitdrukkelijk dat âde rechten en verplichtingen zoals bepaald
in de artikelen 9 tot en met 15 en artikel 16 van [de gaswet] van toepassing [zijn]
op de Vennootschap bij het vervullen van de taken die haar in toepassing van deze
onderafdeling worden toevertrouwdâ. Bijgevolg is ook artikel 11 van de gaswet
van toepassing voor het vervullen van de taken zoals vermeld in artikel 2.6.1.1.1
van het decreet van 18 juli 2003 âbetreffende het integraal waterbeleidâ. Het besluit
van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 vormt de uitvoering van artikel
2.6.1.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 âbetreffende het integraal waterbeleidâ.
In artikel 1/1 van dat besluit wordt overigens uitdrukkelijk bepaald dat
ook valt onder de in artikel 9 van de wet van 12 april 1965 bedoelde
âhouder van een toelating en toelatingsakteâ.
6.4. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dan weer dat hij âniĂ©t
aan[kaart] dat de vestiging van de publiekrechtelijke erfdienstbaarheid conform
moet zijn aan de stedenbouwkundige bestemming van het getroffen terreinâ, maar
dat de âredenenâ ontbreken voor âhet bezetten van het privaat domeinâ. Verzoekers
kritiek in zijn inleidend verzoekschrift betreft echter wel degelijk de
onverenigbaarheid van de RWZI met de planologische bestemming. Met de
tussenkomende partij moet worden vastgesteld dat verzoeker in zijn laatste
X-19.057-9/15 memorie aldus een andere invulling aan zijn middel geeft. Ten overvloede weze
vastge
steld dat verzoeker niet aantoont dat de aan de oprichting van de RWZI
verbonden redenen voor âhet bezetten van het privaat domeinâ niet duidelijk
zouden zijn.
6.5. Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
7. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van
artikel 10 van de gaswet, van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van
20 maart 1991, van het zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsbeginsel als
algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook dat âde rechtens vereiste
feitelijke en juridische grondslag ontbreektâ.
Hij zet uiteen dat uit artikel 10 van de gaswet en artikel 3, § 1,
van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 volgt dat de verklaring
van openbaar nut enkel betrekking kan hebben op de oprichting van RWZI onder,
op of boven private onbebouwde gronden die niet omsloten zijn met een muur of
een omheining conform de bouw- of stedenbouwverordeningen. Het bestreden
besluit geeft toe dat perceel op het tracé met een veldkapel is bebouwd en
private eigendom is. Daarom wordt in het bestreden besluit beslist dat dit perceel
âkomt te vervallenâ in de aanvraag, en wordt het niet meer vermeld onder artikel 1
van het bestreden besluit, dat de percelen opsomt waarop de installaties mogen
worden gebouwd.
De aanvraag had volgens verzoeker evenwel geweigerd moeten
worden. Immers volgt uit artikel 3, § 2, 2° en 3°, van het besluit van de Vlaamse
regering van 20 maart 1991 dat de Vlaamse regering enkel het geheel van een tracé
en de daarop voorziene RWZI van openbaar nut kan verklaren. Het bestreden
X-19.057-10/15 besluit laat perceel weg omdat het bebouwd is, terwijl het nog steeds deel
uitma
akt van het tracé op het bij het bestreden besluit gevoegde plan.
Nu het tracé niet realiseerbaar is zonder perceel , mag de rest
van het tracé ook niet zonder zorgvuldig onderzoek en de nodige motivering
daaromtrent van openbaar nut verklaard worden. Elke motivering over de impact
van het weglaten van perceel op de realiseerbaarheid van de rest van het tracé
ontbreekt.
Beoordeling
8.1. Overeenkomstig artikel 10 van de gaswet kan een verklaring van
openbaar nut enkel worden aangevraagd voor het oprichten van een
gasvervoerinstallatie onder, op of boven het geheel of een deel van de private niet
bebouwde gronden en die niet volledig omsloten zijn met een ondoordringbare
muur of omheining.
Artikel 3, § 2, 2° en 3°, van het besluit van de Vlaamse regering
van 20 maart 1991 bepaalt:
â§ 2. Opdat de in paragraaf 1 bedoelde aanvraag ontvankelijk zou zijn
omvat zij de volgende inlichtingen:
[âŠ]
2° het voorgestelde tracé van de leidingen en/of van de vestiging van
rioolwaterzuiveringsinfrastructuur alsmede de aanduidingen van de nodige
innemingen op een situatieplan op schaal van tenminste 1/25 000; op dit
plan moeten bovendien worden vermeld: de openbare wegen, de buurt- en
waterwegen, de spoor- en tramwegen gelegen langsheen het voorgestelde
tracé of die het voorgestelde tracé kruisen;
3° een uittreksel uit het kadastraal plan of een fotografische weergave van
een kadastraal plan of dezelfde schaal, afzonderlijk voor iedere gemeente,
waarbij de percelen worden aangeduid waaronder de waarop
rioolwaterzuiveringsinfrastructuur moet aangebracht worden en de
aanduiding van deze infrastructuur;
[âŠ]â
8.2. Anders dan verzoeker meent, volgt uit het gestelde in artikel 3,
§ 2, 2° en 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 niet dat
X-19.057-11/15 âenkel het geheel van een tracĂ© en vooropgestelde infrastructuur daaropâ van
openbaar
nut zou kunnen worden verklaard.
Verzoeker toont niet aan, noch maakt hij aannemelijk, dat het
gegeven dat een bebouwd perceel niet in het bestreden besluit is opgenomen tot de
vernietiging van dat besluit moet leiden, temeer nu overeenkomstig het te dezen
toepasselijke artikel 10 van de gaswet een verklaring tot openbaar nut enkel op
onbebouwde percelen betrekking kan hebben.
8.3. Zoals verzoeker aangeeft, vermeldt het bestreden besluit dat
perceel met een veldkapel is bebouwd. Om die reden wordt dit perceel niet
vermeld in het tweede lid van artikel 1 van het bestreden besluit als kadastraal
perceel waarop de verklaring van openbaar nut van toepassing is. In het bestreden
besluit wordt voorts uitdrukkelijk gesteld dat perceel , daar het bebouwd is,
âkomt te vervallen in deze aanvraag tot het bekomen van het ministerieel besluit
houdende de verklaring tot openbaar nutâ.
8.4. Het bij het bestreden besluit gevoegde (grondinnemings)plan
dient begrepen te worden in het licht van wat in het bestreden besluit zelf is
bepaald, zodat het feit dat perceel op dat plan staat vermeld, nog niet inhoudt
dat dit perceel â tegen de uitdrukkelijke bepalingen van het bestreden besluit in â
toch van openbaar nut zou worden verklaard. Verzoeker gaat ten onrechte van het
tegendeel uit, waar hij stelt dat âhet geheel van het tracĂ© [wordt] goedgekeurd â
niettegenstaande hetgeen in de tekst van het besluit staatâ, en betoogt dat âhet
erfdienstbaar tracĂ©â volgens âhet per besluit goedgekeurd planâ nog steeds over het
bebouwd perceel loopt.
8.5. Vastgesteld weze voorts dat het bestreden besluit enkel
betrekking heeft op de verklaring van openbaar nut, en dat het zodoende niet dient
te motiveren hoe het traject gerealiseerd kan worden op perceel dat van de
verklaring van openbaar nut geen deel uitmaakt. Een âmotivering over de impact
van het weglaten van perceel nr. op de realiseerbaarheid van de rest van het
tracĂ©â, is in het kader van een verklaring van openbaar niet vereist. Anders ook dan
X-19.057-12/15 verzoeker het ziet, dient het bestreden besluit met betrekking tot perceel 20B niet
âte
erkennen dat het perceel middels onderlinge overeenkomst dan wel middels
onteigening verworven dient te worden, en anders het tracĂ© verlegd moet wordenâ.
8.6. Gelet op wat voorafgaat, doet verzoeker niet aannemen âdat het
nog steeds tracématig inkleuren van perceel nr. tot gevolg heeft dat de (gehele)
VON-verklaring vernietigd moet wordenâ.
8.7. Het middel wordt verworpen.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
9. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van het
rechtszekerheids-, zorgvuldigheids-, en materiëlemotiveringsbeginsel als
algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Verzoeker betoogt met betrekking tot de voorwaarde van
artikel 2, 5), van het bestreden besluit dat de verwerende partij haar besluit niet
zorgvuldig heeft voorbereid omdat âniet gespecifieerd wordt hoe de aanvrager het
normale gebruik moet garanderenâ. Het bestreden besluit is onvoldoende
gemotiveerd omdat âuit de lezing van het besluit ook niet te begrijpen valt wat de
overheid als maatregelen voor ogen hadâ.
Beoordeling
10.1. Artikel 2, 5), van het bestreden besluit bevat de volgende
voorwaarde:
âDe installaties op de onder artikel 1 vermelde percelen worden opgericht
onder de volgende voorwaarden:
[...]
X-19.057-13/15 5) alle redelijke maatregelen zullen getroffen worden om, zelfs gedurende
de we
rkzaamheden, een normaal gebruik van de grond die belast is met een
erfdienstbaarheid door de eigenaar, de huurder of de eventuele andere
bezetter, mogelijk te maken;â
10.2. Uit artikel 11 van de gaswet volgt dat â[h]et gebruik waartoe het
openbaar domein of privéterreinen die gedeeltelijk worden bezet, is bestemd, moet
worden geĂ«erbiedigdâ. Met de verwerende en de tussenkomende partij wordt
aangenomen dat de geviseerde bepaling van het bestreden besluit niet meer is dan
een herneming van de door de gaswet opgelegde verplichting tot eerbiediging van
het normaal gebruik van de grond.
In dit licht is het betoog van verzoeker dat niet duidelijk is
waarom de kwestieuze voorwaarde wordt opgelegd, nu de voorwaarde nergens
anders in het bestreden besluit wordt toegelicht en uit de lezing van dat besluit niet
te begrijpen valt wat de overheid als maatregelen voor ogen heeft, niet van aard om
het bestreden besluit te vitiëren.
10.3. Een schending van de aangevoerde beginselen wordt niet
aangetoond.
10.4. Het middel wordt verworpen.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
11. Verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van
âartikel 7.4.5 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening [hierna: VCRO]â.
Hij bekritiseert dat het bestreden besluit enkel de
gewestplanvoorschriften bij haar beoordeling betrekt, daar waar het gewestelijk
RUP en aansluitende open ruimtegebiedenâ en âhet RUP
X-19.057-14/15 ââ inmiddels toepassing vinden. Artikel 7.4.5 V CRO bepaalt dat de
voorschriften van de RUPâs de voorschriften van de plannen van aanleg vervangen.
Beoordeling
12.1. De bestreden beslissing overweegt onder meer:
âdat de werken gelegen in agrarisch gebied en recreatiegebied niet in
overeenstemming zijn met de gewestplanvoorschriften, doch hiervoor
beroep kan worden gedaan op de afwijkingsmogelijkheden van de Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening, met name art. 4.4.7§2, dat stelt dat in een
vergunning voor handelingen van algemeen belang die een ruimtelijk
beperkte impact hebben, mag worden afgeweken van stedenbouwkundige
voorschriften en verkavelingsvoorschriften;â
12.2. Gezien het gestelde bij de beoordeling van het eerste middel, is
het voormelde motief, dat betrekking heeft op de in het kader van de
omgevingsvergunningsprocedure te beoordelen verenigbaarheid van de RWZI met
de planbestemming, overtollig en niet van aard om het bestreden besluit te vitiëren.
12.3. Het middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. Het verzoek tot tussenkomst van wordt ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt het beroep.
3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot
nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van
24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan
de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst,
begroot op 150 euro.
X-19.057-15/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig juni tweeduizend vijfentwintig, door
de Raa
d van State, Xe kamer, samengesteld uit:
, kamervoorzitter,
, staatsraad,
, staatsraad,
bijgestaan door
, griffier.
De griffier De voorzitter