ARR:264.039
đïž Raad van State Brussel
đ
2025-09-01
đ FR
Rechtsgebied
bestuursrecht
Volledige tekst
VII-42.992-1/9 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VO
ORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER
A R R E S T
nr. van 1 september 2025
in de zaak A. 245.568/VII-42.992
In zake : 1. .
2.
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1. De vordering, ingesteld op 13 augustus 2025, strekt tot de
schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het
âBesluit van de adjunct-directeur adviezen & vergunningen van het Agentschap
voor Natuur en Bos tot individuele afwijking op de verbodsbepaling van artikel 7
van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere
regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het
natuurbehoud en het natuurlijk milieuâ van 27 mei 2025.
VII-42.992-2/9
II
. Verloop van de rechtspleging
2. Bij beschikking van 14 augustus 2025 werd, in samenspraak met
het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld.
De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een
administratief dossier ingediend.
heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 28 augustus 2025, om 11.00 uur.
Kamervoorzitter heeft verslag uitgebracht.
Advocaat , die verschijnt voor de verzoeksters,
advocaat , die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat
, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur heeft een met dit arrest
eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
VII-42.992-3/9 III. Tussenkomst
3. bl
ijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing
en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar
verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd.
IV. Feiten
4.1. Op 28 april 2025 dient een aanvraag in tot
individuele afwijking op de verbodsbepalingen van artikel 7 van het besluit van de
Vlaamse Regering van 23 juli 1998 âbetreffende het natuurbehoud en het natuurlijk
milieuâ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998) ter realisatie van
een koppelwoning in woongebied op een terrein te . Het gaat om een
regularisatie van de wijziging (verwijdering) van duinvegetatie, meer bepaald van
duindoornstruweel.
Het Agentschap voor Natuur en Bos staat op 27 mei 2025 de
gevraagde afwijking toe onder voorwaarden en met een geldigheid van 28 mei
2025 tot en met 31 mei 2028. Dit is de bestreden beslissing.
4.2. Volledigheidshalve kan worden vermeld dat de bv Roces op
4 juni 2021 een (derde) aanvraag heeft ingediend voor het bouwen van twee
koppelwoningen op het kwestieuze perceel. De deputatie van de provincieraad van
heeft de gevraagde vergunning verleend op 21 april 2022, doch
de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft de tenuitvoerlegging van die
stedenbouwkundige vergunning geschorst met een arrest van 9 september 2022 en
ze vernietigd met een arrest van 26 januari 2023. De partijen bevestigen dat de
deputatie tot heden geen nieuwe beslissing heeft genomen.
Verder kan worden vermeld dat de verzoeksters op 12 februari
2025 een (tweede) verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen hebben
ingediend. Het bestuur heeft dit verworpen met een beslissing van 4 juli 2025,
VII-42.992-4/9 waartegen de verzoeksters op 10 juli 2025 administratief beroep hebben
aa
ngetekend. Dit beroep is nog hangende bij de bevoegde minister.
V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
5. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst
dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde
dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot
nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan
het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de
nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord.
Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij
uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien
dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld.
Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
6. De verzoeksters wijzen er eerst op dat de bv Roces reeds op het
einde van 2018 beschermde duinvegetatie heeft vernietigd en een ondergrondse
verdieping van haar bouwproject heeft gerealiseerd, dit in uitvoering van een
stedenbouwkundige vergunning die door de Raad voor Vergunningsbetwistingen
werd vernietigd met een arrest van 26 februari 2019. Sedert het staken van de
werken in 2019 doet zich een voorzichtig herstel van de vegetatie voor, althans op
plaatsen waar geen constructies aanwezig zijn. Een klein deel van het perceel is
nog steeds ingedeeld als âbiologisch waardevolâ en er zijn nog elementen van
duindoorn aanwezig.
De verzoeksters wijzen er vervolgens op dat thans nog een
(tweede) procedure tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen hangende is. De
deputatie van de provincieraad van heeft hun op 12 februari 2025
ingediend verzoek afgewezen op 4 juli 2025, doch zij hebben op 10 juli 2025
VII-42.992-5/9 beroep aangetekend bij de bevoegde minister. Deze laatste dient uiterlijk op
8 se
ptember 2025 een beslissing te nemen.
De verzoeksters voeren aan dat de thans bestreden beslissing de
voormelde beroepsprocedure bij de minister inzake het opleggen van bestuurlijke
maatregelen doorkruist. Volgens hen âzal [de minister] ingevolge het vermoeden
van wettigheid ertoe gehouden zijn rekening te houden met de toegekende
ontheffing, en zal [hij] bijgevolg ervan moeten uitgaan dat de afwijking effectief is
toegekend, wat allicht ertoe zal leiden dat de minister het beroep zal afwijzen,
waardoor er geen herstelmaatregelen kunnen worden opgelegdâ. Het inwilligen
van het beroep bij de minister zou leiden tot het verplicht opleggen van bestuurlijke
maatregelen, waardoor de oorspronkelijk beschermde duinvegetatie op het perceel
achter de woningen van de verzoeksters in de oorspronkelijke staat zou worden
hersteld. Dat deze procedure door de thans bestreden beslissing wordt doorkruist,
leidt tot een ernstig nadeel in hoofde van de verzoeksters.
De verzoeksters voeren verder aan dat de bestreden beslissing de
toelating inhoudt om 1.256 mÂČ vegetatie te verwijderen, hetgeen het volledige
perceel inhoudt, behoudens een gedeelte aan de westzijde. Hoewel de beslissing
een regularisatie betreft, is op een deel van het perceel nog steeds duinvegetatie
aanwezig en zal deze laatste dus op ieder moment kunnen worden verwijderd. Al
is de aanwezige duinvegetatie beperkt tot een deel van het perceel, ze vormt
waardevolle natuur in de onmiddellijke omgeving van de woningen van de
verzoeksters en draagt aldus bij tot de woonkwaliteit. De met de bestreden
beslissing gegeven toelating tot vernietiging leidt tot een ernstige benadeling.
Beoordeling
7. De procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid mag slechts
worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de
zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstotelijke wijze wordt
aangetoond. Deze procedure houdt immers een ernstige verstoring in van het
normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de
VII-42.992-6/9 mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in
aa
nzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de
verwerende partij. Naar luid van artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk
besluit van 19 november 2024 âtot bepaling van de rechtspleging in kort geding en
tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van Stateâ, bevat het verzoekschrift waarin de
uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe âeen uiteenzetting
van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigenâ.
De verzoekende partij moet aan de hand van precieze, pertinente
en concrete gegevens aannemelijk maken dat de nadelige gevolgen die een
tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar veroorzaakt, niet gedragen
kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en
zelfs niet gedurende de doorlooptijd van een gewone vordering tot schorsing.
8. De bestreden beslissing blijkt slechts de regularisatie in te
houden van de reeds door op het kwestieuze perceel uitgevoerde
ingrepen, wat de wijziging (verwijdering) van de duinvegetatie betreft. In dat
opzicht kan de huidige vordering de verzoeksters geen enkel voordeel opleveren:
het gaat om een feitelijk reeds bestaande toestand die door een gebeurlijke
schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet kan worden
vermeden noch ongedaan worden gemaakt.
In de motivering van de bestreden beslissing staat onder meer:
âTer hoogte van de duindoornvegetatie (+/- 364 mÂČ, gelegen in VEN en SBZ-
H) die wordt behouden, zal worden ingezet op kwaliteitsverbetering door een
omvormingsbeheer toe te passen. Hierbij wordt de boomopslag van o.m.
populier, abeel en esdoorn verwijderd. Het duindoornstruweel kan hierdoor
de vrijgekomen ruimte weer innemen. In een latere fase is het aangewezen
deze oppervlakte op te nemen in een natuurbeheerplan. Op het woonperceel
worden bijkomende herstelmaatregelen genomen om verbossing tegen te
gaan, zodat de aanwezige relicten van duinstruweel zich verder kunnen
ontwikkelen.â
VII-42.992-7/9 Ar tikel 2 van de bestreden beslissing voorziet uitdrukkelijk dat
in ieder geval het aanwezige duinstruweel dat zich in het VEN- en het
habitatrichtlijngebied bevindt, âongewijzigdâ moet blijven. Er wordt een
âomvormingsbeheer toegepast, waarbij boomopslag van populier, abeel en esdoorn
wordt verwijderdâ, doch hiervoor moet het onbebouwde deel van perceel
âals duinzone [worden] ingerichtâ met de aanplant van âenkel inheemse
streekeigen soortenâ. Op dit perceel wordt binnen woongebied âeen inheemse,
streekeigen haagâ voorzien als buffer, die aan de oostkant moet aansluiten âbij het
te behouden duinstruweelâ.
Het voorgaande wijst veeleer op een verbetering van de
bestaande feitelijke toestand op het terrein dan op een (mogelijke) verslechtering
van die toestand ten nadele van de verzoeksters.
Bovendien bevestigt de raadsman van ter
terechtzitting formeel dat deze laatste de werken niet verder zal uitvoeren noch
verder vegetatie zal verwijderen totdat zij over een uitvoerbare stedenbouwkundige
vergunning beschikt.
9. Verder vormt het feit dat de thans bestreden beslissing is
genomen in de loop van de behandeling van het door de verzoeksters op 10 juli
2025 ingestelde administratief beroep tegen de beslissing van 4 juli 2025 tot
afwijzing van hun verzoek om bestuurlijke maatregelen op te leggen, geen decisief
element om te besluiten tot een uiterst dringende noodzakelijkheid om de
tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing te schorsen. Al beschikt de
minister op grond van artikel 16.4.18, § 4, van het decreet van 5 april 1995
âhoudende algemene bepalingen inzake milieubeleidâ over een termijn van
60 dagen om uitspraak te doen over het voormelde beroep van 10 juli 2025, er is
geen sanctie voorzien bij het overschrijden ervan, zodat het slechts om een termijn
van orde gaat. De stelling van de verzoeksters dat de minister ingevolge de thans
bestreden beslissing hun beroep âwellichtâ zal afwijzen, vormt bovendien enkel
een hypothese waaruit op zich geen uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden
afgeleid. Uit het dossier van de zaak blijkt overigens dat het verzoek om
VII-42.992-8/9 bestuurlijke maatregelen op te leggen reeds in eerste instantie werd afgewezen op
4 jul
i 2025, zonder enige verwijzing naar de thans bestreden beslissing.
10. De verzoeksters tonen de uiterst dringende noodzakelijkheid niet
aan.
Conclusie
11. Aangezien de in artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op
de Raad van State bedoelde uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond,
is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1,
derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief
vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende
noodzakelijkheid worden toegewezen.
BESLISSING
1. Het verzoek tot tussenkomst van de bv Roces wordt ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt de vordering.
3. De verzoeksters worden verwezen in de kosten van de vordering tot
schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van
400 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van
770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst,
begroot op 150 euro.
VII-42.992-9/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een september tweeduizend vijfentwintig,
door de
Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit:
, kamervoorzitter,
bijgestaan door
griffier.
De griffier De voorzitter