ARR:263.957
🏛️ Raad van State Brussel
📅 2025-07-15
🌐 FR
verworpen
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
29 juli 1991, Grondwet, Gw, grondwet, gw
Volledige tekst
XII-9 654-1/35 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe
KAMER
A R R E S T
nr. van 15 juli 2025
in de zaak A. 238.634/XII-9654
In zake :
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het AGENTSCHAP OPGROEIEN REGIE
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 13 maart 2023, strekt tot de
nietigverklaring van de beslissing van Opgroeien Regie van 12 januari 2023 tot
weigering voor het realiseren van tijdelijke vervangcapaciteit voor baby’s en
peuters.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het
geding en een laatste memorie ingediend.
XII-9 654-2/35 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaat
sgevonden op 19 juni 2025.
Staatsraad heeft verslag uitgebracht.
Advocaat , die verschijnt voor de verzoekende
partij en advocaat , die verschijnt voor de verwerende partij, zijn
gehoord.
Eerste auditeur heeft een met dit arrest eensluidend
advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoekende partij heeft als organisator in de zin van
artikel 2, 4°, van het decreet van 20 april 2012 ‘houdende de organisatie van
kinderopvang van baby’s en peuters’ (hierna: decreet van 20 april 2012) het
organiseren van allerlei vormen van groepsopvang voor kinderen, kinderopvang
en vakantieopvang tot doel.
3.2. Op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing zijn
de bestuurders van de verzoekende partij:
- .
- .
- met als vaste vertegenwoordiger
3.3. De verzoekende partij heeft drie zusterondernemingen met
dezelfde bestuurders, nl.:
-
-
XII-96 54-3/35 - .
3.4. Op 16 m
ei 2022 vindt een onaangekondigd inspectiebezoek
plaats in een niet-vergunde opvanglocatie . De
Zorginspectie doet hierbij de volgende vaststellingen:
“De opvanglocatie werd bezocht in het kader van een opdracht van Kind en Gezin
over ee
n melding van een niet-vergunde opvanglocatie, met adres
. Op betrokken adres is de inkom gelegen van
een opvanglocatie met een vergunning van Kind en Gezin, genaamd ,
met als adres (op de vergunning) . Deze opvanglocatie is
verbonden aan de basisschool , met eveneens
als adres.
De bezochte opvanglocatie , gelegen in de lokalen van deze
basisschool, heeft een eigen, aparte ingang in
. Ouders gebruiken volgens gesprekspartners enkel deze inkom, ouders komen
niet binnen via de schoolingang. Gesprekspartners delen mee dat zij de enige
opvanglocatie zijn in de gebouwen van de school. Volgens gesprekspartners wordt
er naar ouders toe gesproken over de als het over de opvang gaat. Aan
de inkom van de opvang staat een bord met de naam ’ met een
verwijzing naar ”
De Zorginspectie komt tot de volgende conclusie:
“De bezochte opvanglocatie is de vergunde opvanglocatie , cap aciteit
18 plaatsen, gelegen in de gebouwen van de basisschool , die als adres
heeft (evenals de school). Deze groepsopvang, naar
ouders toe volgens gesprekspartners benoemd als , heeft een eigen
aparte ingang en als adres .”
3.5. Naar
aanleiding van contacten tussen de vof en de
verzoekende partij enerzijds en de verwerende partij anderzijds in de periode van
1 maart 2022 tot 23 mei 2022 en op basis van klachten van ouders in die periode,
stelt de verwerende partij vast dat de aansturing van de kinderopvanglocatie
niet meer gebeurt door de organisator waaraan een vergunning werd
toegekend, met name de vof , waarvan de
verantwoordelijke is. De verwerende partij oordeelt dat de “bijstand en
ondersteuning” door de verzoekende partij in deze periode de facto neerkomt op
een feitelijke overname van de totale werking van deze kinderopvanglocatie.
XII-9 654-4/35 Daar volgens de verwerende partij de vof niet
fungeert als organisator, de functie als verantwoordelijke van de
betrokken kinderopvanglocatie niet opneemt en heel de werking – op de registratie
van aanwezigheden, de facturatie en het contact met de ouders na – reeds door de
verzoekende partij is overgenomen, zonder dat aan haar voor deze locatie een
vergunning werd toegekend, maant de verwerende partij de vof op
24 mei 2022 aan om dit tekort weg te werken binnen de vooropgestelde termijn.
Op 1 juni 2022 reageert de vof dat de vastgestelde
tekorten werden verholpen, onder meer doordat de vof de organisator
is en alle contacten voor de kinderopvang verzorgt, doordat alle voorgenomen
wijzigingen naar de gezinnen toe zijn teruggedraaid en zoals voorheen van kracht
blijven in afwachting van een beslissing door de verwerende partij over de
overname, en doordat . de verantwoordelijke is en blijft en
regelmatig aanwezig is ter aansturing van de betrokken kinderopvanglocatie.
3.6. Op 16 juni 2022 vindt een onaangekondigd inspectiebezoek
plaats in de opvanglocatie . Bij aanvang van het inspectiebezoek deelt
de kinderbegeleider aan de Zorginspectie mee dat ze de verantwoordelijke,
., zal contacteren, alsook van de verzoekende partij. Bij
het verdere verloop van de inspectie zijn de verantwoordelijke, ., en
een lid van het managementteam van de verzoekende partij aanwezig. Naar
aanleiding van deze inspectie worden een aantal tekorten vastgesteld.
De verwerende partij maant de verzoekende partij, als
organisator van de kinderopvanglocatie , op 28 juli 2022 aan om de
vastgestelde tekorten weg te werken. Deze aanmaning vermeldt onder meer:
“Op het moment van het inspectiebezoek werd de opvang nog georganiseerd onder
de or ga
nisatie VOF. Uw vergunningsaanvraag wegens overname van
deze locatie was op dat moment nog in onderzoek. Uw organisatie bood op het
moment van het inspectiebezoek ondersteuning aan VOF en de
kinderbegeleiders werkten reeds onder uw organisatie.
Tijdens het inspectiebezoek was een lid van het [m]anagementteam van uw
organisatie aanwezig. Om die redenen manen wij uw organisatie aan.”
XII-9 654-5/35 Op 1 a ugustus 2022 reageert de raadsman van de verzoekende
partij op deze aanmaning. Hij uit zijn verwondering over het gegeven dat de
verzoekende partij wordt aangesproken over feiten vastgesteld bij een andere
organisator, met name de vof . Hij licht toe dat de verzoekende partij
enkel ondersteuning verstrekte aan de vof in het kader van een
aannemingsovereenkomst. Hij wijst er voorts op dat de verzoekende partij als
nieuwe organisator desalniettemin het nodige zal doen om de vastgestelde tekorten
te verhelpen en vraagt daartoe om uitstel.
De verwerende partij verleent vervolgens uitstel om een plan van
aanpak in te dienen, eerst tot 11 september 2022, vervolgens tot 18 september 2022.
3.7. Op 13 juli 2022 vindt een inspectie op afstand plaats ten aanzien
van de verzoekende partij, en de hiermee verbonden organisatoren, met het oog op
een nazicht van de berekening van aangerekende bijkomende kosten. Op basis van
deze inspectie besluit de verwerende partij dat de aangerekende bijkomende kosten
niet overeenkomen met de werkelijk gemaakte kosten en dat er in de berekeningen
kosten zijn opgenomen die niet zijn voorzien in de regelgeving.
Op 23 augustus 2022 verzoekt de verwerende partij de
verzoekende partij om tegen 22 september 2022 een plan van aanpak te bezorgen.
Dit plan van aanpak moet het volgende inhouden:
• noteer elk tekort dat door Zorginspectie werd aangegeven;
• vermeld daarbij hoe je het zal aanpakken om het tekort weg te werken;
• vermeld tegen wanneer dat in orde zal zijn of wat al is gerealiseerd.
Op 16 september 2022 bezorgt de verzoekende partij de
herberekening van de bijkomende kosten.
Op 7 oktober 2022 antwoordt de verwerende partij dat de
verzoekende partij een berekening van de bijkomende kosten heeft bezorgd in
plaats van het gevraagde plan van aanpak. Zij vraagt de verzoekende partij daarom
nogmaals om – uiterlijk 21 oktober 2022 – een plan van aanpak te bezorgen hoe de
tekorten zullen worden weggewerkt. De verwerende partij verduidelijkt dat zij
XII-9 654-6/35 verwacht dat volledig wordt uitgeschreven waarom en hoe de verzoekende partij
aan de
berekening van de werkelijke kosten komt. Zij vraagt de verzoekende partij
om alle facturen van een gans jaar die daarop betrekking hebben en het aangepaste
huishoudelijk reglement te bezorgen.
Op 21 oktober 2022 antwoordt de verzoekende partij:
“Gezien [ ] u een berekening heeft gegeven met alle bewijsstukken erbij en wij
maar
3 euro vragen snap ik je vraag niet. In de tussen tijd zijn de prijzen alleen maar
gestegen en wordt alles veel duurder en wij houden die 3 euro maar aan.
Als je kijkt op de website van collega’s zie ik zeer veel hogere prijzen. Alleen om
dit te laten zakken is met in zee gegaan maar ook zij verbranden de luiers
niet zoals ze beloven. Dus zie ik de meerwaarde hiervan niet.
En ik denk dat we nog in een vrije ondernemerswereld leven van leveranciers?
Dus de prijs van 3 euro is bewezen en als ik inderdaad alle facturen van 2022 moet
gaan doorsturen vraag ik mij af of we met de kinderen bezig moeten zijn en hiervoor
ons in zetten of die paar ouders die achteraf klagen.
Dit is zeker niet aanvallend bedoeld maar ook wij moeten overleven en als ik zie
wat we momenteel nog moeten krijgen van Opgroei voel ik mij een bank. Deze
prijzen zijn eerlijk en goed berekend en zullen zelfs omhoog moeten gaan als alles
zo duur wordt.”
Op 28
oktober 2022 beklemtoont de verwerende partij dat nog
geen plan van aanpak werd bezorgd, licht zij nogmaals toe wat het plan van aanpak
moet omvatten en vraagt zij de verzoekende partij alsnog, en uiterlijk 10 november
2022, de gevraagde informatie en documenten te bezorgen.
Op 9 november 2022 bezorgt de verzoekende partij aan de
verwerende partij een plan van aanpak en het huishoudelijk reglement. In het plan
van aanpak wordt aangegeven dat alle facturen van de gemaakte kosten werden
opgevraagd bij de boekhouder en zullen worden nagestuurd.
3.8. In de loop van oktober 2022 ontvangt de verwerende partij
signalen omtrent het mogelijk vertrek van kinderbegeleiders, werkzaam in één van
de opvanglocaties van de verzoekende partij, met name ,
alsook signalen dat ouders uit deze opvanglocatie en andere opvanglocaties van de
verzoekende partij actief op zoek zijn naar een nieuwe opvangplaats.
XII-9 654-7/35 3.9. Op 9 j anuari 2023 dient bij de
verwerende partij aanvragen in om tijdelijke vervangcapaciteit voor baby’s en
peuters te organiseren, middels de verzoekende partij, ingevolge de beslissingen
tot opheffing van de vergunningen van de opvanglocaties
3.10. Op 12 januari 2023 weigert de verwerende partij deze aanvraag
voor het realiseren van tijdelijke vervangcapaciteit voor baby’s en peuters in
door de verzoekende partij.
Dit is de bestreden beslissing.
Deze beslissing is als volgt formeel gemotiveerd:
“DE BESLISSING IS GENOMEN OP BASIS VAN
- De a
anvraag tot toestemming voor de realisatie van tijdelijke vervangcapaciteit
voor baby’s en peuters, ingediend op 9 januari 2023 door lokaal bestuur
- Het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2022 over toestemming tot
toekenning van een subsidie aan organisatoren van kinderopvang voor de
organisatie van tijdelijke vervangcapaciteit voor baby’s en peuters: meer
bepaald art. 8, 4°;
- Het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd
agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, artikel 5, §2, 2°, a),
ingevoegd bij het decreet van 1 maart 2019, artikel 12, gewijzigd bij de decreten
van 1 maart 2019 en 3 mei 2019, en artikel 13, § 4, ingevoegd bij het decreet
van 21juni 2013 en gewijzigd bij het decreet van 19 januari 2018;
- Het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van
baby’s en peuters, artikel 8, § 1, gewijzigd bij de decreten van 29 juni 2012,
23 maart 2018 en 21 mei 2021, §3, eerste lid, 1°, artikel 10, 3°, artikel 12, §1,
tweede lid, en §3, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 2016, en artikel 14.
MOTIVATIE VAN DE BESLISSING
Uit het administratief onderzoek blijkt het volgende:
- Deze organisator genereert overheen zijn verschillende kinderopvanglocaties
van 2019 tot heden talrijke klachten met een klachtpatroon van communicatie
met de ouders, van die aard dat dit zwaar problematisch is.
- Ouders krijgen doorgaans geen begrip voor hun ongenoegen en geven
regelmatig een agressieve communicatiestijl aan waarbij ouders op een onheuse
manier worden bejegend.
- Op 16 mei 2022 vond er in de locatie een inspectiebezoek niet
vergunde opvang plaats. Nadien blijkt dat de organisator in de communicatie
naar de ouders een andere naam en een ander adres voor de kinderopvanglocatie
gebruikt dan de naam die vermeld wordt op de vergunning. De locatie is gelegen
in de lokalen van een basisschool, met verschillende ingangen.
- Op 13 juli 2022 vond er een inspectiebezoek inkomenstarief plaats voor de
organisator in de locatie dit naar aanleiding van de
XII-9 654-8/35 vele klachten die Oproeien regie ontvangen heeft over de bijkomende kosten
die a
angerekend worden. Ondanks herhaalde vraag sinds september 2022 om
de stavingstukken te bezorgen waarop de organisator zich baseert om
bijkomende kosten aan te rekenen aan de ouders, heeft Opgroeien regie dit nog
niet mogen ontvangen.
- Op 28 juli 2022 ontving de organisator voor de locatie
een aanmaning n.a.v een inspectiebezoek van 16 juni 2022 waarbij
verschillende tekorten werden vastgesteld, waaronder m.b.t de participatie van
de gezinnen, inzet kinderbegeleiders en aansturing van de verantwoordelijke.
- In oktober 2022 ontving Opgroeien regie signalen dat de laatste tijd omliggende
kinderopvangen heel wat sollicitaties kreeg van kinderbegeleiders die
momenteel werkzaam zijn in een locatie van de organisator . Er
wordt verduidelijkt dat de manier waarop deze kinderbegeleiders behandeld
worden erg schrijnend is. Tijdens overlegmomenten met verschillende
organisaties kinderopvang in aanwezigheid van escaleert dit
regelmatig in hoogoplopende verbale tonaliteit. Gesignaleerd wordt dat de
manier van communiceren van ontoereikend is.
Daarnaast kregen ze een tiental aanvragen binnen voor kindjes die momenteel
opgevangen worden in de kinderopvanglocatie . Ouders
uit deze locatie en andere locaties van deze organisator zijn actief op zoek naar
een nieuwe opvangplaats.”
3.11. Op 18
januari 2023 tekent bij
de adviescommissie bezwaar aan tegen de beslissingen tot opheffing van de
vergunningen van de opvanglocaties .
Na ongunstig advies van de adviescommissie beslist de
verwerende partij op 7 april 2023 dat de vergunningen voor de twee opvanglocaties
definitief worden opgeheven op 5 juni 2023.
Op 11 mei 2023 dagvaart de de
verwerende partij in kort geding.
Bij beschikking van 2 juni 2023 van de Rechtbank van eerste
aanleg te Brugge wordt aan de verwerende partij het verbod opgelegd om over te
gaan tot de sluiting van de kinderdagverblijven en
tot en met 31 augustus 2023 (waarbij de beslissingen tot sluiting pas
uitwerking krijgen vanaf 1 september 2023) en wordt de verwerende partij bevolen
om de subsidies voor die kinderdagverblijven tot die datum uit te betalen.
XII-9 654-9/35 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Exce
ptie van gebrek aan belang
Uiteenzetting van de exceptie
4. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat
de verzoekende partij geen belang heeft bij het beroep. Ten eerste voert de
verwerende partij aan dat, op het ogenblik dat het beroep werd ingediend, de reden
tot vervangcapaciteit was vervallen, daar de betrokken organisator van
kinderopvang een bezwaar met schorsende werking had ingediend, zodat hij de
uitbating kon verderzetten. Mocht de organisator van de twee opvanglocaties
waarvoor vervangcapaciteit was gevraagd, in de toekomst toch worden
geconfronteerd met een definitieve opheffing van de vergunning, dan kan de
verzoekende partij zich op dat ogenblik opnieuw aandienen om te voorzien in de
opvangnood die dan pas ontstaat. Voorts wijst de verwerende partij erop dat reeds
verschillende opvangalternatieven zijn voorzien voor de open te vallen plaatsen
van . De verwerende partij besluit dat er “op dit
moment” geen reden is voor vervangcapaciteit en stelt vervolgens de vraag welk
nut de nietigverklaring van de bestreden beslissing dan nog heeft voor de
verzoekende partij. Ten tweede wijst de verwerende partij erop dat de
vervangcapaciteit sowieso beperkt is in de tijd tot twaalf maanden vanaf de
opheffing van de vergunning. Een nietigverklaring zal daarom wellicht te laat
komen. Ten derde werpt de verwerende partij op dat de bestreden beslissing niet
tot gevolg heeft dat de verzoekende partij geen andere opvanglocaties meer zou
kunnen openen of daarvoor geen vergunning zou kunnen bekomen. De draagwijdte
van de bestreden beslissing is beperkt tot het invullen van tijdelijke
vervangcapaciteit voor één specifieke organisator. Zij had tot gevolg dat het tussen
12 en 19 januari 2023 onmogelijk was voor de verzoekende partij om in tijdelijke
vervanging te voorzien. Tot slot wijst de verwerende partij erop dat zij “tot op
heden” geen enkele bestuurlijke maatregel heeft getroffen ten aanzien van
opvanglocaties van de verzoekende partij. In de mate dat de verzoekende partij een
beschadiging van haar reputatie en imago aanvoert, meent de verwerende partij dat
er geen rechtstreeks verband is tussen de beweerde reputatieschade en een
XII-9 654-10/35 eventuele nietigverklaring, daar er ten aanzien van verschillende opvanglocaties
van de
verzoekende partij tekortkomingen werden vastgesteld, waarvoor tot
aanmaningen werd overgegaan, die door een nietigverklaring van de bestreden
beslissing niet uit de rechtsorde verdwijnen. Voorts haalt de verzoekende partij,
volgens de verwerende partij, geen concrete elementen aan die bewijzen dat de
bestreden beslissing een impact heeft op de reputatie van de verzoekende partij in
de relatie tot lokale besturen en ouders. Aan de bestreden beslissing werd geen
ruchtbaarheid gegeven. Ze werd enkel meegedeeld aan en
volgens de verwerende partij is er geen reactie van de gemeente bekend waaruit
toekomstige nadelige gevolgen voor de verzoekende partij zouden blijken. De
vernietiging brengt dan ook geen voordeel met zich ten aanzien van het lokaal
bestuur. De verwerende partij wijst er ook op dat de verzoekende partij intussen
nog een vergunning voor een nieuwe opvanglocatie heeft bekomen. De verwerende
partij besluit dat er zich een probleem stelt wat de actualiteit van het belang betreft,
dan wel het rechtstreeks verband tussen de bestreden beslissing en de finaliteit van
het annulatieberoep.
5. In het verzoekschrift verwijst de verzoekende partij ter staving
van haar belang vooreerst naar de onmogelijkheid om nog een nieuwe
opvanglocatie te openen en daarvoor vergund te worden, in het bijzonder in
. Tevens wijst de verzoekende partij erop dat de bestreden beslissing haar
in een negatief en ongunstig daglicht stelt.
In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende
partij op de exceptie en wijst zij erop dat de verwerende partij maatregelen heeft
genomen die mogelijk tot gevolg hebben dat zij in de toekomst geen tijdelijke
opvangcapaciteit meer moet uitschrijven, zonder dat zij daarvan op de hoogte is
gebracht. Het is volgens de verzoekende partij dan ook duidelijk dat zij schade
heeft geleden door de bestreden beslissing en bijgevolg een belang heeft hij het
beroep tot nietigverklaring. De omstandigheid dat een nietigverklaring niet leidt tot
een toekenning, is volgens de verzoekende partij een “non argument” daar een
annulatieberoep dan steeds onmogelijk zou zijn. De beperking van de
opvangcapaciteit in de tijd is, volgens de verzoekende partij, evenmin een
argument, daar de duur van de opvang meestal wordt verlengd en ook bij een
XII-9 654-11/35 toekomstige behoefte aan tijdelijke opvangcapaciteit de bestreden beslissing de
verzoe
kende partij in een slecht daglicht stelt bij . Dat er in
de toekomst opnieuw opvangcapaciteit zal vrijkomen in , blijkt volgens
de verzoekende partij uit de memorie van antwoord. Voorts herhaalt de
verzoekende partij dat er sprake is van reputatie- en imagoschade. De verzoekende
partij heeft de ouders van de opgevangen kinderen in kennis moeten stellen van de
aanmaning van 10 februari 2023 en die aanmaning herneemt gedeeltelijk de
motieven die ten grondslag liggen aan de bestreden beslissing. Het is dan ook
onjuist dat aan die motieven geen ruchtbaarheid is gegeven, zodat de verzoekende
partij over een belang beschikt bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing.
In de laatste memorie voegt de verzoekende partij niets
substantieel bij ter staving van haar belang.
Beoordeling
6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op
de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van
deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden
gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een
belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede
rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr.
.
Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang
indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden
administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en
wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring
van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe
miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr.
.
Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het
beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.)
XII-9 654-12/35 22 maart 2019, nr. ), zonde r dat de
verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer
zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr.
).
Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende
partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep.
De Raad van State dient erover te waken dat het belangvereiste niet op een
buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast
(GwH 30 september 2010, nr. ,
; GwH 9 juli 2020, nr.
EHRM 17 juli 2018, ,
.).
Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang
bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel
getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid
hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven.
Doet
een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de
contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die
door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening
houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr.
7. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van de exceptie op
grond van de volgende overwegingen:
“In casu stelt de verwerende partij het rechtens vereiste actueel belang van
verzo
ekster bij voorliggend beroep tot nietigverklaring in vraag doordat volgens
haar de vraag rijst of inmiddels wel nog sprake is van enige nood aan tijdelijke
vervangcapaciteit.
Hier moet worden opgemerkt dat niet blijkt dat de wetgever administratieve
beslissingen die op korte termijn hun volledig effect (kunnen) sorteren, uit het
annulatiecontentieux heeft uitgesloten of heeft willen uitsluiten. In zulke gevallen
moet het belang bedachtzaam en met de nodige soepelheid worden beoordeeld om
te vermijden dat aan de verzoekende partij de toegang tot de rechter op een
XII-9 654-13/35 buitensporig restrictieve wijze wordt ontzegd. Een verzoekende partij verliest haar
belan
g niet doordat de bestreden beslissing waarvan zij de uitvoering heeft moeten
ondergaan op het moment van de uitspraak ten gronde eventueel uitgewerkt zou
kunnen zijn.
Welnu, de aanvraag door (op 9 januari 2023) om voor
verzoekster vanwege de verwerende partij toestemming te bekomen voor de
realisatie van tijdelijke vervangcapaciteit, kadert in de opheffing van de vergunning
van de opvanglocaties ’ en ‘ ’ van de organisator
, die op 20 december 2022 kennis nam van deze
opheffing.
De weigering van die toestemming voor de realisatie van tijdelijke
vervangcapaciteit door de verwerende partij – de hier bestreden beslissing – dateert
van 12 januari 2023.
Hieruit volgt al dat verzoekster het nadeel van de bestreden beslissing op zijn minst
al effectief heeft ondergaan in het tijdsbestek van 12 januari 2023 (d.i. dus de datum
waarop de bestreden beslissing werd genomen) tot 18 januari 2023 (d.i. de datum
van het bezwaar van van de voornoemde opheffing
van haar vergunning voor de twee genoemde opvanglocaties). De bestreden
beslissing heeft minstens in dat tijdsbestek al effectief uitwerking gehad ten aanzien
van verzoekster. Een eventuele vernietiging van deze beslissing kan haar ook nog
steeds enig voordeel opleveren door het met terugwerkende kracht uit het
rechtsverkeer wegnemen ervan, vermits deze beslissing niet uit het rechtsverkeer
verdwenen is en tot op heden dus nog steeds is blijven bestaan.
Daarbij komt dat m.b.t. de door de verwerende partij geuite twijfel omtrent het nog
bestaan van enige nood aan tijdelijke vervangcapaciteit, moet worden opgemerkt
dat geenszins blijkt dat die nood aan tijdelijke vervangcapaciteit volledig uitgesloten
is.
Immers, dat bezwaar bij de Adviescommissie heeft
ingediend tegen de haar ter kennis gebrachte opheffing van de vergunning voor de
twee opvanglocaties ‘ ’ en ‘ , betekent nog niet dat
daarmee deze twee opvanglocaties helemaal niet meer zullen (kunnen) worden
stopgezet en dat er aldus sowieso geen nood meer zal zijn aan tijdelijke
vervangcapaciteit in de zin van artikel 1, 7°, van het besluit van de Vlaamse regering
van 7 oktober 2022 ‘over de toestemming tot toekenning van een subsidie aan
organisatoren van kinderopvang voor de organisatie van tijdelijke vervangcapaciteit
voor baby’s en peuters’. Uit het administratief dossier blijkt inderdaad dat, na
ongunstig advies van de Adviescommissie, de twee betreffende opvanglocaties door
de uiteindelijke opheffingsbeslissingen van 7 april 2023 uiterlijk op 5 juni 2023
dienden te sluiten. Weliswaar werd bij beschikking van 2 juni 2023 van de
Rechtbank van eerste aanleg te Brugge aan de verwerende partij verbod opgelegd
om over te gaan tot deze sluiting, zij het dat dit verbod slechts werd opgelegd tot en
met 31 augustus 2023. De sluiting kreeg dus uitwerking vanaf 1 september 2023.
De nood aan tijdelijke vervangcapaciteit is dus niet verdwenen. Dat deze nood nooit
volledig uitgesloten is geweest, blijkt trouwens uit de bewoordingen die de
verwerende partij zelf hanteert in haar uiteenzetting van haar exceptie, nl. ‘Zal er
alsnog nood aan tijdelijke vervangcapaciteit zijn?’, ‘zodat vervangcapaciteit
mogelijkerwijze nooit meer aan de orde zal zijn’, ‘zal enige vorm van tijdelijke
vervangcapaciteit door naar waarschijnlijkheid ook niet meer nodig zijn’. Aan
de hand van deze bewoordingen blijkt immers dat de verwerende partij zelf de nood
aan tijdelijke vervangcapaciteit niet volledig en met zekerheid uitsluit.
Welnu, het gegeven dat mogelijks tijdelijke vervangcapaciteit nodig is/blijft naar
aanleiding van de opheffing van de vergunning voor twee opvanglocaties ‘
’ en ‘ ’, volstaat om het belang van verzoekster bij
voorliggend beroep tot nietigverklaring te aanvaarden. Een eventuele
nietigverklaring van de bestreden beslissing kan haar in dat opzicht nog enig
XII-9 654-14/35 voordeel opleveren in die zin dat zij omwille van mogelijks nog steeds bestaande
nood aan
tijdelijke vervangcapaciteit daarvoor in aanmerking kon komen om die
tijdelijke vervangcapaciteit te realiseren. De twee opvanglocaties waarvoor in
vervangcapaciteit diende te worden voorzien, dienden immers uiterlijk met
uitwerking vanaf 1 september 2023 te worden stopgezet, zodat uiterlijk dan
mogelijks nog steeds/opnieuw nood aan tijdelijke vervangcapaciteit is blijven
bestaan/bestond.
Dat de vervangcapaciteit beperkt is in tijd vanaf het effectief stopzetten van de
plaatsen omwille van opheffing van de vergunning overeenkomstig artikel 3 BVR
van 7 oktober 2022, doet aan het voorgaande geen enkele afbreuk. Het voordeel om
de tijdelijke vervangcapaciteit voor de twee voornoemde opvanglocaties te mogen
organiseren is aan verzoekster met de bestreden beslissing immers sowieso ontzegd
geworden. Zij heeft die weigering vanwege de verwerende partij sowieso moeten
ondergaan.
Uit al het voorgaande volgt dat verzoekster haar belang niet verliest. Zij heeft nog
steeds een actueel belang. Dit volstaat om het belang van verzoekster bij
voorliggend beroep tot nietigverklaring te aanvaarden.
De door de verwerende partij opgeworpen exceptie van gebrek aan belang is
derhalve ongegrond.”
8. De
verwerende partij heeft, na kennisneming van het
auditoraatsverslag, niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog
een andere visie op de beoordeling door het auditoraat te geven. Zij verzuimt
immers om nog op de bespreking in het auditoraatsverslag van de exceptie, zoals
zij die in de memorie van antwoord heeft uiteengezet, inhoudelijk te reageren.
In die omstandigheden en na eigen onderzoek ziet de Raad van
State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering
van het auditoraat bijvallend, dat de exceptie ongegrond is.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
9. In het verzoekschrift voert de verzoekende partij in het eerste
middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991
‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet
van 29 juli 1991), van “het beginsel van behoorlijk bestuur van motivering” en van
XII-9 654-15/35 artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2022 ‘over de
toest
emming tot toekenning van een subsidie aan organisatoren van kinderopvang
voor de organisatie van tijdelijke vervangcapaciteit voor baby’s en peuters’
(hierna: besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2022). De verzoekende
partij zet uiteen dat de bestreden beslissing uitgaat van tegenindicaties die volgens
die beslissing blijken uit het administratief onderzoek, maar dat de verwerende
partij zich beperkt tot algemene en generieke bewoordingen en verwijten, waarvan
de juistheid en de gegrondheid niet kan worden nagegaan. De verwerende partij
had daarentegen bij de invulling van het begrip ‘tegenindicaties’ de concrete en
precieze motieven in de bestreden beslissing zelf of in de gehanteerde bijlage
moeten vermelden. Voorts wijst de verzoekende partij erop dat alle klachten, na
toelichting van de organisator, werden afgesloten, zodat de motivering niet
consistent is. De verzoekende partij merkt tot slot op dat eventuele moeilijkheden
rond (thans ) zijn ingegeven door het faillissement van de
vorige organisator. De verzoekende partij besluit dat de motivering van de
bestreden beslissing in strijd is met artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse
regering van 7 oktober 2022, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en
“het beginsel van behoorlijke motivering”.
10. In de memorie van wederantwoord voert de verzoekende partij
aan dat de verwerende partij tracht om de bestreden beslissing te onderbouwen met
nieuwe motieven, waarmee geen rekening kan worden gehouden, daar de motieven
concreet en precies moeten worden opgenomen in de bestreden beslissing. De
verzoekende partij zet voorts uiteen dat zij een belang heeft bij het middel, daar de
motivering steeds een voorgaande zal blijven die een invloed kan hebben op latere
vergunningsaanvragen, alsook, ten aanzien van , op de
mogelijkheid om opnieuw mee te dingen naar tijdelijke opvangcapaciteit. In
zoverre de verwerende partij ten onrechte verwijst naar de beslissing tot
aanmaning-handhaving van 10 februari 2023, gaat het volgens de verzoekende
partij om een motivering die gedeeltelijk deze van de aangevochten beslissing van
12 januari 2023 herneemt, zodat de verzoekende partij een belang heeft om de
nietigverklaring van de bestreden beslissing en haar motivering te bekomen.
Voorts herhaalt de verzoekende partij dat de motivering van de bestreden beslissing
niet concreet en precies is en dat de verwerende partij ten onrechte aanvoert dat zij
XII-9 654-16/35 de feiten niet zou betwisten. De verzoekende partij wijst erop dat het enig concreet
motie
f de verwijzing is naar , doch dat dit een overname betrof uit het
faillissement van , die nadien als werknemer werd tewerkgesteld door de
verzoekende partij, maar vervolgens zelf ontslag heeft genomen, wat tekenend is
voor de grote mobiliteit onder personeel in de sector van de kinderopvang. In de
mate dat slechts op het ogenblik van de bestreden beslissing, en vooral nadien,
duidelijk is geworden dat de aanwezigheid van . een doorn in het oog was van
de verwerende partij, wijst de verzoekende partij erop dat , zodra hem dit
bekend was, zijn ontslag heeft gegeven. De verzoekende partij acht het “laag” dat
de verwerende partij dit als een argument gebruikt.
11. In de laatste memorie voert de verzoekende partij vooreerst aan
dat, opdat de materiële motivering van de bestreden beslissing juist zou zijn, de
feiten moeten zijn bewezen. Een dergelijk bewijs blijkt niet uit de door de
verwerende partij gemaakte opsomming. Het bewijs kan volgens de verzoekende
partij overigens niet blijken uit de loutere registratie van de klachten; die klachten
moeten ook juist worden bevonden. Voorts voert de verzoekende partij aan dat de
motivering in rechte aanvaardbaar moet zijn, wat te dezen betekent in
overeenstemming met artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van
7 oktober 2022 en ook met artikel 54 van het besluit van de Vlaamse regering van
9 mei 2014 ‘houdende de procedures voor de aanvraag en de toekenning van de
vergunning en de subsidies voor gezinsopvang en groepsopvang van baby’s en
peuters’. De materiële motivering – de tegenindicaties – kan de bestreden
beslissing niet verantwoorden, daar voorheen dezelfde feiten geen tegenindicatie
vormden om op 31 augustus 2022 en ook nadien, op 14 maart 2023, aan de
verzoekende partij vergunningen voor nieuwe locaties toe te kennen.
Beoordeling
12. Artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober
2022 luidt:
“Het agentschap geeft toestemming aan de organisator of aan de organistoren voor
het r
ealiseren van tijdelijke vervangcapaciteit, als er is voldaan aan al de volgende
voorwaarden:
XII-9 654-17/35 1° het lokaal bestuur, desgevallend het lokaal loket kinderopvang, dient een
ontvanke
lijke aanvraag in bij het agentschap voor de toestemming tot
samenwerking;
2° elke organisator waarmee het lokaal bestuur de samenwerking wenst aan te gaan
beschikt over een vergunning;
3° er loopt geen, voor deze toestemming relevant, handhavingstraject bij het
agentschap tegen een organisator waarmee het lokaal bestuur de samenwerking
wenst aan te gaan;
4° er zijn bij het agentschap geen tegenindicaties gekend wat betreft de organisator,
waarmee het lokaal bestuur de samenwerking wenst aan te gaan, die de toestemming
tot samenwerking en de subsidiëring van de organisator in de weg staan.”
13. De a
rtikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten het
bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de
beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter
van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen
dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig
moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de
beslissing te dragen.
De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals
die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de
betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen
aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis
van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een
annulatieberoep te bestrijden.
Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de
formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel
van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de
motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
14. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere
bestuurshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar
behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in
aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de
materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel
XII-9 654-18/35 omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel
bevoegd om
desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste
feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan
binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag
enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van
wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur
aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag
stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust.
Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden
wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet
juist zijn.
15. De verzoekende partij voert in het eerste middel in wezen aan
dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd door uit te gaan van
“tegenindicaties” in de zin van artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse
regering van 7 oktober 2022, maar na te laten de concrete en precieze motieven te
vermelden waarom er van “tegenindicaties” sprake is.
16. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor
weergegeven. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 3.10). Ze vermeldt zowel de
juridische gronden, als de feitelijke overwegingen waarop ze steunt.
Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat
deze verwijst naar diverse klachten(patronen), signalen en vaststellingen naar
aanleiding van inspectiebezoeken. Hoewel het voor een buitenstaander mogelijk
niet altijd voldoende duidelijk is waarop de formele motivering slaat, zo
bijvoorbeeld wanneer wordt verwezen naar “talrijke” klachten van 2019 tot heden,
een klachtenpatroon van communicatie met de ouders, het gegeven dat de ouders
geen begrip krijgen voor hun ongenoegen of de schrijnende behandeling van de
kinderbegeleiders, wijst de Raad van State erop dat de beoordeling of de formele
motivering afdoende is, in de eerste plaats moet gebeuren vanuit het standpunt van
de bestemmeling van de beslissing. Bekeken vanuit het standpunt van de
XII-9 654-19/35 verzoekende partij, kan zij niet staande houden dat de formele motieven van de
bestr
eden beslissing te algemeen of te generiek zouden zijn, zodat zij de juistheid
en de gegrondheid ervan niet kon verifiëren. Dit geldt te meer de formele motieven
steun vinden in het administratief dossier en aldus in gegevens die de verzoekende
partij bekend zijn.
17. Voorts stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partij de
kritiek, vervat in het eerste middel, beperkt tot drie van de zes (groepen van)
motieven in de bestreden beslissing.
Hiervoor werd erop gewezen dat bij het onderzoek naar het
afdoende karakter van de formele motivering rekening moet worden gehouden met
het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van
de motivering op zich (zie supra, nr. 13). De verzoekende partij toont in het eerste
middel overigens niet aan dat de formele motieven waarvan niet wordt aangevoerd
dat ze te algemeen of generiek zouden zijn, niet zouden volstaan om de bestreden
beslissing te dragen, en bijgevolg, dat deze niet-bekritiseerde motieven niet
afdoende zouden zijn.
18. De verzoekende partij voert ook aan dat alle klachten na
toelichting door de organisator werden afgesloten. Dit argument volstaat evenwel
niet om de aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht aan te tonen.
Het lijkt eerder te bevestigen dat er wel degelijk sprake was van talrijke klachten,
een motief dat overigens steun vindt in het administratief dossier.
In de mate dat de verzoekende partij met dit argument wil
aantonen dat er ten onrechte werd uitgegaan van “tegenindicaties” in de zin van
artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2022, merkt
de Raad van State het volgende op. Uit de bepalingen van voornoemd artikel 8
(zie supra, nr. 12) blijkt dat, om tijdelijke vervangcapaciteit te mogen organiseren,
moet worden voldaan aan een reeks voorwaarden, zoals het beschikken over een
vergunning (artikel 8, 2°) en het gegeven dat er geen relevant handhavingstraject
mag lopen (artikel 8, 3°). Naast deze voorwaarden, mogen er wat de organisator
betreft “geen tegenindicaties gekend” zijn “die de toestemming tot samenwerking
XII-9 654-20/35 en de subsidiëring van de organisator in de weg staan” (artikel 8, 4°). Dit betreft
een a
fzonderlijke voorwaarde, die derhalve niet te vereenzelvigen is met het
beschikken over een vergunning en de afwezigheid van een handhavingstraject.
Deze voorwaarde spoort met de aard en het doel van de tijdelijke vervangcapaciteit,
met name het voorzien in de opvangnoden van gezinnen in situaties waar er
omwille van schorsing of opheffing van een vergunning van kinderopvang een
acute capaciteitsvermindering is, zoals blijkt uit de artikelen 1, 7°, en 4, van het
besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2022, in de versies zoals die golden
ten tijde van de bestreden beslissing. Daar in het geval van een dergelijke acute
opvangnood snel in een tijdelijke vervangcapaciteit moet worden voorzien, bepaalt
artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2022 dat de
organisator waarop een beroep wordt gedaan, niet enkel over een vergunning moet
beschikken en dat er tegen hem geen handhavingstraject mag lopen, maar ook dat
er geen “tegenindicaties” mogen zijn. Het gegeven, zoals de verzoekende partij
aanvoert, dat de klachten – waarvan het bestaan niet wordt ontkend – na toelichting
werden afgesloten, belet dus niet dat het bestaan van die, overigens “talrijke”,
klachten door de verwerende partij wordt beschouwd als een “tegenindicatie”.
19. Dezelfde vaststelling geldt wat “eventuele moeilijkheden rond
(thans )” betreft. Nog daargelaten dat, zoals het
auditoraatsverslag terecht onderstreept, uit het administratief dossier blijkt dat die
signalen omtrent mogelijk personeelsverloop en de zoektocht van ouders naar
andere opvangplaatsen wel degelijk ook te situeren zijn na de overname van deze
opvanglocatie door de verzoekende partij, volstaat het argument, dat die “eventuele
moeilijkheden” ingegeven waren door het faillissement van de vorige organisator,
niet opdat de verwerende partij dit niet als een “tegenindicatie” in aanmerking kon
nemen.
20. De verzoekende partij toont aldus niet aan dat de in het eerste
middel geviseerde formele motieven van de bestreden beslissing, die steun vinden
in het administratief dossier, niet als een “tegenindicatie” in de zin van artikel 8, 4°,
van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2022 kunnen worden
beschouwd.
XII-9 654-21/35 21. In de mate dat de verzoekende partij in de memorie van
wederantwoord aanvoert dat zij wel degelijk een belang heeft bij het eerste middel,
merkt de Raad van State op dat het belang bij het middel moet worden
onderscheiden van de gegrondheid ervan. Dit argument doet derhalve niet anders
oordelen.
22. Ook de argumenten van de verzoekende partij in de memorie van
wederantwoord dat de verwerende partij ten onrechte aanvoert dat de verzoekende
partij de feiten niet zou betwisten; dat het enig concreet motief de verwijzing is
naar , doch dat dit een overname betrof uit het faillissement van die
nadien als werknemer werd tewerkgesteld door de verzoekende partij, maar
vervolgens zelf ontslag heeft genomen; dat er een grote mobiliteit onder personeel
in de sector van de kinderopvang bestaat, alsook dat in de mate dat de aanwezigheid
van een doorn in het oog was van de verwerende partij, hij zodra hem dit
bekend was, zijn ontslag heeft gegeven, doen niet anders oordelen. Geen van deze
argumenten brengt immers het geheel van de formele motivering van de bestreden
beslissing in het gedrang. Evenmin blijkt eruit dat de formele motieven van de
bestreden beslissing niet als een “tegenindicatie” in de zin van artikel 8, 4°, van het
besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2022 kunnen worden beschouwd.
23. In de laatste memorie voert de verzoekende partij aan dat, opdat
“de materiële motivering” juist zou zijn, de feiten ook bewezen moeten zijn en dit
niet blijkt uit het administratief dossier, alsook dat “de materiële motivering” – de
tegenindicaties – de bestreden beslissing niet kan verantwoorden, daar voorheen
dezelfde feiten geen tegenindicatie vormden om op 31 augustus 2022 en ook
nadien, op 14 maart 2023, aan de verzoekende partij vergunningen voor nieuwe
locaties toe te kennen.
De verzoekende partij voert hiermee in de laatste memorie
nieuwe argumenten en kritieken aan, waarvan niet blijkt dat zij deze niet reeds
hetzij in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen, wat de vergunning van
31 augustus 2022 betreft, hetzij in de memorie van wederantwoord, wat de
vergunning van 14 maart 2023 betreft. Aldus geeft de verzoekende partij op
XII-9 654-22/35 laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan haar middel. Deze
argume
nten en kritieken kunnen derhalve niet tot de nietigverklaring leiden.
24. Uit wat voorafgaat, volgt dat artikel 8, 4°, van het besluit van de
Vlaamse regering van 7 oktober 2022 noch de artikelen 2 en 3 van de wet van
29 juli 1991 noch de materiëlemotiveringsplicht zijn geschonden.
25. Het eerste middel is ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
26. In het verzoekschrift voert de verzoekende partij in het tweede
middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids- en het
evenredigheidsbeginsel, alsook van artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse
regering van 7 oktober 2022. In een eerste middelonderdeel uit de verzoekende
partij kritiek op het (derde) formele motief betreffende het inspectiebezoek in de
locatie (zie supra, nr. 3.10). Zij zet uiteen dat het beweerd niet
vergund zijn van die locatie geen betrekking heeft op de verzoekende partij, maar
wel op de , alsook dat het een administratieve vergissing
betreft, daar de locatie zich op een schoolterrein bevindt met verschillende
ingangen en de ouders een andere ingang gebruiken dan vermeld in de vergunning.
Het bekritiseerde motief is volgens de verzoekende partij derhalve in strijd met de
geschonden geachte rechtsregel en beginselen van behoorlijk bestuur. In een
tweede middelonderdeel richt de verzoekende partij haar kritiek op het (vijfde)
formele motief betreffende de aanmaning ontvangen op 28 juli 2022 naar
aanleiding van het inspectiebezoek van 16 juni 2022 (zie supra, nr. 3.10). Zij voert
aan dat op het ogenblik van het inspectiebezoek de betreffende locatie nog onder
een andere organisator viel, daar zij pas sinds 1 juli 2022 de organisator was van
die locatie. De verzoekende partij acht het onredelijk en onevenredig dat de
verwijten aan haar worden gericht. Derhalve is de bestreden beslissing op dit punt
onzorgvuldig en in strijd met artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering
van 7 oktober 2022.
XII-9 654-23/35 27. In de memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij,
wat het eerste middelonderdeel betreft, erop dat de verwerende partij evident weet
aan welke rechtspersoon ze een vergunning toekent, ook al staat er een vergissing
in de Kruispuntbank van Belgische Ondernemingen (hierna: KBO), zodat het
verweer van de verwerende partij niet relevant is. Voorts zet de verzoekende partij
uiteen dat zij een belang heeft bij het middelonderdeel. Zij wijst er ook op dat de
administratieve vergissing waarvan de inspectie melding maakte, geen uitstaans
heeft met de geschiktheid van de organisator. Wat het tweede middelonderdeel
betreft, voert de verzoekende partij aan dat zij ook bij dit middelonderdeel een
belang heeft. Voorts zet de verzoekende partij uiteen dat het juist is dat de
aanvankelijke stopzetting door de was voorzien op 31 maart 2022
doch dat deze datum niet werd gehaald. De verzoekende partij heeft vervolgens op
zelfstandige basis bijstand verleend aan in de vorm van een
aannemingsovereenkomst. Dat de verzoekende partij hiermee niet verkeerd
handelde, blijkt volgens haar uit het gegeven dat zij met ingang van 1 juli 2022,
zonder enige opmerking, de vergunning voor deze locatie heeft ontvangen.
28. In de laatste memorie voert de verzoekende partij aan dat een in
redelijkheid en zorgvuldig oordelend bestuur op 12 januari 2023 niet kan beslissen
om geen toestemming en subsidie toe te kennen op basis van feiten, die
tegenindicaties zouden vormen, terwijl die feiten op 31 augustus 2022 en 14 maart
2023 geen tegenindicaties waren voor de op dat ogenblik verleende vergunningen
en subsidies. Wat de beide middelonderdelen betreft, meent de verzoekende partij
dat er geen sprake kan zijn van een “tegenindicatie” in de zin van artikel 8, 4°, van
het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2022 in hoofde van de
“organisator”, daar in beide gevallen tekortkomingen worden aangerekend aan de
verzoekende partij, terwijl de twee opvanglocaties in kwestie op het ogenblik van
de inspectiebezoeken door een andere organisator werden uitgebaat.
Beoordeling
29. De draagwijdte van artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse
regering van 7 oktober 2022 werd hiervoor uiteengezet. Er wordt naar verwezen
(zie supra, nr. 12).
XII-9 654-24/35 30. Krac htens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich
gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde
omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur
zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de
beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de
vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht
om zorgvuldig tewerk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke
en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met
kennis van zaken kan beslissen.
Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens
aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het
vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames,
veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om
aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot
stand is gekomen.
31. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het
evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen
beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de
beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar
toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt.
Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het
evenredigheidsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan
is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate
afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige
wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het
niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde
omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De
Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om,
desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct
beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is
kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in
de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur.
XII-9 654-25/35 De R aad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of
de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten, zoals ze blijken uit
de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft
aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten
die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids-
of evenredigheidsbeginsel miskent.
Eerste middelonderdeel
32. De verzoekende partij voert in wezen aan dat de verwerende
partij ten onrechte de vaststellingen naar aanleiding van het inspectiebezoek op
16 mei 2022 als een tegenindicatie beschouwt, daar zij op dat ogenblik niet de
organisator was van die opvanglocatie.
Nog daargelaten dat uit het administratief dossier blijkt dat de
, die volgens de verzoekende partij de organisator was,
weliswaar een van de verzoekende partij onderscheiden rechtspersoon is doch
dezelfde natuurlijke personen als bestuurder heeft, blijkt uit het administratief
dossier voorts ook dat de opvanglocatie wel degelijk wordt vermeld
op de lijst van vestigingseenheden van de verzoekende partij in de KBO en dit
sinds 1 maart 2021. Dat het volgens de verzoekende partij om een “administratieve
vergissing” gaat, belet niet dat de verwerende partij hierop mocht voortgaan, daar
die “administratieve vergissing” uitsluitend aan de verzoekende partij kan worden
toegeschreven. Het gegeven dat de verwerende partij wel weet aan wie zij een
vergunning verleende, doet daaraan geen afbreuk, maar draagt daarentegen juist
bij aan de door toedoen van de verzoekende partij ontstane verwarring. Aan de
verwerende partij kan dan ook geen inbreuk op het zorgvuldigheidsbeginsel
worden verweten.
Daarbij komt dat de verzoekende partij haar kritiek richt op het
gegeven dat de opvanglocatie niet zou zijn vergund, terwijl uit
de bestreden beslissing blijkt dat de kern van de tegenindicatie is dat voor deze
opvanglocatie een andere naam en adres worden gebruikt dan de naam en het adres
vermeld op de verleende vergunning. Deze vaststellingen ontkracht de
XII-9 654-26/35 verzoekende partij niet. In de mate dat de verzoekende partij aanvoert dat deze
tegeni
ndicatie geen uitstaans heeft met de geschiktheid van een organisator, geeft
zij daarmee weliswaar blijk van een eigen appreciatie van de feiten, doch toont zij
niet aan dat de verwerende partij niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens,
die niet correct heeft beoordeeld en dat zij niet binnen de perken van de redelijkheid
tot haar besluit is gekomen.
33. In de mate dat de verzoekende partij in de memorie van
wederantwoord aanvoert dat zij wel degelijk een belang heeft bij het tweede
middel, merkt de Raad van State op dat het belang bij het middel moet worden
onderscheiden van de gegrondheid ervan. Dit argument doet derhalve niet anders
oordelen.
34. In de laatste memorie voert de verzoekende partij aan dat een in
redelijkheid en zorgvuldig oordelend bestuur op 12 januari 2023 niet kan beslissen
om geen toestemming en subsidie toe te kennen op basis van feiten, die
tegenindicaties zouden vormen, terwijl die feiten op 31 augustus 2022 en 14 maart
2023 geen tegenindicaties waren voor de op dat ogenblik verleende vergunningen
en subsidies.
De verzoekende partij voert hiermee in de laatste memorie
nieuwe argumenten en kritieken aan, waarvan niet blijkt dat zij deze niet reeds
hetzij in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen, wat de vergunning van
31 augustus 2022 betreft, hetzij in de memorie van wederantwoord, wat de
vergunning van 14 maart 2023 betreft. Aldus geeft de verzoekende partij op
laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan haar middel. Deze
argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot de nietigverklaring leiden.
35. Uit wat voorafgaat, volgt dat artikel 8, 4°, van het besluit van de
Vlaamse regering van 7 oktober 2022 noch het zorgvuldigheidsbeginsel noch het
evenredigheids- en het redelijkheidsbeginsel zijn geschonden.
36. Het eerste middelonderdeel is ongegrond.
XII-9 654-27/35 Twee de middelonderdeel
37. De verzoekende partij voert in wezen aan dat de verwerende
partij ten onrechte de aanmaning van 28 juli 2022 voor de locatie als
een tegenindicatie in aanmerking neemt, daar deze het gevolg is van vaststellingen
naar aanleiding van het inspectiebezoek op 16 juni 2022 en zij op dat ogenblik niet
de organisator was van die opvanglocatie, maar wel . De
verzoekende partij is maar organisator van deze locatie sinds 1 juli 2022.
38. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op
grond van de volgende overwegingen:
“Het klopt dat de inspectie (van 16 juni 2022) van de betreffende opvanglocatie
heeft
plaatsgevonden nog vóór verzoekster de werkelijke organisator ervan was
(vanaf 1 juli 2022). Dit neemt echter niet weg dat verzoekster reeds ten tijde van dat
inspectiebezoek ruim betrokken was bij de werking van de betreffende
opvanglocatie – op dat ogenblik nog ‘ ’ – in afwachting van het
onderzoek van haar vergunningsaanvraag naar aanleiding van de op til zijnde
overname en dat tijdens dat inspectiebezoek zelf reeds een lid van het
managementteam van verzoekster aanwezig was, wat allemaal moge blijken uit de
uiteenzetting onder randnrs. III.4.1.-III.4.2. onder ‘Toedracht van de zaak’ in dit
auditoraatsverslag met verwijzing (in voetnoot) naar de desbetreffende stukken van
het administratief dossier. Verschillende tekorten die tijdens dat inspectiebezoek
werden vastgesteld hadden trouwens betrekking op gebieden die verzoekster toen
reeds effectief (geheel of ten dele) had opgenomen, (zoals inzet kinderbegeleiders,
verantwoordelijke, risico-analyse, crisisprocedure, procedure grensoverschrijdend
gedrag).
Bovendien dateert de aanmaning naar aanleiding van dat inspectiebezoek van 28 juli
2022, en dus van een ogenblik waarop verzoekster wél reeds effectief organisator
was. Dit maakt dat haar, als huidige organisator, de vastgestelde tekorten kunnen
worden verweten. Daarbij komt dat verzoekster wel degelijk de
verantwoordelijkheid op zich heeft genomen voor de vastgestelde tekorten doordat
zij naar aanleiding van de aanmaning aan de verwerende partij zelf heeft aangegeven
de vastgestelde tekorten te zullen verhelpen.
Hieruit volgt dat deze aanmaning naar aanleiding van dit inspectiebezoek en de daar
vastgestelde tekorten ten aanzien van verzoekster wel degelijk mede als
‘tegenindicatie’ (in de zin van artikel 8, 4°, van het BVR van 7 oktober 2022) kunnen
worden beschouwd, op basis waarvan in samenlezing met de overige overwegingen
van de bestreden beslissing de verwerende partij in alle redelijkheid tot haar
weigering voor het realiseren van tijdelijke vervangcapaciteit is kunnen komen.”
39. De verzoekende partij betwist deze conclusie. Na kennisneming
van he t
auditoraatsverslag beperkt zij zich evenwel tot het louter herhalen van de
kritiek dat zij op 16 juni 2022 niet de organisator was van de locatie ,
maar wel , die derhalve de volledige verantwoordelijkheid
XII-9 654-28/35 draagt. Hiermee gaat de verzoekende partij evenwel niet in op de weerlegging van
het m
iddelonderdeel in het auditoraatsverslag, laat staan dat zij die analyse
weerlegt.
In die omstandigheden, en na eigen onderzoek, ziet de Raad van
Stat
e geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering
van het auditoraat bijvallend, dat het middelonderdeel ongegrond is.
40. In de mate dat de verzoekende partij in de memorie van
wederantwoord aanvoert dat zij wel degelijk een belang heeft bij het tweede
middel, herhaalt de Raad van State dat het belang bij het middel moet worden
onderscheiden van de gegrondheid ervan. Dit argument doet derhalve niet anders
oordelen.
41. Uit wat voorafgaat, volgt dat artikel 8, 4°, van het besluit van de
Vlaamse regering van 7 oktober 2022 noch het zorgvuldigheidsbeginsel noch het
evenredigheids- en het redelijkheidsbeginsel zijn geschonden.
42. Het tweede middelonderdeel is ongegrond.
Conclusie
43. Het tweede middel is ongegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
44. In het verzoekschrift voert de verzoekende partij in het derde
middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheids- en het
evenredigheidsbeginsel, alsook van artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse
regering van 7 oktober 2022. De verzoekende partij uit kritiek op het (vierde)
formele motief betreffende het inspectiebezoek in de locatie en de
daaruit voortvloeiende herhaalde vraag sinds september 2022 om stavingstukken
XII-9 654-29/35 te bezorgen (zie supra, nr. 3.10). Zij zet uiteen dat de verwerende partij wel
degelijk een antwoord op haar vragen heeft ontvangen, maar daarna in het
onredelijke talloze documenten en facturen is blijven opvragen, die niet meer in
verband stonden met de vaststellingen. Een dergelijke houding is volgens de
verzoekende partij onredelijk, te meer het de overname van een locatie van de
betrof, wat pas op 1 juli 2022 gebeurde. Voorts acht de
verzoekende partij het gelijkheidsbeginsel geschonden daar gelijkaardige
bijkomende kosten bij andere organisatoren wel worden toegelaten.
45. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij
hieraan toe dat de inspectie gebeurde dertien dagen na de overname van de locatie
van , zodat er op dat ogenblik nog geen klacht over de
verzoekende partij kan zijn geweest, daar de eerste facturen pas eind juli 2022
werden opgesteld. Voorts zet de verzoekende partij uiteen dat zij een belang heeft
bij het middel.
46. In de laatste memorie voegt de verzoekende partij aan de
uiteenzetting van het derde middel toe dat eventuele tekortkomingen in verband
met bijkomende kosten enkel kunnen worden toegerekend aan de betrokken
organisator, zijnde , zodat het niet kan gaan om een
tegenindicatie in hoofde van de verzoekende partij.
Beoordeling
47. De draagwijdte van artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse
regering van 7 oktober 2022 en van het redelijkheids- en het
evenredigheidsbeginsel werd hiervoor uiteengezet. Er wordt naar verwezen (zie
supra, nrs. 12 en 31).
De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-
discriminatie, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vereisen dat
allen die zich in eenzelfde toestand bevinden op gelijke wijze worden behandeld.
Het gelijkheidsbeginsel belet dat er een willekeurig onderscheid wordt gemaakt
tussen burgers, ondernemingen of entiteiten. De grondwettelijke regels van de
XII-9 654-30/35 gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling
tusse
n bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil
op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels
verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien
van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op
identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke
verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet
worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de
genomen maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Het
gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband
van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
48. De verzoekende partij voert in wezen aan dat het onredelijk is
van de verwerende partij om talloze documenten en facturen te blijven opvragen
naar aanleiding van de tijdens de inspectie van 13 juli 2022 gedane vaststelling dat
de aangerekende bijkomende kosten niet overeenkomen met de werkelijk
gemaakte kosten en dat in de berekening kosten zijn opgenomen die niet voorzien
zijn in de regelgeving.
Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij, na
de gedane vaststellingen door de verwerende partij, tot driemaal toe om een plan
van aanpak werd gevraagd. Dit werd pas op 9 november 2022 bezorgd door de
verzoekende partij, waarbij zij aangaf dat de facturen van de gemaakte kosten
zouden worden nagestuurd (zie supra, nr. 3.7). Uit het administratief dossier blijkt
niet dat die facturen uiteindelijk door de verzoekende partij werden bezorgd. De
verwerende partij ontkent dit in de memorie van antwoord en wordt op dit punt niet
tegengesproken door de verzoekende partij. De verzoekende partij toont aldus niet
aan waarom het in aanmerking nemen van deze nalatigheid, als een tegenindicatie,
onredelijk is of in strijd is met artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering
van 7 oktober 2022.
Waarom het onredelijk zou zijn van de verwerende partij om bij
de verzoekende partij te blijven aandringen op het bezorgen van de gevraagde
stukken, toont de verzoekende partij evenmin aan. In tegenstelling tot wat zij
XII-9 654-31/35 aanvoert, stonden de opgevraagde stukken wel degelijk in verband met de gedane
vasts
tellingen betreffende de aangerekende bijkomende kosten.
49. In de mate dat de verzoekende partij de houding van de
verwerende partij onredelijk acht, omdat zij de locatie pas sinds 1 juli
2022 van een andere organisator had overgenomen, blijkt uit het administratief
dossier dat de in dit middel geviseerde inspectie niet louter op die specifieke locatie
betrekking had, maar ook op andere locaties van de verzoekende partij.
50. In de mate dat de verzoekende partij het gelijkheidsbeginsel
geschonden acht, omdat het aanrekenen van gelijkaardige bijkomende kosten door
andere organisatoren wel zou worden getolereerd, merkt de Raad van State
vooreerst op dat de verzoekende partij zich beperkt tot een vage, niet-gestaafde
bewering, die elke toetsing aan het gelijkheidsbeginsel onmogelijk maakt. Met een
dergelijk niet-gestaafde bewering toont de verzoekende partij evenmin een
schending van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel aan, nog
daargelaten dat het in dit middel geviseerde motief niet slaat op het al dan niet
mogen aanrekenen van bepaalde bijkomende kosten, maar wel op het gegeven dat
de verzoekende partij meermaals in gebreke bleef om gevolg te geven aan de
herhaalde vragen om welbepaalde opgevraagde documenten te bezorgen.
51. In de mate dat de verzoekende partij in de memorie van
wederantwoord aanvoert dat zij wel degelijk een belang heeft bij het derde middel,
herhaalt de Raad van State dat het belang bij het middel moet worden
onderscheiden van de gegrondheid ervan. Dit argument doet derhalve niet anders
oordelen.
52. Uit wat voorafgaat, volgt dat artikel 8, 4°, van het besluit van de
Vlaamse regering van 7 oktober 2022 noch het gelijkheidsbeginsel noch het
evenredigheids- en het redelijkheidsbeginsel zijn geschonden.
53. Het derde middel is ongegrond.
XII-9 654-32/35 D. Vierde middel
Uit
eenzetting van het middel
54. In het verzoekschrift voert de verzoekende partij in het vierde
middel de schending aan van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel,
alsook van artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober
2022. De verzoekende partij zet uiteen dat de bestreden beslissing steunt op talrijke
klachten vanaf 2019. Sinds 2019 bekwam zij evenwel nog verschillende
vergunningen, zo ook nog op 30 augustus 2022. Doordat de verwerende partij in
de bestreden beslissing over dezelfde periode gewag maakt van tegenindicaties,
acht de verzoekende partij het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel,
alsook artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 2022
geschonden.
55. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij
daaraan toe dat “de toestand” door de verwerende partij volstrekt gekend was, zo
ook op 31 augustus 2023 toen zij aan de verzoekende partij nog een vergunning
verleende. De verzoekende partij voert voorts aan dat, aangenomen dat de
verwerende partij voor tijdelijke opvangcapaciteit “wat strenger” mag zijn, de
verwerende partij niet aangeeft waarin deze ultieme gestrengheid zich zou
concretiseren. Om de “talrijke klachten vanaf 2019” kan het volgens de
verzoekende partij niet gaan, omdat die formulering “de eerder aangehaalde
middelen” schendt en niet geweten is om welke “tegenindicaties” het zou kunnen
gaan. Voorts zet de verzoekende partij uiteen dat zij een belang heeft bij dit middel.
56. In de laatste memorie voert de verzoekende partij aan dat
“[v]rijblijvend wordt beweerd” dat beslissingen over tijdelijke opvangcapaciteit
niet te vergelijken zijn met beslissingen over andere vergunningen, hoewel het
telkens gaat om kinderen die moeten worden opgevangen overeenkomstig het
decreet van 20 april 2012. Toelaten dat dezelfde feiten de ene keer wel
tegenindicaties zijn en de ander keer niet, schendt volgens de verzoekende partij
het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.
XII-9 654-33/35 Beoorde ling
57. De draagwijdte van artikel 8, 4°, van het besluit van de Vlaamse
regering van 7 oktober 2022 werd hiervoor uiteengezet. Er wordt naar verwezen
(zie supra, nr. 12).
Het vertrouwensbeginsel – als aspect van het
rechtszekerheidsbeginsel – houdt in dat het bestuur de rechtmatige verwachtingen,
die de bestuurde uit het bestuursoptreden put, niet mag beschamen. De bestuurde
moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van het bestuur of op regelmatige
toezeggingen of beloften die het bestuur in een concreet geval heeft gedaan. Als
rechtmatige verwachtingen kunnen worden beschouwd, de verwachtingen die de
bestuurde in redelijkheid heeft kunnen puren uit het bestuursoptreden. Indien een
normaal voorzichtige en oplettende bestuurde had moeten weten dat de gewekte
verwachtingen eventueel niet zouden kunnen of mogen worden gehonoreerd, kan
de bestuurde zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen.
58. De verzoekende partij voert in wezen aan dat, daar zij over de
periode sinds 2019 nog verschillende vergunningen heeft bekomen, de verwerende
partij op basis van de “talrijke klachten vanaf 2019” die dezelfde periode betreffen,
niet kan uitgaan van “tegenindicaties” om de bestreden beslissing te onderbouwen,
zonder het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel te schenden.
59. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op
grond van de volgende overwegingen:
“Zoals ook aangegeven onder de bespreking van het eerste middel, volgt uit
arti
kel 8, 4°, van het BVR van 7 oktober 2022 dat de verwerende partij slechts
toestemming voor het realiseren van tijdelijke vervangcapaciteit verleent zo er naar
haar oordeel, wat de organisator betreft, geen tegenindicaties bestaan die die
toestemming tot samenwerking en subsidiëring in de weg staan. Het is met andere
woorden specifiek dit BVR van 7 oktober 2022 dat de organisatie van tijdelijke
vervangcapaciteit regelt. Verzoekster wist dus – of behoorde althans te weten – dat
haar op grond van het BVR van 7 oktober 2022 het realiseren van tijdelijke
vervangcapaciteit kon worden geweigerd ingeval er aan de verwerende partij
tegenindicaties gekend waren.
Welnu, uit de bespreking van voorgaande middelen is reeds voldoende gebleken dat
het bestaan van zulke tegenindicaties in alle redelijkheid kan worden aangenomen,
XII-9 654-34/35 dewelke zijn opgenomen in de in de bestreden beslissing veruitwendigde
motive
ring. Het gaat daarbij om het geheel van de in de bestreden beslissing
veruitwendigde motivering, en dus niet enkel en alleen om de talrijke klachten vanaf
2019, waarnaar verzoekster in haar uiteenzetting van dit vierde middel verwijst.
Gelet hierop, kan niet worden ingezien dat de verwerende partij naar verzoekster
toe toezeggingen of beloften heeft gedaan, in die zin dat effectief toestemming zou
worden verleend voor het realiseren van tijdelijke vervangcapaciteit.
Voor zover verzoekster daar wel van uitgegaan is doordat haar vanaf 2019 nog
vergunningen zouden zijn toegekend, gaat het alleszins niet om een rechtmatige
verwachting die verzoekster redelijkerwijze heeft kunnen afleiden uit het
bestuursoptreden. Het is immers niet omdat de verwerende partij wel nog
vergunningen zou hebben toegekend, dat daaruit automatisch en rechtmatig kan
worden afgeleid dat de verwerende partij ook sowieso toestemming zal verlenen
voor het realiseren van tijdelijke vervangcapaciteit. Een beslissing in het kader van
het realiseren van tijdelijke vervangcapaciteit, die – zoals gezegd – genomen wordt
specifiek op grond van het BVR 7 oktober 2022, is immers niet te vergelijken met
beslissingen over eventuele vergunningen. Met haar argument dat over eenzelfde
periode waarin gewag wordt gemaakt van ‘tegenindicaties’ wél vergunningen zijn
afgeleverd door de verwerende partij, maakt verzoekster aldus niet aannemelijk dat
er sprake is van een bestuursoptreden dat aanleiding heeft gegeven tot een
rechtmatige verwachting.”
60. De ve r zoekende partij betwist deze conclusie. Na kennisneming
van het auditoraatsverslag beperkt de verzoekende partij zich evenwel tot de kritiek
dat “[v]rijblijvend wordt beweerd” dat beslissingen over tijdelijke
opvangcapaciteit niet te vergelijken zijn met beslissingen over andere
vergunningen en dat het telkens gaat over kinderen opgevangen overeenkomstig
het decreet van 20 april 2012.
61. Met
die kritiek gaat de verzoekende partij eraan voorbij dat
– zoals uiteengezet in het auditoraatsverslag – het bekomen van een toestemming
om als organisator tijdelijke vervangcapaciteit te organiseren wordt geregeld door
specifieke regelgeving, met name het besluit van de Vlaamse regering van
7 oktober 2022. Zoals hiervoor is uiteengezet, moet een organisator, om tijdelijke
vervangcapaciteit te mogen organiseren, voldoen aan een reeks voorwaarden. Uit
die voorwaarden blijkt dat het beschikken over een vergunning weliswaar een
vereiste is, doch dat er daarnaast, wat de organisator betreft, “geen tegenindicaties
gekend” mogen zijn “die de toestemming tot samenwerking en de subsidiëring van
de organisator in de weg staan” (zie supra, nr. 18). De verzoekende partij gaat
hieraan volkomen voorbij en volhardt louter in het standpunt dat dezelfde feiten
niet de ene keer tegenindicaties kunnen zijn en de andere keer niet.
XII-9 654-35/35 62. In die omstandigheden, en na eigen onderzoek, ziet de Raad van
State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering
van het auditoraat bijvallend, dat het middel ongegrond is.
63. Uit wat voorafgaat, volgt dat artikel 8, 4°, van het besluit van de
Vlaamse regering van 7 oktober 2022 noch het vertrouwens- en het
rechtszekerheidsbeginsel zijn geschonden.
64. Het vierde middel is ongegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot
nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van
24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan
de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien juli tweeduizend vijfentwintig,
door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
, kamervoorzitter,
, staatsraad,
, staatsraad,
bijgestaan door
, griffier.
De griffier De voorzitter