ARR:263.810
🏛️ Raad van State Brussel
📅 2025-06-30
🌐 FR
verworpen
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
8 juli 2018, Gerechtelijk Wetboek, Grondwet
Volledige tekst
X-18.531-1/15 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe
KAMER
A R R E S T
nr. van 30 juni 2025
in de zaak A. 240.727/X-18.531
In zake :
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 12 december 2023, strekt tot de
nietigverklaring van “de artikelen 1, 1°, 4 en 5 van het besluit van de
Vlaamse Regering d.d. 8 september 2023 tot wijziging van het Besluit Vlaamse
Codex Wonen van 2021, wat betreft de sociale huur, zoals gepubliceerd in het
Belgisch Staatsblad op 13 oktober 2023”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Adjunct-auditeur heeft een verslag
opgesteld.
X-18.531-2/15
De
verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 9 mei 2025.
Staatsraad heeft verslag uitgebracht.
Advocaat , die loco advocaten
verschijnt voor de verzoekende partij, en
advocaat , die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Adjunct-auditeur heeft een met dit arrest
eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Het bestreden besluit geeft invulling aan de wijze waarop de
woonbehoeftigheid van de potentiële kandidaat-huurder wordt getoetst.
3.2. Het bestreden besluit vindt onder meer rechtsgrond in
artikel 6.8, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, luidend als volgt;
“De kandidaat-huurder voldoet aan de volgende voorwaarden: […]
2°/1 niet beschikken over saldi op betaal-, spaar-, termijn- en
effectenrekeningen die de door de Vlaamse Regering bepaalde grens
overschrijden.”
X-18.531-3/15 3.3. De ze voorwaarde werd ingevoerd door de artikelen 73 en 74 van
het decreet van 21 april 2023 ‘tot wijziging van diverse decreten met betrekking
tot wonen’ (hierna: het decreet van 21 april 2023) en kadert in de aanscherping van
de vermogenstoets:
“Met dit initiatief wil de decreetgever de huidige vermogenstoets
aanscherpen. Voortaan zal er ook gekeken worden naar de beschikbare
middelen. Beschikbare middelen zijn middelen die het huishouden direct
kan aanwenden om te voorzien in de woonbehoefte. Het gaat dan om de
positieve saldi op een bank-, spaar-, of beleggingsrekening.
[…]
Het komt de Vlaamse Regering toe een methodiek te voorzien om de
beschikbare middelen vast te stellen, een passende doorvertaling uit te
werken in de aftoetsing aan de toepasselijke middelengrens en maatregelen
te nemen om misbruik tegen te gaan.
[…]
Door het (nog) ontbreken van een (semi)automatische manier om de bank-
, spaar-, termijn- of effectenrekeningen te controleren wordt de bewijslast
bij de (kandidaat-)huurder gelegd. De betrokkene zal dus zelf inzage
moeten geven in alle bank-, spaar-, termijn- en beleggingsrekeningen
alsook de bedragen die beschikbaar zijn via die rekeningen. Er zal hierbij
volgens een getrapt systeem gewerkt worden:
1° De kandidaat-huurder legt bij de inschrijving een verklaring op eer af
over de middelen op zijn rekening(en) en geeft in zijn digitaal dossier het
bedrag aan dat er op zijn rekeningen staat. Het gecumuleerd vermogen op
de bank-, spaar- termijn- en effectenrekeningen van de kandidaat-
huurder(s) mag niet boven de grens liggen van de desbetreffende categorie
waartoe de kandidaat-huurder(s) behoort.
2° Vervolgens bij de toekenning van de woning, vraagt de verhuurder om
recente rekeningafschriften met de saldi op de rekeningen mee te brengen.
3° Als uit het nazicht van de afschriften blijkt dat de realiteit niet strookt
met de afgelegde verklaringen of als er een vermoeden van fraude is
(bijvoorbeeld transacties die doen vermoeden dat er spaarrekeningen zijn
op naam van de (kandidaat-)huurder, die niet aangegeven zijn in het
dossier), kan de verhuurder een diepgaander onderzoek voeren om de
werkelijke beschikbare middelen in kaart te brengen.
De som van de beschikbare middelen wordt vervolgens getoetst aan een
grens, die de Vlaamse Regering zal vaststellen. (Kandidaat-)huurders met
een gecumuleerd vermogen op de bank-, spaar-, termijn- en
effectenrekeningen dat hoger ligt dan deze grens, komen niet (langer) in
aanmerking voor een sociale huurwoning. Als grens kan de huidige
inkomensgrens gehanteerd worden om zo een gelijke behandeling te
creëren tussen (kandidaat-)huurders met een inkomen en (kandidaat-)
huurders met vermogen.
Het komt de Vlaamse Regering toe deze methodiek om de beschikbare
middelen vast te stellen verder te verfijnen, een passende doorvertaling uit
te werken in de aftoetsing aan een toepasselijke middelengrens, en
X-18.531-4/15 maatregelen te nemen om misbruik tegen te gaan.” (Memorie van
toe
lichting bij het ontwerp van decreet tot wijziging van diverse decreten
met betrekking tot wonen, Gedr. St., Vl. Parl. 2022-23, stuk 1562, nr. 1)
3.4.1. Het bestreden besluit geeft uitvoering aan de betrokken
middelentoets.
3.4.2. Centraal staat het bepaalde in artikel 4 van het bestreden besluit,
dat het nieuwe artikel 6.13/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen vaststelt:
“Art. 6.13/1. Ter uitvoering van artikel 6.8, § 1, eerste lid, 2°/1, van de
Vlaamse Codex Wonen van 2021 beschikt de potentiële kandidaat-huurder
op de datum van de inschrijving over saldi op spaar-, betaal-, termijn- en
effectenrekeningen waarvan hij mederekeninghouder of rekeninghouder is,
die, samengeteld, de volgende grenzen niet overschrijden:
1° 20.244 euro voor een alleenstaande persoon zonder personen ten laste;
2° 21.940 euro voor een alleenstaande persoon met een handicap als
vermeld in artikel 6.1, eerste lid, 4°, c), van dit besluit, die geen andere
personen ten laste heeft;
3° 30.365 euro voor andere personen, verhoogd met 1.697 euro per persoon
ten laste.
Als een persoon ten laste als vermeld in artikel 6.1, eerste lid, 4°, a) of b),
ook een persoon ten laste is als vermeld in artikel 6.1, eerste lid, 4°, c), telt
die persoon voor twee personen ten laste. In afwijking van het eerste lid
worden de volgende tegoeden niet mee in rekening gebracht voor de
toetsing aan de inschrijvingsvoorwaarde, vermeld in het eerste lid:
1° tegoeden waarop bewarend of uitvoerend beslag is gelegd als vermeld
in deel V, titel II en III, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° tegoeden die door de bank of financiële instelling geblokkeerd zijn
wegens een overlijden, een scheiding of om een andere reden;
3° negatieve saldi .
De potentiële kandidaat-huurder bewijst dat hij voldoet aan de
inschrijvingsvoorwaarde, vermeld in het eerste lid, met een verklaring op
erewoord.”
Artikel 4 van het bestreden besluit bepaalt dus welke grenzen bij
inschrijving in het centraal inschrijvingsregister de samengetelde saldi op de
spaar-, betaal-, termijn- en effectenrekeningen waarvan de potentiële kandidaat-
huurder mederekeninghouder of rekeninghouder is, niet mogen overschrijden en
welke tegoeden bij de bepaling daarvan niet in rekening zullen worden gebracht.
Tevens wordt bepaald hoe het bewijs hiervan dient te worden geleverd, namelijk
via een verklaring op erewoord.
X-18.531-5/15
H
et gaat om dezelfde bedragen als deze die gelden in het kader
van de voorwaarde betreffende het maximaal jaarlijks inkomen van de kandidaat-
huurder. De vermelde bedragen zijn niet geïndexeerd.
3.4.3. Artikel 5 van het bestreden besluit bevat een aan de voorgaande
bepaling gerelateerde toevoeging ten aanzien van artikel 6.15 van het besluit
Vlaamse Codex Wonen:
“De toelatingsvoorwaarde over de saldi op spaar-, betaal-, termijn- en
effectenrekeningen is dezelfde als de voorwaarde, vermeld in artikel 6.13/1.
De kandidaat-huurder bewijst binnen de termijn die de verhuurder bepaalt,
dat hij voldoet aan de toelatingsvoorwaarde, vermeld in het derde lid, met
de volgende documenten:
1° een afschrift van een actuele raadpleging van het centraal aanspreekpunt
van rekeningen en financiële contracten, vermeld in artikel 2, 2°, van de
wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt
van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang
tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht,
collectieve schuldenregeling en protest;
2° bewijsstukken met de saldi op de spaar-, betaal-, termijn- en
effectenrekeningen waarvan hij mederekeninghouder of rekeninghouder,
is.
De saldi , vermeld in het vierde lid, punt 2°, hebben betrekking op de datum
waarop de aanbodbrief voor de toewijzing van de woning aan de kandidaat-
huurder is verzonden.
Als de verhuurder vaststelt dat het bezorgde afschrift, vermeld in het vierde
lid, 1°, nog andere spaar-, betaal-, termijn- of effectenrekeningen bevat
waarvan de kandidaat-huurder mederekeninghouder of rekeninghouder is,
dan de rekeningen waarvan de kandidaat-huurder de bewijsstukken,
vermeld in het vierde lid, 2°, bezorgt, bewijst de kandidaat-huurder in
voorkomend geval dat hij niet langer mederekeninghouder of
rekeninghouder is van die andere rekeningen.”
Artikel 5 van het bestreden besluit bepaalt welke grenzen op
datum van de aanbodbrief in het kader van de toewijzing van een sociale woning,
de samengetelde saldi op de rekeningen waarvan de potentiële kandidaat-huurder
mederekeninghouder of rekeninghouder is, niet mogen overschrijden, meer
bepaald dezelfde als bij inschrijving, en hoe en wanneer de kandidaat-huurder dat
moet bewijzen.
X-18.531-6/15 3.5. De nota aan de Vlaamse regering betreffende het voorontwerp
van het betrokken besluit, bevat de volgende toelichting:
“Het decreet van 21 april 2023 tot wijziging van diverse decreten met
betrekking tot wonen legt de contouren vast van deze bijkomende
vermogenstoets. Voortaan zal de (potentiële) kandidaat-huurder niet mogen
beschikken over saldi op spaar-, betaal-, termijn- en effectenrekeningen die
de door de Vlaamse Regering bepaalde grens overschrijden.
In dit voorontwerp wordt de grens vastgelegd op de bestaande
inkomensgrens waaraan het inkomen van de (potentiële) kandidaat-huurder
dient te voldoen.
De bewijslast ligt hiervoor bij de (kandidaat-)huurder. […]
[…]
Het eerste en tweede lid van het ontworpen artikel 6.13/1 herneemt de
inkomensgrenzen uit artikel 6.13, eerste en tweede lid van hetzelfde besluit.
Dit geeft onderstaande bovengrenzen: […]
Met de bestaande inkomensvoorwaarde van een (potentiële) kandidaat-
huurder voor een sociale huurwoning wordt in wezen beoogd zich ervan te
vergewissen dat die kandidaat niet over voldoende eigen middelen beschikt
om eigenhandig in zijn woonbehoefte te voorzien. Het ontworpen verbod
om over saldi op spaar-, betaal-, termijn- en effectenrekeningen te
beschikken die de bestaande inkomensgrens overschrijdt, ligt in het
verlengde hiervan. Vanuit dat oogpunt bewerkstelligt de ontworpen
regeling de gelijke behandeling van kandidaat-huurders.
[…]
Het derde toegevoegde lid stelt dat de toelatingsvoorwaarde over de saldi
op spaar-, betaal-, termijn- en effectenrekeningen dezelfde is als de
inschrijvingsvoorwaarde, vermeld in [het] ontworpen artikel 6.13/1
(zie toelichting bij artikel 2). Dit ligt in lijn met de inkomensvoorwaarde
bij toelating tot een sociale huurwoning, vermeld in artikel 6.15, eerste lid,
dat eveneens dezelfde is als in artikel 6.13.
[…].”
3.6. Het bestreden besluit is op 1 januari 2024 in werking getreden.
X-18.531-7/15 IV. Onderzoek van de middelen
Ee
rste middel
Samenvatting van het middel
4. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 2.1 van
de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en van het zorgvuldigheidsbeginsel als
algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
5. Volgens de verzoekende partij is er van een dergelijke schending
sprake omdat “de Vlaamse regering de stakeholders op geen enkele manier
proactief betrokken heeft bij het bestreden besluit”. Aldus werd het bestreden
besluit “kennelijk onzorgvuldig voorbereid, omdat alle betrokken belangen niet
correct werden afgewogen”.
De verzoekende partij houdt ook voor dat “de redelijke termijn
waarbinnen een stakeholders platform moest worden opgericht manifest is
overschreden”.
Beoordeling
6. Artikel 2.1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 bepaalt:
“De Vlaamse Regering waakt erover dat in het beleidsveld Wonen de
proactieve betrokkenheid van stakeholders wordt opgenomen om de
volgende doelen te realiseren:
1° maatschappelijke tendensen capteren en wijzigingen in het werkveld
signaleren die het Vlaamse woonbeleid aanbelangen, alsook de gevolgen
ervan voor het Vlaamse woonbeleid duiden;
2° reflecteren over initiatieven met betrekking tot het beleidsveld Wonen
of tot belendende beleidsvelden die een impact op het beleidsveld Wonen
hebben;
3° verbetervoorstellen aangeven die het beleidsveld Wonen ten goede
komen.
Met het oog op de realisatie van de doelen, vermeld in het eerste lid, kan de
Vlaamse Regering een proactief stakeholders platform oprichten.”
X-18.531-8/15
7. U
it het laatste lid van deze bepaling blijkt dat de oprichting van
het stakeholders platform facultatief is.
In de mate dat de verzoekende partij voorhoudt dat de redelijke
termijn voor de oprichting van het stakeholders platform is overschreden, gaat het
middel ten onrechte uit van de verplichting om een dergelijk platform op te richten.
In die mate is het middel ongegrond.
8. De memorie van toelichting bij het voorstel van decreet dat
aanleiding heeft gegeven tot de invoering van het artikel 2.1 van de Vlaamse Codex
Wonen, bevat de volgende verantwoording:
“Het is vandaag decretaal verplicht om advies aan de Vlaamse Woonraad
te vragen over voorontwerpen van decreet of ontwerpen van
basisuitvoeringsbesluit die het woonbeleid aanbelangen. Die adviesvragen
worden aan de Vlaamse Woonraad voorgelegd na de principiële
goedkeuring van een beslissing door de Vlaamse Regering.
Een dergelijke werkwijze is weinig flexibel en is vanuit beleidsoogpunt
weinig efficiënt. De input verliest immers aan waarde en nut naarmate de
beleidsbeslissing meer uitgekristalliseerd en duidelijker wordt. De strakke
adviesverplichting samen met het institutionele karakter van de Vlaamse
Woonraad zorgt dan ook voor een statische werkwijze en weinig
dynamische betrokkenheid van de actoren op een beleidsvormingsproces.
Bovendien werkt de adviesverplichting in dat stadium van het
beleidsproces vertragend. In die optiek zou het dus een optimalere
werkwijze zijn als proactief rekening kon worden gehouden met
standpunten en bedenkingen van de stakeholders uit het beleidsveld in de
fase die aan het beleidsvormingsproces voorafgaat of in de aanvangsfase
ervan.
Het voorliggende voorstel van decreet voorziet in een proactieve
betrokkenheid van de stakeholders in het beleidsveld Wonen en stelt de
doelen daarvoor vast. De Vlaamse Regering moet over die proactieve
betrokkenheid waken en kan daartoe een proactief stakeholders platform
oprichten.” (Toelichting bij voorstel van het decreet ‘tot opheffing van de
Vlaamse Woonraad om een proactief stakeholders platform te kunnen
oprichten en tot wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen’,
stuk 324 (2019-2020) – Nr. 1, p. 2-3.).
9. Uit artikel 2.1 van de Vlaamse Codex Wonen kan niet afgeleid
worden dat de daarin vermelde “proactieve betrokkenheid van stakeholders ”,
waarover de Vlaamse regering dient te waken, verplicht tot een specifieke
X-18.531-9/15 betrokkenheid van “de st akeholders ’ bij de totstandkoming van een welbepaald
besluit.
Het loutere gegeven dat de Vlaamse regering “ de stakeholders ”
niet specifiek bij de totstandkoming van het bestreden besluit heeft betrokken,
levert op zich dan ook geen schending van artikel 2.1 van de Vlaamse Codex
Wonen op.
10. Een dergelijke schending kan evenmin worden afgeleid uit het
zorgvuldigheidsbeginsel.
Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de overheid ertoe om
zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van een beslissing en ervoor te
zorgen dat de juridische en feitelijke aspecten van het dossier deugdelijk worden
geïnventariseerd en gecontroleerd, zodat de overheid met kennis van zaken kan
beslissen.
Het komt de Raad van State voor dat een zorgvuldige
besluitvorming ook mogelijk kan zijn zonder dat “de stakeholders ” specifiek bij de
totstandkoming van een besluit zoals het bestreden besluit, worden betrokken.
Het louter uitblijven van een dergelijke formele betrokkenheid toont de schending
van het zorgvuldigheidsbeginsel dan ook niet aan.
Overigens blijkt dat er in het kader van de decretale invoering
van de middelentoets wel overleg met de stakeholders heeft plaatsgehad.
11. Het middel is niet gegrond.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.810 X-18.531-10/15 B. Tweede middel
Sam
envatting van het middel
12. Het tweede middel voert de schending aan van het recht op
behoorlijke huisvesting, zoals onder meer gewaarborgd door
artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet.
13. Volgens de verzoekende partij schendt het bestreden besluit het
recht op behoorlijke huisvesting doordat de kandidaat-huurders die een vermogen
op hun rekeningen hebben dat een bepaald saldo overschrijdt, volledig worden
uitgesloten van het recht om te worden ingeschreven in het sociaal huurstelsel en
om onder dit stelsel een woning toegewezen te krijgen. Hiervoor is volgens de
verzoekende partij geen enkele redelijke verantwoording terug te vinden.
De betrokken maatregel dient geen legitiem doel en kan bovendien niet als
pertinent, noodzakelijk en proportioneel sensu stricto worden beschouwd.
De verzoekende partij betoogt dat de in het bestreden besluit
bepaalde grensbedragen voor spaargelden tot gevolg heeft dat de personen wier
spaargelden deze grenzen overschrijden, niet langer in aanmerking zullen komen
voor sociale huur. De grensbedragen liggen evenwel op een dergelijk laag niveau
dat daarmee geen geschikte woning op de private huurmarkt kan worden gevonden,
en verplicht mensen hun toevlucht te nemen tot woningen van structureel
ontoereikende kwaliteit. Dit leidt volgens de verzoekende partij tot
mensonwaardige situaties en gaat in tegen het recht op een behoorlijke huisvesting.
De verzoekende partij houdt voor dat het beschermingsniveau
zodoende aanzienlijk wordt verminderd, zonder dat hiervoor redenen van
algemeen belang voorhanden zijn. De verantwoording dat de bestreden beslissing
beoogt misbruiken tegen te gaan, gaat volgens de verzoekende partij niet op,
vermits het beweerd misbruik niet wordt aangetoond, en ook niet blijkt dat de
bestreden uitwerking dergelijk misbruik zou kunnen voorkomen.
X-18.531-11/15 De verzoekende partij bekritiseert ook dat niet werd onderzocht
welk bedrag als toereikend kan worden beschouwd om de woonbehoefte van
potentiële kandidaat-huurders te vervullen. De verwerende partij heeft de eerder
vastgestelde inkomensgrenzen doorgetrokken als grensbedragen voor de saldi op
de rekeningen, zonder na te gaan of een dergelijk spaarvermogen toelaat in de eigen
woonbehoefte te voorzien.
De verzoekende partij bekritiseert ook het gegeven dat geen
rekening wordt gehouden met negatieve saldi , en evenmin met
vermogensbestanddelen zoals juwelen en voertuigen.
14. In een tweede middelonderdeel acht de verzoekende partij de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden. Er werd immers geen
(zorgvuldig) onderzoek verricht naar het misbruik dat de verwerende partij beoogt
te voorkomen, en ook niet naar de gevolgen van de invoering van de vastgestelde
bovengrenzen. Zodoende steunt de bestreden beslissing niet op draagkrachtige
motieven.
Beoordeling
15. In de mate dat het middel de invoering van de middelentoets als
bijkomende, cumulatieve inschrijvings- en toelatingsvoorwaarde voor de
toewijzing van een sociale huurwoning bekritiseert omdat deze maatregel niet
noodzakelijk, evenredig en pertinent zou zijn, formuleert de verzoekende partij
kritiek op decretale bepalingen die buiten de rechtsmacht van de Raad van State
vallen.
De bestreden bepalingen voeren de middelentoets immers niet in
als nieuwe voorwaarde, maar geven enkel uitvoering aan de decretale bepalingen
ter zake, meer bepaald door de grensbedragen vast te stellen.
16. De door het bestreden besluit vastgestelde grenzen die de saldi
op de rekeningen van de kandidaat-huurders niet mogen overschrijden, kunnen niet
X-18.531-12/15 los worden gezien van de decretale bepalingen die de Vlaamse regering opdragen
om
die grenzen vast te stellen, zodat de ingeroepen miskenning van het stand still -
beginsel niet geïsoleerd, enkel op het niveau van het bestreden besluit, kan worden
beoordeeld.
17. Bij de vaststelling van de grenzen die de saldi op de rekeningen
niet mogen overschrijden – ter uitvoering van de ter zake geldende decretale
bepalingen –, beschikt de Vlaamse regering hoe dan ook over een ruime
beoordelingsvrijheid.
18. De verzoekende partij toont niet aan dat de vastgestelde
grensbedragen – op zich bekeken – leiden tot een aanzienlijke achteruitgang van
het bestaand beschermingsniveau.
Meer bepaald toont de verzoekende partij niet aan dat een
betekenisvolle groep personen die eerder wel aanspraak kon maken op
sociale huisvesting, die aanspraak specifiek ten gevolge van de vastgestelde
grensbedragen zal verliezen.
19. Daarbij komt dat de impact van de bestreden beslissing op het
bestaande beschermingsniveau globaal moet worden bekeken. De beperking van
de toegang tot de sociale huurmarkt kan er immers ook toe bijdragen dat de toegang
van andere leden van de doelgroep beter wordt beschermd. Zeker in een context
waarin er een grote schaarste is aan sociale woningen, kan dit bijdragen tot een
meer effectieve bescherming van degenen die het meest woonbehoeftig zijn, die
niet beschikken over een minimale buffer.
20. Het gegeven dat het administratief dossier geen specifieke
studies bevat die in concreto aantonen dat de potentiële kandidaat-huurder met
saldi op de rekeningen die de door het bestreden besluit vastgestelde grenzen
overschrijden, effectief op de private markt zal kunnen huren, doet niet anders
besluiten.
X-18.531-13/15 Bi nnen de ruime beoordelingsmarge waarover zij beschikt, kon
de verwerende partij immers in redelijkheid oordelen dat een potentiële kandidaat-
huurder die beschikt over tegoeden op bankrekeningen die de grensbedragen
overschrijden, mits gebruikmaking van die betekenisvolle spaargelden minstens
gedurende een bepaalde periode op de private woonmarkt terecht kan. Wanneer de
grensbedragen niet langer zijn overschreden, zal de betrokkene overigens opnieuw
voor sociale huur in aanmerking komen. Dat daarbij met absolute grensbedragen
wordt gewerkt, maakt de uitgewerkte regeling niet onwettig.
Specifiek wat betreft de kritiek dat rekening had moeten worden
gehouden met de negatieve saldi op bankrekeningen, kan met de verwerende partij
worden aangenomen dat de regelgever er redelijkerwijze kon vanuit gaan dat
“mede gelet op [de] wens om in een eenvoudig controlemechanisme te voorzien,
de betrokkene de negatieve saldi zelf dient aan te zuiveren zodat de geaggregeerde
saldi een correcte weergave van zijn roerend bezit vormen”.
21. Gewis kan beleidskritiek worden geformuleerd op de
beleidsopties die in het bestreden besluit – en de onderliggende decretale grondslag
– worden vertaald. Een schending van de bestreden bepalingen wordt daarmee
echter niet aangetoond.
22. Het middel wordt verworpen.
Derde middel
Samenvatting van het middel
23. Het derde middel voert de miskenning aan van de artikelen 10
en 11 van de Grondwet, en het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële
motiveringsplicht, en het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel als
algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
X-18.531-14/15 24. Vol gens de verzoekende partij wordt er een ongelijke situatie
gecreëerd tussen kandidaat-huurders naargelang ze hun (spaar)geld op een
rekening laten staan, dan wel dit op een andere manier beleggen of in roerend goed
investeren.
De verzoekende partij acht het niet redelijk verantwoord dat
geen rekening wordt gehouden met de waarde van andere roerende activa dan de
saldi op de rekeningen zoals juwelen, kunst en auto’s.
25. Evenmin acht zij het redelijk verantwoord dat inkomen en
beschikbare tegoeden op bankrekeningen niet gezamenlijk worden beoordeeld.
Beoordeling
26. Terecht werpt de verwerende partij op dat de in randnummer 24
aangevoerde ongelijke behandeling niet voortvloeit uit de bestreden bepalingen,
maar hun oorsprong vinden in de artikelen 73 en 74 van het decreet van
21 april 2023 waarbij in de Vlaamse Codex Wonen van 2021 de middelentoets
werd ingevoerd. De nieuwe bijkomende inschrijvings- en toelatingsvoorwaarde
verwijst inderdaad enkel naar “ saldi op betaal-, spaar-, termijn- en
effectenrekeningen” zodat alle andere vormen van vermogen decretaal niet in
aanmerking worden genomen.
Het komt de Raad van State niet toe om zich uit te spreken over
de verenigbaarheid van de betrokken decretale bepalingen met het
gelijkheidsbeginsel.
27. In haar laatste memorie bekritiseert de verzoekende partij nog
dat een momentopname bepalend kan zijn voor de beoordeling of het grensbedrag
voor de saldi is overschreden, en dat dit het gevolg kan zijn van een toevallige
gebeurtenis. Volgens de verzoekende partij had het bestreden besluit moeten
bepalen dat de saldi een min of meer permanent karakter moeten hebben.
X-18.531-15/15 Te recht werpt de verwerende partij op dat deze
wettigheidskritiek onontvankelijk is, vermits deze ook reeds in het verzoekschrift
tot nietigverklaring had kunnen en moeten worden ingeroepen.
28. Het middel wordt verworpen.
VI. Besluit
29. Gelet op de verwerping van de aangevoerde middelen hiervoor,
moet het beroep hoe dan ook worden verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot
nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van
24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan
de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig juni tweeduizend vijfentwintig, door
de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
, kamervoorzitter,
, staatsraad,
, staatsraad,
bijgestaan door
, griffier.
De griffier De voorzitter