ARR:263.885
🏛️ Raad van State Brussel
📅 2025-07-04
🌐 FR
verworpen
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
14 augustus 1986, 14 augustus 1986, 19 juli 1991, 29 juli 1991
Volledige tekst
XII-9530-1/27 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XI
Ie KAMER
A R R E S T
nr. van 4 juli 2025
in de zaak A. 242.334/XII-9530
In zake :
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 1 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring
van de “[b]estemmingsbeslissing dossier , d.d. 29 april 2024 van de
Vlaamse Overheid, Departement Omgeving, Afdeling Dierenwelzijn, getekend
door ir. [ .] Afdelingshoofd van de Afdeling Dierenwelzijn”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur heeft een verslag opgesteld.
XII-9530-2/27 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en
ee
n laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie
ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 19 juni 2025.
Staatsraad heeft verslag uitgebracht.
Advocaat , die verschijnt voor verzoeker, en
advocaat , die loco advocaat verschijnt
voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur heeft een met dit arrest
eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De lokale politie stelt op 1 maart 2024 bij verzoeker
overtredingen op het dierenwelzijn vast.
3.2. Op 4 maart 2024 worden verschillende dieren in beslag
genomen.
3.3. Verzoeker wordt op 22 maart 2024 door de politie verhoord.
3.4. De lokale politie verricht op 17 april 2024 een controlebezoek.
XII-9530-3/27 3.5. H et afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement
Omgeving beslist op 29 april 2024 om, in toepassing van artikel 42, § 2, van de
wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’,
verschillende dieren in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar ze
momenteel verblijven. Het betreft twee kookaburra's, één struisvogel, twee
woestijnbuizerds, vijf ara’s en vier herten.
Dit is de bestreden beslissing die als volgt wordt gemotiveerd:
“De vaststellingen door de lokale politie op 1/03/2024, geacteerd in PV
:
►
In een zeer drassige weide in de staan 5 herten. er zijn zeer weinig
droge
plekken;
► De stal staat op een droog stuk maar is moeilijk te bereiken;
► De weide ligt bezaaid met glasscherven en steenpuin, houten panelen.
gla
swerk met scherpe punten;
► Op het drinkwater staat een dikke groene aanslag;
► Er ligt nergens voer en de weide is kaal gegeten;
► Op een zeer modderige terrein staat een struisvogel die moeite heeft
zi
ch recht te houden op de glibberige ondergrond. De struisvogel is bedekt met
modder, de vleugels hangen af hierdoor;
► Er is geen eten voor de struisvogel, in het drinkwater ligt een dikke
la
ag modder en groene aanslag;
► In een schuur zitten 10 naakthalskippen, zij hebben voeder en
dri
nkwater ter beschikking;
► In 2 volières zitten 2 woestijn buizerds en 2 kookaburra’s zonder water
of voe
dsel;
► In een zijgebouw zitten 3 rode ara's in een zeer kleine kooi, 2 van de 3
zi
jn geplukt;
► .] reageert erg defensief: volgens hem moeten roofvoge ls niet over
water beschikken omdat ze kuikens eten;
► In een afgesloten tuinhuis zitten blauwe ara's, de kooien zijn erg
donker
, stoffig en vuil. ] kuist hier 2 keer /jaar en zegt dat hij zelf wel zal kiezen
wanneer hij de kooien zal reinigen;
► De struisvogel kan volgens ] wel tegen de modder, aan de modder
kan hi
j zelf niets doen;
► De struisvogel maakt het drinkwater zelf vuil, het heeft volgens hem
dan ook g
een zin dit te reinigen;
► ] is van mening dat het water van de struisvogel en herten proper
genoeg is;
► Het schadelijk materiaal is volgens geen probleem daar zij dit
in
de natuur ook wel zullen tegenkomen, ze gaan zich niet kwetsen aan het glas of
puin;
► ] reageert zeer onverschillig op de gebreken die de p olitie aankaart
en geeft aan niet veel te zullen veranderen;
Gezien er op 1/03/2024 niet onmiddellijk een opvangplaats gevonden kan worden.
gaat de politie op 4/03/2024 terug met een vangteam en een dierenarts om de
XII-9530-4/27 dieren op te halen. Behalve dat de hokken van de papegaaien werden gekuist en
bij
de kookaburra’s een waterpartij geplaatst werd, is er niets veranderd;
Het vangteam en de dierenarts beschrijven de situatie als volgt:
► De herten zijn zeer mager en hebben een doffe vuile vacht met hier en
daa
r kale plekken. Hun hok is erg klein (+- 2,5m x 2.5m);
► Het hok van de kookaburra’s hangt vol met resten van kuikens, de geur
is
stevig. De dieren zijn mager: het borstbeen is goed te voelen;
► Het hok van de woestijnbuizerds is te klein en er is geen binnenhok,
enke
l een broedplatform. Er hangen resten van kuikens tegen de muren en op het
platform. De staartveren zijn in slechte conditie, vermoedelijk t.g.v. de te kleine
oppervlakte;
► De blauw-gele ara's zaten in een tuinhuis zonder daglicht, er was
am
per ruimte om te staan, niet verlucht en zeer stoffig. Er was loshangende
volièredraad waar de dieren zich aan kunnen kwetsen. Er was geen
speelgoed/verrijking in de ‘volières’. 1 ara is geplukt door stress/niet genoeg
afleiding
► De geelvleugel ara's zaten in een kleine volière van 3m2 met slechts
ee
n kleine streep lichtinval. Er is geen water aanwezig om te drinken of te baden,
noch kooiverrijking/speelgoed. De dieren zijn stevig geplukt. vermoedelijk t.g.v.
stress en verveling;
► Betrokkene wordt door het opvangcentrum ingelicht over de
we
tgeving om de verblijven te verbeteren. Ze verwijzen hem door naar het internet
voor de juiste afmetingen e.d.;
Bovenstaande wijst erop dat:
-de dieren niet gehouden werden volgens hun ethologische en fysiologische
behoeften waardoor hun welzijn gedurende geruime tijd geschaad werd;
-betrokkene geen inzicht toont in de gebreken, noch in de noden van de dieren;
werd op 22/03/2024 verhoord door de lokale politie en verklaarde het
volgende:
► Ik ben eigenaar van de dieren en heb de vogels al heel lang, de herten
van na
2018;
► Door mijn scheiding heb ik niet altijd tijd gehad om de huisvesting op
orde
te stellen:
► Ik had de koten gekuist na jullie bezoek, Papegaaien zijn vuile eters,
dat
kan je elke dag kuisen. Ik kuiste 2 keer per maand de hokken van de ara s uit;
► De wei van de herten en struisvogel stond onder water door de
we
ersomstandigheden; ik heb de struisvogel opgesloten na jullie eerste bezoek;
► Er staan nu 3 nieuwe hokken voor de ara’s met buiten- en
binne
nhokken en zitstokken;
► Het verblijf van de kookaburra s wordt vergroot door het initiële hok
uit
te breiden, dat zal dit weekend klaar zijn. Idem voor de woestijnbuizerds, hun
hok wordt verlengd met 3 meter;
► De weide van de herten werd volledig opgeruimd, de materialen
wor
den vandaag opgehaald, het steenpuin en glasscherven werden weggehaald.
Er staat een grote container, die wordt vandaag opgehaald. In de weide van de
struisvogel wordt een laag aarde gegooid zodat het droger wordt;
► De struisvogel maakt zelf ook modder door er te lopen:
► Ik heb u foto’s gemaild van de veranderingen;
► Mijn dierenarts .] ken ik via via. Vorig jaar kwam er een
spe
cialist-dierenarts voor de ara’s maar daarvan ken ik de naam niet. Voor de
herten en struisvogel is het al lang geleden, ontwormen e.d doe ik zelf;
► Ik heb de financiële middelen om voor de dieren te zorgen;
► Ik ben niet bereid de dieren af te staan, ik ben bereid de kosten van de
inbe
slagname te betalen;
XII-9530-5/27 Hieruit blijkt dat :
-ge
en aanvaardbare verklaring kan geven voor de vastgestelde gebreken en
overtredingen:
-zegt dat er vorig jaar een specialist-dierenarts voor de ara's langskwam. maar geen
verklaring geeft voor het vederpikken, noch een dierenarts geraadpleegd heeft
voor dit probleem;
-de schuld van bepaalde inbreuken van zich afschuift (zijn scheiding, de
weersomstandigheden, papegaaien die vuile eters zijn … );
-zichzelf tegenspreekt: hij zegt de hokken van de ara's twee keer /maand te kuisen
terwijl hij bij de inbeslagname tegen de politie zei dit 2 keer/jaar te doen. Ook 2
keer/maand is veel te weinig;
-de dieren terug wenst en een aantal aanpassingen aan hun huisvesting gedaan
heeft;
-geen verklaring heeft voor de magere voedingstoestand van de damherten en de
kookaburra’s;
-niet aantoont dat hij over geschikt voeder beschikt voor de damherten. de
struisvogel. en de papegaaien;
Uit het dierenartsverslag van het vangteam blijkt dat de dieren mager waren bij de
beslagname;
Uit het dierenartsverslag van het asiel blijkt bijkomend het volgende:
► 1 van de 5 herten is bij aankomst in het asiel overleden;
► 2 damherten vertonen mankheidsklachten aan de achterhand;
► De kookaburra’s. de struisvogel en de woestijnbuizerds worden
norm
aal bevonden;
► 1 blauw-gele ara vertoont verlies van veren in de rug- en borstregio,
bee
ld passend bij vederpikken met vermoedelijk psychische onderliggende
oorzaak i.e. solitair leven in gevangenschap en stress factoren. Bijkomend
algemene verminderde toestand van het vederkleed met overdreven slijtage en
lokaal afbreken van de slagpennen van de vleugels en de staartpennen, de nagels
zijn te lang;
► De twee andere blauw-gele ara's worden normaal bevonden;
► 1 geelvleugelara heeft ernstige vederafwijkingen. m.n. verlies van
ver
en t.h.v. nek, rug en borstregio (vederpikken);
► 2e geelvleugelara heeft lichte vederafwijkingen, m.n. verlies van veren
t.h.v. b
orstregio (vederpikken);
► 3e geelvleugelara ontbreekt bilateraal enkele tenen;
Wa
t erop wijst dat:
-betrokkene de papegaaien van onvoldoende verrijking en uitdaging heeft
voorzien. Hierdoor hebben zij geruime tijd psychisch en fysiek geleden;
Betrokkene liet na om beroep te doen op een dierenarts om het
vederplukken/afwijkingen in het vederkleed te verhelpen/aan te pakken;
-de damherten zich mogelijks gekwetst hebben aan het schadelijk materiaal op de
weide; Betrokkene had dit nog niet opgemerkt of had nog niet de nodige stappen
gezet om de dieren te laten nakijken door een dierenarts;
-de dieren langdurig onvoldoende/niet correct werden gevoederd waardoor zij
mager waren.
De feiten zijn ernstig, betrokkene lijkt hier weinig inzicht in te tonen;
Bovendien tonen de vastgestelde feiten en de verklaringen van betrokkene op een
ernstig gebrek aan inzicht in de noden en de verzorging van de diersoorten die hij
aanhield;
Uit de historiek blijkt dat dit niet de eerste feiten zijn: betrokkene kreeg reeds
meermaals controles voor dierenwelzijn, er werden reeds meermaals maatregelen
opgelegd. Deze hebben echter niet kunnen voorkomen dat de dieren op 1/03/2024
in erg slechte omstandigheden werden aangetroffen;
XII-9530-6/27 Dit wijst op een gebrek aan inzicht en kennis van de huisvesting en verzorging
van
de gehouden diersoorten en een gebrek aan daadkracht. Hierdoor is er
onvoldoende garantie dat betrokkene nu wel het nodige zal doen om het
dierenwelzijn te garanderen;
Bovendien wijst de historiek op herhaling van steeds terugkomende inbreuken,
het is dus onzeker dat betrokkene in de toekomst geleverde inspanningen kan/zal
volhouden;
Op 17/04/2024 doet de lokale politie een hercontrole om de aanpassingen van de
verblijven te bekijken:
► Struisvogel: nog steeds zeer drassig, toestand hetzelfde;
► Damherten: geen glas of steenpuin meer aanwezig, weide groot stuk
opgedr
oogd. Er ligt nog materiaal in de wei, alsook een tractor en een grasmaaier;
► Woestijn buizerds: volière is 7,12m lang, 2.32m hoog en 2.26m breed,
ver
schillende zitstokken;
► Kookaburra’s: volière is 4.12m lang, 2.05m hoog en 2.11m breed,
ver
schillende zitstokken en waterbad;
► Ara's: 3 volières, elk met een binnenhok en voorzien van zitstokken;
o 3,95m lang, 3m hoog, 3.5m breed
o 4.02m lang, 2.85m hoog, 2 m breed
o 2.08m lang, 2m hoog, 2.05m breed
Op
de foto's is nergens speelgoed/verrijking te zien. Ara’s zijn zeer intelligente
dieren die zich zonder verrijking/uitdaging snel gaan vervelen. met o.a.
vederpikken tot gevolg.
Betrokkene leverde een inspanning; de volières van de vogels werden verruimd,
de weide van de herten werd deels opgeruimd. Echter is het makkelijk een verblijf
proper te houden als er geen dieren zitten. Een propere huisvesting biedt geen
garantie dat de dieren verder correct verzorgd en gehuisvest zullen worden:
► Er ligt nog steeds materiaal in de weide van de damherten;
► De weide van de struisvogel is nog steeds erg drassig. Er is geen
al
ternatief om de vogel correct te huisvesten. Toevoegen van aarde zal de
problemen onvoldoende oplossen tijdens natte periodes;
► Er is geen verrijking voorzien voor de vogels;
► Betrokkene vond de opmerkingen van de politie onterecht en deed in
ee
rste instantie minimale aanpassingen: het welzijn van de dieren verbeterde
hierdoor nauwelijks (periode 1/03 tot 4/03);
► De dieren hadden een magere voedingstoestand, doch dit werd door
bet
rokkene niet opgemerkt/bijgestuurd. Betrokkene biedt geen garanties naar de
toekomst hiervoor;
Op 23/04/2024 verneemt de inspectiedienst van de dierenarts van het
opvangcentrum het volgende:
-De ara's met een aangetast vederkleed werden getest voor de besmettelijke ziekte
bek- en vederrot;
-1 daarvan testte positief:
-Gezien het besmettelijk karakter, de slechte staat van het dier en de slechte
prognose, werd in samenspraak met de faculteit diergeneeskunde van de Ugent,
het dier geëuthanaseerd;
-Het is niet uitgesloten dat niet aangetaste dieren alsnog besmet zijn, gezien zij in
contact gekomen zijn met het betreffende dier;
-Er moet zeer omzichtig omgesprongen worden met deze mogelijks besmette
dieren;
Betrokkene wenst de dieren terug. Hij kreeg echter in 2017 al instructies om de
verblijven van zijn vogels te verbeteren en gaf hier tot bij de inbeslagname
XII-9530-7/27 onvoldoende gevolg aan. Pas na meerdere controles, waarschuwingen met
opge l
egde maatregelen en uiteindelijk een inbeslagname, heeft hij de huisvesting
aangepast. Echter is deze meer dan 7 weken na de inbeslagname nog steeds
onvoldoende;
Struisvogels zijn uitgesproken groepsdieren en moeten minimaal per koppel
gehouden worden;
2 woestijnbuizerds moeten volgens het Besluit van de Vlaamse Regering
betreffende het welzijn van in gevangenschap gehouden roofvogels d.d.
15/06/2018 beschikken over een volière van minstens 4m lang, 3m breed en 2.5m
hoog;
Het verblijf van betrokkene voldoet hier niet aan;
Aangezien er voor particulieren geen normen zijn voor kookaburra’s, worden de
dierentuinnormen gehanteerd namelijk: ► beschikken over een verblijf van
mi
n. 10m2 oppervlakte en minstens 2.5m hoog;
► beschikken over een vorstvrij binnenverblijf (hok met een temperatuur
die
nooit lager is dan 0°C);
► Naast proper drinkwater moet er steeds een waterpartij aanwezig zijn;
► Aanwezigheid van een schuilhok;
► Aanwezigheid van een nestkast;
He
t verblijf van betrokkene voldoet hier niet aan;
Betrokkene heeft nog een tiental naakthalskippen waar hij dagelijks de nodige
investeringen op vlak van tijd en werk voor moet doen;
Bovenstaande wijst er op dat er onvoldoende garanties zijn dat het welzijn van de
dieren gewaarborgd kan worden, waardoor een teruggave onverantwoord zou zijn;
De kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen;
De dieren hebben geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde die in
verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging
overeenkomstig hun ethologische en fysiologische behoeften.”
IV
. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel
42 van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn
der dieren’ (hierna: wet van 14 augustus 1986), van het zorgvuldigheidsbeginsel,
van het motiveringsbeginsel, van het rechtszekerheidsbeginsel en van het fair-play-
beginsel “als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”, alsook van de artikelen
2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van
de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991).
XII-9530-8/27 Ve rzoeker maakt in eerste instantie een aantal algemene
opmerkingen. Hij stelt dat er flagrante fouten zijn in de formele motivering van de
bestreden beslissing. Er werden na de eerste controle geen concrete instructies
gegeven aan verzoeker over hetgeen moest veranderen. Verzoeker heeft niet
onverschillig gereageerd. Verzoeker wijst erop dat hij werd geconfronteerd met
de natste periode sedert de opstart van de metingen en dat dit overmacht uitmaakt
in zijn hoofde. De inspanningen van verzoeker worden met weinig ernstige
argumenten terzijde geschoven. Bovendien moet volgens verzoeker de beslissing
per individueel dier gemotiveerd worden.
Vervolgens maakt verzoeker de volgende opmerkingen per
individueel dier:
“De bestreden beslissing maakt in het motiverend gedeelte de algemene
opme
rking dat alle dieren een ‘magere voedingstoestand hebben’, terwijl uit de
bijlages 6 en 7 bij het PV […] het tegendeel blijkt. De dieren hadden voldoende
voedsel ter beschikking.
Aangaande de ara's
De vogels waren na de interventie in goede conditie bevonden […]. Verzoeker is
dan ook verbaasd om in de bestreden beslissing te lezen dat er achteraf een
geelvleugelara geëuthanaseerd is wegens bek- en vederrot. Net zoals er bij de
eerste medische vaststellingen na de inbeslagname geen indicaties daarvan
gevonden zijn, was verzoeker absoluut niet op de hoogte van die ziekte bij één van
zijn vogels. Tot op heden is er ook geen dierenartsverslag gekend, waarvoor
voorbehoud.
Alle volières werden aangepakt, met binnen- en buitenhok. Het nodige
verrijkingsmateriaal is aanwezig, doch was bij de laatste controle nog niet
opgehangen omdat er nog een vogels aanwezig waren.
De geelvleugelara die zogezegd ‘geplukt’ was, was een broeds vrouwtje ("pop")
die samen met een broeds mannelijk exemplaar zat. Dergelijke toestand is normaal
voor flirtende (‘kroelende’) ara's.
Aangaande de damherten
De wei was modderig, maar de stal was droog.
Dieren in goede gezondheid […].
Na het vangen vertoonde 2 damherten ‘zeer lichte mankheidsklachten’
[…
]. Dit komt uiteraard door het vangen.
Eén damhert stierf door de verdoving […].
Er
staat in de bestreden beslissing geen afdoende motivering waarom de 4
resterende damherten afgenomen dienen te worden.
Aangaande de struisvogel
De wei was modderig, maar dier in goede conditie […].
Bestreden beslissing: ‘Struisvogels zijn uitgesproken groepsdieren en moeten
minimaal per koppel gehouden worden’.
Deze instructie is nooit gegeven. Had verzoeker dan in tussentijd een struisvogel
moeten bijkopen?
Aangaande de woestijnbuizerds
XII-9530-9/27 Vogels in goede conditie […].
Na
controle: Er is een groot stuk bij aan de volière gezet. De volière is 7,12 meter
lang, 2,32 meter hoog en 2,26 meter breed. Er zijn ook verschillende zitstokken
voorzien.
Bestreden beslissing: Volgens Besluit van de Vlaamse regering moet volière
minstens 4m lang zijn, 3m breed en 2,5 m hoog.
De volière is inderdaad - volgens de meetwijze van de verbalisant, waarvoor
voorbehoud - enkele centimeters te laag en te smal, doch wel bijna dubbel zo lang.
Aangaande de kookaburra's
Vogels in normale conditie […].
Na controle: De volière is 4, 12 meter lang, 2,05 hoog en 2, 11 breed. Er zijn
verschillende zitstokken en een waterbad.
Bestreden beslissing: Aangezien er voor particulieren geen normen zijn voor
kookaburra's, worden de dierentuinnormen gehanteerd, namelijk beschikken over
een verblijf van min 10m2 oppervlakte en minstens 2,5m hoog( ... ).
De
normen voor dierentuinen - hierbij hoogstwaarschijnlijk refererend naar het
MB tot vaststelling van minimumnormen voor het houden van vogels in
dierentuinen - kunnen niet zomaar geëxtrapoleerd worden naar private bezitters.
De normen voor dierentuinen zijn gemaakt vanuit de optiek dat een dier rust
moeten kunnen vinden in zijn hok en zich moet kunnen afschermen voor het
publiek. In een private collectie, alwaar de dieren niet geconfronteerd worden met
een constante stoet bezoekers, zijn dergelijke normen niet toepasselijk.
Dit betreft hoe dan ook een gebrekkige motivering.
De volière is inderdaad - volgens de meetwijze van de verbalisant, waarvoor
voorbehoud - enkele centimeters te laag, maar met een volume van 17,8 m2 bijna
het
dubbele van de minimumnorm voor dierentuinen. De overige vereisten van die
norm waren wel voldaan.”
Ve rzoeker vat ten slotte het middel als volgt samen:
“De bestreden beslissing schendt art. 42 van de Dierenwelzijnswet, het
zor
gvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel, rechtzekerheidsbeginsel en
fair-play-beginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook
schending van art. 2 en 3 van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke
motivering van bestuurshandelingen, doordat de bestreden beslissing werd
genomen op grond van - en met verwijzing naar - grove onwaarheden, minstens
feiten dewelke geenszins deugdelijk, zorgvuldig en genoegzaam werden
onderzocht en/ of vastgesteld.
Het mag duidelijk zijn dat de bestreden beslissing is aangetast door een ernstig
gebrek in de motivering en door een pertinente schending van het
zorgvuldigheidsbeginsel, nu deze werd genomen op van een bedenkelijk en
onvolledig dossier, met verwijzing naar feiten dewelke geenszins deugdelijk,
zorgvuldig en genoegzaam werden onderzocht en/ of vastgesteld.
Door het gebruik van onzorgvuldige, onduidelijke en vage bewoordingen is de
bestreden beslissing bovendien onmiskenbaar behept met een gebrek aan duidelijk
en voldoende motivering en een manifeste schending van het
zorgvuldigheidsbeginsel.
Doordat verzoeker absoluut niet weet wat er van hem verlangd wordt en de open
normen in de bestreden beslissing zeer liberaal worden ingevuld, is er een
schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
XII-9530-10/27 Doordat de overheid zich allerminst onpartijdig heeft opgesteld bij het nemen van
de
bestreden beslissing, er alzo niet de noodzakelijke openheid en eerlijkheid in
acht is genomen, is het fair-play-beginsel geschonden.
Van enige afdoende motivatie van een drastische maatregel kan dan ook geen
sprake zijn.”
5. I
n de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker:
“1. Verwerende partij stelt ten onrechte dat de hierboven ontwikkelde
ar
gumentatie gericht is tegen de beslissing tot inbeslagname, die niet het voorwerp
uitmaakt van onderhavige procedure.
De feiten die tot het beslag hebben geleid maken onlosmakelijk deel uit van de
bestemmingsbeslissing en dienen bijgevolg uitgebreid toegelicht te worden om de
gebrekkigheid van de bestemmingsbeslissing aan te tonen.
Verzoeker voelt zicht gegriefd omdat hem niet duidelijk gemaakt is wat hij na het
beslag in orde diende te maken. Verzoeker leverde belangrijke inspanningen, maar
die werden als onvoldoende geapprecieerd, hetgeen in die zin gemotiveerd werd
in de bestemmingsbeslissing.
De uiteindelijke bestemmingsbeslissing wordt wel degelijk bestreden. Deze wijst
de dieren toe aan het opvangcentrum op grond van een gebrekkige motivering,
zowel in feite als in rechte.
Het middel is wel degelijk ontvankelijk en gegrond.
2. Voorts stelt verwerende partij ten onrechte dat de motivering in haar geheel
afdoende is.
Het mag echter duidelijk zijn dat indien de overheid op een dergelijke manier haar
maatregelen motiveert, dat er geen particulier bezit van dieren meer mogelijk is.
3. Verwerende partij meent dat verzoekende partij wel voldoende instructies heeft
gekregen om de nodige aanpassingen te doen.
Nogmaals, van een overheid mag je verwachten dat er afdoende en concreet wordt
geduid wat men verwacht.
De e-mail die verwerende partij als stuk nr. 5 in onderhavige procedure voorbrengt
en waarin verzoekende partij stelt ‘Toen werd me gezegt (sic.) wat ik allemaal in
orde moest brengen om deze terug te kunnen krijgen’, doelt op hetgeen de
vrijwilliger van (die geen ambtenaar of
overheidspersoneel is) hem gezegd heeft, namelijk ‘dat ze meneer hebben
verwezen naar het internet voor de juiste regels’ […].
Verzoeker heeft zich zo goed mogelijk zelf proberen informeren en inspanningen
geleverd, doch de bestemmingsbeslissing lag op voorhand klaar.
4. De rode draad doorheen de bestemmingsbeslissing is dat verzoeker zogezegd
onvoldoende inzicht heeft.
Het is tergend dat in de bestemmingsbeslissing oorzaak en gevolg worden
omgedraaid.
De herten mankten door de vangstwijze, niet voordien.
Toch wordt er zuiver hypothetisch gesteld dat (de damherten zich mogelijks (sic.)
gekwetst hebben aan het schadelijk materiaal op de weide: Betrokkene had dit nog
niet opgemerkt of had nog niet de nodige stappen gezet om de dieren te laten
nakijken door een dierenarts’.
Samengevat:
De bestreden beslissing is enkel opgehangen aan een vage motivering, gestoeld
op een hypothetische vrees voor een niet-nakoming van niet nader gespecifieerde
vereisten. De bestreden beslissing is zelfs gemotiveerd op basis van niet
XII-9530-11/27 toepasselijke vereisten, zoals de dierentuinnormen. Hierdoor is de formele
mot
iveringsplicht geschonden. Het is kennelijk onredelijk om op basis van
hetgeen van bewezen feiten overblijft te besluiten dat de in beslag genomen dieren
niet mogen terugkeren naar hun eigenaar, doch toegewezen worden aan een
opvangcentrum.
De bestreden beslissing is daardoor overduidelijk behept met een foutieve
motivering en ontbeert doordoor de noodzakelijke, deugdelijke en afdoende
motivering zoals vereist in art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991.”
6. In de laatste memorie stelt verzoeker dat er wel degelijk sprake
is van kwade trouw bij het onzorgvuldig optreden van de overheid. Het oordeel
van een ideologisch gekleurde vrijwilligersorganisatie wordt voor waar genomen,
ook al hebben die “vaststellingen” geen bijzondere bewijswaarde. De verwijzing
van het auditoraat naar artikel 4 van de wet van 14 augustus 1986 is volgens de
verwerende partij niet dienstig. Dit wetsartikel bevat open normen, die volledig
arbitrair zijn ingevuld. Zo struikelt men over het feit dat de volières volgens een
zuiver indicatieve norm een paar centimeters te laag zouden zijn, maar wordt er
voorbijgegaan aan het feit dat de volières wel dubbel zo lang zijn als wat diezelfde
zuiver indicatieve norm voorziet. Alsook wordt met geen woord gerept over het
feit dat niet-toepasselijke dierentuinnormen zijn aangewend in de motivering.
Verzoeker wijst erop dat de constatering van de ara’s bek- en vederrot niet
gebeurde bij de inbeslagname, maar pas twee maanden later. De incubatietijd van
bek- en vederrot is twee tot drie weken. De ara heeft deze besmetting volgens
verzoeker in het opvangcentrum opgelopen.
Beoordeling
7. De uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel
of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die volgens verzoeker werd geschonden, als
de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing
werd geschonden. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is minstens vereist dat
summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing
wordt aangegeven. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig
te formuleren strekt ertoe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke
procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen.
XII-9530-12/27 Het komt overigens niet aan de Raad van State toe om uit een juridisch niet
onde r
bouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren.
In zoverre verzoeker een schending aanvoert van artikel 42 van
de wet van 14 augustus 1986 is het middel onvoldoende duidelijk. Verzoeker kaart
weliswaar aan dat deze bepaling open normen bevat en dat er doordoor te veel
ruimte is voor willekeur, maar daarmee levert hij kritiek op de wet, zonder verder
te verduidelijken waarom artikel 42 van de wet van 14 augustus 1986 geschonden
is.
Het middel is in die mate niet-ontvankelijk.
8. Voor zover verzoeker de beslissing tot inbeslagname
bekr
itiseert, wordt erop gewezen dat artikel 42, § 3, van de wet van 14 augustus
1986 luidde:
“Het in paragraaf 1 bedoelde beslag wordt van rechtswege opgeheven door
de i
n paragraaf 2 bedoelde beslissing of, bij het uitblijven van dergelijke
beslissing, na een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van
inbeslagname”.
Uit deze bepaling volgt dat het beslag in dit geval van rechtswege
opge he
ven is. In die omstandigheid, waarin de beslissing tot inbeslagname geen
gevolgen meer heeft, zijn de grieven van de verzoeker gericht tegen die beslissing
niet-ontvankelijk.
9. Krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 moeten
eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur
en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een
ander bestuur, uitdrukkelijk worden gemotiveerd, wat inhoudt dat in de akte de
juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing
ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn.
XII-9530-13/27 De formelemotiveringsplicht is een doelnorm: ze moet de
betrokkene toelaten de concrete redenen te achterhalen die het bestuur tot de
beslissing hebben geleid. Nog anders gesteld, strekt de formelemotiveringsplicht
ertoe de betrokkene een zodanig inzicht te verschaffen in de redenen waarom een
voor hem ongunstige beslissing is genomen, dat hij zich, met de ter beschikking
staande rechtsmiddelen, tegen die beslissing kan verweren door aan te tonen dat de
tot uiting gebrachte motieven niet gegrond zijn.
Opdat die verplichting haar doel zou bereiken, dient de
motivering die in de beslissing is opgenomen duidelijk te zijn, dat wil zeggen
nauwkeurig en concreet de fundamentele redenen aangeven die de beslissing
kunnen verantwoorden.
Zo ook is vereist dat de motivering de bestuurde toelaat na te
gaan of het bestuur is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of
het deze feiten correct heeft beoordeeld, of het in voorkomend geval de
geformuleerde bezwaren heeft onderzocht en of het op grond daarvan in
redelijkheid tot zijn beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis
van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een
annulatieberoep te bestrijden.
Eén zaak is het, of in de beslissing een motief wordt uitgedrukt
dat als zodanig draagkrachtig is, een andere zaak is het of dit formele motief ook
strookt met de gegevens van het dossier – of het met andere woorden voldoende
feitelijke grondslag heeft. Het moet werkelijk bestaande, concrete feiten betreffen
die door het bestuur met de nodige zorgvuldigheid worden vastgesteld.
De vraag of het bestuur kan aantonen dat het bij zijn
besluitvorming rekening heeft gehouden met concrete gegevens die het formele
motief terdege onderbouwen en die aldus de wettigheidstoets van dat motief
mogelijk maken, is een zaak van de materiëlemotiveringsplicht.
XII-9530-14/27 Indi en een beslissing verwijst naar onbestaande of onvoldoende
bewezen feiten, dan is de formele motivering uit zijn aard niet afdoende én is ook
het materiëlemotiveringsbeginsel geschonden.
10. De bestreden beslissing stelt dat “de dieren niet gehouden
werden volgens hun ethologische en fysiologische behoeften waardoor hun welzijn
gedurende geruime tijd geschaad werd”. Tevens wordt vastgesteld dat verzoeker
“geen inzicht toont in de gebreken, noch in de noden van de dieren”. De bestreden
beslissing besluit na een uitgebreide opsomming van diverse vaststellingen naar
aanleiding van diverse controles dat er “onvoldoende garanties zijn dat het welzijn
van de dieren gewaarborgd kan worden, waardoor een teruggave onverantwoord
zou zijn”. Verzoeker kan op basis hiervan de concrete redenen achterhalen die het
bestuur tot de beslissing hebben geleid.
11. Verzoeker stelt dat de feiten geenszins deugdelijk, zorgvuldig en
genoegzaam werden onderzocht. Zo wijst verzoeker erop dat hij geen instructies
heeft gekregen over hetgeen moest veranderen na de controle op 1 maart 2024 naar
aanleiding waarvan overtredingen op het dierenwelzijn werden vastgesteld.
Artikel 4 van de wet van 14 augustus 1986 luidde:
“§ 1. Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de
nodige
maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn
fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad
van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en
huisvesting te verschaffen.
§ 2. Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te
verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels
is blootgesteld.
Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten,
moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met
zijn fysiologische en ethologische behoeften.
[…]”.
Ve rzoeker was ertoe gehouden om alle op hem rustende
verplichtingen die volgen uit zijn eigen beslissing om dieren te houden, na te
komen. Verzoeker kon op grond van die bepaling weten wat van hem verlangd
XII-9530-15/27 werd, zodat geen sprake is van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
Hi
j mag de concretisering van deze bepaling niet afwimpelen op de verwerende
partij. Het komt verzoeker toe de nodige maatregelen te nemen om ara’s,
damherten, struisvogels, woestijnbuizerds en kookaburra’s in overeenstemming
met hun aard, hun fysiologische en ethologische behoeften, hun
gezondheidstoestand en hun graad van ontwikkeling, aanpassing of domesticatie,
aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. De omstandigheid
dat verzoeker “digibeet” is, ontdoet hem niet van de voormelde verplichtingen ten
gevolge van zijn beslissing om die betrokken dieren te houden.
12. Het is correct dat verzoeker na de inbeslagname maatregelen
heeft genomen, wat ook wordt erkend in de bestreden beslissing, maar volgens de
verwerende partij is de huisvesting nog steeds onvoldoende. Daarbij mag het
bestuur rekening houden met het feit dat al in 2017 een onaangepaste huisvesting
van de destijds aanwezige dieren werd vastgesteld. De bestreden beslissing
motiveert onder meer dat “er nog steeds materiaal ligt in de weide van de
damherten”, dat “[d]e weide van de struisvogel nog steeds erg drassig [is]” en “[e]r
geen alternatief [is] om de vogel correct te huisvesten”, dat de verblijven van de
vogels “meer dan [zeven] werken na de inbeslagname nog steeds onvoldoende”
zijn. Verzoeker weerlegt deze vaststellingen niet (zie infra).
13. Volgens verzoeker mag geen “globale beslissing” worden
genomen inzake de dieren, maar moet per individueel dier worden gemotiveerd
waarom de betrokken bestemmingsbeslissing nodig en noodzakelijk is. In het
verzoekschrift gaat verzoeker over tot een kritiek per dier.
Wat betreft de kritieken die verzoeker uit op verschillende
aspecten van de motivering, moet hij vooreerst voor ogen houden dat de Raad van
State van oordeel is dat een beslissing in beginsel wordt ondersteund door het
geheel van haar motieven en niet door een of meerdere overwegingen daarvan. Met
kritiek op elk motief afzonderlijk kan een verzoeker ipso facto nog niet aantonen
dat de motivering in haar geheel de bestreden beslissing niet kan schragen.
XII-9530-16/27 Di e kritieken worden nu onderzocht om na te gaan of de
motivering van de bestreden beslissing in haar totaliteit moet worden verworpen.
14. Wat betreft de ara’s, is verzoeker “verbaasd” dat er bek- en
vederrot is vastgesteld.
In casu is het niet noodzakelijk om te oordelen of de ara’s bek-
en vederrot hebben opgelopen bij verzoeker, dan wel in het asielcentrum,
aangezien de bestreden beslissing daarover geen standpunt inneemt. In zoverre
verzoeker het tegenovergestelde aanvoert, gaat hij uit van een foute lezing van de
bestreden beslissing. In elk geval verneemt de inspectiedienst op 23 april 2024 van
de dierenarts, op grond van een labo-onderzoek dat een ara leed aan een
besmettelijke ziekte, die hierdoor pijn kon lijden, waardoor dat dier moest worden
geëuthanaseerd. De bestreden beslissing stelt dit enkel en alleen vast, zonder aan
te geven dat de ziekte noodzakelijkerwijze reeds aanwezig was toen ze bij
verzoeker verbleven. De bestreden beslissing verwijst echter ook naar het
dierenartsenverslag bij de inbeslagname waaruit blijkt dat de ara’s toen reeds
vederafwijkingen hadden. Deze vaststelling wordt door verzoeker niet betwist. De
niet-onderbouwde argumentatie dat de “geplukte” ara een normale doch flirtende
ara was, is niet van aard om het oordeel van de dierenarts, waarop de verwerende
partij zich heeft gesteund, terzijde te schuiven.
Voorts is het gegeven dat ondertussen de volières zijn aangepakt,
met verrijkingsmateriaal, niet dienstig voor de beoordeling van de wettigheid van
de bestreden beslissing op het moment dat die werd genomen.
15. Inzake de damherten wijst verzoeker op de droge stal die
aanwezig was, ondanks de modderige wei, en de goede gezondheid waarin die
verkeerden.
Daarmee wordt niet weerlegd dat de stal die misschien droog
was, moeilijk te bereiken was op het moment van de vaststellingen op 1 maart
2024, zoals uitdrukkelijk opgenomen in de bestreden beslissing, waarin tevens
ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.885 XII-9530-17/27 wordt gewezen op de glasscherven, het steenpuin, de houten panelen en het
gl
aswerk met scherpe punten in de weide. Bij de hercontrole op 17 april 2024 wordt
geconstateerd dat er nog steeds materiaal ligt in de weide van de damherten.
In het proces-verbaal van de vaststellingen van 1 maart 2024 is
te lezen:
“
Wij treffen een aantal halve vaten aan die verspreid staan over de weide. Hierin
zit drinkwater voor de herten, echter een dikke groene aanslag siert de binnenkant
van al deze vaten. Ze hebben dus toegang tot drinkwater, maar het water is
allesbehalve proper.
Wij zien nergens voer liggen voor de herten en de droge stukken van de weide zijn
kaalgegeten. Wij kunnen de herten niet van dichtbij bekijken om een algemeen
beeld te krijgen van hun fysieke toestand. Wel stellen wij vast dat geen enkel hert
een oormerk draagt, hetgeen verplicht is”.
H et interventieverslag van het team dat de dieren op 4 maart
2023 ophaalde, meldt:
“Bij aankomst troffen wij meteen damherten aan in erbarmelijke omstandigheden.
D
e dieren waren zeer mager en hadden een doffe, vuile vacht. Volgens de eigenaar
kwam dit door de bronst die pas geweest was. (Ter info: de bronst van het damhert
is van half oktober tot begin november). Hier en daar konden we enkele kale
plekken waarnemen (schuren?). De weide waar de dieren in vertoefden kunnen
we met niets anders vergelijken dan een vuilnisbelt. Overal lagen stukken metaal,
hout en zelfs glas verspreid waar de dieren zich zeer makkelijk aan kunnen
verwonden. Daarnaast stond 3/4de van de weide onder water of was ze zeer
sompig. Op het diepste punt stonden de damherten tot aan hun knieën in het water.
Gras was er amper te bespeuren. De dieren hadden beschikking over een kleine
stal van 2,5m x 2,5m en was voorzien van proper stro. Echter was er geen hooi
voorzien voor de dieren bij te voederen gezien er geen gras aanwezig was. De
dieren werden verdoofd gezien vangen met netten een onbegonnen zaak was in
deze drassige weide. Helaas stierf 1 bok tijdens het transport naar het
Natuurhulpcentrum. Vermoedelijke oorzaak: reactie op medicatie door zwakte of
ouderdom”.
M et het louter tegenspreken van de voornoemde vaststellingen
kan verzoeker het vermoeden van wettigheid dat kleeft aan de bestreden beslissing
en de erin opgenomen motieven, niet doen wankelen. Dat bepaalde darmherten
klachten ondervonden ten gevolge van de inbeslagname, en één hert zelfs overleed,
is in werkelijkheid een gevolg van de overtredingen op het dierenwelzijn die door
verzoeker werden begaan.
XII-9530-18/27 16. Wa t de struisvogel betreft, wijst verzoeker wederom op de goede
conditie van het dier. Er kan dienvolgens opnieuw worden gewezen op wat reeds
is overwogen inzake artikel 4, §§ 1 en 2, van de wet van 14 augustus 1986, namelijk
dat de verplichting van diegene die heeft beslist om dieren onder zich te houden,
niet is beperkt tot dat aspect.
Nogmaals wijst verzoeker erop dat hij geen instructie had
ontvangen over het vereiste om struisvogels minimaal per koppel te houden. Er kan
ook hier worden hernomen wat al is overwogen inzake het vereiste om zelf in te
staan voor de naleving van artikel 4, §§ 1 en 2, van de wet van 14 augustus 1986;
het komt niet aan de verwerende partij toe ome verzoeker te instrueren inzake de
voorwaarden voor het houden van struisvogels.
17. Betreffende de woestijnbuizerds wordt opnieuw de goede
conditie ingeroepen. Dat is, zoals reeds in herinnering gebracht, niet voldoende om
conform met de vereisten van artikel 4, §§ 1 en 2, van de wet van 14 augustus 1986
te handelen.
Voorts erkent verzoeker dat de volières van de woestijnbuizerds
niet in overeenstemming zijn met de huisvestingsvereisten opgenomen in het
besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2018 ‘betreffende het welzijn van in
gevangenschap gehouden roofvogels’ (hierna: besluit van 15 juni 2018). Het
“voorbehoud” dat hij maakt in het verzoekschrift wat betreft de meetwijze
aangewend door de verbalisant, kan niet volstaan om de bevindingen van het
bestuur terzijde te schuiven. Verzoeker voert in de laatste memorie nog aan dat de
verwerende partij struikelt over het feit dat de volières volgens een zuiver
indicatieve norm enkele centimeters te laag zouden zijn, maar voorbijgaat aan het
feit dat ze dubbel zo lang zijn als vereist. Overeenkomstig artikel 7 van het besluit
van 15 juni 2018 “voldoen de dierenverblijven aan de minimumnormen, vermeld
in bijlage 1 bij dit besluit”. Die bijlage bevat zowel normen inzake minimale
hoogte, breedte en lengte. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, gaat het niet
om louter indicatieve, maar om bindende normen, waaraan de volières volgens de
XII-9530-19/27 bestreden beslissing niet voldoen. Verzoeker toont gelet op het voorgaande niet
aa
n dat de motivering inzake de woestijnbuizerds niet deugt.
18. Met betrekking tot de kookaburra’s wordt gewezen op de
normale conditie. Dit is zoals eerder vermeld niet voldoende.
Met de kritiek op de bepaling van de wijze waarop de afmetingen
van de volière van de kookaburra’s worden berekend, met name door te verwijzen
naar de dierentuinnormen, kan verzoeker geen doel treffen, omdat in de bestreden
beslissing niet zozeer die afmetingen op de korrel worden genomen maar vooral
de toestand waarin de kookaburra’s zich bevonden. In de bestreden beslissing is te
lezen:
“In 2 volières zitten 2 woestijnbuizerds en 2 kookaburra’s zonder water of voedsel;
[…
]
Het hok van de kookaburra’s hangt vol met resten van kuikens, de geur is stevig.
De dieren zijn mager; het borstbeen is goed te voelen”.
19. Ve rzoeker wijst erop dat de vele regen in de periode maart 2024
als overmacht moet worden beschouwd. Om dat te aanvaarden, moet verzoeker
zelf aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om de slechte toestand waarin
de dieren verkeerden, ten gevolge van de overvloedige regen, te vermijden.
Overmacht kan immers niet worden aangenomen indien de persoon die zich voor
een of andere handeling of gedraging op de overmacht beroept, zichzelf vrijwillig,
opzettelijk, door nalatigheid of door een gebrek aan voorzichtigheid in die toestand
van overmacht heeft geplaatst. Kortom, het kenmerk van overmacht is een
gebeurtenis die niets van doen heeft met verzoeker, en die niet voorzien, verhinderd
of overwonnen kon worden. De bewijslast van het bestaan van overmacht ligt bij
verzoeker.
Het enkel verwijzen naar de hevige regenval volstaat niet om aan
te nemen dat door die situatie verzoeker niet langer hoefde te voldoen aan het
bepaalde in artikel 4, §§ 1 en 2, van de wet van 14 augustus 1986. Daarbij mag niet
uit het oog worden verloren dat, zelfs in het geval de bewering van verzoeker dat
XII-9530-20/27 de dieren in goede conditie verkeerden, wordt gevolgd, onder meer omdat ze
voldoe
nde voedsel ter beschikking hadden, voornoemd artikel 4, §§ 1 en 2, niet is
beperkt tot dat aspect, want iemand die dieren houdt, moet de nodige maatregelen
nemen om die in overeenstemming met hun aard, hun fysiologische en
ethologische behoeften, hun gezondheidstoestand en hun graad van ontwikkeling,
aanpassing of domesticatie, tevens aangepaste voeding, verzorging en huisvesting
te verschaffen. Evenmin mag de bewegingsvrijheid van die dieren zodanig worden
beperkt dat die aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels zijn blootgesteld. Wanneer
de dieren gewoonlijk of voortdurend worden vastgemaakt of opgesloten, moeten
ze voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met hun
fysiologische en ethologische behoeften.
20. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker de verschillende
motieven niet weerlegt, laat staan dat hij aan de hand van de kritiek op
onderscheiden motieven afzonderlijk aantoont dat de motivering in haar geheel de
bestreden beslissing niet zou schragen. Daarbij mag niet uit het oog worden
verloren dat artikel 4, §§ 1 en 2, van de wet van 14 augustus 1986 meer oplegt dan
louter een goede gezondheidstoestand van de dieren die men onder zich houdt. Dat
ondertussen verzoeker verbeteringen zou hebben aangebracht aan de situatie
waarin de dieren werden gehuisvest, kan niet dienstig worden ingeroepen voor de
beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing op het moment dat ze
werd genomen.
Verzoeker toont geen schending van artikel 2 en 3 van de wet
van 29 juli 1991 en het “motiveringsbeginsel” aan.
21. In zoverre fair play als een beginsel van behoorlijk bestuur zou
dienen te worden beschouwd, veronderstelt een gebrek aan fair play alleszins onder
meer dat de overheid met opzet zou hebben gepoogd verzoeker in de uitoefening
van zijn rechten te belemmeren. Het komt aan verzoeker toe om zulks aan te tonen.
Verzoeker levert dit bewijs niet.
XII-9530-21/27 22. Kr achtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich
gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde
omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur
zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de
beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de
vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht
om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de
feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat
het met kennis van zaken kan beslissen.
Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens
aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het
vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames,
veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om
aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot
stand is gekomen.
Zoals blijkt uit de bespreking hierboven maakt verzoeker niet
aannemelijk dat de handelwijze van het bestuur onzorgvuldig is.
23. Het middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
24. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van
artikel 42 van de wet van 14 augustus 1986 en van het “redelijkheidsbeginsel en
het proportionaliteitsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”.
In eerste instantie stelt verzoeker dat het redelijkheidsbeginsel is
geschonden omdat verzoeker reeds grote inspanningen heeft geleverd zonder dat
hij daartoe concrete instructies heeft gekregen. Indien men nog iets van hem had
XII-9530-22/27 verlangd, zou hij zich hebben geconformeerd. Er wordt nergens afdoende
gem
otiveerd dat er een concreet en actueel gevaar is voor dierenwelzijn. Men haalt
volgens verzoeker oude koeien uit de sloot om verzoeker te diaboliseren.
Voortgaand op het redelijkheidsbeginsel moet men rekening houden met het
gegeven dat oude feiten aan belang en zwaarwichtigheid inboeten.
Vervolgens ontwaart verzoeker ook een schending van het
proportionaliteitsbeginsel omdat er geen relevante of actuele elementen
voorhanden zijn die wijzen op de aanwezigheid van een potentieel gevaar voor het
dierenwelzijn.
Verzoeker vat het middel ten slotte als volgt samen:
“De bestreden beslissing schendt art. 42 van de Dierenwelzijnswet, het
re
delijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel, doordat niet wordt
aangetoond dat er in hoofde van verzoekende partij een werkelijk risico voor het
dierenwelzijn is.
De door de bestreden beslissing aangehaalde motieven kunnen geenszins in
redelijkheid een drastische maatregel aangaande het dierenbezit in hoofde van
verzoekende partij verantwoorden.
De bestreden beslissing staat niet in redelijk en proportioneel verband tot de
aangehaalde (vermeende) feiten en motieven.
De feiten welke aangehaald worden ten nadele van verzoekende partij kunnen
geen van allen, noch allen samen, noch afzonderlijk volstaan om in redelijkheid te
oordelen dat het bezit van de vermelde dieren in hoofde van verzoekende partij
een potentieel gevaar zou kunnen opleveren voor het welzijn van die dieren.”
25. Ve rzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord:
“Zoals door verzoekende partij al uiteengezet bij het eerste middel, werd de
bes
treden beslissing genomen op grond van veronderstellingen in plaats van
bewezen feiten, meer specifiek wegens een hypothetische vrees voor een
niet-nakoming van niet nader gespecifieerde vereisten.
Verwerende partij stelt dat de mogelijkheid bestaat om een waarschuwing te
geven, doch dat er geen verplichting is om steeds een waarschuwing te geven
vooraleer een bestemmingsbeslissing genomen wordt.
De genomen maatregel is zodanig ingrijpend dat deze disproportioneel is, gelet op
de alternatieven die mogelijk waren.
Door dit wel te doen, is de bestreden beslissing daardoor overduidelijk behept met
een onzorgvuldige motivering en ontbeert doordoor de noodzakelijke, deugdelijke
en afdoende motivering zoals vereist in art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991.”
XII-9530-23/27 26. In d e laatste memorie voegt verzoeker het volgende toe:
“Als het over dieren gaat, laaien de emoties snel op.
Ook
het Auditoraat laat zich meeslepen. Opvallend is de volgende passage op p.
19 onder randnummer 29:
“’Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat de verwerende partij wordt
geconfronteerd met een houder van dieren, die de mening is toegedaan - zoals
blijkt uit het proces-verbaal van de vaststellingen van 1 maart 2024 -dat roofvogels
niet drinken en dus geen water nodig hebben; ( .)’
Het Auditoraat bouwt de redenering hierop verder:
‘Het gaat hier niet om een houding die als irrelevant of zonder actueel karakter
kan worden beschouwd.”’
Hieruit zou moeten blijken dat er geen zuiver hypothetische vrees is voor
toekomstige niet-nakoming en er geen enkele kans is op betering in hoofde van
verzoeker.
Nu, een eenvoudige zoekactie op Google levert op dat roofvolgels inderdaad niet
drinken en hun vocht uit hun voedsel halen […].
Verzoeker wordt gediaboliseerd op basis van nonsens en de huidige toestand […]
wordt gewoon genegeerd.
De bestreden Bestemmingsbeslissing was absoluut onredelijk en disproportioneel.
Bijgevolg ontbeert de bestreden beslissing daardoor de noodzakelijke,
zorgvuldige, deugdelijke en afdoende motivering, zoals vereist in art. 2 en 3 van
de Wet van 29 juli 1991, waardoor deze vernietigd dient te worden.”
Be oordeling
27. Een schending van het redelijkheidsbeginsel – of van het
evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is – als algemeen
beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de
beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat het de hem
toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt.
Van een schending van het redelijkheidsbeginsel en van het
evenredigheidsbeginsel kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is
vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt
van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat
tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een
andere zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die
besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de
uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te
gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke
gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt
XII-9530-24/27 de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die
van he
t bevoegde bestuur.
De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of
de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit
de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft
aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten
die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids-
of evenredigheidsbeginsel miskent.
28. Gelet op de vaststellingen waarop de bestreden beslissing steunt,
wordt niet aangenomen dat de verwerende partij de perken van de redelijkheid is
te buiten gegaan door de beslissing om de dieren in volle eigendom aan een
dierenasiel te geven. Dit is een van de mogelijkheden die haar door de wetgever
zijn toegekend. In de bestreden beslissing wordt onder meer gemotiveerd dat er
nog steeds materiaal in de weiden van de damherten ligt, dat de weide van de
struisvogel nog steeds erg drassig is en er geen alternatief is, dat er geen verrijking
is voor de vogels, dat de betrokkene de magere voedingstoestand niet opmerkt en
bijstuurt (waardoor er geen garanties zijn voor de toekomst), dat de huisvesting
nog steeds onvoldoende is, dat er slechts één struisvogel is, terwijl struisvogels
uitgesproken groepsdieren zijn en minimaal per koppel gehouden moeten worden.
Verzoeker toont in het licht daarvan niet aan dat er geen relevante of actuele
elementen voorhanden zijn om te beslissen dat er “onvoldoende garanties zijn dat
het welzijn van de dieren gewaarborgd kan worden”.
Verzoeker poogt de onredelijkheid van de verwerende partij in
de laatste memorie nog aan te tonen door te stellen dat roofvogels niet drinken en
hun vocht uit hun voedsel halen. “Een eenvoudige zoekactie op Google” zou
volstaan om dit aan te tonen. Google, en meer bepaald het door verzoeker
voorgelegd en wellicht door A.I. geschreven stuk, vormt in dit geval geen
voldoende betrouwbare bron om het drinkgedrag van de specifieke roofvogels met
de vereiste nauwkeurigheid te omschrijven en te bewijzen. Bovendien blijkt uit het
voorgelegde stuk dat je bepaalde roofvogels “soms kan zien drinken” in extreme
XII-9530-25/27 weersomstandigheden. Zelfs al zou de stelling van verzoeker dat roofvogels niet
dri
nken en hun vocht uit hun voedsel halen, gevolgd moeten worden, dan nog
volstaat deze enkele vaststelling niet om te besluiten dat de verwerende partij gelet
op het geheel van de gemaakte vaststellingen, onredelijk gehandeld heeft.
29. Het tweede middel is ongegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
30. In een derde middel voert verzoeker de schending aan van artikel
42 van de wet van 14 augustus 1986 en van “het redelijkheidsbeginsel en
vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”.
Verzoeker betoogt dat hij in de oprechte overtuiging was dat hij
vrijwillig de nodige inspanningen had geleverd. Hij had zich naar best vermogen
geconformeerd. Evident heeft hij geen controle over het weer. Nu alsnog een
bestraffing (onder het mom van een preventieve maatregel) opleggen, schendt het
redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
31. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat hij
zich “over de ontvankelijkheid en gegrondheid van dit middel gedraagt naar de
wijsheid.”
32. In de laatste memorie merkt verzoeker op dat het zich “gedragen
naar de wijsheid” allerminst aangeeft dat verzoeker niet langer zou aandringen op
de gegrondbevinding. De bestreden beslissing zou geen sanctie mogen zijn, doch
wordt zo toegepast, vermits enig preventief oogmerk onvoldoende gemotiveerd
kan worden.
XII-9530-26/27 Be oordeling
33. Een bestemmingsbeslissing is een bestuurlijke maatregel in het
kader van de volksgezondheid en de diergeneeskundige politie. Zoals blijkt uit de
beoordeling van het eerste middel, motiveert de bestreden beslissing afdoende
waarom de beslissing noodzakelijk is om het welzijn van de dieren te waarborgen.
In het middel wordt ten onrechte uitgegaan van de veronderstelling dat de
bestreden beslissing een sanctie is. Het middel berust op een verkeerd
uitgangspunt.
34. Het derde middel is niet gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring,
begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een
rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende
partij.
XII-9530-27/27 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier juli tweeduizend vijfentwintig, door
de R
aad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
, kamervoorzitter,
, staatsraad,
, staatsraad,
bijgestaan door
, griffier.
De griffier De voorzitter