ARR:Dossier: BM 4071.1191
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2025-09-23
🌐 FR
Vonnis
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950
Volledige tekst
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 2
In d
e zaak van het openbaar ministerie en
de EISER TOT HERSTEL :
GEMEENTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN
met kantoor te
eiser tot herstel, vertegenwoordigd door , gemeentelijk
stedenbouwkundig inspecteur
BEKLAAGDEN :
1. , RRN
geboren
van Bulgaarse nationaliteit
ingeschreven te
eerste beklaagde, vertegenwoordigd door meester , advocaat te
2. , RRN
geboren
van Bulgaarse nationaliteit
ingeschreven te
tweede beklaagde, vertegenwoordigd door meester , advocaat te
TENLASTELEGGINGEN
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
A optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van
onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 3
vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk
op h
et perceel gelegen te , kadastraal gekend als
eigendom van , geboren )
en van , geboren ,
beiden wonende te , bij aankoopakte van 25/01/2019
verleden door notaris te
1 een houten berging van ongeveer 2m bij 3m te hebben opgericht voor de garage, tot tegen
de haag op de perceelsgrens
te in de periode van 15 januari 2019 tot 10 april 2019 (datum aankoop-datum
constructie eerst zichtbaar op Geopunt, st. 177)
door
2 de veranda te hebben gebouwd, aanvankelijk zonder voorafgaande vergunning en nadien
een halve meter dieper te hebben uitgevoerd dan vergund, alsook geen hemelwaterput met
een inhoud van 5.000 liter te hebben uitgevoerd in strijd met de omgevingsvergunning
verleend op 9 januari 2020
te in de periode van 7 oktober 2019 tot 2 maart 2021 (datum vaststelling aanvang
bouwwerken-datum constructie eerst zichtbaar op Geopunt, st. 177)
door
,
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
B opsplitsen van woning of in gebouw aantal woongelegenheden wijzigen zonder of in strijd
met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het opsplitsen van een woning of het wijzigen in een gebouw van het
aantal woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of
een alleenstaande, ongeacht of het gaat om een eengezinswoning, een etagewoning, een
flatgebouw, een studio of een al dan niet gemeubileerde kamer, hetzij zonder voorafgaande
stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor
stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden,
hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval,
vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval
van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk
op het perceel gelegen te kadastraal gekend als
eigendom van geboren
en van , geboren ,
beiden wonende te bij aankoopakte van
verleden door notaris te
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 4
het
gelijkvloers van de woning te hebben heringedeeld in een keuken en drie slaapkamers,
waarvan één slaapkamer in de veranda, achter de keuken het toilet te hebben uitgebreid tot
een badkamer. Op de verdieping een tweede badkamer, een slaapkamer en een tweede
keuken te hebben ingericht, m.o.o. bewoning door de moeder van Dimitrov Rosen
te in de periode van 7 oktober 2019 tot 6 oktober 2020 (datum vaststelling aanvang
bouwwerken-datum vaststelling voltooiing)
door
,
(art. 4.2.1., 7°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
C gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van grond voor opslaan van gebruikte of
afgedankte voertuigen, allerlei materialen, materieel of afval zonder of in strijd met een
geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor
het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of
afval, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning,
omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor
het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben
uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende
vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben
uitgevoerd, namelijk
op het perceel gelegen te , kadastraal gekend als
, eigendom van geboren )
, en van , geboren ,
beiden wonende te , bij aankoopakte van 25/01/2019
verleden door notaris te
in de tuinzone meer dan 10m ³ afbraakmateriaal te hebben gestapeld
(art. 4.2.1., 5°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
te in de periode van 7 oktober 2019 tot en met 31 maart 2023
door ,
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 5
D Al
gemeen Bouwreglement
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening handelingen te hebben uitgevoerd in strijd met een ruimtelijk uitvoe-
ringsplan als vermeld in titel II, hoofdstuk II, of met de stedenbouwkundige en verkavelings-
verordeningen, vermeld in artikel 2.3.1 tot en met 2.3.3, tenzij de uitgevoerde handelingen
vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2.,6°, namelijk
op het perceel gelegen te
igendom van geboren
, en van , geboren
beiden wonende te , bij aankoopakte van 25/01/2019
verleden door notaris te
1 in strijd met art. 13 van het algemeen bouwreglement van en in strijd met
voorwaarden van de verleende vergunning geen hemelwaterput met een inhoud van 5000
liter te hebben uitgevoerd)
te in de periode van 9 januari 2020 tot 29 juni 2023 (datum vergunning – datum
herstelvordering)
door
2 in strijd met art. 30 van het algemeen bouwreglement van onvoldoende
daglicht te hebben voorzien ten gevolge van de niet vergunde herindeling van de leefruimte
te in de periode van 15 januari 2019 tot 7 oktober 2019 (datum aankoop – datum
vaststellingen)
door
,
(art. 4.2.1.,3°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 2°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
PROCEDURE
De dagvaarding werd op 20 december 2024 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid
te Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp
is van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de
wetgeving inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 6
Het
openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
VOORAFGAANDELIJK
Verbetert de dagvaarding zoals in het beschikkend gedeelte vermeld.
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
1. Overzicht van de feiten
1. Bekl
aagden zijn samen eigenaar van de eengezinswoning in
sinds de aankoop op 25 januari 2019. De woning ligt in woongebied.
Na een melding ging de dienst Toezicht van ter plaatse op 7 oktober 2019. Er
werden volgende handelingen vastgesteld:
- aanvang bouwen van een veranda;
- plaatsen van een houten berging voor de veranda;
- opstapelen van allerhande afbraakmaterialen in de tuinzone;
- geen of onvoldoende daglicht door herindeling van de leefruimte.
Er werd aan beklaagden een brief gestuurd met het verzoek om de bouwovertredingen vrij-
willig op te heffen.
Beklaagden dienden een aanvraag in en bekwamen op 9 januari 2020 een voorwaardelijke
vergunning voor het plaatsen van een veranda.
Op 6 oktober 2020 werd vastgesteld dat dezelfde overtredingen nog steeds aanwezig waren.
Er werden geen verdere werken uitgevoerd aan de veranda. Er werd een brief gestuurd naar
beklaagden waarin hen verzocht werd om vrijwillig de inbreuken op te heffen.
2. Op 29 maart 2023 werden volgende inbreuken vastgesteld op de vergunning en/of het al-
gemeen bouwreglement van :
- De vergunning voor de veranda werd niet nageleefd. De veranda werd een halve
meter dieper uitgevoerd. Ook werd de bijzondere voorwaarde voor het plaatsen
van een hemelwaterput met een inhoud van 5.000 liter niet uitgevoerd.
- Het aantal woongelegenheden werd gewijzigd van 1 naar 2. Door de herinrichting
was er onvoldoende daglicht in de keuken beneden. Eerste beklaagde verklaarde
dat zijn moeder op de eerste verdieping woonde.
- Voor de garage is een houten berging van ongeveer 2 op 3 meter opgericht tot
tegen de haag op de perceelsgrens.
- In de tuinzone was er meer dan 10 m3 allerhande afbraakmaterialen opgestapeld.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 7
3. Op 6 mei 2023 werden beklaagden verhoord. Eerste beklaagde verklaarde dat er reeds een
wa
terput aanwezig was toen zij de woning aankochten. Hij moest enkel nog de pomp en
leidingen naar de woning leggen. De houten berging ging dit weekend afgebroken worden en
het afval/materiaal in de tuinzone ging verwijderd worden. Hij vond het niet erg dat er niet
veel licht in de keuken was maar indien het moest was hij bereid om een lichtkoepel te
plaatsen. Wat de veranda betrof was hij van mening dat deze de juiste afmetingen had. Hij
ging een firma inschakelen om de meting te laten doen en ging erna contact opnemen.
Volgende week zou hij een aanvraag doen om zijn woning te laten registreren als ‘zorgwoning’.
4. De gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur van vordert het herstel, meer
concreet:
- het herstel qua inrichting en gebruik naar eengezinswoning;
- plaatsen van een hemelwaterput van 5.000 liter conform de omgevingsvergunning;
- het betalen van een meerwaarde van 366,06 euro voor de aangebouwde veranda;
- het verwijderen van de houten berging in de tuin;
- staken van het gewoonlijk opslaan van afval en materialen in de tuin;
- verwijderen van alle niet bij de woning horende materialen, materieel en afval in de
tuinzone.
De GSI vordert een dwangsom van 150 euro per dag vertraging.
De herstelvordering verkreeg een positief advies van de Hoge Raad voor de Handhavingsuit-
voering op 22 september 2023.
5. De zaak werd ingeleid op de zitting van 28 januari 2025 en een aantal keren in voortzetting
geplaatst omdat beklaagden de herstelvordering wensten uit te voeren.
Op 12 juni 2025 gebeurde een nazicht door de GSI. Het herstel bleek nog niet te zijn bereikt.
- De beschermde ééngezinswoning was nog ingericht als meergezinswoning. Minstens
de tweede keuken diende volledig te worden uitgebroken.
- De houten berging werd reeds gedeeltelijk afgebroken. Bij een nieuwe meting van de
veranda bleek dat deze echter niet een halve meter te diep werd uitgevoerd maar
slechts 15 cm. De GSI verzocht hieromtrent niet langer een herstel.
- Er bleek inderdaad een hemelwaterput aanwezig te zijn maar deze was niet functio-
neel. Het pompsysteem werkte niet.
- Het in de tuin aanwezige materiaal en afval werd opgeruimd.
Uit nadien neergelegde stukken en foto’s bleek ter zitting van 24 juni 2025 dat inmiddels de
houten berging volledig werd verwijderd. Van de keuken was enkel nog een dampkap aanwe-
zig. Er lag geen bewijs voor van een hemelwaterput met werkend pompsysteem.
De GSI vorderde enkel nog het herstel met betrekking tot het herstel naar gebruik van een
eengezinswoning (concreet de verwijdering van de dampkap) en het herstel met betrekking
tot de plaatsing van een hemelwaterput (concreet een werkend pompsysteem).
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 8
2. Bespr
eking van de schuldvraag
1. Bekl
aagden moeten zich voor de rechtbank verantwoorden wegens verschillende steden-
bouwkundige inbreuken gepleegd op het perceel en aan de woning te
.
Beklaagden voerden over de schuld geen betwisting.
2. Gelet op de vaststellingen ter plaatse op 7 oktober 2019, 6 oktober 2020 en 29 maart 2023
en de foto’s in het strafdossier zijn de tenlasteleggingen in hoofde van beide beklaagden be-
wezen met dien verstande dat de veranda geen halve meter dieper werd uitgevoerd dan ver-
gund, maar slechts 15 cm dieper werd uitgevoerd dan vergund. De rechtbank zal de tenlaste-
legging in die zin verbeteren. Gelet op de initieel foute meting, betreft het hier een materiële
vergissing.
3. Straftoemeting
1. De
rechtbank legt voor elke beklaagde overeenkomstig artikel 65, eerste lid Strafwetboek
één straf op voor de feiten van de tenlasteleggingen A.1, A.2 (zoals verbeterd), B, C, D.1 en D.2
samen.
Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van de
bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden, de eventuele strafverzwarende
factoren en de persoonlijkheid van beklaagden zoals die blijkt uit het strafrechtelijk verleden,
gezinstoestand en arbeidssituatie, voor zover de rechtbank die kent.
De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet
beklaagden ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te plegen.
2. Beklaagden stonden niet stil bij de vergunningsplicht en creëerden een tweede woning in
hun beschermde ééngezinswoning voor een familielid. Zij bouwden een veranda eerst zonder
vergunning en dan (beperkt) in strijd met de vergunning. In strijd met de vergunning
installeerden zij ook geen functionele hemelwaterput. In hun tuin werd een slordig berghok
opgericht zonder vergunning en de tuinzone werd gebruikt voor het stapelen van allerlei
materialen en afval. Deze handelingen waren storend voor de goede ruimtelijke ordening en
de directe omgeving. Beklaagden dachten enkel aan hun eigen belangen.
3. Eerste beklaagde is jaar oud en werd reeds zes keer veroordeeld voor verkeersinbreuken.
Tweede beklaagde is jaar oud en heeft nog een blanco strafverleden. Zij werken beiden
maar hebben het financieel niet breed. Zij verzochten om hen een milde bestraffing op te
leggen.
Enerzijds gelet op de ernst van de feiten en anderzijds gelet op het nog gunstig strafverleden
op stedenbouwkundig vlak en het bijna volledig bereikte herstel, is de hierna bepaalde
geldboete waarvan een groot deel opgelegd wordt met de gunst van het uitstel, passend en
noodzakelijk om beklaagden te weerhouden van nieuwe (stedenbouwkundige) misdrijven.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 9
Beklaagden moeten beseffen dat het uitstel nog kan worden herroepen wann eer zij misdrijven
zouden plegen gedurende de proefperiode die bepaald wordt op drie jaar.
HERSTEL
De rechtbank stelt vast dat de herstelvordering grotendeels zonder voorwerp is. Met betrek-
king tot de veranda vorderde de GSI geen herstel meer. Gelet op de minimale inbreuk zou een
herstel ook kennelijk onredelijk zijn.
Enkel met betrekking tot het gebruik als ééngezinswoning en de plaatsing van een functionele
hemelwaterput is er nog geen volledig herstel vastgesteld. De herstelvordering is op die twee
punten nog actueel.
De rechtbank is van oordeel dat de herstelvordering (zoals hierboven beperkt) niet gesteund
is op motieven die vreemd zijn aan de goede ruimtelijke ordening of die uitgaan van een op-
vatting over de goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is.
De schade die door het bouwmisdrijf is berokkend aan de goede ruimtelijke ordening, kan
slechts worden opgeheven door het uitvoeren van de door de GSI resterende voorgestelde
aanpassingswerken. Hieruit blijkt dat het betalen van een meerwaarde niet volstaat als her-
stelmaatregel.
Nu beklaagden in het verleden talmden om tot het herstel over te gaan, wordt terecht de ver-
beurte van een dwangsom gevorderd bij niet naleving van het bevel tot herstel. De hierna
uitgesproken modaliteiten vormen een gepaste en noodzakelijke aansporing van beklaagden
om tot herstel over te gaan. Rekening houdend met de omvang van de uit te voeren herstel-
werken, voorziet de rechtbank in een hersteltermijn van 6 maanden.
De lange tijd sedert dewelke beklaagden al konden overgaan tot het herstel van de plaats in
de oorspronkelijke toestand en de ruime termijn welke hen hiertoe nog wordt verleend, bren-
gen mee dat er geen reden is om bij toepassing van artikel 1385bis, laatste alinea, Gerechtelijk
Wetboek nog een zekere termijn te bepalen waarna de veroordeelden pas de dwangsom zul-
len kunnen verbeuren.
De rechtbank machtigt de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester om ambtshalve
in de uitvoering van het herstel te voorzien wanneer beklaagden dit niet zelf binnen de ge-
stelde termijn zouden doen (art. 6.3.4, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).
BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
Omdat de door beklaagden gepleegde misdrijven mogelijk schade hebben veroorzaakt, houdt
de rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig artikel 4 van de Voor-
afgaande Titel wetboek van Strafvordering (art. 4 V.T.Sv.).
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 10
TOE
GEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 - Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
art. 1, 2, 3, 7, 38, 39, 40, 41, 65, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen
aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
art. 1 (§1, 2° en §2), 8, 14 §1 Wet van 29 juni 1964;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
VOORAFGAANDELIJK
- Verbetert de tenlastelegging A.2 in de dagvaarding als volgt:
A optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van
onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk
op het perceel gelegen te , kadastraal gekend als
, eigendom van , geboren
, en van
beiden wonende te , bij aankoopakte van 25/01/2019
verleden door notaris te ;
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 11
1 …
2 de v
eranda te hebben gebouwd, aanvankelijk zonder voorafgaande vergunning en nadien 15
centimeter dieper te hebben uitgevoerd dan vergund, alsook geen hemelwaterput met een
inhoud van 5.000 liter te hebben uitgevoerd in strijd met de omgevi ngsvergunning verleend
op 9 januari 2020
te in de periode van 7 oktober 2019 tot 2 maart 2021 (datum vaststelling aanvang
bouwwerken-datum constructie eerst zichtbaar op Geopunt, st. 177)
door ,
(art
. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van , eerste beklaagde
Verk
laart de feiten van de tenlasteleggingen A.1, A.2 (zoals verbeterd), B, C, D.1 en D.2
bewezen.
Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A.1, A.2 (zoals
verbeterd), B, C, D.1 en D.2:
tot een geldboete van 2.400,00 EUR, zijnde 300,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 2 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van
3 jaar , doch slechts voor een gedeelte van 1.600,00 EUR , zijnde 200,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen.
Veroordeelt tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR , zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers va n
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 12
een bijdrage van 24, 00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
solidair met medeveroordeelde tot de kosten van de
strafvordering, op heden begroot op 348,88 EUR.
Ten aanzien van , tweede beklaagde
Verk
laart de feiten van de tenlasteleggingen A.1, A.2 (zoals verbeterd), B, C, D.1 en D.2
bewezen.
Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A.1,
A.2 (zoals verbeterd), B, C, D.1 en D.2:
tot een geldboete van 2.400,00 EUR, zijnde 300,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 2 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van
3 jaar , doch slechts voor een gedeelte van 1.600,00 EUR , zijnde 200,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen.
Veroordeelt tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR , zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
solidair met medeveroordeelde tot de kosten van de strafvordering, op
heden begroot op 348,88 EUR .
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 13
HERST
EL
Stelt vast dat de herstelvordering met betrekking tot de veranda, houten berging en opslag
van materialen en afval zonder voorwerp is.
Beveelt aan op vordering van de gemeentelijk ste-
denbouwkundig inspecteur het herstel door het uitvoeren van aanpassingswerken, meer con-
creet:
- het herstel met betrekking tot de terugkeer naar gebruik van een eengezinswoning
(concreet de verwijdering van de dampkap van de tweede keuken);
- het herstel met betrekking tot de plaatsing van een hemelwaterput (concreet de in-
stallatie van een werkend pompsysteem zodat de hemelwaterput functioneel is).
Beveelt dat het herstel zoals hierboven bevolen gebeurt binnen een termijn van 6 maanden
na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 50
euro per veroordeelde en per dag vertraging in geval van niet-uitvoering van dit vonnis binnen
de gestelde termijn.
De rechtbank machtigt de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester van om
ambtshalve in de uitvoering van het herstel te voorzien wanneer beklaagde dit niet zelf binnen
de gestelde termijn zou doen (art. 6.3.4, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).
OP BURGERLIJK GEBIED
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 23 september 2025 door de
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI:
- , rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting ,
met bijstand van griffier .