ARR:BM 4054.223
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2025-09-23
🌐 FR
Vonnis
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950
Volledige tekst
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 2
In d
e zaak van het openbaar ministerie tegen:
BEKLAAGDEN:
1. , RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
eerste beklaagde, bijgestaan door meester loco meester
beiden advocaat te
2. , RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
tweede beklaagde, bijgestaan door meester loco meester
beiden advocaat te
TENLASTELEGGING
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van
onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk
op het perceel gelegen te , kadastraal gekend als
, eigendom van , geboren
, en van , geboren , beiden
wonende te , bij aankoopakte van 6 december 2019
verleden voor notaris te
een bijgebouw te hebben geplaatst in de zijtuin op de perceelsgrens zonder voorafgaande
vergunning
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 3
(art. 4.1
.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
te in de periode van 20 juni 2020 tot 20 juli 2020
door
,
PROCEDURE
De dagvaarding werd op 5 maart 2025 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te
. Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van de
tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de wetgeving
inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
1. Overzicht van de feiten
1. Op
23 augustus 2022 stelde de verbalisant ruimtelijke ordening vast dat er een bijgebouw
en bijkomende verharding werd geplaatst in zonder vergun-
ning. De houten constructie stond tegen de perceelsgrens. Volgens de orthofo to’s bleek het
geplaatst te zijn tussen 1 april 2020 en 2 maart 2021.
Bij brief van 1 september 2022 werd de eigenaar verzocht het bouwmisdrijf ongedaan te ma-
ken.
Beklaagden verklaarden op 24 oktober 2022 dat zij de opdracht gaven tot bouwen van de fie t-
senstalling, twee bergingen en afdak. De werken zijn op 20 juni 2020 gestart en hebben drie
weken geduurd. Ze dachten dat alles in orde was. Ze hadden vooraf de gemeente gecontac-
teerd. Er werd gezegd dat er geen vergunning nodig was indien de oppervlakte maximaal 40
vierkante meter bedroeg. Ze gingen kijken om een vergunning te bekomen.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 4
Uit
navraag bij de stad Eeklo bleek dat beklaagden op 10 maart 2023 nog steeds geen vergun-
ning hadden aangevraagd.
Op 24 april 2023 verklaarde eerste beklaagde dat hij geen tijd had voor een verhoor en in elk
geval niet ging afbreken. Hij had nog niets ondernomen.
2. Met brief van 8 februari 2024 werd een herstelvordering ingeleid door de burgemeester. De
afbraak werd gevorderd onder verbeurte van een dwangsom. De Hoge Raad voor de Handha-
vingsuitvoering verleende positief advies.
2. Bespreking van de schuldvraag
1. Bekl
aagden moeten zich voor de rechtbank verantwoorden wegens het plaatsen van een
bijgebouw in de zijtuin op de perceelsgrens zonder vergunning in de periode van 20 juni 2020
tot 20 juli 2020.
Beklaagden verzochten om de vrijspraak omdat het vereiste opzet niet aanwezig zou zijn. Zij
zouden niet correct geïnformeerd geweest zijn door de gemeente. Ter zitting verduidelijkten
beklaagden dat ze de burgemeester op een parking hadden aangesproken en dat hij hen ge-
zegd had dat het in orde was als het gebouw niet groter was dan 40 vierkante meter. Ook de
aannemer had hen niet verwittigd over de vergunningsplicht.
3. Uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat beklaagden een bijgebouw plaatsten van 35
m2 groot zonder vergunning in de bouwvrije zijtuinstrook van hun woning en dit tegen de per-
ceelsgrens. Deze constructie viel niet onder het vrijstellingsbesluit en is in strijd met de ter
plaatse geldende stedenbouwkundige regels.
Dat beklaagden niet de intentie hadden om zich schuldig te maken aan een stedenbouwkundig
misdrijf, is zonder relevantie. De tenlastelegging vereist geen bijzonder opzet. Indien het
schuldbestanddeel van een misdrijf bestaat in opzet, dit is het wetens en willens aannemen
van een strafbare gedraging, is het opzet af te leiden uit het door de dader gepleegde materiële
feit en de vaststelling dat dit feit hem of haar kan worden toegerekend, met dien verstande
dat de dader vrijuit gaat wanneer hij rechtvaardiging, schuldontheffing of niet-toerekenings-
vatbaarheid enigszins aannemelijk maakt. De feiten zijn hen in casu wel degelijk toe te reke-
nen. Beklaagden maken rechtvaardiging, schuldontheffing of niet-toerekeningsvatbaarheid
niet enigszins aannemelijk. Het niet weten dat er een vergunningsplicht was is helemaal niet
geloofwaardig en bovendien zou het beklaagden ook niet ontslaan van die plicht. Zij maken
niet aannemelijk dat zij gewettigd en onoverwinnelijk dwaalden over deze plicht. De loutere
vaststelling dat men slecht werd geadviseerd, zelfs door een geschikt persoon, volstaat daar-
toe niet. De verklaring dat de burgemeester op een parking tegen hen zei dat het gebouw
enkel niet groter mocht zijn dan 40 m2 is bovendien slechts een boude bewering die door een-
ieder kan worden opgeworpen. Zelfs indien zij deze voorwaarde in een informeel gesprek had-
den vernomen konden zij er niet zomaar vanuit gaan dat geen enkele andere mogelijke voor-
waarde eveneens van toepassing zou kunnen zijn. Beklaagden handelden niet zoals ieder re-
delijk en voorzichtig persoon in dezelfde situatie zou hebben gehandeld.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 5
De sc
huld van eerste en tweede beklaagde aan de feiten van de enige tenlastelegging is bewe-
zen.
3. Straftoemeting
1. Bekl
aagden zijn van oordeel dat de redelijke termijn in strafzaken werd overschreden nu zij
reeds sinds de aangetekende brief van 1 september 2022 van in onzekerheid
leven. Zij vragen ondergeschikt enkel een eenvoudige schuldigverklaring uit te spreken.
De rechtbank stelt vast dat er inderdaad reeds vijf jaar verstreken is sinds beklaagden de on-
vergunde handelingen stelden. De eerste vaststellingen dateerden echter pas van een tijd la-
ter, namelijk op 23 augustus 2022. Beklaagden werden kort nadien aangemaand en verhoord.
De stilstand in het strafdossier hieropvolgend is te wijten aan het feit dat beklaagden verklaard
hadden dat zij zouden proberen regulariseren, wat uiteindelijk niet het geval bleek. Op 15 mei
2023 verzocht het parket aan de stad Eeklo om een herstelvordering. Deze werd pas bij het
parket ingeleid op 8 februari 2024. Deze stilstand is echter gelet op de adviesplicht bij de Hoge
Raad voor de Handhavingsuitvoering niet buitensporig te noemen. Een jaar later werd bevel
tot dagvaarding gegeven. Ook deze stilstand is niet ongewoon en voor de rechtbank aanvaard-
baar. Nadien kende de voortgang van de strafprocedure een gewoon verloop.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de omstandigheden eigen aan de zaak de redelijke
termijn in strafzaken niet werd geschonden.
2. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van
de bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden, de eventuele strafverzwa-
rende factoren en de persoonlijkheid van beklaagden zoals die blijkt uit het strafrechtelijk ver-
leden, gezinstoestand en arbeidssituatie, voor zover de rechtbank die kent.
De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet
beklaagden ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te plegen.
3. Beklaagden stoorden zich niet aan de vergunningsplicht en bouwden een vrij groot
bijgebouw in hun zijtuin zonder zich degelijk te informeren of een vergunning aan te vragen.
De straf moet beklaagden duidelijk maken dat de naleving van de stedenbouwkundige regels
ernstig te nemen is in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
4. Eerste beklaagde is en werd reeds driemaal veroordeeld voor
verkeersinbreuken.
Tweede beklaagde is en heeft een blanco strafregister. Zij verklaarden beiden
momenteel niet aan het werk te zijn.
Gelet op de ernst en impact van de feiten en het niet bereikte herstel is een geldboete zoals
hierna bepaald passend en noodzakelijk om beklaagden de ernst te doen inzien en recidive te
voorkomen.
Gelet op hun strafverleden en de kost die gepaard gaat met het herstel, kan een deel van de
geldboete opgelegd worden met de gunst van het gewoon uitstel. Beklaagden moeten
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 6
beseffen dat dit uitstel kan worden herroepen indien zij nieuwe mi sdrijven zouden plegen
gedurende de proefperiode die bepaalt wordt op 3 jaar.
HERSTEL
De rechtbank stelt vast dat het bijgebouw niet werd verwijderd waardoor de herstelvordering
nog actueel is.
Beklaagden vragen om geen herstel te bevelen of enkel een meerwaarde op te leggen.
De rechtbank is van oordeel dat de herstelvordering niet gesteund is op motieven die vreemd
zijn aan de goede ruimtelijke ordening of die uitgaan van een opvatting over de goede ruimte-
lijke ordening die kennelijk onredelijk is.
Het argument dat er al veel garages zijn en er weinig natuur is in de omgeving, is geen argu-
ment om nog meer gebouwen toe te laten, integendeel. Door de aanbouw wordt thans een
aaneengesloten ondoorzichtig blok gecreëerd met het andere perceel, wat visueel storend is
en in strijd met de visie van de stad. Om die reden besliste het college op 19 november 2019
dat enkel open en lichte constructies konden worden aanvaard op minimum 1 meter afstand
van de perceelsgrens.
De schade die door het bouwmisdrijf is berokkend aan de goede ruimtelijke ordening, kan
slechts worden opgeheven door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand. De
verwijdering van het bijgebouw is dus noodzakelijk. Eveneens blijkt hieruit dat het betalen van
een meerwaarde niet volstaat als herstelmaatregel.
Nu beklaagden in het verleden talmden om tot het herstel over te gaan of een regularisatie
aan te vragen, wordt terecht de verbeurte van een dwangsom gevorderd bij niet naleving van
het bevel tot herstel. De hierna uitgesproken modaliteiten vormen een gepaste en noodzake-
lijke aansporing van beklaagden om tot herstel over te gaan indien regularisatie niet mogelijk
is. Rekening houdend met de omvang van de uit te voeren herstelwerken, voorziet de recht-
bank in een hersteltermijn van 10 maanden.
De lange tijd sedert dewelke beklaagden al konden overgaan tot het herstel van de plaats in
de oorspronkelijke toestand en de ruime termijn welke hen hiertoe nog wordt verleend, brengt
mee dat er geen reden is om bij toepassing van artikel 1385bis, laatste alinea, Gerechtelijk
Wetboek nog een zekere termijn te bepalen.
De rechtbank machtigt de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester om ambtshalve
in de uitvoering van het herstel te voorzien wanneer beklaagden dit niet zelf binnen de ge-
stelde termijn zouden doen (art. 6.3.4, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 7
BEOO
RDELING OP BURGERLIJK GEBIED
Omdat het door beklaagden gepleegde misdrijf mogelijk schade heeft veroorzaakt, houdt de
rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig artikel 4 van de Vooraf-
gaande Titel wetboek van Strafvordering (art. 4 V.T.Sv.).
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 - Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
art. 1, 2, 3, 7, 38, 39, 40, 41, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen
aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
art. 1 (§1, 2° en §2), 8, 14 §1 Wet van 29 juni 1964;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van , eerste beklaagde
Verk
laart de feiten van de enige tenlastelegging bewezen.
Veroordeelt voor de enige tenlastelegging:
tot een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 8
Boet
e vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 3 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van
3 jaar , doch slechts voor een gedeelte van 2.000,00 EUR , zijnde 250,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen.
Veroordeelt tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR , zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
solidair met medeveroordeelde Isabelle Dias tot de kosten van de strafvordering, op
heden begroot op 350,14 EUR .
Ten aanzien van , tweede beklaagde
Verk
laart de feiten van de enige tenlastelegging bewezen.
Veroordeelt voor de enige tenlastelegging:
tot een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 3 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van
3 jaar , doch slechts voor een gedeelte van 2.000,00 EUR , zijnde 250,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 9
Veroo
rdeelt tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR , zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
solidair met medeveroordeelde Jurgen Taghon tot de kosten van de strafvordering, op
heden begroot op 350,14 EUR .
HERSTEL
Beveelt aan op vordering van de burgemeester van het
herstel in oorspronkelijke staat met betrekking tot het perceel gelegen
in kadastraal gekend als , meer concreet de
afbraak van het niet vergunde bijgebouw in de zijtuin, inclusief de fundering en de randver-
harding alsook de verwijdering van de afbraakmaterialen.
Beveelt dat het herstel zoals hierboven bevolen gebeurt binnen een termijn van tien maanden
na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 100
euro per veroordeelde en per dag vertraging in geval van niet-uitvoering van dit vonnis binnen
de gestelde termijn.
De rechtbank machtigt de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester van om
ambtshalve in de uitvoering van het herstel te voorzien wanneer beklaagden dit niet zelf
binnen de gestelde termijn zou doen (art. 6.3.4, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).
OP BURGERLIJK GEBIED
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 10
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 23 se ptember 2025 door de
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI:
- , rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting ,
met bijstand van griffier .