Naar hoofdinhoud

ARR:264.212

🏛️ Raad van State Brussel 📅 2025-09-18 🌐 FR

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

5 december 1991

Volledige tekst

VII-42.934-1/10 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK V OORZITTER VAN DE VIIe KAMER A R R E S T nr. van 18 september 2025 in de zaak A. 245.142/VII-42.934 In zake: 1. . 2. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 24 juni 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “het besluit van de Vlaamse minister van omgeving en landbouw d.d. 17 april 2025 houdende uitspraak over het beroep tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen van 3 oktober 2024 van het agentschap voor natuur en bos opgelegd aan [ de verzoekende partijen] ”. II. V erloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 27 juni 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen ingediend. VII-42.934-2/10 D e partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 september 2025, om 14 uur. Staatsraad heeft verslag uitgebracht. Advocaat , die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat , die loco advocaat verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De eerste verzoekende partij is eigenaar van een aantal percelen gelegen ter hoogte van . De percelen in kwestie zijn overeenkomstig het gewestplan deels gelegen in gebied voor verblijfsrecreatie en deels in natuurgebied. Voor de percelen gelegen in recreatiegebied geldt een verkavelingsvergunning. 3.2. Toezichthouders van het Agentschap voor Natuur en Bos doen ter plaatse de volgende vaststellingen: “Op perceel nr. stellen wij vast dat verspreid in het bos een sterke aantasting is van het bos. Wij besluiten om veel foto’s te nemen van alle illegaal aanwezige materialen, constructies en afval in het bos. […] Samengevat stellen wij vast dat in het bos de volgende zaken aanwezig zijn: - Meerdere werfcontainers en gewone containers staan in het bos VII-42.934-3/10 - Bouwmaterialen en andere materialen worden verspreid in het bos ges tockeerd. - Voertuigen en werkmachines staan in het bos. - Verspreid in het bos liggen minstens 4 hopen grond gestort, een vijfde hoop grond is uitgespreid […]. In het bos is een grote constructie aanwezig die wordt gebruikt voor het stockeren van allerlei materialen. Deze constructie was nog niet zichtbaar op de orthofoto van het jaar 2000-2003. Op de orthofoto van 2012 is de constructie duidelijk te zien. Tussen 2018 en 2023 is op de orthofoto duidelijk zichtbaar dat er bijkomende uitbreiding van deze loods is gerealiseerd. Deze constructie (loods) met aanhorigheden is gerealiseerd in het bos. Er is hiervoor geen vergunning gekend. Op basis van de orthofoto 2023 wordt de locatie die ontbost is voor de bouw en verdere uitbreiding van de loods opgemeten. […] Er is een oppervlakte van 1000 m² illegaal ontbost. Tussen de loods en de walgracht is een zone waar afval is gestort. […] Op het perceel nr. stellen wij vast dat in de bosrand grenzend aan perceel nr. één werfcontainer staat, een oude vrachtwagen staat en materialen zijn gestapeld. […] In het noorden van domein ‘ ’ achter de vergunde gebouwen stellen wij vast dat er een geleidelijke inname is van het bos door het plaatsen van werfcontainers, storten van grond, omzagen van enkele bomen. […] Wij besluiten om ook een controle te doen van de percelen gelegen te . Deze percelen zijn gelegen in een Natuurgebied en zijn deels bebost. Wij stellen ter plaatse vast dat het bos wordt opgehoogd met aangevoerde grond. Een oppervlakte van bij benadering 26x50=1300m² en 15x15=225m² = totaal 1525 m² is opgehoogd met een halve meter. In de rest van het bos is de vegetatie afgeschraapt. Er is geen vergunning voor deze werken. Wij stellen vast dat er ook afval aanwezig is in het bos. […] Door de uitvoering van deze werken is de fysische toestand van het bos aangetast, is de kruid- en struiklaag vernietigd en zijn er meerdere bomen aan de stam beschadigd. Verdere vaststellingen: Op 22 augustus 2024 gaan wij terug ter plaatse en stellen vast dat: - op de percelen te gelegen in natuurgebied nieuwe hopen grond zijn gestort en grond is uitgespreid. De bijkomende oppervlakte die op deze wijze is aangevuld met grond in het bos wordt geraamd op 400 m². - op het perceel te is gereden met een rupskraan. Er zijn 2 ontwortelde bomen op dit perceel en 2 bomen aan de stam beschadigd. Er is geen machtiging van het Agentschap Natuur en Bos om werken uit te voeren in dit bosperceel. - er tuinafval aanwezig is op de overgang van perceel nr. . - er op de percelen te geen verandering is van de toestand vastgesteld op 05/06/2024.” VII-42.934-4/10 3.3. B ij besluit van 3 oktober 2024 worden de volgende bestuurlijke maatregelen opgelegd aan de verzoekende partijen: “Herstelmaatregel 1: Verwijderen van alle opgevoerde grond in het bos op de percelen gelegen te - Dit betekent concreet dat het oorspronkelijke reliëf wordt hersteld tot op de oorspronkelijke bosbodem. Voorafgaand aan de uitvoering van deze werken wordt de Natuurinspectie gecontacteerd. Ter plaatse kunnen aanwijzingen gegeven worden opdat het herstel correct wordt uitgevoerd. Deze aanwijzingen dienen worden opgevolgd. Deze werken moeten worden uitgevoerd door een firma die geschikt materiaal ter beschikking heeft om de herstelwerkzaamheden uit te voeren zonder verdere schade aan de nog aanwezige bomen aan te brengen. De afgegraven grond wordt afgevoerd door de firma die de werken uitvoert en er worden vrachtbonnen voorgelegd. De werfcontainer aanwezig in de bosrand wordt verwijderd. Herstelmaatregel 2: Na het uitvoeren van het herstel van het reliëf op de percelen gelegen te en controle door de Natuurinspectie wordt de herstelde boszone opnieuw beplant met standplaats geschikte inheemse soorten: De volgende soorten komen hiervoor in aanmerking: Zwarte els (Alnus glutinosa) Gelderse roos (Viburnum Opulus) Ruwe berk (Betula pendula) Kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) Herstelmaatregel 3: Behoudens het bekomen van een omgevingsvergunning worden in het bos en in de bosrand op de percelen gelegen te alle materialen, werfcontainers, gestorte afval, voertuigen, en eventueel nog door de natuurinspectie aan te wijzen elementen aanwezig in het bos verwijderd. Deze materialen worden afgevoerd naar een legale locatie (vergund terrein). Herstelmaatregel 4: Het verwijderen van de grond aangevoerd in het bos op verschillende locaties op de percelen te Voorafgaand aan de uitvoering van deze werken wordt de Natuurinspectie gecontacteerd. Ter plaatse kunnen aanwijzingen gegeven worden opdat het herstel correct wordt uitgevoerd. Deze aanwijzingen dienen worden opgevolgd. Deze werken moeten worden uitgevoerd door een firma die geschikt materiaal ter beschikking heeft om de herstelwerkzaamheden uit te voeren zonder verdere schade aan de nog aanwezige bomen aan te brengen. De afgegraven grond wordt afgevoerd door de firma die de werken uitvoert en er worden vrachtbonnen voorgelegd. Herstelmaatregel 5: Behoudens het bekomen van een omgevingsvergunning het volledig afbreken van de loods en het verwijderen van alle materialen op het perceel gelegen te Alle afbraakmaterialen en alle materialen aanwezig in de loods worden afgevoerd naar een vergunde locatie. VII-42.934-5/10 Herstelmaatregel 6: Na het uitvoeren van maatregel 3, 4 en 5 tegen de uit erlijke vooropgestelde datum worden er herbebost op de vrijgekomen delen van het bos. Herbebossen van de zones die vrijgemaakt zijn van constructies en/of gestorte grond met standplaats geschikte soorten: Zomereik (Quercus robur) Ruwe berk (Betula pendula) Lijsterbes (Sorbus aucuparia) Sporkehout (Rhamnus frangula) Herstelmaatregel 7: Het verwijderen van [het] tuinafval op het perceel gel egen te . Voorafgaand aan de uitvoering van deze werken wordt de Natuurinspectie gecontacteerd. Ter plaatse kunnen aanwijzingen gegeven worden opdat het herstel correct wordt uitgevoerd. Deze aanwijzingen dienen worden opgevolgd. Deze werken moeten worden uitgevoerd door een firma die geschikt materiaal ter beschikking heeft om de herstelwerkzaamheden uit te voeren. Het afgegraven afval wordt afgevoerd door de firma die de werken uitvoert en er worden vrachtbonnen voorgelegd. Voor herstelmaatregel 2 en 6 geldt het volgende: - Het plantgoed voor alle boom- en struiksoorten dient afkomstig te zijn van één van de erkende bosboomkwekers https://lv.vlaanderen.be/plant/plantaardig-teeltmateriaal/handel-plantaardig- teeltmateriaal/bosbouwkundigteeltmateriaal#Producenten - Er wordt steeds gewerkt met aanbevolen herkomst voor de lijst van boom- en struiksoorten van bijlage 3 van het BVR van 2/10/2015. Indien er geen aanbevolen herkomst zou beschikbaar zijn voor de betreffende soort, dient een andere soort met aanbevolen herkomst overwogen te worden. Ter staving dient steeds het ‘document van de leverancier te worden voorgelegd aan de natuurinspecteur dat de levering van het plantsoen steeds moet vergezellen cf. het controlereglement van het Agentschap voor Landbouw en Zeevisserij van 2/6/2004. - Het bosplantsoen (bosplanten met blote wortel) heeft een plantmaat niet groter dan 80-120 cm. - De plantafstand voor zowel boom- als struiksoorten bedraagt 1,5m op 1,5 m. - Het plantverband is een verschoven plantverband: […] Inboeting van het perceel wanneer méér dan 20% van de aanplant is afgestorven en/of aangetast door wildvraat: - Wanneer voorafgaand aan het plantseizoen volgend op de eerste aanplant wordt vastgesteld dat méér dan 20 % van de totale aanplant is afgestorven of werd aangevreten door wild waarbij de toppen werden afgegeten, dienen de afgestorven of aangevreten planten te worden ingeboet (inboeten betekent één op één vervangen door nieuw bosplantsoen van dezelfde soort en kwaliteit zoals hierboven beschreven). Deze inboeting moet gebeuren tussen 15 november en eind februari. - Wanneer voorafgaand aan het plantseizoen volgend op het jaar van de eerste inboetingsperiode wordt vastgesteld dat méér dan 20 % van de totale aanplant is afgestorven of werd aangevreten door wild waarbij de toppen VII-42.934-6/10 werden afgegeten, dienen de afgestorven of aangevreten planten te worden inge boet door middel van een heraanplanting met nieuw bosplantsoen van dezelfde soort en kwaliteit zoals hierboven beschreven). Deze inboeting moet gebeuren tussen 15 november en eind februari. De volgende aanbevelingen kunnen gedaan worden om het welslagen van de aanplant te optimaliseren: […].” 3.4. Tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen stellen de verzoekende partijen administratief beroep in. 3.5. Met het thans bestreden besluit van 17 april 2025 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw het beroep ongegrond en bevestigt hij de opgelegde bestuurlijke maatregelen met inbegrip van de eraan gekoppelde dwangsommen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de vordering 4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de verzoekende partijen 5. Om het spoedeisend karakter van hun vordering te staven zetten de verzoekende partijen het volgende uiteen: VII-42.934-7/10 “In de eerste plaats dient te worden vastgesteld dat aan verzoekende partijen bes tuurlijke maatregelen worden opgelegd ingevolge de bestreden beslissing. De maatregelen 5 en 6 verplichten hierbij tot het volledig afbreken van de schuur en het verwijderen van alle materialen, waarna dient te worden overgegaan tot herbebossing op het betrokken perceel. Het volledig afbreken van de schuur en het verwijderen van alle materialen op het perceel nr. dient overeenkomstig de bestreden beslissing te geschieden tegen uiterlijk 31 augustus 2025, en dit onder verbeurte van een bestuurlijke dwangsom van honderd euro per dag vertraging. Het herbebossen van de vrijgekomen delen dient overeenkomstig de bestreden beslissing te geschieden tegen uiterlijk 31 december 2025 (inboeting met einddatum 28 februari 2026 en 28 februari 2027), en dit onder verbeurte van een bestuurlijke dwangsom van 2000 euro. Vanaf het begin van het daaropvolgende plantseizoen vangt een bestuurlijke dwangsom aan van 100 euro per dag vertraging dat de aanplant niet of niet conform werd uitgevoerd. De bestreden beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar. […] De bestreden beslissing verplicht verzoekende partijen derhalve om de loods af te breken tegen uiterlijk 31 augustus 2025. De vordering tot nietigverklaring kan gezien de gebruikelijke doorlooptijd bij Uw Raad voor deze datum onmogelijk behandeld worden. Bijgevolg zullen verzoekende partijen op zeer korte termijn onherroepelijke schadelijke gevolgen ondervinden. De afbraak van de loods resulteert in een onomkeerbare feitelijke toestand. Rechtsherstel na een later vernietigingsarrest is feitelijk onmogelijk. Het onroerend goed verdwijnt door de afbraak onherroepelijk. Dat op zich volstaat voor de spoedeisendheid aan te tonen. De percelen waarop de bestuurlijke maatregel betrekking hebben, maken deel uit van het recreatieterrein gekend als ‘ ’, waarop zich o.a. een horecazaak (incl. zomerbar), feestzaal en zwemvijver bevinden. Dit recreatieterrein is eigendom van eerste verzoekende partij en wordt uitgebaat door tweede verzoekende partij. De af te breken loods heeft een oppervlakte van ca. 450 m² (excl. het later aangebouwde afdak) en doet dienst als opslagruimte voor allerhande materiaal (waaronder winterstalling voor het materiaal van de zomerbar) en machines welke noodzakelijk zijn voor het onderhoud van het recreatieterrein (en dus ook het op heden aanwezige bos). De loods maakt een onlosmakelijk en noodzakelijk onderdeel uit van de uitbating van het recreatieterrein. De afbraak van de loods zou tot gevolg hebben dat het materiaal en de machines niet langer overdekt kunnen worden opgeslagen. Opslag in open ruimte is thans niet wenselijk en zal onvermijdelijk leiden tot slijtage en schade aan het materiaal en de machines (onderhevig aan de weersomstandigheden). Het verlies aan noodzakelijke opslagcapaciteit vormt een onherroepelijk schadelijk gevolg, zoals ook al werd erkend door Uw Raad.[…] De opslagruimte is en blijft zowel op heden als in de toekomst noodz a kelijk. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de loods minstens gedeeltelijk (m.u.v. het aangebouwde afdak) reeds aanwezig was van voor de VII-42.934-8/10 inwerkingtreding van het Bosdecreet van 13 juni 1990, hetgeen tevens im pliceert dat er reeds voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Bosdecreet van 13 juni 1990 een ontbossing in de zin van artikel 4, 15° van voornoemd decreet heeft plaatsgevonden. De loods is dus niet strijdig met de bepalingen van het Bosdecreet. Alleen al om deze reden tonen verzoekende partijen voldoende aan dat er, lopende de duur van de vernietigingsprocedure, ernstige dan wel onherroepelijke schadelijke gevolgen kunnen tot stand komen die slechts kunnen worden vermeden mits het schorsen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.” Beoordeling 6. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het doel is dan ook het kort geding te hanteren wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak spoedeisend is op aan om van die urgentie te overtuigen. Zij dient daartoe aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken. Er moet een causaal verband bestaan tussen de aangevoerde nadelige gevolgen en het bestreden besluit zodat deze nadelen voorkomen kunnen worden door een schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit. VII-42.934-9/10 7. He t feit dat de afbraak van de loods en de herbebossing van het betrokken perceel op korte termijn moeten plaatsvinden - op een ogenblik dat nog geen uitspraak zal zijn gedaan over het annulatieberoep - volstaat op zich niet om de spoedeisendheid van de vordering aan te tonen. Opdat aan de voorwaarde van de spoedeisendheid zou zijn voldaan, is immers vereist dat het bestaan van controleerbare feitelijke omstandigheden wordt aangetoond die, teneinde ernstige of onherroepelijke nadelen voor de verzoekende partij af te wenden, een onmiddellijke, doch summiere, wettigheidscontrole van de bestreden beslissing noodzakelijk maakt. In dit geval overtuigt de bewering dat de afbraak van de loods, die een “onlosmakelijk en noodzakelijk onderdeel” zou zijn van het recreatieterrein ’, zal leiden tot een verlies aan “noodzakelijke opslagcapaciteit” niet. De verzoekende partijen tonen immers niet aan dat de betrokken materialen onmogelijk op een andere (vergunde) plaats overdekt kunnen worden opgeslagen, te meer omdat uit de gegevens van de zaak blijkt dat op het domein nog andere gebouwen aanwezig zijn. Ter verantwoording van de spoedeisendheid kunnen de verzoekende partijen evenmin nuttig verwijzen naar “de uiteenzetting van het middel” waaruit zou blijken dat de loods destijds niet in strijd met het Bosdecreet van 13 juni 1990 werd opgericht. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter van de vordering is immers een op zich staande voorwaarde die moet worden onderzocht los van de andere schorsingsvoorwaarde waarbij wordt vereist dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden. Bijgevolg kan de bewering dat de loods minstens gedeeltelijk aanwezig was voor de inwerkingtreding van het Bosdecreet van 13 juni 1990 niet bijdragen aan de motivering van de spoedeisendheid. De spoedeisendheid van de vordering wordt niet aangetoond. 8. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII-42.934-10/10 D eze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien september tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: , staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door , griffier. De griffier De voorzitter

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot