ARR:264.232
🏛️ Raad van State Brussel
📅 2025-09-19
🌐 FR
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
Gerechtelijk Wetboek, cir
Volledige tekst
X-1 9.074-1/18 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
V
OORZITTER VAN DE Xe KAMER
A R R E S T
nr. van 19 september 2025
in de zaak A. 244.971/X-19.074
In zake:
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 2 juni 2025, strekt tot de schorsing
van de tenuitvoerlegging van “het besluit van de Vlaamse minister van omgeving
en landbouw van 27 maart 2025 houdende uitspraak over het beroep aangetekend
tegen het besluit van de waarnemend burgemeester van van
9 augustus 2024 tot oplegging van een bestuurlijke maatregel aan de [verzoekende
partij]”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij beschikking van 4 juni 2025 werd, in samenspraak met het
aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld.
De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een
administratief dossier ingediend.
X-1 9.074-2/18 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 12 september 2025, om 11.00 uur.
Staatsraad heeft verslag uitgebracht.
Advocaten , die verschijnen
voor de verzoekende partij, en advocaat , die verschijnt voor de
verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur heeft een met dit arrest
eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoekende partij huurt een meergezinswoning met vier
appartementen gelegen op een perceel in de (hierna:
het gebouw).
Daartoe sloot zij een huurovereenkomst met de verhuurder van
het gebouw voor een duur van negen jaar, die is ingegaan op 1 september 2022. In
de huurovereenkomst wordt gestipuleerd dat het gebouw zal “aangewend worden
met het oog op het verhuren van toeristische logies en/of korte termijn verhuur”.
De verzoekende partij wijst erop dat het gebouw eerder door het
college van burgemeester en schepenen van op 14 februari 2020
werd vergund als meergezinswoning met vier afzonderlijke woongelegenheden.
3.2. De verzoekende partij verklaart elk appartement van het gebouw
individueel te verhuren aan toeristen via (verhuur)platformen zoals
X-1 9.074-3/18 3.3. He t gebouw bevindt zich in de ‘Zone voor Wonen – (Wo1)’ van
het op 5 maart 2012 door de gemeenteraad van definitief
vastgestelde, en op 26 april 2012 door de deputatie van de provincieraad van de
provincie goedgekeurde, gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan
(RUP) ‘Binnenstad’. De bestemmingsvoorschriften voor deze zone luiden:
“1.1 BESTEMMING
De volgende functies zijn toegelaten:
• Wonen is toegelaten
• Detailhandel is op het gelijkvloers toegelaten
• Reca is op het gelijkvloers toegelaten met een maximale netto
handelsoppervlakte van 200m²
• Kantoren en diensten zijn op 1 bouwlaag toegelaten
• Vrije tijdsvoorzieningen zijn op het gelijkvloers toegelaten
• Gemeenschapsvoorzieningen zijn toegelaten
• Hotels zijn toegelaten, mits volgende beperking: Bij nieuwbouw en
verbouwing met volume-uitbreiding geldt de harmonieregel zoals
beschreven in punt 2.1.2 voor de bepaling van de gevelbreedte en
dus voor de grootte van het hotel en het aantal kamers. Bij
verbouwing zonder volumewijziging is het de schaal van het
bestaande gebouw dat de grootte van het hotel en het aantal kamers
bepaalt. De grootte van het hotel en het aantal kamers kan echter
enkel worden toegestaan voor zover ze verenigbaar is met de
omgeving zoals beschreven in punt 2.2.1.
• Groothandel en bedrijvigheid zijn niet toegelaten
• Industrie, logistiek en opslag zijn niet toegelaten
• Er kan slechts één nevenfunctie (detailhandel, kantoren en diensten,
reca, vrijetijdsvoorzieningen) toegelaten worden per gebouw naast
de hoofdfunctie (woningen, gemeenschapsvoorziening of hotel).”
Het gemeentelijk RUP ‘Binnenstad’ definieert ‘hotel’ als:
“Toeristische logies die over ten minste vier kamers en/of acco[m]modaties
voor ten minste tien personen beschikt. Kleinere toeristische logies vallen
onder de functie wonen.”
Het gemeentelijk RUP ‘Binnenstad’ definieert ‘toeristisch
logies’ als:
“Iedere toeristische handelsexploitatie, die ongeacht haar benaming, met
daartoe uitgeruste kamers logies verstrekt, ongeacht de duur van de
verhuring (met een minimum van één nacht).”
X-1 9.074-4/18 3.4. Op 3 juli 2019 stelt een verbalisant ruimtelijke ordening van de
vast dat er aan het gebouw volumewijzigingen zijn gebeurd, alsook
wijzigingen van raamopeningen en wijzigingen aan de voorgevel. Hij stelt tevens
een functiewijziging vast. In verband met de functiewijziging wordt vastgesteld:
“De hoofdfunctie van de gelijkvloerse verdieping en achteraan op de eerste
verdieping werd gewijzigd van industrie en bedrijvigheid naar wonen. De
hoofdfunctie van de gelijkvloerse verdieping over de hele perceel-
oppervlakte wordt hoofdfunctie wonen. Het volume achteraan de
gelijkvloerse verdieping en op de eerste verdieping (bekend als magazijn
en bergruimte) zijn over een lengte van ongeveer 4,10 meter een open
ruimte geworden in functie van de hoofdfunctiewijziging. De
hoofdfunctiewijziging is conform de vervallen vergunning van 31 januari
2014 met referte (zie verval van de stedenbouwkundige
vergunning in de extra info).
Het aantal woongelegenheden werd gewijzigd van 1 naar 4. De
woongelegenheden situeren zich als volgt: 1 op de gelijkvloerse, 1 op de
eerste verdieping, 1 op de tweede verdieping en 1 op de duplexverdieping.
Op de gelijkvloerse en eerste verdieping werd er telkens een wooneenheid
gecreëerd, daarvoor werd het volume achteraan verwijderd en een open
ruimte gecreëerd in functie van de wooneenheid. Deze wooneenheden
hebben elk een oppervlakte van ongeveer 83 m². Op de tweede verdieping
werd een wooneenheid gecreëerd, deze wooneenheid heeft een oppervlakte
van ongeveer 58 m². Op de duplexverdieping, zijnde de derde verdieping
en verdieping onder het mansardedak, werd een wooneenheid met een
oppervlakte van ongeveer 70 m² gecreëerd Deze wooneenheden werden
conform de vervallen stedenbouwkundige vergunning van 31 januari 2014
met referte uitgevoerd (zie verval van de
stedenbouwkundige vergunning in de extra info).
Extra informatie
Verval van de stedenbouwkundige vergunning. De vergunning van
31 januari 2014 met referte is sinds 24 april 2017
volledig komen te vervallen, gezien het pand 3 jaar na de aanvang der
werken, zijnde 25 april 2014, niet wind- en regendicht is. Door het
vervallen van de stedenbouwkundige vergunning is het creëren van de
4 wooneenheden een overtreding, daar de vergunning het vermeerderen
van 1 naar 4 wooneenheden omvat en hiervoor het bouwfysische geheel
werd gewijzigd. Op de gelijkvloerse en eerste verdieping is een deel van
het gebouw gesloopt om een open ruimte te creëren in functie van de
wooneenheden. De derde verdieping is nieuw opgetrokken om zo de vierde
wooneenheid te creëren.
Deze handelingen zijn in strijd met de artikelen 4.2.1.1°, 4.2.1.6°, 4.2.1.7°
en 6.2.1.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna ‘VCRO’),
waardoor er sprake is van een stedenbouwkundig misdrijf.
Gezien de werken op het moment van de controle in uitvoering waren en er
niemand ter plaatse werd aangetroffen, werden alle werken in het volledige
pand schriftelijk gestaakt middels een aanplakking.”
X-1 9.074-5/18 3.5. Op 11 januari 2024 stelt een verbalisant ruimtelijke ordening van
het volgende vast:
“De volgende handelingen werden verdergezet niettegenstaande het
schriftelijk bevel tot onmiddellijke staking van alle werken:
Misdrijf 1:
De hoofdfunctie van het hele pand werd gewijzigd van Wonen naar
Verblijfsrecreatie, Toeristische Logies (zie foto’s 1 tot en met 36). Op de
plannen van de omgevingsvergunning met nummer
voor het regulariseren van een verbouwing aan een meergezinswoning,
goedgekeurd door het college van burgemeester en schepenen op
14 februari 2020, werden er vier woongelegenheden opgetekend.
Misdrijf 2:
Door het wijzigen van de hoofdfunctie werd het aantal woongelegenheden
gewijzigd van 4 naar 0. Door het wijzigen van de hoofdfunctie voldoet het
pand niet aan artikel 30.1 van .
Misdrijf 3, 4 en 5:
De omgevingsvergunning met nummer voor het
regulariseren van een verbouwing aan een meergezinswoning,
goedgekeurd door hel college van burgemeester en schepenen op
14 februari 2020, werd niet conform uitgevoerd.
Volgende werken wijken af van de omgevingsvergunning:
3. Het terras achteraan de derde verdieping werd groter uitgevoerd dan op
de plannen, er werd geen groendak geplaatst (zie 16, 17 en 18). Door het
vergroten van het terras is de brandladder niet bereikbaar (zie foto 19).
4. Het terras achteraan de tweede verdieping werd groter uitgevoerd dan op
de plannen en er werd geen groendak geplaatst (zie foto 21, 22 en 23).
5. De achtertuin op de gelijkvloerse verdieping is volledig verhard (zie foto
37, 38). De tuin heeft een oppervlakte van circa 22,70 vierkante meter. De
tuin voldoet niet aan artikelen 27.2 en 27.3 van de Antwerpse Bouwcode.
Deze handelingen zijn in strijd met de artikelen 4.2.1, 1°, 4.2.1, 6°, 4.2.1,
7°, 6.2.1, 1° en 6.2.1, 3° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
(hierna ‘VCRO’), waardoor er sprake is van een stedenbouwkundig
misdrijf.
Daarnaast zijn de werken in strijd met de artikelen 6.3 en 30.1 van de
geldend op het ogenblik van de schending.”
3.6. Op 9 augustus 2024 beslist de (waarnemend) burgemeester van
om op grond van artikel 6.4.14 van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) een last onder dwangsom op te leggen aan
de verzoekende partij.
X-1 9.074-6/18 Me er bepaald beslist de (waarnemend) burgemeester:
- dat het strijdig gebruik van het pand “als verblijfsrecreatie uiterlijk binnen
een termijn van 14 dagen vanaf de betekening van de maatregel dient
gestaakt te worden” (artikel 2);
- dat indien deze maatregel niet tijdig wordt uitgevoerd “er dwangsommen
verbeuren ten bedrage van 5.000,00 EUR per overtreding dat het verdere
strijdig gebruik wordt vastgesteld” (artikel 3);
- dat het gebouw moet hersteld worden in de oorspronkelijke toestand
(artikel 4);
- dat indien het bevolen herstel niet tijdig is uitgevoerd “er dwangsommen
verbeuren ten bedrage van 300,00 EUR per dag dat het volledig herstel in
de oorspronkelijke toestand niet werd uitgevoerd” (artikel 5).
3.7. Tegen het voormelde burgemeestersbesluit stelt de verzoekende
partij een bestuurlijk beroep in.
3.8. Op 25 oktober 2024 adviseert de Hoge Raad voor de
Handhavingsuitvoering om het beroep in te willigen als gegrond en de bestreden
maatregel te vernietigen.
3.9. Op 27 maart 2025 beslist de Vlaamse minister van Omgeving en
Landbouw om het beroep “gedeeltelijke gegrond te verklaren, en de bestuurlijke
maatregel van last onder dwangsom als volgt te hervormen”:
“Artikel 1
De volgende bestuurlijke maatregel, te weten last onder dwangsom, wordt,
met betrekking tot het pand gelegen te , […].
Het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand door het beëindigen
van de gevolgen van de onvergunde functiewijziging, zijnde
- het pand niet meer voor verblijfsrecreatie te verhuren of ter
beschikking te stellen binnen een termijn van veertien dagen vanaf
de betekening van het ministerieel besluit en
- alle fysieke handelingen en uitrusting, waaronder in- en uitwendige
kenmerken die verwijzen naar verblijfsrecreatie te verwijderen en
het pand in overeenstemming te brengen met de laatst vergunde
toestand die is opgetekend in de vergunning van 14 februari 2020
binnen de twee maanden vanaf de betekening van het ministerieel
besluit.
[…]
Artikel 3 Dwangsom
Bij gebreke aan tijdige en integrale uitvoering van deze bestuurlijke
maatregelen zal ten aanzien van de beroepsindiener geïdentificeerd in dit
X-1 9.074-7/18 besluit een dwangsom verbeuren, overeenkomstig hetgeen bepaald is in
ar
tikel 6.4.14 VCRO.
Deze dwangsom bedraagt
- voor wat betreft de maatregel opgelegd onder artikel 1, tweede lid,
eerste streepje, 5000 euro per overtreding waarbij wordt vastgesteld
dat in het pand de functie verblijfsrecreatie wordt uitgeoefend,
- voor wat betreft de maatregel opgelegd onder artikel 1, tweede lid,
tweede streepje, 300 euro per dag dat het volledig herstel in de
oorspronkelijke toestand niet werd uitgevoerd.
Overeenkomstig artikel 6.4 16 eerste lid VCRO kan de burgemeester de
verbeurde dwangsommen, verhoogd met de invorderingskosten,
invorderen bij dwangbevel. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van deel
V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing
[…]”
Dit is het bestreden besluit.
3.10. De motieven van het bestreden besluit ten aanzien van de
opgelegde bestuurlijke maatregel luiden:
“De keuze voor de herstelmaatregel is dus gelinkt aan een beoordeling van
de vereisten van de goede ruimtelijke ordening
De bestuurlijke maatregel legt een stopzetting van het strijdig gebruik op
en een herstel in de oorspronkelijke toestand.
Hoewel het RUP voorziet dat onder meer zowel de functie wonen,
waaronder ook kleine toeristische logies begrepen zijn, zijn toegelaten als
hotels, betekent dit niet dat deze functies automatisch verenigbaar zijn met
de goede ruimtelijke ordening in dit gebied
Het pand is gelegen in het binnenstedelijk gebied van .
Zoals in het besluit van de burgemeester van
gemotiveerd, is een verwevenheid van functies een essentieel kenmerk van
een binnenstedelijk gebied. Een te grote mix van verschillende functies of
een te grote concentratie van een bepaalde functie in een gebied kan echter
conflicten en overlast met zich meebrengen. Voorbeelden van overlast
hierbij zijn geluidsproductie, parkeerdruk, mobiliteitsgeneratie, laden en
lossen, dag- en nachtactiviteiten.
De functie verblijfsrecreatie brengt andere gedragingen met zich mee en
heeft een andere impact op de omgeving
Uit het dossier volgt dat in de betreffende zone een overaanbod aanwezig
is van verblijfsrecreatie
De goede ruimtelijke ordening in een binnenstedelijk gebied in een stad
veronderstelt nochtans net dat er een evenwicht aanwezig is tussen de
verschillende functies in het gebied. Dit is niet het geval.
Door het feit dat er geen omgevingsvergunning werd aangevraagd voor de
functiewijziging van woonfunctie naar verblijfsrecreatie heeft de
vergunningverlenende overheid de wenselijkheid, functionele
X-1 9.074-8/18 inpasbaarheid, enzovoort van de functie verblijfsrecreatie niet kunnen
beoor
delen.
De toets aan de rangorde van artikel 6[.]3.1 VCRO staat niet los van deze
beoordeling[.] De burgemeester van heeft bij het
opleggen van de maatregel geoordeeld dat het herstel in de oorspronkelijke
toestand de meest passende maatregel is omdat de functie van
verblijfsrecreatie in het betreffend pand niet verenigbaar is met de goede
ruimtelijke en plaatselijke ordening, noch in overeenstemming met de
plaatselijke ordening kan worden gebracht door het uitvoeren van
aanpassingswerken.
Door deze functiewijziging uit te voeren wordt het evenwicht tussen de
verschillende functies in het binnenstedelijk gebied verstoord omdat
hierdoor een te grote concentratie ontstaat van de functie verblijfsrecreatie
in het binnenstedelijk gebied. In tegenstelling tot het oordeel van de
beroepsindiener, vormt de uitgevoerde functiewijziging dus wel degelijk
een strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening
Het herstel in de oorspronkelijke toestand is derhalve de gepaste
herstelmaatregel om de goede ruimtelijke ordening te herstellen.
De opgelegde maatregel van herstel in de oorspronkelijke toestand
doorstaat derhalve de toets aan de rangorde van artikel 6.3[.]1 §1 VCRO.”
IV. Schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts
worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor
een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één
ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een
versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima
facie kan worden verantwoord.
V. Ernst van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
5. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending
aan van artikel 4.2.1, 6° en 7°, VCRO, gelezen in samenhang met het gemeentelijk
RUP , en van het patere legem quam lege fecisti -beginsel.
X-1 9.074-9/18 Zi j vat zelf haar middel als volgt samen:
“DOORDAT:
De Minister bij het nemen van de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat
het gebruik van vier afzonderlijke (lees: apart vergunde/gekeurde)
appartementen voor kortetermijnverhuur aan toeristen een functiewijziging
inhoudt van ‘wonen’ naar ‘verblijfsrecreatie’, en dus vergunningsplichtig
zou zijn.
En de minister de stedenbouwkundige kwalificaties van het bindende
Gem.RUP miskent, waarin kleinere toeristische logies
(minder dan vier kamers of tien personen per eenheid) expliciet worden
aangemerkt als een activiteit binnen de functie ‘wonen’.
En de minister artikel 4.2.1 VCRO autonoom interpreteert zonder rekening
te houden met de invulling van het begrip ‘wonen’ zoals vastgelegd in het
toepasselijk RUP, terwijl de VCRO zelf geen eigen definitie van dat begrip
bevat. De VCRO bepaalt bovendien uitdrukkelijk dat een Gem. RUP de
definities van de functies regelt.
TERWIJL:
De overheid gebonden is aan de geldende inrichtingsvoorschriften van het
RUP en niet bevoegd is om deze zelf eenzijdig te herinterpreteren;
En het gebruik door [de verzoekende partij] precies valt binnen het
toegelaten gebruiksregime zoals dat stedenbouwkundig is vastgesteld in de
geldende vergunde toestand en in overeenstemming met het Gem. RUP.”
Beoordeling
6. Artikel 4.2.1 VCRO luidt:
“Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor
stedenbouwkundige handelingen:
[…]
6° de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed geheel of gedeeltelijk
wijzigen, indien de Vlaamse Regering deze functiewijziging als
vergunningsplichtig heeft aangemerkt;
7° een woning opsplitsen of in een gebouw het aantal woongelegenheden
die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of een
alleenstaande wijzigen, ongeacht of het gaat om een eengezinswoning, een
etagewoning, een flatgebouw, een studio of een al dan niet gemeubileerde
kamer;
[…]”
X-1 9.074-10/18 Ar tikel 2, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering
van 14 april 2000 ‘tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen’
bepaalt:
“§ 1. Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is
nodig als een van de volgende hoofdfuncties van een bebouwd onroerend
goed geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd in een andere hierna vermelde
hoofdfunctie. De volgende functies worden als hoofdfunctie beschouwd:
1° wonen;
2° verblijfsrecreatie;
[…]”
7. Zoals hoger gezien, definieert het gemeentelijk RUP
‘Binnenstad’ het begrip ‘hotel’ als: “[t]oeristische logies die over ten minste vier
kamers en/of acco[m]modaties voor ten minste tien personen beschikt. Kleinere
toeristische logies vallen onder de functie wonen” (randnummer 3.3).
8. De verzoekende partij geeft zelf aan niet te betwisten dat het
feitelijk gebruik van haar vier appartementen is veranderd: “[v]roeger werden de
appartementen gebruikt als hoofdverblijfplaats van een alleenstaande of een gezin,
terwijl thans de appartementen een slaapplaats bieden aan toeristen”.
De verzoekende partij, die in haar verzoekschrift aangeeft “vier
woongelegenheden” aan te bieden “in het raam van kortetermijnverhuur, waarbij
elk appartement individueel verhuurd wordt aan toeristen via erkende platformen
Booking.com”, overtuigt er voorshands niet van dat deze appartementen op grond
van de voormelde definitie van het gemeentelijk RUP onder de categorie “wonen”
en niet onder de categorie “verblijfsrecreatie” zouden vallen. Waar de verzoekende
partij haar standpunt staaft door erop te wijzen dat “alle vier appartementen aan de
[…] voorwaarden van kleinere toeristische logies voldoe[n]”, deze “afzonderlijk
zijn ingericht en geregistreerd”, en “[e]lk appartement […] een woonentiteit
[vormt] en […] individueel [wordt] geëxploiteerd”, lijkt zij er verkeerdelijk van uit
te gaan dat het “drempelniveau” te dezen per appartement afzonderlijk zou moeten
beoordeeld worden. De verzoekende partij overtuigt er in de huidige stand van de
rechtspleging niet van dat zulks zou volgen uit de door haar aangevoerde
omstandigheid dat de term “(handels)exploitatie” door het woordenboek ‘Van
X-1 9.074-11/18 Dale’ gedefinieerd wordt als “een bezit gebruiken om er voordeel uit te trekken,
wi
nstgevend te maken”.
9. De verzoekende partij betwist voorts prima facie terecht niet dat
uit de onder randnummer 6 vermelde bepalingen volgt dat een wijziging van de
functie “wonen” naar de functie “verblijfsrecreatie” een vergunningsplichtige
functiewijziging inhoudt.
10. Gelet op wat voorafgaat, wordt op het eerste gezicht geen
schending van de aangevoerde rechtsregels aangetoond.
11. Het middel is niet ernstig.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
12. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending
aan van artikel 6.4.7, § 2, VCRO, gelezen in samenhang met artikel 6.3.1, § 1,
VCRO, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het
proportionaliteitsbeginsel.
Zij vat dit middel als volgt samen:
“DOORDAT:
De Minister de rangorde van herstelmaatregelen, zoals voorgeschreven in
artikel 6.3.1, §1 VCRO, miskent bij het bevestigen van een maatregel tot
herstel in de oorspronkelijke toestand, zonder voorafgaandelijk na te gaan
of een minder ingrijpende maatregel – zoals aanpassingswerken of de
betaling van een meerwaarde – volstond om de ruimtelijke ordening te
herstellen;
De Minister geen concreet en objectief onderzoek verricht naar de
ruimtelijke impact van het gebruik van de appartementen als kleinere
toeristische logies en zich baseert op algemene en ongefundeerde
beweringen omtrent een vermeende verstoring van het ruimtelijk
evenwicht;
De Minister nalaat om feitelijke motieven aan te reiken ter onderbouwing
van de beweerde strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening en evenmin
X-1 9.074-12/18 de proportionaliteit van de opgelegde maatregel afweegt tegenover de
im
pact op de rechtspositie van verzoekende partij.
TERWIJL:
Artikel 6.4.7, §2 VCRO vereist dat bestuurlijke maatregelen bij wijze van
herstel dezelfde inhoud hebben als rechterlijke herstelmaatregelen en dus
de wettelijk voorgeschreven rangorde van artikel 6.3.1, §1 VCRO moeten
respecteren;
Het zorgvuldigheidsbeginsel impliceert dat de overheid slechts kan
optreden op basis van degelijk feitenonderzoek en correcte dossierkennis;
Het motiveringsbeginsel vereist dat de overheid expliciete, relevante en
controleerbare motieven aanreikt die haar beslissing kunnen schragen;
Het proportionaliteitsbeginsel inhoudt dat een maatregel niet verder mag
gaan dan strikt noodzakelijk is om het beoogde doel van goede ruimtelijke
ordening te bereiken.”
Beoordeling
13. Artikel 6.3.1, § 1, VCRO luidt:
“§ 1. Naast de straf beveelt de rechtbank, ambtshalve of op vordering van
een bevoegde overheid, een meerwaarde te betalen en/of bouw- of
aanpassingswerken uit te voeren en/of de plaats in de oorspronkelijke
toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken. Dat gebeurt, met
inachtneming van de volgende rangorde:
1° als het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede
ruimtelijke ordening, het betalen van een meerwaarde;
2° als dit kennelijk volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen, de
uitvoering van bouw- of aanpassingswerken;
3° in de andere gevallen, de uitvoering van het herstel van de plaats in de
oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik.
Voor de diverse onderdelen van eenzelfde misdrijf kunnen verschillende
herstelmaatregelen gecombineerd worden, bevolen volgens de rangorde,
vermeld in het eerste lid. Het bevolen herstel dekt steeds de volledige
illegaliteit ter plaatse, ook al werd die mee veroorzaakt door
stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken die niet bij de rechter
aanhangig zijn.”
Gelet op artikel 6.4.14, derde lid, en artikel 6.4.7, § 2, VCRO,
geldt de in de voormelde bepaling vermelde rangorde ook bij het opleggen van de
kwestieuze bestuurlijke maatregel.
14. Uit de motivering van het bestreden besluit (randnummer 3.10)
blijkt dat de Vlaamse minister van oordeel is dat een verwevenheid van functies
een essentieel kenmerk is van een binnenstedelijk gebied, maar dat een te grote
X-1 9.074-13/18 mix van verschillende functies of een te grote concentratie van een bepaalde functie
in
een gebied conflicten en overlast met zich mee kan brengen. Voorts wordt in het
bestreden besluit vastgesteld dat “in de betreffende zone een overaanbod aanwezig
is van verblijfsrecreatie”, wat de verzoekende partij als dusdanig niet lijkt te
betwisten.
Gezien het voormelde, wordt op het eerste gezicht niet
aangetoond dat de motivering van het bestreden besluit niet concreet onderbouwd
zou zijn, en dat de keuze van de kwestieuze maatregel niet op een zorgvuldig
onderzoek zou steunen.
15. Dat de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering de motivering
van het besluit in eerste bestuurlijke aanleg als niet deugdelijk aanmerkt, is prima
facie niet van aard om het bestreden besluit, dat steunt op een ander, bijkomend
motief, te vitiëren.
16. Uit artikel 6.3.1, § 1, VCRO volgt dat het betalen van een
meerwaarde de in eerste instantie te verkiezen maatregel is “als het gevolg van het
misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening”. Gezien de
vaststelling in het bestreden besluit dat “in de betreffende zone een overaanbod
aanwezig is van verblijfsrecreatie”, kan de verzoekende partij er voorshands niet
van overtuigen dat de gevolgen van de functiewijziging “kennelijk verenigbaar”
zouden zijn met een goede ruimtelijke ordening en dat het betalen van een
meerwaarde te dezen de aangewezen maatregel is.
Nu prima facie niet aannemelijk wordt gemaakt dat de
functiewijziging van wonen naar verblijfsrecreatie onterecht in strijd met de goede
ruimtelijke ordening wordt geacht, wordt voorshands evenmin ingezien dat het
uitvoeren van bouw- of aanpassingswerken in casu een meer aangewezen
maatregel zou zijn.
De verzoekende partij overtuigt er in de huidige stand van de
rechtspleging dan ook niet van dat de door de VCRO voorgeschreven volgorde van
op te leggen maatregelen, niet werd nageleefd.
X-1 9.074-14/18 17. Ge let op wat voorafgaat, wordt prima facie geen schending van
de ingeroepen rechtsregels aangetoond.
18. Het middel is niet ernstig.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
19. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending
aan van artikel 6.4.3, § 2, tweede lid, VCRO, gelezen in samenhang met artikel
6.2.1 VCRO.
Zij vat dit middel als volgt samen:
“DOORDAT:
De Minister een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens een vermeend
stedenbouwkundig misdrijf zonder dat de procureur des Konings
voorafgaandelijk een beslissing tot sepot heeft genomen of de termijn
daartoe is verstreken.
TERWIJL:
Artikel 6.4.3, §2, tweede lid VCRO uitdrukkelijk bepaalt dat de
mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel wegens een
stedenbouwkundig misdrijf slechts ontstaat nadat de procureur des Konings
de beslissing heeft genomen geen strafrechtelijke vervolging in te stellen,
dan wel na het verstrijken van de wettelijke termijn waarbinnen deze
beslissing dient te worden genomen.”
Beoordeling
20. De verzoekende partij gaat er in dit middel aan voorbij dat de
Vlaamse minister is ingegaan op zijn stelling in verband met artikel 6.4.3, § 2,
tweede lid, VCRO.
21. In het bestreden besluit wordt in dit verband vermeld:
“De beroepsindiener is verder van oordeel dat uit het besluit niet blijkt dat
de burgemeester van over de bevoegdheid beschikt om
X-1 9.074-15/18 een last onder dwangsom op te leggen omdat uit het dossier niet zou blijken
of
de procureur reeds een beslissing heeft genomen houdende geen
strafrechtelijke behandeling of de termijn hiertoe reeds is verlopen
In tegenstelling tot het oordeel van de beroepsindiener, heeft artikel 6 4.3
§2, tweede lid VCRO geen betrekking op de termijn vanaf wanneer de
burgemeester een bestuurlijke maatregel kan opleggen, maar heeft deze
betrekking op de berekening van de verjaringstermijn om een bestuurlijke
maatregel op te leggen. De burgemeester beschikt over de mogelijkheid om
ook vóór het verstrijken van de beslissingstermijn van de procureur een
bestuurlijke maatregel op te leggen. Voor zoveel als nodig volgt bovendien
uit het dossier dat de procureur des Konings op 23 februari 2024 heeft
beslist om het voormelde proces-verbaal niet strafrechtelijk te behandelen”
22. De verzoekende partij gaat op de voormelde argumentatie van
het bestreden besluit niet in. Prima facie maakt zij de ingeroepen schendingen
aldus niet aannemelijk.
23. Het middel is niet ernstig.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
24. In een vierde middel voert de verzoekende partij de schending
aan van de artikelen 6.1.2, 6.4.7 en 6.4.14 VCRO, gelezen in samenhang met het
proportionaliteitsbeginsel en het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
Zij vat dit middel als volgt samen:
“DOORDAT:
De Minister bij het opleggen van de herstelmaatregel verder gaat dan
wettelijk is toegestaan door niet alleen het gestelde gebruik te verbieden,
maar bijkomend ook verplicht om alle fysieke kenmerken van verblijfs-
toerisme te verwijderen, zonder aan te tonen welke concrete elementen
hiermee bedoeld zijn en zonder aan te tonen dat deze elementen een impact
hebben op de ruimtelijke ordening;
De Minister zonder motivering oplegt dat de panden volledig ‘in
overeenstemming wordt gebracht met de laatst vergunde toestand’, terwijl
de loutere stopzetting van het gebruik reeds volstaat om de vermeende
strijdigheid op te heffen;
De Minister nalaat aan te tonen waarom minder ingrijpende maatregelen
niet toereikend zouden zijn om het doel van ruimtelijke ordening te
X-1 9.074-16/18 bereiken, en evenmin een afweging maakt van de noodzaak en impact van
de opge
legde maatregel op de uitbating van verzoekende partij.
TERWIJL:
Artikel 6.1.2 VCRO bepaalt dat de toepassing van de
handhavingsbepalingen enkel stekt tot vrijwaring van de goede ruimtelijke
ordening, en deze beoordeling moet gebeuren in overeenstemming met
artikel 4.3.1, §2 VCRO;
Artikel 6.4.7 VCRO verwijst naar de rangorde van herstelmaatregelen uit
artikel 6.3.1 VCRO, waarin het herstel in oorspronkelijke toestand slechts
als ultimum remedium geldt;
De opgelegde maatregel onevenredig is, nu ze verder reikt dan
noodzakelijk om de ruimtelijke ordening te herstellen, en bovendien vaag,
ruim en onvoldoende bepaalbaar is;
De Raad van State in haar vaste rechtspraak vereist dat de overheid
duidelijke, feitelijk gefundeerde en juridisch relevante motieven aanreikt
om haar beslissing te kunnen dragen, en dat zij geen maatregelen mag
nemen die een kennelijke wanverhouding vormen tussen het doel en de
impact op de belanghebbende.”
Beoordeling
25. Het bestreden besluit legt de volgende maatregelen op:
“Het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand door het beëindigen
van de gevolgen van de onvergunde functiewijziging, zijnde
- het pand niet meer voor verblijfsrecreatie te verhuren of ter beschikking
te stellen binnen een termijn van veertien dagen vanaf de betekening
van het ministerieel besluit en
- alle fysieke handelingen en uitrusting, waaronder in- en uitwendige
kenmerken die verwijzen naar verblijfsrecreatie te verwijderen en het
pand in overeenstemming te brengen met de laatst vergunde toestand
die is opgetekend in de vergunning van 14 februari 2020 binnen de twee
maanden vanaf de betekening van het ministerieel besluit.”
26. In de motivering van het bestreden besluit wordt aangegeven dat
een volledig herstel inhoudt “dat alle in- en uitwendige kenmerken die verwijzen
naar verblijfsrecreatie zoals onder andere sleutelkluizen, informatieborden,
reclame dienen verwijderd te worden”. Aldus wordt op het eerste gezicht geen
“vaag omschreven verplichting” opgelegd. De verzoekende partij kan prima facie
niet worden bijgevallen in haar kritiek dat niet duidelijk zou zijn aangegeven welke
concrete “handelingen of uitrusting” worden bedoeld.
X-1 9.074-17/18 27. Voor ts overtuigt de verzoekende partij er op het eerste gezicht
niet van dat de uit het bestreden besluit blijkende kenmerken inzake verblijfs-
recreatie, geen impact zouden hebben op het uitzicht van de omgeving en de goede
ruimtelijke ordening. De aanwezigheid van die kenmerken verklaart prima facie
waarom een “loutere staking van gebruik” als maatregel niet kan volstaan.
28. Zoals ten slotte reeds bij de beoordeling van het tweede middel
is gebleken, lijkt de voorgeschreven rangorde van de op te leggen maatregelen niet
te zijn geschonden.
29. Gelet op wat voorafgaat, wordt prima facie geen schending van
de aangevoerde rechtsregels aangetoond.
30. Het middel is niet ernstig.
VI. Besluit
31. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld
in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief
vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
X-1 9.074-18/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien september tweeduizend
vij
fentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
staatsraad, waarnemend voorzitter,
bijgestaan door
, griffier.
De griffier De voorzitter