ARR:BM 4239.472
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2025-10-07
🌐 FR
Vonnis
veroordeling
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950, 29 juni 1964
Volledige tekst
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 2
In d
e zaak van het openbaar ministerie tegen:
BEKLAAGDEN:
1. , RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
eerste beklaagde, bijgestaan door meester , advocaat te ,
2. , RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
tweede beklaagde, bijgestaan door meester , advocaat te ,
TENLASTELEGGINGEN
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
A afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van constructie zonder of in strijd met
een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van een
constructie, met uitzondering van onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande
stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor
stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden,
hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval,
vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval
van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk
op het perceel gelegen te , kadastraal gekend als
, eigendom iedere voor de helft van
, geboren en , geboren
, beiden wonende te ,
verleden bij aankoopakte d.d. 27.09.2013 door notaris te ;
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 3
de b
estaande achterbouw, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, te hebben
afgebroken
(art. 4.1.1., 3°, 6°, 9° en 12°, 4.2.1., 1°, c), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1
Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende
de omgevingsvergunning)
te in de periode van 21 juni 2019 tot en met 27 mei 2020 (St. 31 en St. 2)
door
B optre
kken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van
onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk
op het perceel gelegen te , kadastraal gekend als
, eigendom iedere voor de helft van
geboren geboren te
beiden wonende te
verleden bij aankoopakte d.d. 27.09.2013 door notaris te
een nieuwe achterbouw, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, te hebben
opgericht met een diepte van ca. 5m, een breedte van ca. 5m en een hoogte van ca. 2m
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
te in de periode van 21 juni 2019 tot en met 27 mei 2020 (St. 31 en St. 2)
door
PROCE
DURE
De dagvaarding werd op 20 augustus 2024 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te
Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het
voorwerp is van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven
door de wetgeving inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 4
De r
echtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
A. DE FEITEN
1.
De ee
rste en de tweede beklaagde zijn de eigenaars van een woning gelegen aan de
. Het perceel is gelegen in landschappelijk waardevol
agrarisch gebied (open ruimtegebied bedoeld in artikel 6.3.3 §3, eerste lid, 2° VCRO). De
woning bevindt zich aan de rand van in een kleine gebouwencluster (stuk 2 beklaagden).
Uit de bijgevoegde landschapsfoto blijkt dat links en rechts van de woning van de beklaagden
zich landbouwbedrijven met een woning bevinden. Deze gebouwen zijn uiteenlopend van
typologie en functie en staan verschillend ingeplant zowel wat betreft de voorbouwlijn, de
bouwdiepte als de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen.
2.
Op 27 mei 2020 stelde , beëdigd verbalisant ruimtelijke ordening, het volgende
vast:
- het achterste gedeelte van de bestaande achterbouw werd afgebroken en vervangen
door een nieuwe achterbouw met dezelfde afmetingen; de achterbouw heeft een
diepte en breedte van 5 meter en een hoogte van ongeveer 2 meter; de constructie
bevindt zich tegen de rechterperceelgrens; deze werken zijn vergunningsplichtig;
- op een luchtfoto van 2019 is op dezelfde plaats een constructie te zien dewelke thans
werd afgebroken en vervangen door de geviseerde achterbouw; diezelfde constructie
was reeds te zien op een luchtfoto van 2002 en was toen reeds onvergund;
- op 18 april 1980 (80/242) werd aan de toenmalige eigenaar een
bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning met drie bijzondere
voorwaarden waaronder (1) de bouwlijn zoals aangegeven door de Stadsingenieur te
volgen en (2) de woning te verbouwen zoals aangeduid op bijgevoegd plan; op dit bij-
horend bouwplan was de thans geviseerde achterbouw niet getekend (stuk 13-14 straf-
dossier).
Gelet op deze vaststellingen werd een proces-verbaal opgesteld. Er werd geen stakingsbevel
opgelegd. Er werden tevens foto’s van de vaststellingen aan het proces-verbaal gevoegd. De
beklaagden hebben na deze vaststellingen, tot op heden, de werken niet verder gezet.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 5
3.
De t
weede beklaagde verklaarde in het bijzijn van de eerste beklaagde op 10
september 2020 dat zij samen de woning in 2013 hebben gekocht. De bestaande achterbouw
was toen in een slechte staat. In de zomer van 2019 hebben ze de achterbouw afgebroken met
de bedoeling daar een nieuwe achterbouw te bouwen. De zijmuur op de perceelsgrens bleef
staan. Omdat ze dachten dat de oude achterbouw vergund was, hebben ze zich
voorafgaandelijk niet bevraagd over de eventuele vergunningsplicht. Ze zouden thans een
regularisatieaanvraag indienen. De eerste beklaagde verklaarde op 11 maart 2021 dat er nog
geen regularisatieaanvraag werd ingediend maar dat ze overwogen dit alsnog te doen. Hij had
verder niets te verklaren.
Op 16 augustus 2021 ontving het parket een schrijven van dat er geen
regularisatieaanvraag werd ingediend. Op dit schrijven werd met de hand nog genoteerd dat
de huidige situatie niet vergunbaar is.
4.
De herstelvordering van de burgemeester van werd bij het parket ingeleid
op 7 februari 2023. In de herstelvordering wordt de afbraak van de achterbouw inclusief de
fundering gevorderd. De vrijgekomen ruimte moet met grond aangelegd en beplant worden.
Er wordt een hersteltermijn van zes maanden gevorderd en de machtiging van de
burgemeester tot het uitvoeren van de bevolen herstelmaatregel in de plaats van de
veroordeelden op grond van artikel 6.3.4 §1 VCRO. Er wordt een dwangsom van 100 EUR
gevorderd. De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering verleende op 17 januari 2023 een
positief advies.
De beklaagden hebben bij monde van hun raadsman een gemotiveerde nota aan de Hoge
Raad voor de Handhavingsuitvoering overgemaakt waarin geargumenteerd werd dat de
geviseerde achterbouw opgericht werd in 1974 en dus voor de eerste inwerkingtreding van
het ter plaatse gewestplan. De achterbouw betreft op grond daarvan - volgens hen - een
vergund geachte constructie waaraan zij zonevreemde basisrechten kunnen ontlenen.
De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering treedt in haar advies de beklaagden niet bij en
stelt onder meer: “Zoals hiervoor is behandeld, komt de geviseerde achterbouw niet voor op
het grondplan van de voornoemde vergunning van 18 april 1980 en betreft het, voor zoveel als
reconstrueerbaar, een onvergunde constructie. Op een luchtfoto van Geopunt verkregen door
eigen onderzoek van de Raad, met als opnamedatum 22 mei 1988 volgens Geopunt en dus van
een latere datum dan de eerste inwerkingtreding van het gewestplan, is de achterbouw op het
kwestieuze perceel niet zichtbaar. De geviseerde achterbouw voor het eerst zichtbaar op een
door eigen onderzoek van de Raad via Geopunt verkregen luchtfoto ‘winter’ 2000-2003, met
als opnamepunt volgens Geopunt 27 maart 2002. Uit wat hiervoor is gesteld, volgt dat er geen
elementen zijn die aannemelijk maken dat de geviseerde achterbouw aantoonbaar dateert van
voor de eerste inwerkingtreding van het gewestplan, wat meebrengt dat de geviseerde
achterbouw niet aantoonbaar een vergund geachte constructie betreft waaraan de
vermoedelijke overtreders zonevreemde basisrechten kunnen ontlenen ”.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 6
Verd
er wijst de Hoge Raad voor Handhavingsuitvoering in haar advies er nog op dat: “Ten
dezen merkt de Raad nog op dat aan de hand van de luchtfoto’s van het eigen onderzoek van
de Raad blijk dat op het onmiddellijk ten zuiden aanpalende perceel tot 2017 belendende
verbouwing voorkwam, waarvan de configuratie aan de achtergevel kennelijk (een)
uitstulping(en) kende. Evenwel blijkt die belendende bebouwing op de meest recente luchtfoto
van 2021 van het eigen onderzoek niet meer voor te komen. Hieruit volgt dat als al binnen de
onmiddellijke omgeving, met na op het onmiddellijk ten zuiden aanpalende perceel,
bebouwing voorkwam met (zoals de luchtfoto’s tot 2017 aangeven) een vergelijkbare
achterbouw, die bebouwing thans niet meer voorkomt. Die niet langer bestaande bebouwing
kan derhalve geen referentiepunt meer vormen waaruit volgt dat de inplanting van de
geviseerde achterbouw eveneens voorkomt binnen de directe omgeving. Bovendien gaan de
vermoedelijke overtreders er in hun begoot aan voorbij dat, zoals hiervoor meer uitvoerig is
behandeld, de geviseerde achterbouw niet aantoonbaar een vergund geachte constructie
betreft waaraan zij dus evenmin aantoonbaar welk danig zonevreemd basisrecht kunnen
ontlenen. Zij gaan er verder aan voorbij dat de bestendiging van de inplanting op 27 meter
diep de thans nog door ruimtelijk wenselijk geachte inplanting van
maximaal 18 meter, met negen meter overschrijdt”.
5.
De eerste en de tweede beklaagde werden door het parket voor deze rechtbank en kamer
gedagvaard om te verschijnen op de zitting van 1 oktober 2024.
Op verzoek van de beklaagden werd de zaak voor behandeling uitgesteld gelet een lopende
regularisatieaanvraag.
Op 6 januari 2025 werd een weigeringsbeslissing geveld door het college van burgemeester
en schepenen van (stuk 3 beklaagden). De beklaagden hebben hiertegen
beroep aangetekend bij de Deputatie die tevens een weigeringsbeslissing velde op 3 juli 2025
(stuk 6 beklaagden).
De zaak werd behandeld op de zitting van 2 september 2025 alwaar de beklaagden werden
gehoord. De zaak werd vervolgens in beraad genomen.
B. BESPREKING VAN DE TENLASTELEGGINGEN
1.
De ee
rste en de tweede beklaagde dienen zich voor de rechtbank te verantwoorden wegens
de afbraak van de bestaande achterbouw en de oprichting van een nieuwe achterbouw,
gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, zonder omgevingsvergunning. De ten
laste gelegde periode betreft telkenmale de periode van 21 juni 2019 tot en met 27 mei 2020.
De eerste en de tweede beklaagde voerden geen betwisting omtrent deze hen ten laste
gelegde feiten noch in hun conclusies noch op de behandelende terechtzitting van 2
september 2025.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 7
Gelet
op de gegevens van het strafdossier, de niet betwisting door de beklaagden en gelet op
de objectieve vaststellingen van de bevoegde ruimtelijke verbalisant wiens vaststellingen
bekleed zijn met een bijzondere bewijswaarde; de foto’s betreffende deze vaststellingen en de
eigen verklaringen van de eerste en de tweede beklaagde waarbij geen betwisting werd
gevoerd, zijn de feiten onder de tenlasteleggingen A en B zoals telkenmale gekwalificeerd in
de dagvaarding met de daarin voorziene incriminatieperiode, bewezen in hoofde van de eerste
en de tweede beklaagde.
C. STRAFTOEMETING
1.
De r
echtbank legt voor de eerste en de tweede beklaagde overeenkomstig artikel 65, eerste
lid Strafwetboek één straf op voor de bewezen verklaarde feiten van de tenlasteleggingen A
en B samen.
Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van de
bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden, de eventueel van toepassing
zijnde strafverzwarende factoren en het strafverleden van beklaagden. De beide beklaagden
beschikken over een blanco strafverleden.
De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet de
eerste en de tweede beklaagde ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te
plegen en meer aandacht te besteden aan stedenbouwkundige verplichtingen.
2.
De eerste en de tweede beklaagde hebben zonder zich voorafgaandelijk te bevragen de
toenmalige achterbouw aan hun woning afgebroken en heropgebouwd zonder
voorafgaandelijke omgevingsvergunning.
Zij hebben daarbij hun eigen belang gesteld boven het belang dat de gemeenschap heeft bij
een goede ruimtelijke ordening. Zij wensten immers hun woning op illegale wijze uit te
breiden. De op te leggen straf moet duidelijk maken dat de naleving van de regels ter
bescherming van de ruimtelijke ordening ernstig genomen moeten worden en dat de
beklaagden zich niet ongestraft boven de wet kunnen stellen. De straf moet ook van aard zijn
de beklaagden ervan te weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen. Bovendien moet
ook rekening worden gehouden met de maatschappelijke kost die door de beklaagden
veroorzaakt wordt in de vorm van de noodzakelijke inzet van mensen en middelen voor de
handhaving. De inzet van inspectiediensten, politie en justitie betekenen voor de
gemeenschap een grote kost.
3.
Zowel de eerste als de tweede beklaagde verzoeken de rechtbank hen de gunst van de
opschorting van de uitspraak te verlenen. Het openbaar ministerie verleende een negatief
advies.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 8
Gelet
op het blanco strafverleden van elke beklaagde, het gegeven dat de beklaagden de
verbouwingswerken op een spontane wijze niet verder hebben gezet (en geen stakingsbevel
diende te worden opgelegd), het inmiddels verstreken tijdsverloop sedert de vaststellingen
meer bepaald thans meer dan vijf jaar (zonder dat de redelijke termijn in het gedrang is
gekomen) en tenslotte gelet op het hierna bevolen herstel waarmee de beklaagden zich nog
geconfronteerd zullen zien, oordeelt de rechtbank dat kan worden ingegaan op de vraag van
de beklaagden om hen deze gunst te verlenen.
De confrontatie met politie en justitie en hun plicht om het hierna bevolen herstel uit te
voeren, zal de beklaagden afdoende op het ontoelaatbare van hun handelen wijzen en van
aard zijn om recidive te vermijden. Gelet op de ernst van de vastgestelde inbreuk en de
beklaagden ertoe aan te zetten zich in de toekomst te blijven schikken naar de geldende
wetgeving en reglementering, zal de rechtbank de maximale proeftermijn van 5 jaar oplegge n.
D. HERSTEL
1.
De r
echtbank stelt vast dat het herstel op vandaag nog steeds niet is uitgevoerd. De
herstelvordering is derhalve nog steeds actueel.
De burgemeester van vordert het herstel in de oorspronkelijke toestand
meer bepaald door het afbreken van de achterbouw, inclusief fundering en waarbij de
vrijgekomen ruimte met grond wordt aangelegd en beplant; dit onder verbeurte van een
dwangsom van 100 euro per dag vertraging. Een hersteltermijn van zes maanden wordt
ruimschoots voldoende geacht. Tevens wordt gevraagd om op grond van artikel 6.3.4 §1 VCRO
de machtiging te verlenen aan de burgemeester en de stedenbouwkundig inspecteur
ambtshalve en op kosten van de beklaagden over te gaan tot uitvoering van de
herstelmaatregel.
De Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid verleende positief advies op 16 december 2022.
2.
De beklaagden stellen dat de herstelvordering niet kan worden aanvaard (1) wegens
strijdigheid met de decretale prioriteitenorde en (2) wegens kennelijk onredelijk. Het opleggen
van een meerwaardesom door hen begroot op 10.740,47 euro is volgens de beklaagden een
meer geschikte herstelmaatregel.
3.
De rechtbank is van oordeel dat de herstelvordering niet gesteund is op motieven die vreemd
zijn aan de goede ruimtelijke ordening of die uitgaan van een opvatting over de goede
ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is.
De constructie die de beklaagden willen afwerken is belastend voor het perceel. Immers,
indien de achterbouw heropgebouwd wordt zal de inplanting op 27 meter diepte de thans nog
door ruimtelijk wenselijk geachte inplanting van maximaal 18 meter, met
negen meter overschrijden. Deze overschrijding is kennelijk niet verenigbaar met de goede
ruimtelijke ordening ter plaatse.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 9
De b
etwisting die de beklaagden terzake voeren, onder meer met verwijzing naar de inhoud
weigeringsbeslissing van de deputatie dd. 3 juli 2025, is niet van aard om hieraan afbreuk te
doen.
De rechtbank stelt vast dat de beklaagden niet aantonen dat de oorspronkelijk (thans)
afgebroken achterbouw als vergund moet worden aanzien. Integendeel, uit het eigen
onderzoek van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering (zoals in essentie hierboven
weergegeven) is gebleken dat op een luchtfoto van Geopunt van 22 mei 1988 de achterbouw
op het kwestieuze perceel niet zichtbaar is (benadrukking van de rechtbank). Reeds op grond
van deze objectieve vaststelling staat het met zekerheid vast dat de achterbouw geen deel
uitmaakte van de vergunning van 18 april 1980, spijts alle overige argumentatie die de
beklaagden ter zake pogen te ontwikkelen waaronder het gegeven dat de toenmalige architect
“vergeten ” zou zijn om deze achterbouw op het bouwplan te tekenen.
De rechtbank stelt bovendien vast dat de beklaagden thans in conclusies de resultaten van het
eigen onderzoek van de Hoge Raad voor Handhavingsuitvoering meer bepaald de
geraadpleegde luchtfoto’s van Geopnt niet betwisten en ook geen andersluidende elementen
of tegenbewijs aanreiken.
Bovendien stelt de rechtbank vast dat de bouwdiepte van de achterbouw die beklaagden thans
beogen op te trekken wel degelijk strijdig is met de goede ruimtelijke ordening.
Immers, reeds op grond van de gegevens van het strafdossier meer bepaald de luchtfoto 2019
(stuk 17) en het situerings- en ligginsplan (stukken 18 en 19) staat het vast dat op het
onmiddellijk ten zuiden aanpalende perceel een gelijkaardige vergelijkbare achterbouw
(uitstulping) voorkwam die thans, blijkens de luchtfoto van 2021, niet meer bestaat. De
bestendiging van de onvergunde achterbouw zou dan ook kennelijk niet verenigbaar zijn met
de ter plaatse geldende goede ruimtelijke ordening. Het gegeven dat de buur van het
kwestieuze aanpalende perceel akkoord zou zijn met de heropbouw van de thans geviseerde
achterbouw, is daarbij niet relevant (en ook niet aangetoond).
Ook de stelling van de beklaagden dat op alle quasi omliggende percelen er sprake is van een
grote bouwdiepte, kan de rechtbank niet volgen nu tevens uit het eigen onderzoek van de
Hoge Raad voor Handhavingsuitvoering is komen vast te staan dat het om andersoortige
constructies gaat gelegen in een minder directe maar wel verderop gelegen omgeving dan de
woning van de beklaagden.
De schade die door de bewezen verklaarde bouwmisdrijven is berokkend aan de goede
ruimtelijke ordening, kan dan ook slechts worden opgeheven door het herstel van de plaats in
de oorspronkelijke toestand meer bepaald door het afbreken van de achterbouw, inclusief de
fundering en de heraanleg van de vrijgekomen ruimte met grond en beplanting. Het betalen
van een meerwaarde volstaat derhalve niet als herstelmaatregel.
Alle overige in conclusies ontwikkelde argumenten zijn naar van aard om deze conclusies en
overwegingen te ontkrachten.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 10
De ee
rste en de tweede beklaagden talmen om tot het herstel over te gaan, wordt terecht de
verbeurte van een dwangsom gevorderd bij niet naleving van het bevel tot herstel. De hierna
uitgesproken modaliteiten vormen een gepaste en noodzakelijk aansporing van de eerste en
de tweede beklaagde om tot het herstel over te gaan. Rekening houdend met de omvang van
de uit te voeren herstelwerken, voorziet de rechtbank in een hersteltermijn van zes maanden
zoals gevorderd.
De lange tijd sedert dewelke de eerste en de tweede beklaagde al konden overgaan tot het
herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand en de ruime termijn welke hen hiertoe
nog wordt verleend, brengen mee dat er geen reden is om bij toepassing van artikel 1385 bis,
laatste alinea Ger.Wb. nog een zekere termijn te bepalen waarna de veroordeelden pas de
dwangsom zullen kunnen verbeuren.
De rechtbank machtigt de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester van
om ambtshalve in de uitvoering van het herstel te voorzien wanneer de beklaagden
dit niet zelf binnen de gestelde termijn zouden doen (artikel 6.3.4 §1 VCRO).
BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
Omdat het door beklaagde gepleegde misdrijf mogelijk schade heeft veroorzaakt, houdt de
rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig artikel 4 van de
Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering (art. 4 V.T.Sv.).
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 - Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
art. 1, 2, 3, 7, 65, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen aangehaald
in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
art. 1 (§1, 1° en §2), 3, 5, 6, 13 van de Wet van 29 juni 1964;
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 11
DE RE
CHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van , eerste beklaagde
Verk
laart de tenlasteleggingen A en B lastens bewezen.
Gelast de OPSCHORTING van de uitspraak van de veroordeling ten voordele van
gedurende een termijn van 5 jaar vanaf heden.
Veroordeelt tot betaling van:
een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
solidair met medeveroordeelde tot de kosten van de strafvordering, op
heden begroot op 348,05 EUR .
Ten aanzien van , tweede beklaagde
Verk
laart de tenlasteleggingen A en B lastens bewezen.
Gelast de OPSCHORTING van de uitspraak van de veroordeling ten voordele van
gedurende een termijn van 5 jaar vanaf heden.
Veroordeelt tot betaling van:
een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 12
een
vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
solidair met medeveroordeelde tot de kosten van de
strafvordering, op heden begroot op 348,05 EUR.
HERSTEL
Beveelt aan op vordering van de
burgemeester/gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur van de van het
herstel in de oorspronkelijke toestand met betrekking tot het perceel gelegen te
kadastraal gekend als
eigendom van
door: het afbreken van de achterbouw, i nclusief de fundering. De vrijgekomen ruimte moet
met grond aangelegd en beplant worden.
Bepaalt de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen op 6 maanden .
En dit onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging in de nakoming
van dit bevel lastens elke beklaagde.
Zegt voor recht dat de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester, indien het vonnis
niet vrijwillig wordt uitgevoerd binnen voormelde termijn, ambtshalve in de uitvoering ervan
kunnen voorzien, overeenkomstig artikel 6.3.4 §1 VCRO, op kosten van de veroordeelden.
OP BURGERLIJK GEBIED
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Rolnummer Derti gste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 13
Dit
vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 7 oktober 2025 door de
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI:
- , rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting ,
met bijstand van griffier .